Skip to main content

Full text of "Nederland en zijne bewoners. Handboek der aardrijkskunde en volkenkunde van Nederland .."

See other formats


This  is  a  digital  copy  of  a  book  that  was  preserved  for  generations  on  library  shelves  bef  ore  it  was  carefully  scanned  by  Google  as  part  of  a  project 
to  make  the  world's  books  discoverable  online. 

It  has  survived  long  enough  for  the  copyright  to  expire  and  the  book  to  enter  the  public  domain.  A  public  domain  book  is  one  that  was  never  subject 
to  copyright  or  whose  legal  copyright  term  has  expired.  Whether  a  book  is  in  the  public  domain  may  vary  country  to  country.  Public  domain  books 
are  our  gateways  to  the  past,  representing  a  wealth  of  history,  culture  and  knowledge  that 's  often  difficult  to  discover. 

Marks,  notations  and  other  marginalia  present  in  the  original  volume  will  appear  in  this  file  -  a  reminder  of  this  book's  long  journey  from  the 
publisher  to  a  library  and  finally  to  you. 

Usage  guidelines 

Google  is  proud  to  partner  with  libraries  to  digitize  public  domain  materials  and  make  them  widely  accessible.  Public  domain  books  belong  to  the 
public  and  we  are  merely  their  custodians.  Nevertheless,  this  work  is  expensive,  so  in  order  to  keep  providing  this  resource,  we  have  taken  steps  to 
prevent  abuse  by  commercial  parties,  including  placing  technical  restrictions  on  automated  querying. 

We  also  ask  that  you: 

+  Make  non- commercial  use  of  the  files  We  designed  Google  Book  Search  for  use  by  individuals,  and  we  request  that  you  use  these  files  for 
personal,  non-commercial  purposes. 

+  Refrainfrom  automated  querying  Do  not  send  automated  queries  of  any  sort  to  Google's  system:  If  you  are  conducting  research  on  machine 
translation,  optical  character  recognition  or  other  areas  where  access  to  a  large  amount  of  text  is  helpful,  please  contact  us.  We  encourage  the 
use  of  public  domain  materials  for  these  purposes  and  may  be  able  to  help. 

+  Maintain  attribution  The  Google  "watermark"  you  see  on  each  file  is  essential  for  informing  people  about  this  project  and  helping  them  find 
additional  materials  through  Google  Book  Search.  Please  do  not  remove  it. 

+  Keep  it  legal  Whatever  your  use,  remember  that  you  are  responsible  for  ensuring  that  what  you  are  doing  is  legal.  Do  not  assume  that  just 
because  we  believe  a  book  is  in  the  public  domain  for  users  in  the  United  States,  that  the  work  is  also  in  the  public  domain  for  users  in  other 
countries.  Whether  a  book  is  still  in  copyright  varies  from  country  to  country,  and  we  can't  offer  guidance  on  whether  any  specific  use  of 
any  specific  book  is  allowed.  Please  do  not  assume  that  a  book's  appearance  in  Google  Book  Search  means  it  can  be  used  in  any  manner 
any  where  in  the  world.  Copyright  infringement  liability  can  be  quite  severe. 

About  Google  Book  Search 

Google's  mission  is  to  organize  the  world's  Information  and  to  make  it  universally  accessible  and  useful.  Google  Book  Search  helps  readers 
discover  the  world's  books  while  helping  authors  and  publishers  reach  new  audiences.  You  can  search  through  the  full  text  of  this  book  on  the  web 

at  http  :  //books  .  google  .  com/| 


irïïwi 


vA 


) 


rrm 


tlwtdiik» 


.f 


*fj 


corincheik:^    •rpsiw^ 


Nederland  en  zijne  bewoners 


Hendrik  Blink 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 

tUCHSIHDCRtl       ^ 


Google 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


NEDERLAND 


EN 


ZIJNE    BEWONERS. 


Haodboek  dtr  iardrijkskande  en  Yolkenkonde  van  Hederland 


HET  KAARTEN  EN   AFBEELDINGEN 


Dr.    H.    BLINK. 


TWEEDE  DEEL. 


AMSTERDAM. 

S.   L.   VAN    LOOY.  |  H.   GERLINGS. 

1892. 


Digitized  by 


Google 


^^HP  co,7^ 


t89fi 


U 


Digitized  by 


Google 


VOORBERICHT. 


Ik  gevoel  den  plicht,  die  er  op  mij  rust,  om  in  een  voorbericht 
een  en  ander  omtrent  de  geschiedenis  van  dit  werk  mede  te  deelen, 
en  den  tol  der  dankbaarheid  te  betalen  aan  hen,  die  mij  op  ver- 
schillende wijzen  bij  dezen  arbeid  zoo  onvermoeid  en  hulpvaardig 
ter  zijde  stonden.  Thans  voldoe  ik  evenwel  daaraan  niet,  omdat 
ik,  hetgeen  mij  op  het  hart  ligt,  liever  wil  besparen  tot  de 
verschijning  van  het  laatste  deel,  dat  ter  perse  gaat  en  spoedig 
het  licht  zal  zien. 

Amsterdam,    4  April  1892.  H.  Blink. 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


XI.  HET  LAND  EN  DE  WATEREN  TUSSCHEN  DE  LEK 

EN   DE   NIEUWE  MAAS  IN  HET  ZUIDEN  EN  DE 

ZUIDERZEE-DIJKEN    EN    DE   DIJKEN    DER 

IJPOLDERS  IN  HET  NOORDEN. 


LITTERATUUR. 

1.  Topografische  kaart.   Schaal  i  :  50000. 

2.  Waterstaatskaart.    Schaal  i  :  50000. 

3.  Overzichtskaart  van  de  boezemwateren,  polders  en  wegen  in  Rijnland,  1S84. 
Schaal  i  :  50000. 

4.  Kaart  van  den  HoUandschen  IJsel  door  E.  Olivier  en  D.  Leijds. 
Schaal  i  :  loooo,  1860. 

5.  Versl.  der  Openbare  werken  aan  den  Koning. 

6.  Prov.  Versl.  der  Prov.  Utrecht,  Zuid-Holland  en  Noord- Holland. 

7.  Overzicht  der  scheepvaart-kanalen  in  Nederland.  (Uitgegeven  door  het 
Min.  van  Waterstaat,  Handel  en  Nijverheid,  (1879  en  1888.} 

8.  Droogmaking  van  den  Kortenhoefschen  polder  en  de  Horstermeer,  1856. 

9.  Rapport  over  de  verbetering  van  den  Holl.  IJsel  (Versl.  Op.  Werken,  1853). 

10.  J.  A.  Beyerinck.  Geschied-  en  waterbouwkundige  beschrijving  van  den 
Zuidplaspolder  (Verh.  Kon.  Inst.  v.  Ing.  1851—52). 

11.  W.  F.  Gevers  Deynoot.  Statistieke  opgave  en  beschrijving  van  het  Hoog- 
heemraadschap Schieland  (Nieuwe  Verh.  Bat.  Gen.  te  Rot.  1850). 

12.  De  Prins  Alexandcrpolder  (N.  Rott.  Courant,  1872).    . 

13.  A.  A.  J.  Meylink.  Geschiedenis  van  het  Hoogheemraadschap  en  de  lagere 
waterschapsbestnren  van  Delfland,  1847. 

14.  Storm  fiuysingh,  van  der  Kun  en  Schol  ten.  Verbetering  van  Delfiands 
waterstaat  (Verh.  Kon.  Inst.  v.  Ing.  1852—53). 

15.  M.  G.  Beyerinck.  Statistieke  opgaven  betreffende  den  waterstaat  van  het 
hoogheemraadschap  Delfland  en  van  de  Krimpenerwaard  (Nieuwe  Verh. 
Bat.  Gen.  Rot.  IX). 

1.2.  I 


Digitized  by 


Google 


i6.  J.  A.  Scholten.  Beschouwing  van  de  Schie  en  derzelver  betrekking  als 
boezem  voor  de  ontlasting  der  polderlanden,  1834. 

17.  A.  Blanken.  Verhandeling  over  de  verbetering  van  de  Krimpener  waard 
(Verh.  Bat.  Gen.  1806,  IV). 

18.  J.  vanderVegt.  De  Haagsche  waterverversching(Haagsch  Jaarboekje,  1889). 

19.  J.  V.  Heurn.  De  water verversching  van  den  Haag  en  de  verontreiniging 
van  het  zeewater  te  Scheveningen  (De  Ingenieur,  1888). 

20.  £.  II.  Stieltjes.  Nogmaals  de  waterverversching  van  'sGravenhage  De 
Ingenieur  1888.) 

21.  D.  T.  Gevers  van  Endegeest.  Het  Hoogheemraadschap  van  Rijnland,  1871. 

22.  F.  W.  Conrad.  Geschiedkundige  aanteekeningen  betrekkelijk  het  Hoog- 
heemraadschap van  Rijnland  en  deszelfs  verschillende  uitwateringen  (Vaderl. 
Letteroefeningen,  1832,  II). 

23.  A.  van  Egmond.  Beschrijving  van  den  waterstaat  van  het  Hoogheemraad- 
raad  van  Rijnland  (Verh.  Bat.  Gen.  2e  reeks  1867,  I,  2e  stuk). 

24.  E.  F.  van  Dissel.  Overzicht  van  Rijnlands  waterstaat  van  1859  tot  1885. 

25.  E.  F.  van  Dissel.  Alphabetische  lijst  der  boezemwateren  van  Rijnland,  1887. 

26.  C.  H.  Dee.  Memorie  omtrent  den  hoogen  Rijndijk,  1879. 

27.  C.  H.  Dee.  Memorie  omtrent  den  Wierickérdijk,  1881. 

28.  S.  H.  Miller.  Prize  essay  on  evaporation,  1878. 

29.  C.  H.  D.  Buys  Ballot.  Hoe  zal  men  de  verdampingshoeveelheid  bepalen 
voor  polders,  (Versl.  en  med.  der  Kon.  Akad  v.  W.  Nat,  1879). 

30.  Verslagen  over  den  waterstaat  van  Rijnland. 

31.  R.  Fruin.  De  opkomst  van  Rijnland  (Versl.  en  med.  der  Kon.  Akad.  v. 
Wetensch.  Letterk.  1888). 

32.  G.  Acker  Stratingh.  Aloude  staat  der  Ned.  I.  1847. 

33.  Conrad.  Verspreide  bijdragen. 

34.  Simon  v.  Leeuwen.  Batavia  illustrata.  1685. 

35.  A.  P.  Twent.  Bedenkingen  en  aanmerkingen  over  den  waterstaat  van 
Rijnland,  1802. 

36.  J.  P.  V.  Amersfoordt.  Het  Haarlemmermeer  in  zijn  oorsprong  en  geschie- 
denis (Lezingen  in  Felix  Meritis,  185Ó). 

37.  J.  Leeghwater.  Het  Haarlemmermeerboek  13c  druk  door  v.  Hasselt,  1878. 

38.  Historie  der  verschillende  voorslagen  om  het  Haarlemmermeer  droog  te 
maken  (Letterbode  18 19,  I). 

39.  A.  H.  V.  der  Boon  Mesch.  De  droogmaking  van  het  Haarlemmermeer 
(Tijdschr.  V.  Nijverheid,  1885,  XVIII). 

40.  Beknopt  overzicht  van  de  droogmaking  van  het  Haarlemmermeer  (Sloets* 
Tijdschrift,  1855,  XII). 

41.  D.  T.  Gevers  van  Endegeest.  Over  de  droogmaking  van  het  Haarlemmer- 
meer, 1843—61. 


Digitized  by 


Google 


42.  J.  Ie  Francq  van  Berkhey.  Natuurlijke  historie  van  Holland,  1769. 

43.  J.  ter  Gouw.  Geschiedenis  van  Aipsterdam,  1879  enz. 

44.  B.  G.  A.  van  Pabst    De  Hydrarchia  Bijleveld,  1836. 

45.  C.  A.  W.  V.  Hoorn.  Een  woord  aan  Amstelland  (Economist    1870). 

46.  Groot  placaatboek  van  Utrecht. 

47.  Wetsontwerp  tot  verbetering  van  de  Keulsche  vaart,  1881. 

48.  Wet  van  29  Juli  1881,  Staatsbl.  NO.  143. 

49.  Wet  van  15  Mei  1884,  Staatsbl.  NO.  106. 

50.  Kaart  van  het  kanaal  van  Amsterdam  naar  de  Merwede,  schaal  i  :  50000. 

51.  N.  P.  Kapteijn.  Het  Merwede-kanaal  (Nieuws  v.  d.  Dag  10— i2Dec:  1888). 

52.  A.  M.  C.  V.   Asch   V.    Wijck.  Geschiedkundige  beschouwing  van  het  oude 
handelsverkeer  der  stad  Utrecht.    1846. 

53.  Cluverius.  Over  de  drie  uitmondingen  van  den  Rijn,  1709  enz. 

54.  M.  J.  H.  Plantinga.  Militaire  aardrijkskunde. 

55.  Seyffardt.  De  vesting  Holland. 

56.  A.  A.  Beekman.  Nederland  als  polderland  1885  en    De   strijd   om   het  be- 
staan 1887. 

57.  T.  J.  Stieltjes.  Militaire  Studiën  I.  Over  militaire  inundatifin,  1878. 

58.  Tegenwoordige  staat.  Noord* Holland,  Zuid-Holland  en  Utrecht. 

§    I.      ALGEMEEN   OVERZICHT. 

Ten  westen  van  de  Geldersche  Vallei  strekt  zich  door  de  pro- 
vincie Utrecht,  van  den  Heimenberg  (40  M.)  aan  den  Rijn  ten 
oosten  langs  Driebergen  en  Zeist  naar  het  N.  W.  en  verder  langs 
'sGraveland  en  Huizen  (Noord-Holland)  meer  in  de  noordelijke 
richting  ombuigend,  een  hooge  zand-  en  grintrug  uit,  (hoogste 
toppen  bijna  70  M  -f-  A  P)  welke  de  Geldersche  Vallei  in  het  westen 
afsluit.  Deze  rug,  wij  zullen  hem  met  den  naam  van  Vtrechtsch- 
Gooische  heuvelen  aanduiden,  vormt  de  waterscheiding  tusschenhet 
Eemgebied  (waarover  wij  later  spreken)  ten  oosten  en  het  gebied 
van  den  Krommen  Rijn  en  van  de  Vecht  ten  westen. 

Het  land  ten  westen  van  de  Utrechtsch-Gooische  heuvelen  tot 
de  Lek  en  de  Nieuwe  Maas  in  het  zuiden,  de  Zuiderzee  en 
het  vroegere  IJ,  de  tegenwoordige  IJ-polders,  in  het  noorden  en 
den  binnenkant  van  de  duinen  langs  de  Noordzee  in  het  westen, 
maakt  oro-hydrographisch  een  aaneengesloten  geheel  uit.  Wel 
vindt   men  in   dit  gebied   een  groot  aantal  wateren,  die  de  opper- 


Digitized  by 


Google 


vlakte  des  lands  doorsnijden,  en  gedeeltelijk  boven,  gedeeltelijk  be- 
neden het  land  liggen,  doch  deze  worden  grootendeels  door  den  regen 
binnen  de  aangewezen  grenzen  gevoed.  Groote  rivieren  of  van 
buiten  komende  stroomen  doorsnijden  dit  land  tegenwoordig  niet 
meer.  Voor  het  buitenwater  is  dit  gebied  zoo  goed  als  afgesloten,  en 
de  afwateringstelsels,  welke  men  er  vindt,  dienen  bovenal  om  het 
overtollige  regenwater,  dat  binnen  zijn  eigen  grenzen  valt,  af  te 
leiden  of  tijdelijk  te  bergen. 

In  het  zuiden  wordt  die  afsluiting  gevormd  door  de  noorder 
Lekdijken:  de  Lekdijk  Bovendams  en  Benedendams^  die  wij  op 
pag.  354  reeds  bespraken,  en  door  de  hooge  IJsel-  tn  Maasdijken  ; 
in  het  oosten  vormt  genoemde  Uirechtsch-Gooische  heuvelrug  de 
natuurlijke  waterscheiding;  in  het  noorden  zijn  het  de  dijken  van 
de  Zuiderzee  en  ten  zuiden  van  de  I /polders  en  in  het  westen  is 
het  de  duinenrij,  welke  de  natuurlijke  grens  vormt.  In  het  oosten 
en  westen  zijn  de  orographische  afscheidingen  dus  natuurlijke, 
in  het  noorden  en  zuiden  zijn  het  kunstmatige.  Daaruit  kan 
men  reeds  met  grond  afleiden,  dat  aan  den  Z.  en  N.  kant  de 
menschelijke  arbeid  grooten  invloed  gehad  heeft  op  de  afsluiting 
van  het  besproken  gebied  van  de  omringende  wateren  en  tot  het  vor- 
men van  een  zelfstandig  geheel.  Hij  vormt  een  belangrijke  factor 
in  de  ontwikkelingsgeschiedenis  van  dit  gebied,  zooals  wij  weldra 
zullen  zien. 

De  algemeene  orographische  vorm  van  dit  gebied  is  zeer  een- 
voudig. In  het  oosten  vindt  men  de  westelijke  af  helling  van  de 
Utrechtsch-Gooische  heuvelen,  welke  de  grootste  terreinverschillen 
oplevert.  Van  de  grootste  hoogten,  die  van  Renen  tot  Soesterberg 
ruim  60  M.  hoog  zijn,  daalt  de  bodem  in  het  westen  snel  toteene 
hoogte  van  25  è,  50  M.  +  A.  P.,  welke  naar  den  Krommen 
Rijn  verder  met  een  drietal  smalle  strooken  van  10  è.  25,  van  5  k 
10  M.  en  van  i  tot  5  M.  +  A.  P.  afdaalt.  De  Kromme  Rijn 
loopt  van  Wijk  bij  Duurstede  tot  Odijk  door  een  terrein  van 
I  tot  s  M.  +  A.  P.  en  ten  noorden  van  Odijk  zet  zich  dit 
terrein  als  een  smalle  strook  rechts  van  den  Krommen  Rijn  naar 
het  N.  W.  en  N.  voort,  om  langs  de  Zuiderzee  en  de  Eem  weer  (doch 


Digitized  by 


Google 


buiten  de  grenzen  van  het  gebied,  dat  wij  thans  bespreken),  een 
grooter  oppervlakte  in  te  nemen. 

Van  Odijk  naar  Utrecht  loopt  de  Kromme  Rijn  door  een  terrein 
van  =  A.  P.  tot  I  M.  +  A.  P.  Deze  bodemhoogte  beslaat  een  smalle 
strook  gronds  ten  O.  van  Utrecht,  welke  zich  met  afwisselende 
breedte  over  de  Lek  door  Z.-Holland  en  Gelderland  en  door  Noord- 
Brabant  voortzet. 

Ongeveer  ten  W.  der  lijn  Vreeswijk — Utrecht — Naarden  heeft 
het  geheele  terrein  tot  aan  de  geestgronden  bij  de  duinen  eene 
bodemhoogte  van  2  M.  —  A.  P.  tot  =  A.  P.,  gemiddeld  ongeveer 
1,5  M.  —  A.P.  Alleen  de  smalle  ruggen  der  dijken  en  kaden  om  de 
polders  en  langs  boezems  en  rivieren  verheffen  zich  in  een  meer  of 
minder  regelmatig  kruisnet  tot  aanzienlijker  hoogten  uit  dit  lager 
effen  terrein.  De  zuidelijke  afsluitingsdijken  zijn  van  8,7  M.  H- 
A.  P.  bij  Wijk  bij  Duurstede  tot  3,5  M.  +  A.  P.  nabij  denMaas- 
mond  en  de  noordelijke  langs  de  Zuiderzee  en  de  IJpolders  3  k 
3,50  M.  +  A.  P.  hoog. 

Terwijl  men,  de  duinen  en  de  dijken  buiten  gesloten,  bijna  geen 
voor  't  bloote  oog  merkbare  verheffingen  in  dit  gebied  vindt,  heeft 
men  er  wel  het  omgekeerde  van  locale  hoogten  of  negatieve  heu- 
vels. Men  vindt  hier  namelijk  verschillende  drooggemaakte  meren, 
droogmakerijen^  waar  de  bodem  duidelijk  merkbaar  en  snel  tot  een 
lager  niveau  daalt.  Op  de  algemeene  hoogtekaart  springen  die  lagere 
gedeelten  reeds  direct  in  het  oog.  De  Prins  Alexander-polder,  de 
laagste  dier  droogmakerijen,  heeft  zelfs  te  midden  van  omringende 
terreinen,  die  1,50  M.  —  A.  P.  zijn,  in  haar  laagste  gedeelte  een 
hoogte  van  5  k  5,75  M.  —  A.  P.  De  bodem  in  den  Zuidplaspolder 
zal  ongeveer  5  M.  —  A.P.  liggen.  De  Zevenhovensche  droogmakerij 
ligt  lager  dan  5  M.  —  A.  P.;  het  zomerpeil  is  er  6  M.  —  A.  P. 
De  Haarlemmermeerpolder  ligt  gemiddeld  4,1  M.  —  A.  P. 

Dit  lage  land  van  2  M.  —  A.  P.  tot  =  A.  P.  hoog,  dat  door 
natuurlijke  hoogten  in  het  O.  en  W.  en  door  dijken  in  het  Z.  en 
N.  wordt  ingesloten  en  met  hooger  waterstanden  dan  de  bodem- 
hoogte bedraagt,  (Rijnlands  boezemwater  ligt  0,50^  0,60  M.  —  A.P.) 
omringd  en  doorsneden  is,  kan  geen  natuurlijke  afwatering  hebben. 


Digitized  by 


Google 


Ook  zullen  wij  bij  eene  nadere  beschouwing  der  enkele  deelenzien 
(zie  bij  de  beschrijving  van  Rijnland),  dat  de  bodem  bij  de  zachte 
glooiing,  die  hij  heeft,  niet  naar  het  westen  afhelt,  doch  in  de 
noordelijke  helft  bijv.,  ongeveer  in  delijnGouda— Amsterdam,  lager 
ligt  dan  verder  naar  het  westen.  Hieruit  kan  reeds  afgeleid  worden, 
dat  in  den  tijd,  toen  de  raensch  hier  de  geographische  gesteldheid 
nog  niet  veel  gewijzigd  had  of  regelde,  de  natuurlijke  afloop  van 
het  overtollige  water  naar  het  noorden  en  zuiden,  waar  toen  nog 
geen  afsluitende  dijken  waren,  moest  plaats  hebben.  Daarbij  kwam. 
dat  in  dien  tijd  de  Rijn  nog  water  van  buiten  in  dit  gebied  aan- 
voerde, iets  wat  tegenwoordig  al  in  zeer  geringe  mate  geschiedt. 

Doch  de  natuurlijke  toestand,  waarop  wij  bij  het  beschouwen  der 
historische  ontwikkeling  van  dit  land  nog  op  zullen  terugkomen, 
is  bijna  geheel  verloren  gegaan.  De  hydrographie  in  het  besproken 
gebied  is  bijna  geheel  een  kunstmatig  stelsel  geworden.  Wel  heeft  de 
mensch  er  partij  getrokken  van  enkele  natuurlijke  toestanden,  wel 
heeft  hij  plassen  en  riviertjes,  waar  zij  bestonden,  dikwijls  aangewend 
om  er  boezems  van  te  maken,  doch  door  dien  arbeid  hebben  deze 
wateren  het  oorspronkelijk  karakter  geheel  verloren.  Uit  de  helling  der 
terreinen  is  al  zelden  de  afloop  van  het  water  meer  af  te  leiden. 
Waterlossing  en  waterberging  van  de  onderscheidene  gedeelten  des 
lands  zijn  meestal  een  gevolg  van  oude  rechten  en  contracten. 

Het  land  heeft  de  bezitters  der  verschillende  gedeelten  door  ge- 
meenschappelijke belangen  dikwijls  tot  elkander  gebracht,  door 
tegenstrijdige  belangen  niet  zelden  in  strijd  gewikkeld.  De  resul- 
tante van  deze  verhoudingen  bepaalde  voor  het  vervolg  de  hydro- 
graphische  gesteldheid. 

Waar  wij  bij  deze  dus  dikwijls  onregelmatigheden  opmerken, 
welke  in  strijd  zijn  met  de  natuur,  moeten  wij  de  historie  meestal 
te  hulp  roepen  ter  verklaring.  Doch  in  hoofdzaak  bleef  de  aan- 
wijzing der  natuur  bewaard,  die  de  afwatering  van  het  besproken 
gebied  naar  het  noorden  en  zuiden  aanwees.  Eerst  in  deze  eeuw 
is  eene  zekere  afwatering  door  de  duinen  naar  het  westen  weder 
tot  stand  kunnen  brengen. 

Ten    opzichte   van  de  tegenwoordige  hydrographische  gesteldheid 


Digitized  by 


Google 


kan  men  het  beschreven  gedeelte  in  eenige  gebieden  verdeelen, 
welke  ieder  een  zelfstandig  stelsel  van  middelen  tot  waterberging 
en  waterafvoer  bezitten.    Zij  zijn: 

A.  Het  gebied  van  den  krommen  Rijn.  Dit  gebied  ligt 
nog  in  de  hoogere  gronden  en  dus  verschilt  er  de  waterontlasting 
zeer  van  de  overige  gedeelten.  De  waterafvoer  van  den  krommen 
Rijn  geschiedt  op  het  stadswater  van  Utrecht. 

B.  Het  gebied  van  den  Vaartschen  Rijn.  De  Vaartsche  Rijn 
ontvangt  water  uit  de  Lek  en  van  de  omringende  landen,  en  ligt 
te  Utrecht  gemeen  met  het  stadswater.  Dit  laatste  loost  weder 
op  de  Vecht. 

C  Het  gebied  van  den  Vechtboezem.  De  Vechtboezem 
vormt  van  Utrecht  de  voortzetting  van  den  Krommen  Rijn  en  den 
Vaartschen  Rijn  naar  het  noorden  en  loost  dit  water  bij  Muiden  in 
de  Zuiderzee.  De  boezem  van  het  Vtrechtsche  stadswater^  waarin 
beide  eerstgenoemde  zich  uitstorten,  vormt  den  overgang  tot  den 
Vechtboezem.  Daarenboven  dient  de  Vechtboezem  nog  tot  water- 
loozing  en  waterberging  van  de  omringende  landen,  die  er  door 
verschillende  wateren  meest  kunstmatig  op  loozen. 

Deze  drie  wateren  voeren  het  meeste  water  uit  het  oostelijkste  en 
hoogste  gedeelte  van  het  besproken  gebied  af. 

Verder  westelijk  vinden  wij: 

D.  Het  gebied  van  den  boezem  den  Hollandschen  IJsel 
en  van  den  Vlistboezem.  Deze  laatste  boezem  loost  zijn  water 
op  den  boezem  den  Hollandschen  IJsel  en  gezamenlijk  loozen  zij 
bij  Gouda  op  het  vrije  gedeelte  van  den  Hollandschen  IJsel. 

E.  Het  boezemgebied  van  de  Ringvaart  van  den  Zuid- 
plaspolder.  De  waterloozing  uit  dat  gebied  heeft  hoofdzakelijk 
plaats  op  den  Hollandschen  IJsel,  gedeeltelijk  op  de  Rotte  bij 
Zevenhuizen. 

F.  Het  boezemgebied  van  de  Ringvaart  van  den  Prins 
Alexanderpolder,  Deze  Ringvaart  loost  bij  het  Kralingsche  veer 
op  de  Nieuwe  Maas. 

G.  Het  gebied  van  den  Rotte-boezem.  Deze  boezem  loost 
te  Rotterdam  op  de  Nieuwe  Maas. 


Digitized  by 


Google 


8 

H.  Het  gebied  van  den  Schieboezem.  Deze  boezem  loost 
door  verschillende  sluizen  op  de  Nieuwe  Maas,  en  door  den  Haag 
op  de  Noordzee. 

De  bovengenoemde  boezems  van  D.  tot  en  met  H,  kan  men 
als  de  afwateringstelsels  van  het  land  ten  zuiden  van  de  lijn 
Leidschendam,  Gouda,  Montfoort  en  IJselstein  beschouwen.  Dit 
gebied  vindt,  zooals  wij  zagen,  zijn  afwatering  naar  het  zuiden 
op  de  Nieuwe  Maas.  De  Schieboezem  loost  echter  in  den  laatsten 
tijd  ook  door  den  Haag  op  de  Noordzee.  Ten  noorden  van  ge- 
noemjde  lijn,  (de  juiste  grens  bespreken  wij  later,  wij  geven  hier 
slechts  een  algemeene  grens)  heeft  de  afwatering  van  het  land 
hoofdzakelijk  naar  het  westen  en  noorden  plaats  (nog  een  weinig 
door  de  Gouwe  naar  het  zuiden).  De  afwateringstelsels  in  weste- 
lijke en  noordelijke  richting  zijn  tot  een  drietal  boezems  beperkt. 

Zij  zijn: 

/.  Amstellands  boezemgebied.  Dit  gebied  loost  op  de  Zui- 
derzee en  op  het  stads  water  van  Amsterdam. 

K,  Het  gebied  van  den  boezem  van  Woerden.  De  boezem, 
die  het  water  van  dit  gebied  bergt,  loost  door  een  sluis  in  den 
Ouden  Rijn  op  den  boezem  van  Rijnland. 

Z.  -  Het  gebied  van  den  boezem  van  Rijnland.  Deze  boe- 
zem heeft  in  Holland  het  grootste  voedingsgebied  en  wordt  hierin 
alleen  door  den  Frieschen  boezem  in  Nederland  overtroffen.  Hij 
loost  zijn  water  door  de  sluizen  bij  Katwijk  op  de  Noordzee,  op 
het  Noordzee-kanaal  door  verschillende  sluizen,  en  te  Gouda  nog 
een  weinig  op  den  HoUandschen  IJsel  door  de  Gouwe. 

De  Kromme  Rijn  en  de  Vaartsche  Rijn^  welke  beide  nog  ge- 
deeltelijk uit  de  Lek  gevoed  worden,  vormen  met  het  stadswater 
van  Utrecht  en  den  Vechthoezem  in  het  oosten  eene  slechts  door 
sluizen  afgebroken,  van  het  zuiden  naar  het  noorden  doorgaande 
waterafvoering.  Wij  zullen  deze  wateren  en  hunne  gebieden  eerst 
behandelen,  om  vervolgens  de  zuidelijke  en  daarna  de  noordelijke 
afwatering  in  genoemd  gebied  te  bespreken. 


Digitized  by 


Google 


§    2.      DE   KROMME  RIJN    EN   ZIJN   GEBIED. 

De  beschrijving  der  afzonderlijke  deelen  vangen  wij  aan  met  den 
Krommen  Rijn  en  zijn  gebied. 

Van  Wijk  bij  Duurstede  kronkelt  een  smal  watertje  met  tal  van 
scherpe  kleine  bochten  door  de  kleilanden,  die  op  korten  afstand 
van  den  rechter  oever  in  zandgronden  overgaan.  Dit  is  de  zoo" 
genaamde  Kromme  Rijn^  die  op  een  afstand  van  ongeveer  iVa 
tot  4  K.M.  evenwijdig  loopt  met  de  grens  der  zand-  en  kleigron- 
den.  De  breedte  van  den  Krommen  Rijn  is  bij  Wijk  bij  bij  Duur- 
rstede  6  M.  (op  kanaalpeil)  in  het  tweede  pand  i6  M.  in  het 
derde  pand  14  M.  en  in  het  benedengedeelte  12  tot  21  M.  i)  De 
geringste  waterdiepte  onder  kanaalpeil  is  0,66  M.  bij  Wijk  bij 
Duurstede,  in  het  tweede  pand  1,79  M.  in  het  derde  1,48  M.  en 
in  het  benedengedeelte  2  M.  2). 

De  Kromme  Rijn  was  oorspronkelijk  een  tak  van  den  Rijn  na  de 
splitsing  bij  Wijk  bij  Duurstede.  Bij  deze  plaats  werd  hij  echter  reeds 
vroeg  gedeeltelijk  afgedamd.  (Zie  pag.  403.)  Na  187 1  is  dit  water 
ten  behoeve  van  de  scheepvaart  zoowel  als  van  de  militaire  inun- 
datien  der  Nieuwe  Hollandsche  waterlinie  door  afsnijding  van 
bochten  en  doorgaande  verruiming  gekanaliseerd  en  tot  Werkhoven 
in  3  panden  verdeeld. 

Bij  Wijk  bij  Duurstede  staat  de  Kromme  Rijn  tot  zijne  voeding 
door  een  duikersluis  in  verbinding  met  den  Rijn.  Deze  sluis 
wordt  gesloten,  zoodra  het  water  van  de  Staienbrug  te  Neder- 
Langbroek  in  de  Langbroeker  Wetering,  die  door  de  Koiergrift 
in  verbinding  met  den  Krommen  Rijn  staat,  eene  hoogte  bereikt 
heeft  van  2,36  M.  +  A.  P.  Van  186 1 — 1870  was  hier  de  gemid- 
delde waterstand  2,21  M.   4-  A.  P. 

In  1886  was  de  gemiddelde  waterstand  aan  de  Statenbrug  2,25 
M.  +  A.  P.  en  in  dit  jaar  had  er  op  300  dagen  en  in  het  geheel 
gedurende  7000  uren  waterinlating  door  de  duikersluis  bij  Wijk  bij 


1)  Overzicht  der  scheepvaaitkanalen  in  Nederland  1888,  pag.  100. 

2)  Overzicht  der  scheepvaartkanalen  in  Nederland  1879,  pag.  56. 


Digitized  by 


Google 


10 


Duurstede  op  den  Krommen  Rijn  plaats.  In  1885  bij  den  gemid- 
delden waterstand  van  2,21  M.  +  A.  P.  aan  de  Statenbrug,  geschiedde 
er  op  288  dagen  gedurende  6718  uren  waterinlating  uit  de  Lek 
op  den  Krommen  Rijn  i).  Het  grootste  gedeelte  des  jaars  is  dus 
de  duikersluis  geopend  en  ontvangt  de  Kromme  Rijn  nog  water 
uit  den  Rijn. 

Behalve  door  de  duikersluis  kan  de  Kromme  Rijn  bij  zeer  lagen 
waterstand  en  in  *t  belang  der  militaire  inundatien  nog  gevoed  wor- 
den door  de  militaire  inundatiesluis  bij  Wijk  bij  Duurstede,  die  de 
Lek  met  den  Krommen  Rijn  verbindt.  Met  dit  doel  ligt  de  drempel 
van  de  inundatiesluis  lager  dan  die  van  de  duikersluis.  De  eerste  ligt 
0,55  M.  4-  A.  P.,  de  laatste  2,57  M.  4-  A.  P.  hoog.  De  inundatie- 
sluis is  1,60  M.  wijd.  de  duikersluis  1,23  M. 

De  Kromme  Rijn  is  door  de  kanalisatie  verdeeld  in  vier  panden. 
Het  eerste  pand  loopt  van  den  inlaatduiker  bij  Wijk  bij  Duurstede 
tot  de  schutsluis  even  beneden  die  stad.  Dit  pand,  iioo  M.  lang, 
staat  gelijk  met  het  stadswater  te  Wijk  bij  Duurstede.  Het  kanaal- 
peil  wisselde  af  van  2,15  tot  3,35  M.  +  A.  P. 

Het  tweede  pand  loopt  van  hier  tbt  de  schutsluis  te  Koten,  is 
4500  M.  lang  en  heeft  een  kanaalpeil  van  1,94  tot  2,80  M.  +  A.  P. 
Een  zijtak  loopt  van  hier  naar  de  militaire  inundatiesluis  in  den 
Lekdijk  en  kan  daardoor  bij  lagen  stand  gevoed  worden.  Het 
tweede  pand  stroomt  door  de  Kotergrift  en  de  Langbroeker  We- 
tering ook  nog  vrij  af  op  het  laagste  gedeelte  beneden  Werkhoven. 

Het  derde  pand  van  de  schutsluis  te  Koten  tot  die  te  Werk- 
hoven is  5700  M.  lang.  Het  kanaalpeil  liep  van  1879  tot  1883  van 
1,54  tot  2,30  M  4-  A.  P.  en  de  diepte  was  van  0,10  tot  0,35  M.  +  A.  P. 

Beneden  Werkhoven  staat  de  Kromme  Rijn  (15,7  K.M.)  in  vrije 
verbinding  met  het  stadswater  te  Utrecht,  dat  gemiddeld  0,60 
M.  +  A.  P.  hoog  staat,  en  kan  dus  in  dit  gedeelte  als  een  vrijstroo- 
mende  rivier  beschouwd  worden. 

De  waterstand  te  Bunnik  was  0,52  k  1,81  M.  +  A.  P. 

Behalve  door  de  genoemde  sluis  bij  Wijk  bij  Duurstede  en  in  enkele 


i)  Prov.  Versl.  van  Utrecht  1885  en  '86 


Digitized  by 


Google 


II 

gevallen  door  de  militaire  sluis  ontvangt  de  Kromme  Rijn  het 
water  van  het  omringende  land  langs  beide  oevers  door  verschil- 
lende kleine  stroompjes,  welke  er  in  uitmouden.  Onder  deze  kunnen 
wij  noemen  de  Ameronger-^  de  Langbroeksche-  en  Gooier-weterinq^ 
de  Kotergri/t,  de  Oud  Wulvensche  wetering  en  de  Meenistroom, 
De  landen  aan  die  stroompjes  en  aan  den  Krommen  Rijn  loozen 
hun  water  meest  op  geheel  natuurlijke  wijze;  slechts  de  Noord- 
polder^  een  klein  poldertje  bij  Wijk  bij  Duurstede,  wordt  soms 
bemalen. 

Door  het  water,  dat  de  Kromme  Rijn  op  die  wijze  ontvangt, 
heeft  hij  in  het  benedengedeelte  dikwijls  nog  een  vrij  snellen  stroom. 

§   3.      DE  VAARTSCHE   RIJN   EN   HET   STADSWATER  VAN   UTRECHT. 

De  Vaartsche  Rijn  staat  te  Vreeswijk  met  de  Lek  in  verbin- 
ding door  schutsluizen,  welke  door  de  verbetering  der  Keulsche 
vaart  thans  verlegd  worden  van  het  oosten  naar  het  westen  der 
stad.  Door  deze  sluizen  ontvangt  de  Vaartsche  Rijn  gedeeltelijk 
zijn  water.  Verder  ontvangt  hij  voeding  tusschen  Jutfaas  en  Vrees- 
wijk door  de  Schalkwij ksche  Wetering^  die  er  vrij  in  uitmondt. 
Deze  ontvangt  ook  nog  het  water  van  de  Waalsche  Wetering^  de 
Hoor nweier ing  en  andere  stroompjes,  die  de  afwateringskanalen 
van  het  land  tusschen  den  Vaartschen  Rijn  en  den  Krommen  Rijn 
vormen.  Te  Utrecht  staat  de  Vaartsche  Rijn  evenals  de  Kromme 
Rijn  in  vrije  verbinding  met  het  stadswater  en  gezamenlijk  loozen 
zij  door  de  Weerdsluis  enz.  op  de  Vecht.  Zoo  ontvangt  de  Vaart- 
sche Rijn  van  Utrecht  nog  voeding  uit  den  Krommen  Rijn  enden 
Meentstroom,  en  bovendien  door  het  afkomend  water  langs  de 
Biltsche-  en  Zeister  Grift. 

Slechts  weinige  landen  loozen  langs  natuurlijken  weg  op  den 
Vaartschen  Rijn.  Van  het  meeste  land  wordt  door  bemaling  het 
overtollige  water  op  de  doorloopende  weteringen  enz.  gevoerd, 
die   Vjcrder   op   den  Vaartschen  Rijn  loozen. 

De  Vaartsche  Rijn  heeft  een  lengte  van  1 1,800  K.  M.  Hij  maakt 
-een  deel  uit  van  de  zoogenaamde  Keulsche  vaart.  De  bodemdiepte 


Digitized  by 


Google 


van  den  Vaartschen  Rijn  is  0,76  M.  —  A.P.  Van  1858— 1867  was 
de  gemiddelde  waterstand  van  i  Mei  tot  i  Nov.  te  Vreeswijk 
0,55  M.  +  A.  P.,  en  van  i  Nov.  tot  i  Mei  0,65  M.  -f  A.  P.  Aan 
de  Weerdsluis  te  Utrecht  was  in  dezelfde  tijden  de  waterstand 
respectieveijk  4-  0,50  en  +  0,55  M. 

Het  verval  bedraagt  dus  in  den  zomer  0,55  —  0,50  =  0,05  M. 
tusschen  de  uiteinden  van  het  kanaal.  Hieruit  kan  men  aldus 
tot  eene  zeer  geringe  strooraing  naar  Utrecht  bestuiten. 

De  Vaartsche  Rijn  is  oorspronkelijk  een  kanaal,  dat  in  1148  ge- 
graven is  om  de  Lek  met  Utrecht  te  verbinden.  In  1373  werd  de 
eerste  sluis  te  Vreeswijk  aangelegd  op  kosten  der  stad  Utrecht. 

Naar  deze  vaart  verkreeg  het  plaatsje  Vreeswijk,  dat  hier  ont- 
stond, ook  den  naam  van  de  Vaart  i)  en  het  kanaal  werd  later 
Vaartsche  Rijn  genoemd.  Vreeswijk  werd  in  dien  tijd  als  de  sleutel 
van  de  Lek  beschouwd  en  daarom  door  Holland  dikwijls  aan  Utrecht 
betwist.  Om  hier  veiliger  te  zijn  werd  er  in  1373  een  kasteel 
gebouwd. 

De  benedenpanden  van  den  Krommen  Rijn  en  den  Vaartschen  Rijn^ 
staan  in  vrije  verbinding  met  het  Stadswater  van  Utreeht^  dat 
gevormd  word  door  verschillende  wateren  door  en  om  die  stad, 
als  de  Singel-  en  andere  grachten  van  Utrecht,  door  den  Ouden 
Rijn  tot  den  Stadsdara,  door  een  deel  van  de  Biltsche  Grift,  enz. 
Deze  wateren  vormen  als  het  ware  den  overgang  tot  de  Vecht^ 
waarop  zij  dan  ook  door  de  Weerdsluis^  door  een  kleinen  vrijen 
waterloop  en  door  het  water,  hetwelk  door  twee  fabrieken  loopt, 
(om  beweegkracht  te  leveren)  aflossen.  De  gemiddelde  waterstand 
bedroeg  bij  de  Weerdsluis  (van  187 1 — 1880)  0,54  M.  4-  A.  P.,. 
de  hoogste  0,97  +  A.  P.  de  laagste  0,20  M.  —  A.  P. 

Het  Stadswater  staat  door  sluizen  nog  met  andere  wateren  in 
verbinding.  De  boezem  van  de  Heikop  of  de  Lange  vliet  is  er 
mede  vereenigd  door  de  schutsluis  aan  den  Stadsdam  in  den  Be- 
neden-Rijn  (tot  dat  de  Vechtboezem  0,30  M.  +  A.  P.  staat  mag 
het  stoomgemaal   van  de  Heikop  op  het  Stadswater  uitslaan).    De 


1)  Vreeswijk.  UtrechtSche  Volksalmanak  1841. 


Digitized  by 


Google 


13 

Vleutcnsche  vaart  is  er  mede  verbonden  door  een  schutsluis  bij 
Jaffa,  \  uur  ten  W.  van  Utrecht.  Een  schutsluis  aan  den  Doorslag 
(ten  Z.  van  Jutfaas)  verbindt  den  Vaartschen  Rijn  met  den  Hol- 
landschen  IJsel 

§    4.      DE  VECHTBOEZEM   EN   ZIJN   GEBIED. 

Het  water,  dat  in  de  kom  van  Utrecht  door  Krommen  Rijn,  Vaart- 
schen Rijn  en  op  andere  wijze  samenloopt  wordt  van  hier  weder  door 
de  Weerdsluis  geloosd  op  den  Vechthoezem,  Deze  boezem  wordt 
gevormd  door  de  Vecht^  de  Nieuwe  Vecht  (de  afsnijding  van  een 
bocht  van  de  Vecht,  de  Korienhoefsche  Wetering  en  de  uitwatering 
van  het  Naarder  meer.  Deze  wateren  beslaan  te  zamen  eene  op- 
pervlakte van  240  H.  A.  Het  hoofdwater  van  dezen  boezem  is 
wel  de  Vecht  zelf  (waarnaar  hij  ook  genoemd  wordt)  die  in  den 
tijd,  toen  het  nog  een  arm  van  den  Rijn  was,  een  strook  van 
kleigronden  aan  de  beide  oevers  tusschen  grootendeels  met  lage 
venen  bedekte  landen  heeft  afgezet.  De  waterloozing  van  het  oos- 
telijk land  en  van  een  strook  langs  den  westkant,  heeft  dan  ook 
op  de  Vecht  plaats  en  langs  deze  door  de  sluis  bij  Muiden  op  de 
Zuiderzee. 

Het  land,  dat  op  den  Vechtboezera  afwatert,  beslaat  eene  opper- 
pervlakte  van  -^32000  H.  A.,  ten  oosten  van  Amstelland  gelegen. 
Hiervan  bedraagt  de  grootte  der  aangrenzende  polders,  welke  direct 
op  den  Vechtboezem  loozen,  19550  H.  A.,  waarbij  nog  iiooo 
H.  A.  boezemland  komt.  Verder  slaan  nog  verschillende  boezems, 
welke  wij  nader  zullen  opgeven,  het  water  van  11290  H.  A.gronds 
op  den  Vechtboezem  uit.  i) 

De  breedte  der  Vecht  wisselt  af  van  13  tot  115  M. 


i)  In  1888  had  er  waterdoorstrooming  plaats  door  de  sluis  bij  Wijk  bij 
Duurstede  5794  uren,  door  de  waaierdeuren  der  hulpsluis  te  Vreeswijk  4  uren, 
door  de  riolen  dier  sluis  4382  uren  en  door  de  riolen  der  Groote  sluis  te  Vrees- 
wijk 917  uren.  Aflating  van  dit  water  had  plaats  in  1888  door  de  waaierdeuren 
der  Weerdsluis  te  Utrecht  1769  uren,  door  de  schuiven  der  Weerdsluis  607  uren. 
Te  Muiden  had  men  in  1888  op  303  dagen  sluisgang.    (Prov.  Versl.  1888). 


Digitized  by 


Google 


14 

Tusschen  lage  doch  schilderachtige  oevers  met  tal  van  buitens  bezet 
en  meestal  door  lage  dijken  beschermd  loopt  de  Vecht  met  een 
zachte  bocht,  welke  naar  het  oosten  open  is  in  noordelijke 
richting.  Van  het  land,  dat  aldus  naar  het  oosten  omsloten  wordt, 
loopen  verschillende  afwateringskanalen  en  boezems  als  van  een 
centrum  uitgaande  divergeerend  naar  de  Vecht.  Beneden  zullen 
wij  die  wateren  leeren  kennen. 

De  waterstanden  op  de  Vecht  waren  van  187 1 — 1880  als  volgt: 


Gemidd. 
stand. 

Hoogste 
stand. 

Laagste 
stand. 

Utrecht 

Breukelen . . 

—  0,10           1  Maart  1877 

—  0,14           !  Maart  1877 

+  0,68  i  April 
+  0,65 ;  Mei 

1871I 

i872[ 

—  0,60 

Uitermeer. . 

—  0,19           1  Maart  1877 

+  0,65   Sept. 

1875 

—  0,68 

Muiden 

;  Maart  1877 

+  0,60  Oct. 

1875 

—  0,80 

(Vecht) . . 
Muiden  (Zui- 

-0,11     ; 

Jan.  1877  . 

iOct. 
4-  2,16   Nov. 

1875 
1877I 

—  0,80 

derzee)  . . 

—  0,11  vloed 

IDec. 

I 

1873 

—  0,94 

—  0,20  ebbe  j 

Wanneer  wij  nu  hierbij  in  aanmerking  nemen,  dat  de  gemid- 
delde hoogte  van  het  Stadswater  te  Utrecht  bij  de  Weerdsluis,  waar 
het  op  de  Vecht  uitwatert,  0,54  M.  +  A.  P.  is,  dan  zien  wij  gemiddeld 
een  verval  van  het  water  aan  genoemde  sluis  van  0,64  M.  Hierdoor 
kunnen  hier  nog  een  paar  fabrieken  door  het  stroomend  water  gedre- 
ven worden.  Van  Utrecht  tot  Muiden  bedraagt  het  gemiddeld  verval 
der  Vecht  slechts  0,09  M.  Hieruit  kan  men  afleiden,  dat  de  Vecht  een 
zeer  zacht  naar  het  noorden  stroomend  water  is.  Bij  vloed  kan  de 
afstrooming  van  de  Vecht  op  de  Zuiderzee  gewoonlijk  niet  plaats 
hebben;  bij  ebbe  is  de  zee  gemiddeld  0,01  M.  lager  dan  de  Vecht. 
Doch  de  meeste  ebbestanden  zijn  lager.  De  waterstanden  op  de 
Vecht  verschillen  nog  al  zeer,  zooals  uit  de  opgave  blijkt. 

Het  zomerpeil  der  polders  om  de  Vecht  wisselt  hoofdzakelijk 
af  van  —  0,35  tot  1.70  M.  A.  P.,  zoodat  de  gemiddelde  waterstand 
van  de  Vecht  hooger  is  dan  die  der  omringende  landen.  Hierdoor 
is  bemaling  der  polders  noodzakelijk. 

Een  tal  van  wateren  loozen  nog  op  den  Vechtboezem  en  breiden 


Digitized  by 


Google 


IS 

daardoor  het  afwateringsgebied  op  dien  boezem  zeer  uit  (met 
II 290  H.  A.  De  wateren,  welke  beneden  Utrecht  op  de  Vecht 
afwateren,  zijn  hoofdzakelijk  de  volgende: 

1.  De  Weteringen  van  het  waterschap  Blaartensdijk. 
Deze  weteringen  vereenigen  zich  tot  eene  hoofdwetering,  het 
Zwarte  Water  genaamd,  die  door  een  sluisje  met  een  vrije  af- 
strooming op  de  Vecht  bij  Utrecht  loost.  Ongeveer  2100  H.  A» 
land   langs   de   westhelling   der   waterscheiding  wateren  hierop  af. 

2.  De  boezem  van  de  Kerkeindsche  vaart.  Deze  boezem 
ontvangt  het  water  van  1160  H.  A.  lands  en  heeft  een  zomerstand 
van  —  0,40  A.  P.  Door  een  sluis  ontlast  hij  zich  bij  het  Fort  de 
Klop  op  de  Vecht. 

3.  De  Tlenhovensche  vaart.  Dit  kanaal  strekt  zich  uit  van 
den  Nieuw-Loosdrechtschen  weg  tot  de  sluis  van  het  Kraaiennest 
aan  de  Vecht.  In  1835  is  door  de  Provincie  Utrecht  met  het  graven 
van  dit  kanaal  begonnen  om  eene  verbinding  te  maken  tusschen  de 
Eem  en  de  Vecht.  Eenige  jaren,  tot  1839,  werd  de  arbeid  voortgezet 
en  toen  gestaakt,  zoodat  het  kanaal  onvoltooid  achterbleef.  In  1882 
is  zelfs  door  de  Staten  van  Utrecht  besloten  er  geen  geld  meer  voor 
beschikbaar   te    stellen,   zoodat    het   wel  onvoltooid  zal  blijven  i). 

Het  kanaal  bestaat  uit  twee  panden.  Het  bovenpand  1,6  K.  M. 
lang,  loopt  van  den  Nieuw-Loosdrechtschen  weg  tot  de  sluis  van 
het  Roodpannenhuis  en  wordt  gevoed  door  hetwater  van  225  H.  A. 
aangrenzende  hooge  zandgronden.  Dit  gedeelte  heeft  een  waterstand 
(1880-1884)  van  0,70  M.  —  A.  P.  tot  0,64  M.  +  A.  P.  Dit  boven- 
pand loost  het  overtollig  water  op  het  benedenpand. 

Het  benedenpand  der  Tienhovensche  vaart  loopt  van  de  sluis 
aan  het  Roodpannenhuis  tot  de  sluis  aan  het  Kraaienest  bij  de 
Vecht,  en  heeft  eene  lengte  van  10,4  K.  M.  De  voeding  van  dit 
pand  heeft,  behalve  uit  het  bovenpand,  hoofdzakelijk  plaats  uit  de 
Loosdrechtsche  plassen,  waarmede  het  gemeen  ligt.  De  waterstand 
was  (van  1879—83)  —  0,45  tot  0,79  M.  —  A.  P.  2). 


1)  Prov.  Versl.  v.  Utrecht  1885,  P^g-  I5- 

2)  Overzicht  der  scheepvaartkanalen  in  Nederland  1888,  pag.  102. 


Digitized  by 


Google 


i6 

4.  De  boezem  van  de  's  Gravelandsche  trekvaart,  de 
Naarder  trekvaart,  Kamemelksloot  enz.  Deze  boezem  ontlast 
zich  op  de  Buitenvechi  door  de  Oostsluis,  benevens  door  kokers 
in  den  steenen  beer  ten  noorden  van  het  Muiderslot  en  op  de 
Vecht  door  de  schutsluis  in  het  fort  Uitcrmeer  en  door  die 
ten  zuiden  van  Muiden.  De  Naardertrekvaart  had  te  Muiden 
gedurende  1868 — 1877]  een  gemiddelden  boezemstand  van  0,24 
M.  —  A.  P. 

Alle  bovengenoemde  boezems  loozen  aan  den  oostkant  op  de 
Vecht  en  omvatten  dan  ook  hec  oostelijk  afwateringsgebied,  dat  tot 
de  hooge  waterscheiding  loopt.  Aan  den  linkeroever  vinden  wij 
nog,  in  het  zuiden  te  beginnen: 

1.  De  boezem  van  de  Vleutensche  Weteringen.  Eene 
oppervlakte  lands  van  1780  H.  A.,  bestaande  uit  polders  en  hooge 
gronden,  watert  op  dezen  boezem  af.  Hij  wordt  hoofdzakelijk  ge- 
vormd door  genoemde  stroompjes  of  weteringen  in  de  landen  om 
Vleuten  en  door  de  Vleutensche  vaart^  waarop  de  meeste  landen 
als  boezemland  vrij  afwateren.  Het  zomerpeil  is  0,06  M.  4-  A.  P., 
het  winterpeil  0,01  M.  ^-  A.  P.  Bij  Maarsen  loozen  deze  weteringen 
door  een  schutsluis  in  de  Proostwetering  op  de  Vecht. 

2.  De  boezem  van  den  Haarrijn.  Deze  boezem  wordt  ge- 
vormd door  een  watertje,  de  Haarrijn  genaamd,  dat  tusschen 
Maarsen  en  Breukelen  met  de  Vecht  in  verbinding  staat  door  een 
sluis.  Ongeveer  900  H.  A.  polderland  loost  door  bemaling  op  ge- 
noemden boezem. 

3.  De  boezem  van  de  Heikop  of  Lange  Vliet.  Deze  boe- 
zem slingert  zich  in  vele  bochten  tusschen  verschillende  boezem, 
gebieden  door.  Hij  wordt  gevormd  door  een  gedeelte  van  den  Ouden 
Rijn  tusschen  de  sluis  bij  den  Stadsdam  van  Utrecht  en  den  Hei- 
dam  (5,2  K.M.  lang),  loopt  verder  ten  oosten  van  het  gebied  van 
Amstelland  (de  Harmeier  waard)  naar  het  noorden,  loopt  ten  oosten 
van  doch  onmiddellijk  naast  de  Bijleveld^  tusschen  het  gebied  van 
den  Haarrijn  en  Woerden  naar  het  N.  W.  om  vervolgens  ten 
westen  van  Breukelen  zich  naar  de  Vecht  om  te  buigen.  Door  een 
schutsluis  in  de  Kerkvaart  te  Breukelen  ontlast  zich  deze  boezem 


Digitized  by 


Google 


17 

vervolgens  op  de  Vecht,  benevens  door  een  uitwateringsluis  in  de 
Stadswetering  te  Nieuwersluis. 

Ongeveer  2005  H.  A.  polderland  loost  op  dezen  boezem.  Vroe- 
ger loosden  nog  eenige  polders  ten  zuiden  van  den  Rijn  op  dezen 
boezem;  thans  kan  slechts  een  van  de  vroegere  molens  daarvoor 
nog  dienen. 

Een  open  brief,  waarin  Floris  van  Wevelickhoven  in  1385  aan 
den  eigenaar  van  eenige  landen  ten  zuiden  van  den  Rijn  het  recht 
gaf  een  watergang  naar  de  Vecht  te  graven,  was  de  oorsprong  van 
dezen  boezem. 

—  Ten  oosten  van  de  Vecht  strekt  zich  een  strook  laagveen  uit, 
slechts  door  een  smalle  kleizoom  van  de  Vecht  gescheiden.  In  die 
age  venen  ligt  een  rij  uitgeveende  plassen  waarvan  o.  a.  Tienhoven- 
sche-  en  Maarseveensche  na  1871  zijn  droog  gemaakt.  Het  ZTicvj/^r- 
meer^  620  H.  A.,  dat  bij  's  Gravenland  gevonden  wordt,  is  reeds  in  de 
17de  eeuw  drooggemaakt,  doch  door  het  kwelwater  kon  men  het 
niet  droog  houden.  De  vernieuwde  plannen  tot  droogmaking  zijn 
in  1883  uitgevoerd  i).  Het  Naardermeer  werd  herhaaldelijk  droog 
gemaakt,    1628    en    1884,  doch  ligt  sedert  1886  weer  onder  water 

§  5.   DE  OP  DE  LEK  UITWATERENDE  POLDERS. 

Nog  liggen  in  het  besproken  gebied  een  paar  polders,  welke  direct 
op  de  Lek  uitwateren.  Zij  zijn :  a,  de  polder  van  Bergdmhacht^ 
2530  H.  A.  groot,  die  gedeeltelijk  tot  het  gebied  van  de  Lek, 
gedeeltelijk  tot  dat  van  de  Vlist  (en  door  deze  van  den  Holland- 
schen  IJsel)  behoort.  Het  zomerpeil  in  dezen  polder  bedraagt  1,40  M. 
—  A.  P.  Door  de  uitwateringsluis,  de  Hoeksche  sluis^  met  een  slag- 
drempelhoogte  van  1,95  M.  —  A.  P.,  staat  deze  polder  in  verbinding 
met  de  Lek. 

b.  de  polder  Krimpen  aan  de  Lek^  5.40  H.  A.  groot,  loost  het 
water  door  de  Vrouwensluis  op  de  Lek.  Het  zomerpeil  van  den 
polder  is  1,70  M.  —  A.  P.  en  de  hoogte  van  den  slagdrempel  van 
de  sluis  2  M.  —  A.  P. 


i)    Droogmaking  van  den  Kortenhoefschen  polder  en  de  Horstermeer,  1856. 

I.    2.  2 


Digitized  by 


Google 


i8 


§   6.      DE  KRIMPENER  EN  DB  LOOPIKERWAARD. 

Het  land,  door  den  Hollandschen  IJsel  en  de  Lek  ingesloten, 
behoort  in  administratieven  zin  in  het  oosten  tot  het  hoogheem- 
raadschap van  den  Lekdijk  Benedendams  en  den  IJseldam  vroeger 
de  Loopikerwaard  en  in  het  westen  tot  dat  van  de  Krimpenerwaard, 
Dit  gebied  loost  (een  klein  gedeelte,  de  polder  van  Jaarsveld,  die 
op  de  Lek  afwatert,  uitgezonderd,)  hoofdzakelijk  op  den  Holland- 
schen IJsel.  Grootendeels  heeft  de  waterafvoer  van  de  Loopikerwaard 
door  sluizen  direct  op  den  boezem  van  den  Hollandschen  IJsel 
plaats.  Langs  de  Lek  is  echter  een  strook,  die  eerst  op  den  Vlist- 
boezem  loost  en  door  dezen  bij  Haastrecht  op  den  boezem  van  den 
IJsel.  De  Krimpenerwaard  loost  door  sluizen  en  door  middel  van  be- 
maling  op  het  gedeelte  van  den  Hollandschen  IJsel  beneden  Gouda. 

De  tijd  der  bedijking  van  de  Krimpenerwaard  is  geheel  onbekend. 
Men  meent,  dat  deze  waard  een  der  vroegst  bedijkte  gronden  is. 
Uit  een  handvest  van  Floris  den  Vette,  gegeven  in  1097,  moet  blij- 
ken, dat  deze  waard  toen  reeds  bedijkt  was,  aangezien  daarbij 
eenige  bepalingen  betrekkelijk  den  dijk  van  deze  waard  gemaakt 
zijn.  Om  deze  landen  van  het  overtollige  water  te  ontlasten  zijn 
er  van  tijd  tot  tijd  vlieten  gegraven  en  sluizen  aangelegd,  waarover 
vele  octrooien  en  handvesten  aanwezig  zijn. 

Ook  van  de  Loopikerwaard  is  de  tijd  van  bedijking  onbekend,  doch 
men  weet,  dat  in  het  jaar  1328  door  Johan  vanDiest,  bisschop  van 
Utrecht,  de  eerste  dijkbrief  werd  gegeven.  De  dijken  langs  de  Lek  en 
den  IJsel  waren  reeds  veel  vroeger  gelegd,  doch  hadden  destijds  nog 
eene  geringe  hoogte  en  waren  niet  veel  zwaarder  dan  hooge  kaden  i) 

Door  de  ligging  aan  de  rivier  de  Lek  staat  de  Krimpenerwaard» 
alsook  de  Loopikerwaard,  nog  al  bloot  aan  overstrooming.  Dit  wordt 
ons  duidelijk  als  wij  bedenken,  dat  de  hoogste  waterstanden  in 
1882  te  Jaarsveld  5,64,  te  Schoonhoven  4,43  en  te  Lekkerkerk 
3,36  M.  -f  A.  P.  waren,  terwijl  de  oppervlakte  des  lands  beneden  A.  P* 


1)    Tegenwoordige  Staat.  VII,  pag.  451.  J.  Oudenhoven,  Zuid-Holland  1654 
pag.  97. 


Digitized  by 


Google 


19 

ligt.  De  zomerpeilen  der  polders  zijn  in  genoemde  waarden  van 
0,8  tot  1,75  M.  —  A.  P.  en  de  gemiddelde  zomerwaterstand  op 
de  Lek  is  bij  laag  water  te  Jaarsveld  0,70,  te  Schoonhoven  0,87, 
te  Lekkerkerk  0,21  en  te  Krimpen  0,07  M.  4-  A.  P.  Zelfs  de 
gemiddelde  rivierstand  ligt  nog  boven  het  niveau  des  lands. 

Overstroomingen  van  deze  waarden  hadden  o.  a.  plaats  in  1572, 
toen  het  land  volle  zeven  jaren  met  de  rivier  gemeen  bleef  liggen. 
Dikwijls  verkeerde  het  sedert  weder  in  gevaar,  doch  niet  zelden 
werd  het  door  doorbraak  van  de  Alblasserwaard  gered  (zie  pag. 
357  deel  I).  In  1726  had  er  door  een  ijsdam  nog  oversirooming 
plaats,  in  1751  bezweek  de  dijk  bij  eene  opene  rivier  en  in  1760 
weder  door  een  ijsdam. 

§  7.    De  boezem  van  den  hollandschen  ijsel. 

De  Hollandsche  TJsel  was  vroeger  zeer  zeker  een  breede  tak 
van  den  Rijn,  die  met  een  boog  naar  het  noorden  door  lage 
landen  liep.  De  aanzienlijke  kleilagen,  welke  men  thans  nog  aan 
beide  oevers  vindt,  wijzen  toch  op  een  grooten  stroom,  welke  deze 
bezinksels  heeft  aangevoerd  i). 

Van  1854—1862  is  de  IJsel  gekanaliseerd  door  het  leggen  van 
een  afsluitdijk  met  een  schut-  en  uitwateringsluis  even  boven  Gouda 
en  door  het  tot  stand  brengen  van  verschillende  verruimingen  en 
verdiepingen. 

Reeds  veel  vroeger  (=t  1282;  was  hij  aan  zijn  boven  mond  van 
de  Lek  grootendeels  afgesloten  bij  het  Klaphek  (beneden  Vreeswijk). 
Die  verbinding  bestaat  thans  alleen  door  een  duikersluis  met  i 
schuif,  waarvan  de  drempel  0,18  M.  —  A.P.  hoog  ligt.  Verder  staat  de 
gekanaliseerde  Hollandsche  IJsel  in  dit  gedeelte  nog  in  verbinding 
met  den  Vaartschen  Rijn  door  een  schutsluis  aan  den  Doorslag^ 
waarvan  de  bovenslagdrempel  aan  de  Rijnzijde  — 1,32  en  die  aan 
de  IJselzijde  1,61  M.  —  A.  P.  ligt. 

De  gekanaliseerde  Hollandsche  IJsel  van  den  Vaartschen  Rijn  tot 


i)    Staring.  De  bodem  van  Nederland,  I,  pag.  83,  351. 


Digitized  by 


Google 


20 

bij  Gouda  (32,5 1  o  K.  M.lang,  13  M.  op  kanaalpeil  breed)  vormt  derhalve 
een  afgesloten  gedeelte,  waarop  het  omringende  land  loost  en  waar- 
van het  bij  droogte  water  ontvangt,  't  Is  hier  geen  vrijstroomende 
rivier  meer,  doch  een  boezem.  Tot  den  IJselboezem  behooren  ook 
nog  de  Kleine-  of  Enge  TJsel^  de  Grachten  van  IJselstein^  en  een 
tak  van  de  schutsluis  aan  den  Doorsag. 

Deze  boezem  ontlast  zich  bij  Gouda  door  de  schutsluis  en  dui- 
kersluis  op  het  overgebleven  vrije  gedeelte  van  den  IJsel.  Door  middel 
der  inlating  van  water,  welke  door  een  duiker  bij  het  Klaphek  uit  de 
Lek  geschiedt  en  verder  ook  plaats  heeft  bij  Gouda,  wordt  de 
waterstand  zooveel  mogelijk  op  een  peil  van  0,30  M.  \.  A.  P. 
gehouden.  Van  1879  tot  1883  wisselde  de  waterstand  af  van  =  A.P. 
tot  1,06  M.  +  A.  P.  De  boezem  van  Woerden  tapt  weder  water 
uit  den  IJsel. 

De  gemiddelde  waterstanden  op  den  Holl.  IJsel  van  1871 — 1880 
waren : 

Schutsluis  aan  den  Doorslag  0,42  M.  4.  A.  P. 

Geinbrug 0,40  >     >       » 

Brug  te  Montfoort 0,39  >     »       > 

Brug  te  Oudewater, 0,40  »     »       > 

Waaiersluis  Gouda 0,36  »     »       » 

Het  geheele  gebied,  waarvan  de  polders  direct  of  indirect  op  den 
gekanaliseerden  Hollandschen  IJsel  afwateren,  bedraagt  ±  loooo 
H.  A.  De  voornaamste  zijn  de  polders  van  de  Loopikerwaard  tn 
een  deel  van  de  Kritnpenerwaard^  alle  ten  Z.  en  ^^  polder  van 
Stein  tegenover  Haastrecht  ten  N.  van  den  IJsel. 

De  wateren,  waarmede  de  IJselboezem  in  verbinding  staat,  zijn 
de  volgende:  i.  met  het  vrije  benedengedeelte  van  den  IJsel  (door 
een  sluis  bij  Gouda);  2.  met  den  boezem  van  Woerden,  a  door  de 
schut-  en  duikersluis  te  Goejanverwellesluis  in  de  Dubbele  Wierikke 
b  door  de  schutsluis  te  Oudewater  in  de  lage  Linschoten,  c  door 
de  schutsluis  te  Montfoort  in  de  Montfoortsche  vaart;  3  met  den 
Vaartsclien  Rijn  door  een  schutsluis  aan  den  Doorslag  bij  Jutfaas 


Digitized  by 


Google 


21 

en  4  met  de  Loopikervaart  door  een  schutsluis  aan  het  einde  van 
den  Engen  IJsel. 

Bij  Haastrecht  loost  op  den  IJselboezem  nog  de  : 

Boezem  van  de  Vlist.  Deze  boezem  voert  het  water  af  van 
eene  oppervlakte  polderland,  groot  4865  H.  A. 

De  Vlisthoezem  loopt  tusschen  Schoonhoven  en  Haastrecht  en 
heeft  een  zijtak  langs  Polsbroek.  Het  zuidelijke  deel  van  de  Loopiker- 
waard^  de  polder  van  Bergambacht  ten  deele  (zie  II  pag.  17) 
de  polders  Vlist- Westzij  de  en  V list-Oostzijde  en  andere  loozen 
hierop. 

Door  7  watermolens  wordt  het  water  van  den  Vlistboezem  opge- 
malen  in  een  hoogen  boezem,  die  door  een  sluis  bij  Haastrecht 
op  den  boezem  van  Hollandschen  IJsel  loost.  Daarenboven  is  er 
nog  een  stoomgemaal  van  44  Pkr.,  dat  het  water  uit  den  Vlistboe- 
zem rechtstreeks  op  den  IJsel  voert.  Dit  stoomgemaal  kan  ook  in  ver- 
band gebracht  worden  met  den  hoogen  boezem,  om  dezen  te  bemalen. 

Het  maalpeil  op  den  Vlistboezem  is  0,30  M.  —  A.  P.  en  de 
kaden  hebben  eene  hoogte  van  0,20  M.  —  A.  P. 

De  hooge  boezem^  met  eene  oppervlakte  van  44  H.  A.,  heeft  een 
maalpeil  0,69  M.  4-  A.  P.  en  de  kaden  zijn  0,75  M.  4-  A.  P.  hoog.  Als 
de  landen,  welke  op  dezen  boezem  loozen,  een  waterstand  beneden 
zomerpeil  hebben  (van  —  1,05  tot  —  1,65  A.  P.)  wordt  er  door 
den  boezem  uit  den  IJsel  water  ingelaten. 

De  Vlistboezem  was  vóór  de  bedijking  dezer  waarden  een  wa- 
tertje, zooals  er  vele  in  dit  land  gevonden  werden,  hetwelk  reeds 
vroeg  gebruikt  werd,  om  het  overtollige  water  uit  de  polders  naar 
den  IJsel  te  voeren.  In  1155  was  de  Vlist  reeds  met  eene  sluis 
afgesloten.  De  Heer  van  Haastrecht  nam  den  s^len  Januari  1293 
op  zich  het  water  van  de  Loopikerwaard  over  zijn  land  tot  in 
de  Vlist  en  verder  in  den  IJsel  te  laten  loopen.  Dezelfde  Heer  van 
Haastrecht  gaf  in  1205  aan  Berg- Ambacht  de  vrijheid  tot  het 
maken  van  een  watergang  naar  de  Vlist  en  verder  tot  in  den 
IJsel,  zonder  verplicht  te  zijn  sluisgeld  te  betalen.  In  het  jaar  1359, 
des  Zondags  na  St.  Maartensdag,  gaf  Jan  van  Arkel  aan  Loopik, 
Zevender,    Cabauw,   Langerak,  Vlist    en   Bonrepas   het  recht  van 


Digitized  by 


Google 


uitwatering  in  de  Vlist  en  door  deze  op  den  IJsel,  onder  verplich- 
ting het  waterschap  de  Vlist  te  hoefslagen,  terwijl  tevens  bij  dezen 
brief  order  gesteld  werd  op  het  schouwen  en  het  maken  der 
waterkeeringen  i). 

§   8.      DE   RIVIER    DE  HOLLANDSCHE  IJSEL. 

Beneden  Gouda  begint  het  deel  van  den  HoUandschen  IJsel, 
dat  nog  vrije  verbinding  heeft  met  de  Nieuwe  Maas  en  als  een  ge- 
tijden-rivier kan  beschouwd  worden.  Ebbe  en  vloed  stuwen  het  water 
tot  genoemde  stad  in  de  rivier  op.  Evenwel  is  het  enkel  stuwwater 
der  rivieren,  dat  tot  hier  doordringt  en  geen  zeewater,  zooals  de 
Goüdsche  waterleiding,  die  hieruit  voorzien  wordt,  bewijst. 

De  gemiddelde  waterstand  in  de  rivier  te  Gouda  bedraagt  gedu- 
rende de  zomermaanden  bij  vloed  1,12  M.  +  A.  P.  en  bij  ebbe  0,26 
M. —  A.  P.  In  1882  was  de  hoogste  waterstand  2,24  M.  4-  A.  P. 
De  polders  ten  O.  van  de  rivier  hebben  bij  Gouderak  een  zomer- 
peil  van  —  1,75,  bij  Ouderkerk  —  1,60  en  bij  Kapelle  ten  W. 
—  1,85  A.  P.  Deze  landen  liggen  dus  lager  dan  het  gemiddelde 
vloedwater  op  den  IJsel,  zoodat  bedijking  en  bemaling  noodig  is- 

De  Hollandsche  IJsel  is  geheel  bedijkt.  Verschillende  sluizen, 
zoowel  tot  waterloozing  als  tot  waterinlating  der  polders  worden 
er  in  die  dijken  gevonden.  Zij  zijn  in  het  riviergedeelte: 

A.  In  den  rechter  IJseldijk: 

Diepte  van  den  slagdrempel. 

1 .  Molensluis  van  den  Essepolder —  2,60  A .  P . 

2.  Uitwateringsluis  van  het  stoomgemaal  van  de  ringvaart  en  van 

het  bovengemaal  van  den  Zuidplaspolder  aan  den  Kortenoord  —  2,01  A.  P. 
(Zie  over  den  Zuidplaspolder  pag.  27). 

3.  Schutsluis  in  den  TJseldijk —  3,22  A.  P. 

Hierachter   ligt   een   tweede  schutsluis,  toegang  gevende 
naar  de  Ringvaart  van  den  Zuidplaspolder —  3,40  A.  P. 

4.  Uitwatering-  en  schutsluis  tusschen  den  IJsel  en  den  boe- 
zem van  Rijnland  (Gouwe  boezem)  (Mallegatsluis) —  2,80  A.  P. 


i)  Van  der  Aa.  Aardr.  Woordenb.  art.  Vlist. 


Digitized  by 


Google 


23 

Diepte  van  den  slagdrempel. 

5.  Inlaatsluis  van  de  stad  Gouda —  1,40  A .  P. 

6.  Uitwateringsluis  van  Rijnland  aan  den  mond  van  de  haven 

te  Gouda —  2,18  A.  P. 

7.  Inlaatsluis  van  de  stad  Gouda —  1,70  A.  P. 

8.  Uitwateringsluis  van  het  stoomgemaal  van  Rijnlands  boe- 
zem, Hanepraaisluis  te  Gouda —  2,10  A .  P. 

De  sluis   in  de  afdamming  van  den  gekanaliseerden  en 
den  vrijen  IJsel  heeft  een  drempelhoogte  van —  2,50  A.  P. 

B.     In  den  linker  IJseldijk: 

I  .  Inlaatsluis  voor  de  polders  Veerstalblok  en  Stolwijk —  2,17  A.  P. 

2.  Molenslab  van  den  polder  Middelblok —  2,75  A.  P. 

3.  Uitwateringsluis  van  het  stoomgemaal  van  den  polder  Stolwijk  —  2,63  A .  P. 

4.  Molensluis  van  den  polder  Kattendijksblok —  3,28  A.  P. 

5 .  Inlaatsluis  van  den  polder  Achterbroek —  0,65  A.  P. 

6.  Molensluis  van  den  Nessepolder —  2,60  A .  P . 

7 .  Inlaatsluis  van  den  Nessepolder , —  2,87  A .  P. 

8.  Molenslub  van  den  polder  Berkenwoude —  3.20  A.  P. 

9.  Inlaatsluis  van  den  polder  Kromme  Geer  en  Zijde —  1,93  A.  P. 

10.  Molensluis  voor  den  polder  Kromme  Geer  en  Zijde —  3,36  A.  P. 

11.  Voormalige   uitwateringsluis  van  den  boezem  van  Lekker- 
kerk.  (Doet  geen  dienst  meer) —  2,85  A .  P . 

12.  Uitwateringsluis  van  het  stoomgemaal  van  den  polder  Hoek 

en  Schuwacht —  3,07  A.  P. 

§   9.      HISTORISCHE    OPMERKINGEN   OVER  DEN   HOLLANDSCHEN   IJSEL. 

Men  vindt  reeds  melding  gemaakt  van  den  Hollandschen  IJsel 
in  een  lijst  van  goederen,  behoorende  bij  de  Utrechtsche  kerk,  op- 
gemaakt in  860.  Hierin  wordt  o.  a.  gezegd,  dat  het  water  van  de 
Isla  liep  door  bosschen,  weiden  en  visscherijen,  het  vijfde  deel  van 
Su  Maarten. 

Tot  het  laatst  der  13e  eeuw  was  de  IJsel  een  bevaarbare  rivier, 
gevormd  door  een  zijtak  van  den  Beneden-Rij n  of  Lek,  welker 
wateren  voor  een  gedeelte  vrij  langs  den  Hollandschen  IJsel  afstroom- 
den. Men  acht  het  waarschijnlijk,  dat  na  de  verstopping  of  langzame 
verzwakking  van  den  Rijnarm,  die  van  Wijk  bij  Duurstede 
over    Utrecht    naar    Katwijk  liep,   een   aanzienlijker   hoeveelheid 


Digitized  by 


Google 


24 

water  langs  den  IJsel  gevoerd  werd,  waardoor  er  telkens  overstroo- 
mingen van  de  oevers  dezer  rivier  plaats  hadden,  zoodat  men,  om 
deze  te  voorkomen,  in  1285  tot  de  afsluiting  van  dezen  tak  der 
Lek  bij  het  Klaphek  heeft  besloten. 

Het  belang  van  deze  afsluiting  blijkt  daaruit,  dat  de  Graaf  van 
Holland  in  1285  hiervoor  eene  som  van  4500  pond  aan  den  Bis- 
schop van  Utrecht  beloofde. 

In  1291  erlangde  de  afdamming  hare  voltooiing  en  door  een 
duiker  bleef  er  slechts  eene  geringe  verbinding  van  den  IJsel  met 
den  Rijn  over.  Aan  den  benedenmond  ontving  de  IJsel  nog  voort- 
durend het  in-  en  uitstroomend  vloedwater  en  tevens  werd  hij  gevoed 
door  de  omliggende  polderwateren. 

In  167 1  werd  de  IJsel  aan  het  boveneind  door  een  gegraven  kanaal 
in  verbinding  gebracht  met  den  Vaartschen  Rijn.  Door  een  schut- 
sluis in  genoemd  kanaal  kan  bij  hoogen  waterstand  van  den 
Vaartschen  Rijn  het  water  gekeerd  worden. 

Zoo  werd  de  doorstrooming  van  den  IJsel  verhinderd  en  het  vloed- 
water drong  eiken  dag  van  den  benedenmond  in  den  IJsel  op  om 
hier  tot  rust  te  komen.  Daardoor  bezonken  de  slibdeelen  in  deze 
rivier,  en  al  spoedig  begon  de  IJsel  in  een  betreurenswaardigen 
toestand  te  geraken.  Hij  vernauwde  steeds  meer  en  meer  en 
werd  voortdurend  ondieper. 

Al  vroeg  werden  de  nadeelen  van  dien  toestand  gevoeld.  Reeds 
in  1425  werd  uit  Gouda  eene  commissie  afgevaardigd  naar  de 
Regeering  van  Montfoort,  om  te  onderhandelen  over  het  uitdiepen 
van  den, IJsel.  In  1485  schijnen  er  werkelijk  uitdiepingen  tot  stand 
gekomen  te  zijn,  door  de  samenwerking  der  steden  Gouda,  IJsel- 
stein.  Schoonhoven,  Oudewater  en  Montfoort. 

In  1506  wendde  zich  de  stad  Gouda  tot  de  Staten  van  Holland 
om  het  verlanden  van  den  IJsel  te  voorkomen.  Men  meent,  dat 
de  Burggraaf  van  Montfoort  destijds  den  IJsel  afsloot  met  vlotdeuren. 

In  1445  onderhandelde  Gouda  er  nogmaals  over  met  de  Staten 
van  Utrecht  en  ook  in  1662  en  1792  werden  er  onderhandelin- 
gen gevoerd  over  het  uitdiepen  van  de  rivier,  doch  resultaten 
hadden  al  die  besprekingen  niet. 


Digitized  by 


Google 


25 

In  deze  eeuw  werden  er  opnieuw  verschillende  plannen  tot  ver- 
betering van  den  IJsel  ingediend.  Een  volledig  plan,  in  1 8 lo  opge- 
maakt en  aan  het  Gouvernement  ingediend,  was  afkomstig  van 
den  Inspecteur  van  den  Waterstaat  J.  Blanken  Jz.  Het  behelsde 
eene  volledige  afsluiting  van  den  IJsel  te  Krimpen  benevens  voor- 
stellen van  uitdieping. 

Door  politieke  verwikkelingen  kwam  echter  van  dit  plan  niets 
terecht. 

In  1824  en  25  werden  er  nogmaals  plannen  ingediend,  welke 
eveneens  zonder  gevolg  bleven.  Doch  de  klachten  namen  inmiddels 
zoo  zeer  toe,  dat  heeren  Gedeputeerde  Staten  van  Zuid-Holland  in 
1840  aan  de  provinciale  hoofdingenieurs  van  den  Waterstaat  op- 
droegen een  onderzoek  naar  den  toestand  des  IJsels  in  te  stellen. 

In  hun  rapport  van  October  1841  deelen  zij  o.  a.  als  enkele 
voorbeelden  van  dien  slechten  toestand  der  rivier  mede,  dat  aan 
de  punten  de  Pleit  en  de  Pot  boven  Oudewater  bij  gewonen  vloed 
niet  meer  dan  10  3,  14  d.M.  en  bij  gewone  eb  slechts  6^8  k  8,4 
d.M.  water  gevonden  werd.  Van  den  Doorslag  tot  bij  jHaastrecht 
was  de  toestand  over  *t  geheel  zeer  slecht,  het  overige  gedeelte  tot 
den  benedenmond  was  evenwel  nog  vrij  goed. 

De  plannen  der  verbetering  stuitten  echter  af  op  finantieele  be- 
zwaren. In  1848  en  50  werden  er  nogmaals  nieuwe  plannen  be- 
raamd, die  eveneens  onuitgevoerd  bleven. 

Doch  in  185 1  werd  door  de  Staten  van  Zuid- Holland  beweerd, 
dat  de  IJsel  aan  den  Staat  behoorde,  »als  zijnde  een  bevaarbare 
en  vlotbare  stroom  in  den  zin  van  art.  577  van  het  Burgerl.  Wet- 
boek. <  Na  rijp  beraad  vereenigde  het  Gouvernement  zich  hiermede. 
Eene  commissie  werd  benoemd  om  plannen  tot  verbetering  der 
rivier  te  ontwerpen,  welke  in  Jan.  1853  rapport  uitbracht  i). 

Deze  plannen  werden  van  1854 — 62  in  den  zin  als  boven  be- 
schreven is,  uitgevoerd. 


i)    Verslag  aan  den  Koning  van  de  Openbare  Werken,  1853,  pag.   113. 


Digitized  by 


Google 


26 

lO.      HET  GEBIED   TEN   WESTEN   VAN   DEN   IJSEL   DAT   NAAR   HET 
ZUIDEN    AFWATERT. 

Ten  westen  van  den  HoUandschen  IJsel,  naar  het  noorden  onge- 
veer tot  de  lijn  Gouda— den  Haag,  loost  het  lage  land  met  onder- 
scheidene droogmakerijen  het  overtollige  water  hoofdzakelijk  op  den 
IJsel  en  de  Nieuwe  Maas.  (Delfland  in  den  laatsten  tijd  ook  door  den 
Haag  naar  de  Noordzee).  De  waterloozing  van  het  land  heeft  eerst 
plaats  op  eenige  boezems,  die  weder  door  sluizen  met  het  buitenwater  in 
verbinding  staan  en  op  natuurlijke  en  kunstmatige  wijze  daarop  loozen. 

Va;n  het  oosten  af  heeft  men  hier  achtereenvolgens  de  volgende 
boezems : 

A.  De  boezem  van  de  ringvaart  om  den  Zuidplas- 
polder. 

B.  De  boezem  van  den  Prins  Alexander  polder. 

C.  De  Rotteboezem. 

D.  De  Schieboezem. 

Elk  van  deze  boezems  heeft  een  gebied,  dat  hierop,  meestal  op 
kunstmatige  wijze,  afwatert. 

In  administratieven  zin  wordt  dat  geheele  gebied  in  twee  Hoog- 
heemraadschappen  verdeeld.  In  het  oosten,  ongeveer  tot  de  lijn 
Rotterdam-Zoetermeer,  behooren  de  landen  tot  het  Hoogheem- 
raadschap Schieland  en  ten  westen  van  genoemde  lijn  tot  het 
Hoogheemraadschap  Delfland. 

Tot  het  Hoogheemraadschap  Schieland  behooren  hoofdzakelijk  de 
gebieden  van  den  Zuidplaspolder  en  van  den  Prins  Alexander 
polder,^  van  den  RotUhoezem^  benevens  nog  eenige  polders,  die  op 
den  Schieboezem  loozen  en  enkele  kleine  gedeelten  meer.  Daarbij 
komen  nog  eenige  polders,  die  langs  de  Maas-  en  IJseldijken  recht- 
streeks op  het  buiten  water  uitslaan. 

Het  Hoogheemraadschap  DelAana  omvat  de  landen  tusschen 
Schieland  en  de  Noordzee  tot  genoemde  noordelijke  grens.  De 
meeste  landen,  welke  op  den  Schieboezem  loozen  (eenige  uitgezonderd, 
zie  boven)  behooren  tot  Delflands  Hoogheemraadschap;  daarnaar 
wordt  de  Schieboezem  ook  wel  Delflands  boezem  genoemd. 


Digitized  by 


Google 


27 

Zooals  wij  zien  valt  de  grens  der  hoogheemraadschappen  geens- 
zins samen  met  de  hydrographische  grenzen  of  die  der  boezem- 
gebieden.  De  Schieboezem  behoort  o.  a.  gedeeltelijk  tot  Delfland, 
gedeeltelijk  tot  Schielands  hoogheemraadschap.  Hieruit  blijkt  reeds, 
dat  hoogheemraadschap  geen  geographisch^  doch  een  administra- 
tief begrip  is:  eene  uitdrukking  voor  een  toestand  van  bestuur ^ 
doch  niet  voor  de  gesteldheid  des  lands. 

Boezem  en  boezemgebied  zijn  daarentegen  geographische  begrippen 
(nader  bepaald  tot  de  oro-hydrographie  behoorend)  omdat  zij  den  toe- 
stand van  het  geographisch  object,  van  de  aardoppervlakte  uitdrukken. 

S    II.      HET   BOEZEMGEBIED   VAN   DE  RINGVAART  VAN  DEN 
.'iUIDPLASPOLDER. 

Wij  zullen  genoemde  boezemgebieden  afzonderlijk  behandelen 
(dus  de  geographische  gesteldheid)  en  vangen  daarmede  in  het 
oosten  aan. 

De  boezem  van  de  Ringvaart  van  den  Zuidplaspolder  en  daar- 
mede gemeen  liggende  wateren  wordt  gevormd  door  de  ringvaart^ 
welke  den  Zuidplaspolder  aan  alle  kanten,  behalve  naar  het  N.,  be- 
grenst en  verder  door  een  zijtak  naar  de  Rotte.  De  boezem  zelf 
heeft  eene  oppervlakte  van  =1=  45  H.  A.,  waar  eene  oppervlakte 
lands  van  =t  5430  H.  A.  op  uitwatert.  Dit  land  bestaat  uit 
2  diepe  droogmakerijen;  de  Zuidplaspolder^  groot  4355  H.  A.  met 
een  zomerpeil  van  5,6  M.  —  A.  P.  en  de  Eendrachtspolder  groot 
970  H.  A.  met  een  zomerpeil  van  5,65  M.  —  A.  P.  Verder  wateren 
hier  op  uit  de  polder  Kortland  en  de  Kleinpolder, 

Ten  Z.  van  Waddingsveen  wordt  het  water  uit  de  droogmakerij 
door  een  stoomgemaal  (128  P.  Kr.)  op  de  ringvaart,  den  eigenlijken 
boezem,  gevoerd.  Deze  heeft  een  maalp)eil  van  1,54  M.  —  A.  P.;  de 
normale  waterstand  is  er  1,65  k  1,70  M.  —  A.  P.  De  ringdijk  is 
0,45  M.  —  A.  P.  hoog. 

De  boezem  of  ringvaart  loost  het  water  bij  Kortenoord  (gem. 
Nieuwerkerk)  op  den  Holl.  IJsèl  (zie  TI  pag.  22)  door  een  stoomge- 
maal van  128  P.  kr. 

Verder   wordt   deze   boezem  afgemalen  door  drie  windmolens  te 


Digitized  by 


Google 


28 

Zevenhuizen  op  de  Rotte.  Hoofdzakelijk  geschiedt  derhalve  de  af- 
watering op  den  IJsel. 

Verder  kan,  indien  dit  noodig  is,  een  stoomschepradmolen  het 
polderwater  onder  de  ringvaart  door  op  een  afzonderlijken  tusschen- 
boezem  brengen,  van  welken  het  door  een  stoomgemaal  van  loo 
P.  kr.  op  den  IJsel  wordt  afgemalen. 

Historische  opmerkingen.  Waar  nu  de  Zuidplaspolder  ligt. 
vond  men  tot  het  begin  der  14*  eeuw  meest  woest  bosch,  afgewisseld 
door  weiden.  Sedert  dien  tijd  werd  dit  oord  door  vervening  in 
water  herschapen.  Aanvankelijk  vond  men  er  verscheidene  plassen, 
die  langzamerhand  ineen  liepen  en  eene  vlakte  van  =fc  4000  H.  A. 
bekwamen. 

Reeds  in  1575  hadden  de  Staten  van  Holland  bij  plakkaat  maat- 
regelen tegen  het  onregelmatig  vervenen  genomen.  Het  eerste  plan 
tot  bedijking  van  een  deel  der  toen  reeds  bestaande  plas  werd 
gevormd  in  1697  door  het  ambacht  Zevenhuizen.  Dit  voornemen, 
evenals  het  octrooi  in  1700  door  de  Staten  van  Holland  en  West- 
Friesland  aan  de  steden  Rotterdam  en  Gouda  tot  bedijking  van 
een  gedeelte  der  plas  verleend,  kwam  niet  tot  uitvoering. 

In  het  begin  van  deze  eeuw  werden  er  eenige  werken  tot  be- 
teugeling van  de  plas  uitgevoerd,  welke  tevens  bij  eventueele  droog- 
making dienst  konden  doen.  Doch  door  het  allengs  gevaarlijker 
worden  der  zich  uitbreidende  plas  werd  in  1825  besloten  op  Rijks 
kosten  de  droogmaking  uit  te  voeren  i). 

Om  het  werk  tot  stand  te  brengen  benoemde  de  Koning  eene 
gemengde  commissie,  bestaande  uit  den  Gouverneur  der  provincie 
Zuid -Holland,  een  lid  van  gedeputeerde  staten,  twee  leden  van 
het  college  van  Schieland,  den  hoofdarabtenaar  van  het  ministerie 
van  binnenl.  zaken  afd.  waterstaat  en  twee  hoofdingenieurs  van 
den  waterstaat. 

De  voorgenomen  droogmakerij  werd  met  allen  ijver  aangevangen 
doch   eenige  jaren  daarna,  tengevolge  van  den  Belgischen  opstand, 


l)  J.    A.    Beijerinck,   Geschied-   en   waterbouwkundige    beschrijving  van  den 
Zuidplaspolder.  (Verh.  Kon.  Instituut  van  Ing.  1185—52.) 


Digitized  by 


Google 


29 

gestaakt.  De  bedijking,  waarmede  men  in  1828  was  aangevangen, 
was  voltooid  in  1830;  van  1830  tot  1835  bleefde  arbeid  om  boven- 
genoemde reden  rusten,  doch  in  1835  werd  hij  weer  krachtig  hervat. 
Zoo  kon  de  eerste  afmaling  beginnen  in  1836  (April)  en  in  1839 
had  de  eerste  bezaaiing  plaats.  De  eerste  bebouwing  van  den 
drooggemaakten  grond  geschiedde  voor  rekening  van  het  Rijk.  In 
1841  ving  men  aan  met  de  verkooping  van  den  grond.  Dooreen 
genomen  bracht  deze  /  180  de  H.  A.  op.  Aan  het  verkochte 
land  werd  verbonden:  vrijdom  van  grondbelasting  gedurende  25 
jaren,  halve  vrijdom  van  Schielands  penninggeld  en  van  het  Wie- 
rikkerdijkgeld  gedurende  20  jaren  en  voor  de  woningen  en  gebou- 
wen, die  binnen  25  jaren  hier  werden  gebouwd,  gedurende  15  jaren 
vrijdom  van  grondbelasting  i). 

§    12.      DE   PRINS    ALEXANDERPOLDER. 

De  Prins  Alexanderpolder  is  eene  droogmakerij^  die  de  plassen 
in  Schieland  ten  rioordoosten  van  Rotterdam  vervangen  heeft.  Deze 
plassen  vormden  14  door  wegen  en  kaden  afgescheiden  kommen. 

Voor  gemeenschappelijke  rekening  van  het  Rijk  en  de  provincie 
Zuid-Holland  is  deze  droogmakerij  ondernomen  en  in  1874  vol- 
tooid. De  oppervlakte  bedraagt  2825  H.  A.  welke  door  een  ring- 
dijk van  24410  M.  wordt  ingesloten. 

Het  zomerpeil  is  6,3  M.  —  A.  P.,  zoodat  dit  het  laagste  gedeelte 
is  van  ons  polderland. 

Deze  polder,  die  natuurlijk  geheel  bemalen  wordt,  loost  op  een 
ringvaart,  van  welke  het  water  door  een  stoomgemaal  van  120 
P.  kr.  bij  het  Kralingsche  veer  op  de  Nieuwe  Maas  gevoerd  wordt. 

§    13.      DE  ROTTEBOEZEM   EN   ZIJN   GEBIED. 

Deze    boezem   wordt  hoofdzakelijk  gevormd  door  het  waterje  de 

Eotte,  De  Rotte  vangt  aan  ten  W.  van  Moerkapelle  uit  een  klein  plasje, 

-verbreedt  in  het  midden  tot  de  Bleiswijksche  meren^  waarschijnlijk 

uitgeveende  plassen,  en  mondt  uit  bij  Rotterdam  in  de  Maas.  Oor- 


l)  Mr.   W.    F.    Gevers    Deynoot.    Statistieke   opgave  en  beschrijving  van  het 
Hoogheemraadschap  Schieland  (Nieuwe  Verh.  Bat.  Gen.  1S50»  pag.  39.) 


Digitized  by 


Google 


30 

spronkelijk  een  vrij  riviertje  is  de  Rotte  door  den  bouw  van  sluizen  een 
boezem  geworden,  welke  het  water  ontvangt  van  1130  H.  A.  pol- 
derland en  zelf  ±  126  H.  A.  oppervlakte  heeft.  Het  maalpeil  van 
den  Rotteboezem  is  0,34  M.  —  A.  P.  hoewel  hij  gewoonlijk  0,15  k  0.20 
M.  beneden  dat  peil  gehouden  wordt.  Van  187 1 — 1880  was  de 
hoogste  stand  0,24  M.  —  A.  P.,  de  laagste  0,79  M.  —  A.  P. 

Bij  Rotterdam  wordt  de  Rotteboezem  door  8  schepradwatermolens 
afgemalen  op  een  hoogen  boezem,  die  door  de  hooge  boezemsluis 
bij  de  Oost-poort  te  Rotterdam  op  de  Maast  loost.  Hier  kan  verder 
de  Rotte-boezem  afgemalen  worden  op  den  hoogen  boezem  door 
een  stoomgemaal  van  120  P.  kr. 

Het  maalpeil  van  den  hoogen  boezem  is  0,91  M.  +  A.  P.  en 
de  bekading  van  deze  1,36  M.  4-  A.  P. 

Bij  het  stoomgemaal  ligt  in  den  hoogen  boezem  een  keersluis,  die 
dicht  gezet  kan  worden,  om  aan  het  stoomgemaal  gelegenheid  te 
geven,  het  water  tot  boven  het  maalpeil  op  te  voeren. 

Ook  kan  de  Rotteboezem  nog  vrij  loozen  op  den  hoogen  boezem 
en  door  deze  op  de  Maas  door  een  sluis,  gelegen  aan  het  N.  W. 
einde  van  den  hoogen  boezem. 

Bij  voortdurend  hoogen  waterstand  kan  de  hooge  boezem  in  ver- 
binding gebracht  worden  met  een  bergboezem  door  het  openen  van  een 
sluisje  en  een  hulpgat.  De  inlating  van  water  in  den  Rotteboezem 
heeft  plaats  uit  de  Maas  door  een  [sluis  bij  het  Kralingsche  veer. 

De  landen,  welke  op  den  Rotteboezem  loozen,  behooren  hoofd- 
zakelijk tot  vier  droogmakerijen  van  welke  de  Bleisvnjksche  en 
HilUgersbergsche  (droogmaking  aangevangen  in  1772)  de  grootste 
zijn.  In  de  eerste  is  het  zomerpeil  in  vele  deelen  5  M  —  A.  P.,  in 
de  laatste  voor  enkele  deelen  2,10  M.  —  A.  P. 

Ook  de  Kralingsche  polders  ter  grootte  van  790  H.  A.  met  een 
zomerpeil  van  —  1,85  A.  P.  loozen  met  een  zijtak  ten  N.  langs. 
Rotterdam  op  den  Rotteboezem. 

g    14.   DE  SCHIEBOEZEM   EN   ZIJN   GEBIED. 

Van  Delft  naar  Overschie  loopt  een  kanaal,  dat  waarschijnlijk 
reeds  in  Romeinschen  tijd  gegraven  is  en  men  tegenwoordig  de 
Schie  noemt. 


Digitized  by 


Google 


31 

Bij  laatstgenoemde  plaats  verdeelt  de  Schie  zich  in  drie  takken^ 
van  welke  ieder  den  naam  ontvangt  naar  de  plaats,  waarheen  hij 
loopt.  Dit  zijn  de  Rotterdamsche-^  de  Delfshavensche-  en  de  Schie- 
damsche  Schie,  Deze  wateren  vormen  een  deel  van  den  Schie- 
boezem. 

Verder  behooren  hier  o.  a.  nog  toe :  de  vaart  van  Delft  naar  de 
Hoornbrug^  de  Vliet  van  hier  tot  den  Leidschen  dam,  de  vaart 
van  de  Tolbrug  naar  den  Haag  en  die  van  den  Haag  naar  Sche- 
veningen,  de  vcutrt  van  Delft  naar  Vlaardingen^  de  Boonenvliet 
en  andere  wateren  in  het  Westland  en  verdere  deelen  van  Delfland. 

De  boezem  heeft  eene  oppervlakte  van  ±  385  H.  A.,  waarop 
±  28200  H.  A.  polderland  en  8700  H.  A.  duinland  en  boezemland 
uitwateren. 

Het  maalpeil  van  den  boezem  is  0,24  M.  —  A.  P.  (Delflands  peil). 
De  hoogste  stand  van  1871 — 1880  is  geweest  0,06  +  A.  P.,  de 
laagste  0,44  —  A.  P.  De  kaden  langs  den  boezem  moeten  eene 
hoogte  hebben  van  0,26  M.  -f-  A.  P. 

Vergelijken  wij  nog  met  dezen  waterstand  de  hoogte  van  het 
buitenwater. 


Gedurende  de  zes 

Gedurende  de  zes 

zomermaanden. 

wintermaanden. 

Over  hci  jaar. 

Bij  vloed. 

Bij  eb. 

Bij  vloed. 

Bij  eb. 

Bij  vloed. 

Bij  eb. 

Rotterdam  . . . 

+  1,3 

-0,15 

+  1,06 

-0,11 

+  1,04 

-0,13 

Vijf  sluizen. . . 

+  0,91 

-0,30 

+  0,96 

-0,31      +0,93 

-0,31 

Vlaardingen . . 

+  0,89 

-0,32 

+  0,93 

-0,36      +0,91 

-0,34 

Maassluis 

+  0,88 

-0,39 

+  0,92 

-0,48      +0,90 

~o,43 

Rozenburg . . . 

+  0,89 

-0,42 

+  0,94 

-0,56      +0,92 

-0,49 

Hoek  van 

Holland.. 

+  1,02 

-o,S4 

+  1,07 

-0,71 

+  I1O5 

—  0,62 

Hieruit  blijkt,  dat  de  gemiddelde  ebbestand  van  het  buitenwater 
aan  de  Vijfsluizen  reeds  lager  is  dan  het  maalpeil;  te  Rotterdam 
gemiddeld  iets  hooger. 


Digitized  by 


Google 


33 

De  Schieboezem  kan  loozen  op  de  Nieuwe  Maas^  i  door  de 
schutsluis  onder  de  Vlasmarkt  te  Rotterdam,  2  door  de  schutsluis 
te  Delfshaven,  3  de  schutsluis  te  Schiedam,  4  de  sluis  aan  de  Vijf- 
sluizen  tusschen  Schiedam  en  Vlaardingen,  5  door  drie  sluizen  te 
Vlaardingen.  Verder  op  het  Scheur  door  de  Boonersluis  bij  Maas- 
sluis, door  twee  sluizen  te  Maassluis,  en  de  Oranjesluis  onder 
Naaldwijk.  Het  nieuw  aangelegde  kanaal  tot  waterverversching  van 
den    Haag   geeft   aan   den   Schieboezem    loozing  op  de  Noordzee. 

De  afstrooming  te  Delfshaven  heeft  alleen  plaats,  als  zij  voor  de 
scheepvaart  niet  hinderlijk  is  en  op  de  sluis  te  Schiedam  rust  geen 
verplichting  het  boezemwater  te  doen  afstroomen.  Bij  onvoldoende 
loozing  wordt  de  boezem  bij  de  Vijf  sluizen  afgemalen  op  de  Maas 
door  een  stroomgemaal  van  100  Pdkr. 

De  inlating  van  water  heeft  hoofdzakelijk  plaats  aan  Vijf  sluizen 
en  aan  de  Oranjesluis, 

In  den  laatsten  tijd  heeft  Delfland  eene  nieuwe  waterloozing  ont- 
vangen door  een  kanaal,  dat  den  Haag,  hetwelk  in  dit  gebied  ligt, 
met  de  Noordzee  verbindt.  Deze  loozing  heeft  hoofdzakelijk  de 
spuiing  van  de  stad  ten  doel  doch  kan  mede  tot  verbetering  der 
waterloozing  van  dit  gebied  dienen.  (Zie  hierover  §15.) 

Behalve  genoemde  schutsluizen,  die  den  Schieboezem  met  het 
buitenwater  verbinden,  kan  men  door  de  sluis  aan  den  Leidschen- 
dam  van  Schielands  boezem  in  Rijnlands  boezem  overvaren.  Te 
Rotterdam  vormt  een  schutsluisje  aan  de  Delftsche  vaart  verbinding 
met  den  Rotteboezem. 

De  invloed  van  den  wind  op  het  water  doet  zich  bij  den  uitge- 
breiden  Schieboezem  dikwijls  krachtig  gevoelen  door  het  opwaaien 
van  het  water.  Bij  Z.W.  en  W.  wind  kan  dit  te  Delft  sterk  rijzen 
en  ten  einde  de  stad  te  beschutten  heeft  men  hier  in  de  Buiienwater- 
sloot  en  in  de  Kastanjewetering  keersluizen  met  valschutten  gemaakt, 
om  het  water  te  keeren.  Ook  bij  Overschie  heeft  men  in  de  Rotter- 
damsche  Schie  een  schutsluisje,  om  bij  een  boezemstand  van  2  d.M. 

In  het  westen  van  het  Hoogheemraadschap  Delfland  ligt  langs 
boven  A.  P.  de  stad  Rotterdam  voor  het  opwaaiende  water  te 
kunnen  beschutten. 


Digitized  by 


Google 


3.3 

de  duinen   een   gebied,   dat   onbepolderd   is   en   dus   geheel   eene 
natuurlijke  afwatering  heeft. 

Langs  de  Noordzee  loopt  een  duinketen,  die  evenwel  nabij  den 
Hoek  van  Holland  zoozeer  is  afgenomen  (zie  I  pag.  20),  d^t  het 
aanleggen  van  een  slaperdijk  van  strandpaal  No.  iio  tot  aan. het 
punt  van*  vereeniging  van  den  Maasdijk  met  den  Noprdlandschen 
dijk  noodzakelijk  wa& 

Volgens  de  oude  kaarten  van  Delfland  bedraagt  de  afneming  der 
duinen  van  Terheide  tot  den  i)older  Nieuwland  van  17 12  tot  1863 
van  528  tot  565  M. 

De  duinketen  van  het  kanaal  van  Katwijk  tot  de  doorgraving 
van  den  Hoek  van  Holland  is  32,350  KM.  lang.  De  breedte  is  zeer 
verschillend.  Zij  bedraagt  te  Loosduinen  gemiddeld  400  M.  en  op 
sommige  plaatsen  voor  den  slaperdijk  niet  meer  dan  15  M.  Van 
den  Hoek  van  Holland  af  tot  voorbij  Loosduinen  worden  de  dui- 
nen regelmatig  tot  eene  hoogte  van  6,50  M.  +  A.  P.  geslecht. 

Historische  opmerki;*tg.  De  Schie^,  naar  welk  het  water  hoogheem- 
raadschap Schieland  den  naam  ontvangen  heeft,  is  zeer  waarschijn- 
lijk .  een  g^raven  water  of  kanaal.  Reeds  van  oudsher  was  het 
onder  den  naam  SchU  of  Sc/tye^  oudtijds  ook  Mailing  of  d: 
Matting  geheeten,  bekend,  maar  liep  oorspronkelijk  alleen  van 
Delft  tot  even  buiten  het  dorp  Ouderschie  of  Overschie.  In  1343 
werd,  volgens  last  van  Graaf  Jan  van  Henegouwen,  op  kosten  en 
verzoek  der  stad  Rotterdam  het  graven  eener  vagirt  van  deze  stad 
tot  de  Delftsche  Schie  ondernomen,  om  Rotterdam  gemeenschap 
met  het  binnenland  te  geven.  Die  vaart  werd  in  1348  voltopid. 
De  groote  sliAs  te  Rotterdam,  het  Spui  genaamd,  die  misschien 
reeds  als  uitwateringsmiddel  voor  de  Rotte  bestond,  werd  tot  uitwa- 
tering  voor  de  Rotterdamsche  Schie  bepaald.  In  15 10  werd  zij  op- 
nieuw hersteld. 

In  1389  eindelijk  groef  de  stad  Delft  van  Overschie  naar. de 
Maas  de  Delfshavensche  Schie.  De  Schie  zelf  moet  destijds  reeds 
gemeenschap  met  de  rivier  de  Maas  gehad  hebben  te  Schiedam  i). 

1)  Zie  Gevers  Devoot,  Statistieke  opg'ave  en  beschrijving  van  het  hoogheem- 
raadschap van  Schieland  (Nieuwe  Verhandelingen  van  het  Bat.  Gen.  X  1850.) 


Digitized  by 


Google 


34 

§    1$.  I>E  WATERVERVERSCHING  IN  DEN   HAAG  EN  NIEUWE  LOOZINCT 
VAN  DELFLAND. 

Den  Haag  ligt  in  het  noorden  van  het  Hoogheemraadschap  DelP 
land  en  loosde  dus  zijn  overtollig  water  door  den  Schieboezenw 
(zie  pag*  31)  op  de  Nieuwe  Maas  en  het  Scheur.  Daar  den  Haag- 
bijna  in  den  noordwestelijksten  uithoek  van  dit  boezeragébied* 
ligt,  is  er  geen  water,  dat  door  den  Héiag  stroomt  en  wórden  de- 
grachten  bijna  uitsluitend  gevuld  met  het  water,  dat  op  de  plaats  valt^* 

Door  dezen  toestand  is  de  waterverversching  in  dé  residen-' 
tie  altijd  slecht  geweest.  Hierbij  komt  nog,  dat  het  grachtwater 
door  allerlei  faecaliën  verontreinigd  wordt.  Reeds  in  de  vorige- 
eeuw  was  men  er  op  bedacht,  hierin  verbetering  te  brengen.  In* 
175 1  werd  door  den  kapitein-ingenieur  Wiltschüt  een  plan- 
opgemaakt,  om  het  stadswater  door  middel  van  molens,  door  paar-' 
den  in  beweging  gebracht,  aF  te  malen.  In  1773  maakte  Redelijk- 
heid een  eenigszins  gewijzigd  plan  op  en  in  het  begin  dezer  eeuw 
kwam  de  ingenieur  Kros  met  het  ontwerp  voor  den  dag,  om  de 
geheele  duinstreek  ten  westen  van  de  Loosduinensche  vaart  en  met' 
inbegrip  van  de  Oranjesluis,  van  Delfland  af  te  scheiden.  In  1828' 
maakte  de  hoofdingenieur  Thomeze  een  plan,  om  door  een  kanaal 
met  'slttieen  naar  Scheveningen  waterverversching  te  verkrijgen.  Dit^ 
plan'  sloot  niet  alleen  in,  om  waterverversching  aan  den  Haag  te 
schenken,  maar  tevens  om  Delfland  verbeterde  afwatering  en  den' 
Haag  een  haven  te  verschaffen.  Verder  ontwierpen'CoNRADin  1846- 
de  heeren  Stieltjes,  Henket  en  de  Brüijn  Kops  in  1868  nog: 
plannen,  welke  echter  geen  van  alle  tot  uitvoering  kwsftnen. 

Bij  al  die  ontwerpen  werden  waterverversching  van  den  Haag  en^ 
2^erbeiering  der  afwatering  van  Delfland  steeds  als  één  gelieel  he^ 
schouwd.  Doch  in  1878  begon  men  eene  andere  beschouwing  te^ 
zijn  toegedaan,  toen  het  plan  van  een  kanaal  naar  Scheveningei> 
speciaal  voor  waterverversching  van  den  Haag  werd  ontworpen. 
Geschillen  met  Delfland  over  het  beheer  der  skis  deed  dit  plan» 
destijds  in  duigen  vallen,  doch  na  hervatting  der  onderhandelingen^» 
werd  men  het  na  1883  eens.  .  .       i 


Digitized  by 


Google 


35 

De   werken    der    waterver versching  in    den    Haag  bestaan   in 
hoofdzaak    uit    een  kanaal^  dat  de  Haagsche  grachten  met  de  zee* 
verbindt.   Aan   het   einde   van   dit   kanaal  -is    eene   sluis  noodig, 
om  het  zeewater  te  keeren  bij  hooger  standen,  dan  voor  Delflands' 
boezen  toelaatbaar  zijn. 

Hierdoor  wordt  verkr^en,  dat  een  deel  van  het  overtollige  regen- 1 
w^er,  op'Delflands  gebied  vallend,  doon  den:  Haag  naar  zee  wordt* 
afgevoerd^  zoodiat  Delfland  thans  eén  directe  loozing'op'  de  Noord- ^ 
zee, verkrijgt.. Daar  de. waterstand  in  ïee  bij  Schevëningen  gewoon-, 
lijk  lager  valt  dan  op  de^  IVüuis,  zal  de  waterafvoer  van  Del^and  > 
bovenal  door  den 'Haag  plaats  kunnen  hebben.  ;. 

.Verder  kan  in  tijden,. dat  er  weinig  regen  valt, Delfiands boezem'» 
van  •  de  Maéts  ^  water  inlaten,  om  dat '.  telkens  door  den  Haag  > 
<^  fcee  te  loozèn^.  zoodat  óok  in.'deie  gevallen  de  water ververschingj 
der  'stad'  doorgaat.'         /  j 

'  Het   nieuwe   hiefvoor.  gegraven  kanaal  heefl:  op  den  bodem  een/ 
breedte    vaii   20   M,   en  oen  diepte  van -2,25  M;  onder -Delflands^ 
peil.   Zoolang ,  mogelijk  volgt   het   van  de  gasf^bjqiek;^  den  stoomt 
tramweg  en  doorsnijdt  ten  zuiden   van   Zegbroek   de  duinen.     De 
zeesluis  wordt  gesloten  door  twee   waterkeeringen,    om  bij    hoogen 
waterstand  in  zee  voor  de  veiligheid  den  druk  over  de  ^  twee  te.ver- 
deekn.  Ook  pp » een   300   M.  van  den  binnenyp^ t  der  4Aiïi^cn  ligt.^ 
een  sluis,'  terwijl  een  stoomgemaal  van  140  paarddcrachten* aldaar r 
bij  hoogen  waterstand  op  zee  het  water  uit  den  boezem  kan  afmalen.* 

Tevens   dient   deze  sluis  voor' tweede  waterkeering,  om  cfienst  te 
doen,  als  de  eerste  mocht  bezwijken. 

.  Bij  lagen  waterstand  in  zee  stroomt  door  dit  kanaal  nu  het  w>ater » 
uit  Delflands  boezem  vrij  af,  en  dieistroom^  welke  door  de  Haag- 
sehe  grachten 'gaat,  brengt  daar  voortdurend 'f^^xifyt  water  aan'  uit' 
Delfland.  Rijst  het  water  in  zee,  dan  vermindert  de  üitstrooming  • 
en  de  waterbeweging.  De  afmetingen  van  het  (anaal  zijn  zoodanig' 
^kozen,  dat,  naar  wordt  verónderstetó,' zelfs  iri  minder  gunstige  ge- , 
vallen  per  getij  100,000  M'  en  per  etmaal  200,000  M*  water  er. 
door- naar  zee  kan  .stroomen. .  Bij  lang<)u]:igen  hoogen  waterstand  ep 
zee  bewerkt   het  stoomgemaal  de  afvoeüitig.  Doch  tevena  moet  het ' 


Digitized  by 


Google 


3^ 

Stoomgemaal  dienen,  om,  öok  al  is  de  eb  in  zee  laag  genoeg,  het 
water  uit  het  kanaal  op  dien  voorboezem  tusschen  de  beide  sluizen,  die 
aan  zee  en  die  binnen  dè  duinen,  af  te  malen.  Men  vreesde  namelijk, 
dat  de :  uitstrooming  van  het  )x)e^m water  op  de  wateren  van  het  zee- 
bad  te  Scheveningen  nadeelig  zullen  zijn.  Daarom  is  het  gedeelte  van 
het  kanaal  tusschen 'de  sluizen  geschikt,  om  hier  hét  water,  dat  in 
15  uren  uit  den  boezem  gemalen  wordt,  tijdelijk  té  kunnen  bergen. 
In  den  tijd,  dat  het  voor  de  baden  niét  meer  nadeelig  is,  of  de 
zuidwaarts  gaande  ebstroom  heerscht,  laat  men  dan  het  water  uit 
den  voorboezem  weer  op  zee  afloopen  1). 

De  Loosduinensche  vaart  wordt  van  deze  waterloozing  afgesloten 
door  sluisjes,  om  het  water  niet  telkens  te  verliezen  tot  nadeel  van 
de  scheepvaart.  De  Beek^  die  tot  afwatering  van  een  deel  der  dui- 
nen dient  en  den  Ho/vijver  voedt,  loopt  door  een  duiker  onder  het 
nieuwe  kanaal  door  en  is  er  dus  eveneens  van  afgesloten.  De  Hof* 
vijver  wordt  ververscht  uit  de  Beek  en  dit  blijft  bestaan ;  de  loozing 
van  den  Hofvijver  blijft  als  lixoeger  op  het  Spui  .plaats  hebben  2). 

§    16.     HET  GEBIED  DER  BOEZEMS  VAN   AMSTELLAND,  VAN  WOERDEN 
EN  VAN  RIJNLAND. 

(Algetneent  beschouwing^ 
De  grens  van  de  .afwatering  naar  het  zuiden  ligt,  zooals  wij  zeiden, 
ongeveer  in  de  lijn  Dé  IJsel,   Gouda,  Den  Haag.    In  deze  lijn  be- 
vindt  zich   derhalve   de   waterscheiding   tusschen   het   gebied   der 

1)  De  vraag,  welken  invloed  het  spuien  van  het  Ilaagsche  water  op  de  zee 
Ie  Scheveningen  zal  hebben,  is  verschiUend  beantwoord.  Aanvankelijk  is  zelfs 
in  het  badsaizoen  het  spuien,  uit  vrees  voor  nadeeligen  invloed,  uitgesteld.  Dat 
dbor  de  bovengenoemde  inrichting  van  de  spuiing  deze  niet  nadeelig  kan  wer- 
ken op  het  Mrater  te  Scheveningen,  is  o.  a.  betoogd  door  den  heer  E.  H.  Stiel- 
tjes, tegenover  een  artikel  van  den  heer  E.  van  Heurn,  die  het  tegengestelde 
gevreesd  had.  (Zie  ,yDe  Ingenieur'*  1888  pag.  253  en  281).  Door  waarnemingen 
en  onderzoekingen  kwam  Dr.  W.  F.  Koppeschaar  tot  besluit,  dat  het  spuien 
geen  nadeeligen  invloed  op  het  .zeewater  voor  I/>osdttinen  en  Scheveningen 
zon  hebben.  (Bijlagen  tot' de  Handelingen  van  den  gemeenteraad  in  den  Haag 
1889  pag.  96.}  Eeiiheid'van  gevoelen  bestaat  hierover  nog  niet. 

2)  Zie  J.  van  der  Vegt.  De  Haagsche  waterverversching.  (Haagsch  Jaar- 
boeipe  1889.) 


Digitized  by 


Google 


S7 

boezems  van  dë  Schie,  de  Rotte  en  de  Ringvaart  van  den  Zuid* 
piaspolder  en  bet  gebied  der  boezems  van  Rijnland  en  Woerden/ 

Die  waterscbeiding  is  geheel  kunstmatig  ;^  zelfs  was  de  natuurlijke 
gesteldheid  des  lands  hierop  van  geen  merkbaren  invloed.  Zij  bestaat 
bij  Delfland  en  Schieland  uit  verschillende  kaden,  welke  in  hoogte  niet 
van  de  gewone  polderkadën  te  onderscheiden  zijn,  en  die  zelfs  beneden 
A.P.  liggen.  (Zie  verder  II  pag.  51.)  De  hóoge  noordelijke  IJseldijk 
vormt  een  betere  waterscheiding  naar  den  kant  van  hetijselgebied. 
^Het  ten  noorden  van  genoemde  lijn  liggende  land  behoort  in 
hydrographisch  opzicht  tot  drie  boezemgebieden :  de  boezem  van 
\Rijtiland^  van  Woerden  en  die  van  Amstelland.  Ook  administratief 
is  het  in  drie  deelen  verdeeld:  het  Hoogheemraadschap  Rijnland^ 
het  Grootwaterschap  Woerden  en  het  Hoogheemraadschap  AmsteU 
land.  De  grenzen  van  deze  administratieve  gedeelten  worden  be- 
paald door  die  der  boezemgebieden. 

De  boezems  doorsnijden  het  boven  aangeduide  land  met  vei'schillen- 
de  armen  door  een  tal  van  hooger  liggende  wateren.  Op.  de  gewone 
kaarten  vindt  men  óver  de  grenzen  dier  boezems  volstrekt  geen  inlich* 
tingen. Dit  is  een  gevolg  hiervan,  dat  de  verschillende  boezems  in  elkan- 
der overgaan  en  slechts  door  sluizen  van  elkander  gescheiden  worded. 
Amstelland's  boezem  staat  bijv.  door  schutsluizen  inet  den  Vecht* 
boezem,  met  den  boezem  van  Woerden  en  met  Rijtiland's  boezem 
op  verschillende  plaatsen  in  verbinding.  Wij  zagen  dergelijke  velr* 
bindingen  ook  reeds  bij  de  vroeger  besproken  boezems.  Alleefï  de 
oude  rechten  en  de  administratieve  indeeling  bepalen  dus,  waar  in 
bet  water  de  grens  van  een  bepaalden  boezem  zal  zijn  en  een 
schutsluis,  die  voor  de  scheepvaart  de  verbinding  doet  behouden, 
móét  die  watergrens  tot  stand  brengen. 

De  Oude  Rijn  van  Utrecht  naar  Leiden  levert  óns  een  duidelijk 
voorbeeld  op,  hoe  een  volgens  de  gewone  kaart  schijnbaar  door- 
*lcxipen4  water,  tot  verschillende  boezems  kan  behoóreh. 

Bij:  Utrecht  maakt  de  Oude  Rijn  tot  de  sluis  ZATcA^tTL  Stadsdam 
(3,3  K:MJ  ten  W.  van  de  Singelgracht)  deel  VL\X.\^Ti\ii\. Stadswater 
en  loost  aldps  door  de  Weerdsluis  te,  Utrecht  op  de  Vecht. 

Van  de  sluis  in  den  Ouden  Rijn  aan  den  Stadsdam  tot  de  sluis 


Digitized  by 


Google 


ri8 

•tg  'den  'Htldam  (5,2  K:.M:  lengte),  'ónWangt  hét  tweede  pand  yafi 
dj^n  Ouden .Rij!n  het  meeste  water  tiit.de  omliggende. poMerlandéq. 
-Dit  gedeelte  van  den  .Rijii  behoort  tot  den  bpezem  van  de  Heikop 
3of  Lange,  Vliei  (zie  II  pag.  x6),  en: loost. dus  op  de  iVecht  bij  Breu- 
jkélen  en  Niêuwerslifris.  0eze  boezem,  heeft  een  waterpeil  van  0,15  M. 
1+  A.P.,  (feitelijke  waterstand  0,20  M. +.  A.P.  tot  0,70  M.-^A.  P.f) 
.dus  ligt  dit  tweede^  pand  Van.  den^  Ouden  Rijn  lager  dan  het  eerste. 
.  Van  de  sluis  aan  den  Heldam  tot  de  Jiaanwijker .  schutsluis 
^ij  Harmeien  (2,9  KM.  laag),  ligt  het  derde  pand  van  den  Ouden 
Rijn.  Dit  'pand  :  behoort  tot  den  boezem  van  Amsièlldnd  en  loost 
Idus  het  water  door  den  Amstelboezem  op  het  stadswater  te  Amsterdam 
,en  op  de  Zuiderzee.  De  waterstand  in  dit  gedeelte  is  gemiddeld 
*,40  M.  —  A.P.  (0,3  tot  0,75  M.  —  A.P.  1880— 1884.) 
-  Een  vierde  pand  van  den  Ouden  Rijn: ligt  tusschen  de  Haan- 
wij  ker  sluis  en  de  sluis  bij  Bodegraven  en  is  17,980  KM;  lang.  Dit 
•pand'  maakt  deel  üit  van  den  boezem  van  Woerden,  en  deze  loost 
het  water  op  don  boezem  van  Rijnland.  Gemiddeld  staat  het  water 
-in  den  boezem,  van  Woerden,  en  dus  ook  in  het  vierde  pand  van 
<!en  Ouden  Rijn,  0,47  M.  —  A.P.    - 

.  Het  vijfde  pand  Van  den  Ouden  Rijn,  35  KM.  lang:;  ligt  tusschen 
de  sluis  bij  ^^//<^aT/^  en  de  binnenhaven  te  A^^/ze;^'^  aiz^  2^^. 
Het  behoort  '■  tot  denf  boezem  van  Rijnland.  Dit  pand  heeft  eene 
•troombreedte  van  13  tot  .90  M.  Het  vierde  pand  van  den  Ouden 
Rijn  stort  djas  het  water  uit.  op  het  vijfde  pand,  dat  te  Bodegraven 
gemiddeld .0,5 5  M.  —  A.P.. staat  i)  Verder  wordt  het  door  de.'pol- 
ders  van  Rijhland  gevoed.  De  waterloozing  van  dit  pand  geschiedt 
^Is  die  van  Jlijnland's.  boeizem,  doch  meest  te  Katwijk.  (Zie  pag.  46.) 
Terwijl  men  dus  van  Uttecht  langs  den  Ouden  Rijn  naar  Leiden 
ian'vaS-e»  en  doqr  de' verschillende  schutsluizen' van  het  eene  pand 
^p  het  andere  komt,  stroomt  geenszins  het  water  van  Utrecht  naar 
Leiden.  Wd  blaten  de  schutsluizen  bij  schutting  een  weinig  water 
floör;  doch  dit  is  van weihig beteekenis.  Als scheepvaartkanaalloopt 
•dps  de  Oude  Rijn  nog  .doqr,  hoewel  a^broken  door  schutsluijteh; 

i)  Zie  'voor   deze   opgaven:   Overzicht  der  scheepvaartkanalen  in  Nederland. 
(1888.  De  opgaven  op.de  waterstaatskdart  wijken  -  een  weiiiig  hiervan  af!' 


Digitized  by 


Google 


39 

als  afvoerweg  van  water  is'  de  Oude  Rijn  van  Utrecht  geen  gc^ieel 
meer,  maar  bestaat  hij.  uit  een  vijftal  onverbonden  naast  ell^ander 
4iggende  gedeelten,  waarvan  alleen  het  4de  en  5  de  pand  met  elkander 
in  verbinding  kunnen  gebracht  worden. 

§    17.      HET  GEBIED   VAN   DEN   BOEZEM   VAN   RIJNLAND. 
ALGEMEEN  OVERZICHT, 

Het  land,  dat  op  den  boezem  van  Rijnland  afwatcrt,*  bestaat 
^oor  het  grootste  gedeelte  uit  zeer  lage  gronden.  Slechts  langs  de 
^Noordzee  loopt  de  duinstreek,  die  zich  aanzienlijk  boven  A.  P. verheft. 

De  gronden  van  dit  gebred  bestaan  meest  uit  lage,  ingepolderde 
landen  en  uit  droogmakerijen. 

Van  de  hoogte  dier  polders  geeft  het  volgend  overzicht  eenig 
Kienkbeeld.  i)      ' 


Hoogte  van  het  zomerpeil  boven  of 
beneden  A.  P. 


Getal  polders 
van  die 
hoogte. 


Gezamen^jke 

grootte  dier 

polders  in 

H.  A. 


I 

2 

-3 

4 

5' 

-6 

1 
S 

9 

TO 

II 

^  12 

'3 
M 


Van  I  M  +  tot  en  met  0,50  M  +  A.  P. 
0,50  +  »  '»     »  =  > 

=  A.  P.  »  >  >  0,50  —  » 
0,50  —  A.P.  toten  met  i  -^ ' » 
I  —  »  1  »  »  »  1,50  —  » 
1,50— A.P.  tot  en  met  ff      » 


2 

3      , 
3.50 
•4 

4i5o 
S 
5»So 


»  2,50  » 
»  3       > 

»  3^50-  * 
»  4  » 
»  4,50  » 
*  5  » 
»  5^50  » 
>  6        » 


3 

38 
91 
45 


78 

907 

5  "5 

. 22629 

12420 


:   r— ' 

.•  -T-  • 

10 

20 

•   1530 

2694 

26979 

3 
2 

2177 
3Ó67 

2I9 

«77626 

i)  Deze  tabel  is  ontleend  aan  Gevers  van  Endegeest.  Zie  over  Rijnland  ook  • 
A.  van  Egmond.  Beschrijving  van  den •  waterstaat  van  het  Hoogheemraadschap 


Digitized  by 


Google 


40 

Hieruit  blijkt,  dat  ongeveer  %  van  de  oppervlakte  van  Rijnland 
een  zomerpeil  heeft  van  —  4  tot  6  M.  —  A.  P.  Wanneer  men 
hierbij  30  tot  50  cM.  voegt,  heeft  men  ongeveer  de  bodemhoogte 
van  koepolders,  en  50  tot  100  cM.  boven  het  zomerpeil  geeft  de 
hoogte  aan  van  landbouwpolders. 

Wel  opmerkelijk  is.  de  gaping  in  de  tabel,  die  aanduidt,  dat  er 
tusschen  —  2  en  3,50  M.  —  A.  P.  geene  polders  gevonden  worden 
in  dit  gebied,  terwijl  er  nog  41  polders  tusschen  —  3^$^^^ — ^M. 
worden  aangetroffen.  Dit  verschijnsel  doet  ons  direct  vermoeden, 
dat  de  laatste  droogmakerijen  zijn  en  de  eerste  gewone  in]x>lderingen. 
Hieruit  besluiten  wij,  dat  Rijnlands  gebied  voor  ongeveer  34677 
H.  A.  uit  droogmakerijen  of  drocggemaakte  meren  bestaat.  De 
meeste  van  deze  hebben  eene  zomerpeil  van  —  4,50  tot  5  M.  — 
A.  P.  Wanneer  wij  nu  verder  de  plaats  dezer  polders  in  verband 
met  hunne  diepten  nagaan^  dan  vinden  wij,  dat  die  van  i  tot  en 
met  4  uit  de  rij',  (taberpag.  39)  "d.  1.  die  met  een  zomerpeil  van 
+  I  M.  tot  —  I  M.,  dus  de  hoogste  polders,  alle  gelegen  zijn 
aan  den  binnenkant  van  de  duinstreek,  zoodat  men  hier  den  hoog- 
sten  bodem  kan  aannemen. 

De  polders  van  de  vijfde  reeks  beslaan  de  grootste  oppervlakte 
en  liggen  meest  in  het  oosten  van  Rijnland,  terwijl  die  van  de 
zesde  reeks  meestal' verspreid  liggen. 

Aldus  moet  men  in  het  algemeen  een  licht  rijzen  des  bodems 
in  Rijnland  van  het  oosten  naar  het  westen  aannemen,  terwijl 
verder  de  ondiepste  polders  langs  de  boorden  der  voormalige  rivieren 
gevonden  worden.  De  overige  polders,  dat  drooggemaakte  plassen 
zijn,  liggen  meestal  verspreid. 

I^angs  den  zeekant  ligt  de  duinenrij.  De  lengte  van  de  duin* 
keten  bedraagt  van  de  grens  der  provincie  Noord-Holland  tot  de 
sluis  te  Katwijk  14,750  KM.  en  van  Katwijk  tot  den  Hoek  van 
Holland  32,350  KM.  De  breedte  van  de  duinen  is  zeer  verschillend. 

Rijnland  (Nieuwe  Ver]?.  J^t.  Gen.  Rott^..  1867).  Eene«^phabetische  lijst  der 
polders  in  Rijnland,  behoorende  bij  de  kaart  van  Rijnland  van  1884,  is  door 
het  Hooghsemraadschap  uitgegeven.  Hierin  vindt  men  tal  van  opgaven  over 
hoogte,  bekading,  grootte  der  polders,  eni. 


Digitized  by 


Google 


4ï 

Kabij  Noordwijk  bedraagt  de  breedte  gemiddeld  d:  700  M.,  ten 
zuiden  van  Katwijk  ^1500  M.  en  ten ^uii^en  van  Wassenaar.  3000 
M.  Deze  aaneengeschakelde  duinketen  beslaat  ongeveer  >/io  van 
Rijnland.  Ten  noorden  van  den  Rijnoever  wordt  8093  H.  A.  en 
ten  zuiden  van  den  Rijnmond  2728  H.  A.  -van  Rijnland  door 
duinen  bezet. 

De  hoogte  van  het  duin  is  zeer  afwisselend,  niet  alleen  op  ver* 
schillende  plaatsen  doch  eveneens  op  vefschillende  tijden.  Over 
't  geheel  is  de  duinenrij  naar  de  landzijde  het  hoogst  en  eindigt  hier 
met  een  hoogen  duinregel,  de  voorloopcr  of  voorkanihopef  genoemd. 
De  langs  de  zee  loopende  rij,  welke  gewoonlijk  de  eigenlijke  water- 
keering  vormt,  wordt  de  zeelooper  of  zeereep  genoemd.  Tusschen 
beide,  die  meestal  de  hoogste  deelen  van  het  duin  vormen,  liggen 
op  de  breedste  plaatsen  de  duinvalleien,  waarvan  de  laagste  zelfs 
>^og  3  k  4  M.  boven  den  beganen  grond  van  Rijnland  liggen. 

De  Waterstaatskaart  geeft  slechts  op  enkele  plaatsen  de  hoogte  der 
duinen  aan.  In  de  nabijheid  van  Loosduinen  vinden  wij  een  hoogte 
van  2  M.  +  A.  P.  aangegeven.  Langzaam  neemt  de  hoogte  naar 
het  noorden  toe ;  langs  het  kanaal  der  Haagsche  Duinwaterleiding,  dat 
ten  noorden  van  den  Haag  in  de  lengte  door  het  duin  gaat,  vinden 
wij  3,50  M.  +  A.  P-  in  het,jzuide^,  verder  noordelijk  ho9gten,  van 
3,90  en  6y40  M.  +  A.  F.  Ten  Westen  van  Leiden  tot  nabij 
Katwijk  heeft  het  duin  eene  hoogte  van  10  k  11  M.  +  A.  P.  Door 
helmbeplantingen  tracht  Rijnland  de  duinen  in  goeden  staat  te 
houden  en  zijn  enkele  stuifgaten  beteugeld. 

De  droogmakerijen  vormen  de  laagste  gedeelten  in  het  gebied  van 
Rijnland.  Men  verstaat  hieronder,  zooals  wij  reeds  zeiden,  de  vroegere 
plassen  en  meren,  welke  door  bemaling  enz.  droog  gemaakt  zijo« 
Sommige  van  deze  zijn  ontstaan  door  het  uitbaggeren  van  het  lage 
veen,  andere  kunnen  zeer  zeker  als  overblijfselen  van  vroegere 
rivierarmen  of  wateren  in  dit  moerastige  land  beschouwd  worden. 
Door  afslag  nam^n  «deze -meren  dikwijls  ƒ  in  omvang  toe. 

De  droogmakerijen  liggen  het  meest  aan  de  zuidoost-  en  oostzijde 
van  Rijnland  tegen  Amstelland  en  Woerden  en  verder  tegen  Schieland 
en  Delfland,  welke  eveneens  hunne  droogmakerijen  hebben.  Devoor- 


Digitized  by 


Google 


4X 

naamste  dier  dr()ögrpakerijen  zijn' :  de  '  Wasscnaarsdie  polder^  de 
daaraan  grenieiide  polder  Vieramhacht^  de  Nieutokoopsclie  droog- 
makerij^  de  ytoeg^rt  J^oordp/as  (HazefRwoüde),  alle  uitgeveende 
plassen.  Onder  de  drooggemalen  rmeren  zijn 'de  voorn'aaitisté  de 
HaarUmmerme^polder  (z.  p.  — ,  4^80)  de  Zoèicnmeersche  polder 
( —  5,04)  de  Slotermeerpoldery  de  Luikemeer polder^  A^  Oosteinder - 
meer  polder^  de  Hemvuerpoldet  enz. 

§    18.      DE  BOEZEM  VAN   RIJNLAND. 

De  boezem  van  Rijnland  bestaat  uit  een  tal  van  wateren  en 
plassen  die  te  zamen  eene  oppervlakte  van  3700  H.  A.  beslaan, 
waarvan  3400  H.  A.  ten  noorden  en  300. H.A.  ten  zuiden  van  den 
Rijn  gelegen 'zijn.  (De  boezem  van  Woerden  is  hierin  niet  begrepen)  i). 
Éene  volledige  opgaaf  van  deze  boezemwateren  is  opgemaakt  in 
alphabetische  volgorde  door  den  ingenieur  van  Rijnland,  Dr.  van 
Dissel,  als  aanvulling  van  de  kaart  van  Rijnland  (schaal  i :  50,000,) 
van  1884. 

Hiervan  zijn  de  volgende  de  voornaamste.  Ten  noorden  van  den 
Rijn:  de  irekvaart  van  Amsferdam  op  Haarlem ^  het  Spaarne^  de 
Liedey  de  ringvaart  van  dtn  Haar  lemmer  meer  polder^  de  Schinkel^ 
de  Drecht,  liet  Amstel-  of  Aar  kanaal y  de  Does^  de  Heimanswetering 
met  het  Paddegat  en  de  Oude  Wetering^  de  R ij p^&e tering^  de 
wijde  Aaj  de  Zijl^  de  Ltede^  de  trekvaart  van  Haarlem  op 
Leiden  met  dé  Mare^  de  kanalen  en  wateringen  naar  de  Kat- 
wijksche  sluizen  éaz,  ' 

Ten  zuiden  van  den  Rijn :  de  Vrassenaarsche-^  de  Vccn-^  de 
Meerpurger-  en  andere  wateren,  de  Leidsche  trckvliet^  de  voorhoe- 
zems  aan  den  Rijn  en  de  Gouwe,  Tot  den  boezem  behoort  ook  de 
Oude  Rijn  van  Bodegraven  tot  Katwijk.  Verder  behooren  er  toe 
tallooze  vlieten,  wateringen  en  slooten,  welke 'de  hoofd  wateren  ver- 
binden of  er  mede  in  gemeenschap  staan. 

Volgens  de  tegenwoordige  opvatting  is  de  meest  wenschelijke  ^tand 
vaii  den  boezem  eene  hoogte  tusschen  —  50  en  60  cM.  —  A.  P. 


*  i)  E.  F.    V. -Dissel,   Alph'iSib'etische  lijst  der  boezemwateren  in  Rijnland  1887 
pag.  3.  ..  y.  ..  .    •/      -  •■ 


Digitized  by 


Google 


'  A3 

Eene  verbooging  voor  korten  tijd  tot '40  cM.  —  A.  P.  is  echter 
in  het  algec^een  niet  schadelijk  te  achten ;  eene  verlaging  tot 
lager  dan  60  cM.  —  A.  F.  kan  lastig  worden  voorde  scheepvaart  i). 

In  den  r^el  zijn  alle  wateren  van  den  boezem  onderling  in  onge- 
hinderde gemeenschap  met  elkailder,  zoodat  zonder  opwaaiing  overal 
nageno^  een  zelfde  boezemstand  wordt  waargenomen. '  Evenwel  is 
dit  niet  altijd  het  geval. 

Enkele  kleinere  of  grootere  gedeelten  van  den  boezem  kunnen  in 
bepaalde  omstandigheden  lk)g  van  den  hoofdboezem  worden  afge- 
sloten, o.a.  i.deGouweboézem  (76  H.  A.)  te  Gouwesluis,  zoodra  het 
water  in  den  Rijn  tot  het  maalpeil  (0,2772  cM.  —  A.  P.)  is  ge- 
stegen. Bij  vrije  verbinding  toch  zou  dan  het  water  op.  de  Gpuwe 
te  hoog  worden,  zoodat  hare  oeverlanden  overstroomden. 

2.  De  gedeelten  van  den  'boezem  ten  'zuiden  van  den  Rijn.  Deze 
gedeelten  kunnen  worden  afgesloten  door  sluizen  in  den  hoogen 
Rijndijk  (de  dijk  langs  den  zuidelijken  oever)  zoodra  de  algemeene 
boezem  het  maalpeil  (—  0,2  7  Vs  c.  M.)  bereikt  heeft. 

De  Rijn  zelf  blijft  dus  altijd  gemeen  met  het  niet  afgesloten 
gedeelte  van  den  boezem  ten  noorden  van  den  Rijn.  Het  geval, 
dat  het  maalpeil  wordt  bereikt,  doet  zich  in  de  laatste  jaren  uiterst 
zelden  voor.  Alleen  de  Gouweboezem,  die  hij  noordenwinden  meer 
dan  andere  wordt  opgezet,  blijft  nog  meest  alle  jaren  op  enkele 
dagen  eenige  uren  lang  gesloten  2). 

3.  De  trekvaart  van  Haarlem  op  Amsterdam^  van  dehoófdstad 
lot  Jfalfkveg^  met  hare  nevenpoelen.  Dit  gedeelte'  kan  men  den 
afsluitbaren  boezetn  van  Sloten  noemen.  De  afsluiting  van  dit  ge- 
deelte des  boezems  bij  Halfweg  had  vooral  vroeger,  vóór  de  droog- 
making van  het  Haarlemmermeer,  veel  waarde.  Door  den  westen- 
wind toch  kon  het  Haarlemmermeer  hoog  opgezet  wórden  aan 
dezen  kant  en  dus  ook  het  water  in  de  trekifaart  te  hoog  doen 
rijzen,  waardoor  de  groote  weg  zou  onderloppen..  Joeg  daarentegen 


i)  E.   F.   V.   Dissel.   Overzicht   van    Rijnlands  waterstaat  van  1859^01^1889 
pag.  24. 
2)  V.  JDissel.  Alpbabetische  lijst  der  boezemwateren  van  Rijnland  18S7.  pag.  4. 


Digitized  by 


Google 


44 

een  aanhoudende  noordenwind  het  water  uit  het  Haarlemmermeer 
van  hier  naar  het  zuiden,  dan  zou  dit  gedeelte  van  den  boezem 
als  kanaal  voor  de  scheepvaart  te  laag  water  hebben.  Hoewel 
van  minder  beteekenis  dan  vroeger,  dient  toch  de  boezem  nog  tot 
hetzelfde  doel. 

4.  De  boezem  van  OegstgeesU  Deze  boezem  is  gelegen  in  de 
omringing  van  Oegstgeest,  eene  omdijking,  die  van  oude  dagteeke- 
ning  en  van  geheel  plaatselijken  aard  is.  Oorspronkelijk  diende  zij, 
om  een  gedeelte  dier  gemeente  tegen  het  bij  noordenwind  in  het 
zuiden  oploopende  Haarlemmèrmeerwater  te  beveiligen.  Thans^  nu 
het  Haarlemmermeer  drooggemaakt  is,  heeft  evenwel  die  afsluiting 
geen  beteekenis  meer. 

De  volgende  tabel  geeft  een  overzicht  van  de  waterstanden  op 
ond^cheidene  plaatsen  van  den  boezem»^  van  Rijnland  over  de  jaren 
1875-1884. 


Gemidd. 
stand. 


Hoogste  stand. 


Laagste  stand. 


Oude  Wetering 

Leiden 

Katwijk    (van    1881— 

1884) 

I^idschendam 

Spaamdam 

Halfweg 

Gouda  (Hanepraai- 

sluis) 


—  0,50 

—  0,52 

—  o,S9 

—  0^46 

—  o-.S* 

—  0.54 

—  0,51 


—  0,20    21  Nov.  1875 

—  0,17.         Nov.    '75 

'81 

'78 

'79 

'79 
•81 
'80 


f      Dec. 

—  0,19     29  Nov. 

—  0,20 

—  0,20 


y 

—  OJ\\    \    2 


1 1  Febr. 
iiFebr. 
14  Juli 
5  Dec. 


-o,7o|'^^"«-'^76 
"    I  23  Maart  '83 


—  0,92 

—  1^30 

—  i,ïS 

—  0,93 

—  0,82 


Jan.      '84 

Jan.      '84 

3   Maart  '80 

6   Maart  '83 

5    Maart  '79 


—  0,87  22    Maart  '83 


Wanneer  wij  hiermede  vergelijken  den  stand  van  het  water 
buiten  de  uitw$tefingss)uizen  van  den  boezem  yan^^  Rijnland,  dah 
kunnen  wij  eenigszins  eene  voorstelling  van  den  toestand  dier  loozing 
verkrijgen. 


Digitized  by 


Google 


4S 

Standen  van  het  buitenwater  aan  de  uitwaterings- 
sluizen  van  Rijnlands  boezem. 


Uitwatefiogsslaizen. 


Gemidd. 
stand. 


Hoogste  stand. 


Laagste  stand. 


Nom-dzcekanaal 

Spaarndam 

Halfweg 

Noordzee 

Katwijk  (1881— 1884). 

Bij  hoogwater 

Bij  laagwater 

Hollandsche  IJsel. . . . 
€k>uda  (Hanepraai- 

sluis) 

Bij  hoogwater. 

Bij  laagwater 


0^6 


+  0,10  20  Nov.   1875 
+  0,12  20  Nov.      '75 


+    0^85  +  2,80    6  Maart    '83 
—  0^74 !  +  2^00  24  Jan.       '84 


+    1,13 
—  0,27 


+  3,08  12  Dec.      '83 
+  1,91  24  Jan.       '84 


-0^84  30  Maart  1880 
■0,85   3  Maart    '80 


•0,12    7  April     *8x 
■  1,81  30  Maart    '83 


0,32        Jan.      '75 
•  i,f9  23  Maart  '83 


Hieruit  zien  wij,  dat  te  Spaarndam  de  gemiddelde  stand  van  het 
buitenwater,  waarop  Rijnlands  boezem  moet  loozen,  o,i6M.  hooger 
staat  dan  het  water  in  den  boezem,  zoodat  bemaling  hier  nood- 
zakelijk is.  Hetzelfde  is  bij  de  overige  afwateringsplaatsen  het  geval. 
Alleen  bij  Katwijk  is  de  gemiddelde  ebbestand  lager  dan  het  ge- 
midddde  peil  in  den  polder,  zoodat  hier  bij  ebbe  geregeld  op 
natuurlijke  wijze  kan  geloosd  worden.  Toch  vindt  men  ook  hier 
een  stoomgemaal  tot  bemaling  van  den  boezem  en  wel  het  grootste 
van  alle. 

Bij  watergebrek  in  den  boezem  geschiedt  de  inlating  door  de 
sluizen  te  Gouda  uit  den  IJsel.  Door  inlating  en  bemaling  tracht 
men  den  boezem  zooveel  mogelijk  te  houden  op  0,50  tot  0,55 
M.  — ^  A.P.  des  zomers,  0,5^  tot  0,60  M.  —  A.P.  des  winters.  De 
volgende  label  geeft  een  overzicht  van  den  toestand  der  water- 
loozing  en  waterinlating  in  Rijnland. 


Digitized  by 


Google 


46    . 
Looztng  van  water  uit  Rijnland  in  1886. 


Natuurlijke. 

Kunstmatifj^e.  - 

Totale 

Aantal 

Hoeveelheid 
in  M». 

Aantal 
uren. 

Aant.  etmalen. 

Geloosde  hoe- 
veelheid 
inM» 

hoeveelheid 
in  M». 

uren. 

101885 

in  1886 

Spaamdam- 
Halfweg... 
Gouda .... 
Katwijk . . . 

130 ' 
106 
294* 
1513 

13994400 

7813800 

3  963  800 

137758000 

"I  627} 

8SoJ 
360} 

77,4 
74,5 
45,9 
33,8 

67,8 
69 

35.5 

158  588  öoo 
742i2i  oöo 
26  036  000 
31794000 

172582400 
82034800 
29999800 

169  507  000 

Tezamen . . 

163  530000 

290594000 

454124000 

Tez.ini88s 
^     >  1884 
»     »  1883 
»     >  1882 

143  417  900 
193789200 
2005570PO 
200  i6ó  500 

352  934  100 
236  701  100 
363  138  000 
462  591  700 

496352000 
430490300 
563695000 
67a  752000  i> 

Van  de  hoeveelheid  te  Katwijk  op  natuurlijke  wijze  geloosd  werd  ruim 

19  ooQ  000  M'.  geloosd  tijdens  dat  te  Gouda  waterinlating  plaats  had. 

Waterinlating  in  Rijnlands  boezem  te  Gouda: 


Ten  behoeve  van 
Gouda  i&,MS. 

Tot  ververschiilg 

van  den  boezem 

in  M». 

Tezamen   in 

In   1886 

10  385  200 

118  769500 

129  154  700 

»     1885 

•  .14  235  600 

146916800^ 

161  142  400 

>     1884 

.10556500 

146  919  000 

1574.75500 

>     1883 

13  095  200 

Ï09  613  500 

122  708700 

»     1882 

16.899300 

41335000 

5?  234  30Q 

1     1881 

15  602  500 

60  666  100 

76  268  600 

>     1880 

12  151  500 

96  260  500 

108312000    2) 

i)  Versl.  omtrent  den  toestand  v.  d.  algem.  waterstaat  van  Rijnland  over  1887  tab.  X^ 
2)  Versl.  omtrent  den  toestand  v.  d.  algem.  waterstaat  „  „      over  1887  tab.  XI. 


Digitized  by 


Google 


Uit  bovenstaande  tabel  der  waterloozing  blijkt  het  belangrijk  ver- 
schijnsel, dat  er  meer  op  -  kunstmatige  danr  op  natuurlijke  wijze 
geloosd  wordt.  Hieruit  vooral  zien  wij,  welk  een  kunstwerk  dit 
groote  gedeelte  Holland  is.  Terwijl  thans  de  kunstmatige  water- 
loozingen  in  de  meerderheid  zijn,   was  dit  vroeger  juist  omgekeerd. 

Een  belangrijke  invloed  hierop  is  uitgeoefend  door  de  afsluiting 
van  het  IJ.  Bij  die  afsluiting  werd  van  regeeringswege  hier  een 
kanaalpeil  van  50  cM.  -=-  AB.  toegezegd,  dat  ^venwernooit  ge- 
handhaafd is.  (Zie  pag.^45).  Zelfs  werd  er  niet  naar  gestreefd  dit 
peil  te  bereiken  en  altfjd'was  de  kahaalstand  hooger.  (^ —  0,36).    * 

Hierdoor  zijn  de  natuurlijke  loozingen  te  Spaanidam  en  te  Half- 
weg beperkt  tot  enkele  dagen  van  zuidelijken  en  *  zuid-westelijken 
storm  I.)  Terwijl  er  vroeger  bij  eb  op  het  IJ  natuurlijke  loozing plaats 
had  kan  dit  thans,  door  gemis  van  eb  niet  meer  geschieden,  doch 
heeft  er  dan  kunstmatige  loozing  plaats. 

Echter  is  dit  niet  de  eenige  oorzaak.  Want  algemeen  is  in  Rijn- 
land in  de  laatste  jaren  een  verlangen  levendig,  om  den  boezen 
zooveel  mogelijk  op  een  laag  peil  te  houden.  Ook  hierdoor  vermin- 
derde de  hoeveelheid  natuurlijk  geloosd  water  te  Spaarndam  en  te 
Halfweg  zeer  in  de  jaren  na  de  afsluiting  van  het  IJ.  Terwijl  in 
1873  en  1874  nog  50  k  60  milL  M*.  water  op  laatstgenoemde 
plaatsen  natuurlijk  geloosd  werd,  bedroeg  de  hoeveelheid  in  1884 — 
1885  slechts  20  k  30  mill.  M'.  De  boezem  werd  in  iden  laatsten  tijd 
zóó  laag  gehouden  door  bemaling,  dat  er  hier  voor  natuurlijke 
loozing  geen  water  overbleef. 

Evenwel  zijn  de  natuurlijke  loozingen  te  Katwijk  niet  gelijktijdig 
verminderd,  maar  eerder  toegenomen.  De  jaarlijks  te  Katwijk  na- 
ttttirlijk  geloosde  hoeveelheden  bedroegen  over  de  volgenÖe  tijdper- 
ken in  ronde  cijfers: 

1859 — 1865  ...•...•..   158  millioen  M*.  jaarlijks 
1866 — 1870.....,',..   168        >         »  > 

1871—1875.........   158        »  >  >       • 

1876— 1880 :.:..   i8i        >  »•         > 

188^—1885..., 161         »  >  ». 

i)  V.  Dissel.  Overzicht  van  Rijnlands  waterstaat  van  1859  tot  1885.  pag.  12. 


Digitized  by 


Google 


Dit  schijnt  in  strijd  mët  het  boven  beweerde,  dat  die  lagere 
boezemstanden  ongunstig  op  de  natuurlijke  loozingen  hebben  ge- 
werkt. Evenwd  is  er  in  de  laatste  jaren  door  verbetering  van  het 
oude  kanaal  van  Katwijk  en  het  graven  van  een  geheel  nieuw 
kanaal  daarheen  van  de  Warmonderleede  een  groote  verbetering  in 
den  toevoer  van  water  naar  de  sluizen  bij  Katw^k  aangebracht, 
waaruit  dit  verschijnsel  te  verklaren  valt.  Was  de  gemiddelde  boe^ 
zemstand  van  Rijnland  feitelijk  niet  zeer  verlaagd,  dan  zou  de 
natuurlijke  loozbg  bij  Katwijk  sterker  zijn  toegenomen;  nu  is 
die  toeneming  slechts  gering.  Die  toeneming  der  natuurlijke  loozing 
te  Katwijk  was  als  volgt: 

Aantal  uren  van  natuurlijke  loozing  te  Katwijk, 

1859 — 1865  gemiddeld  per  jaar  1423  uren 
1866 — i87o  >  >       1     1427      » 

1871 — 1875  1  »       1     1635      1 

1876 — 1880  >  1       »     1780      » 

1881— 1885  >  »       »     1610      »      i). 

De  waterinlating  had  vóór  1872  te  Gouda  en  te  Leidschendam 
plaats,  na  1872  alleen  te  Gouda.  Het  water,  dat  te  Leidschendam 
vroeger  werd  ingelaten,  was  vaak  verontreinigd  door  de  stoffen,  die 
er  bij  het  vloeien  door  Delft  en  Den  Haag  inkwamen  en  de  pach- 
ter van  het  vischwater  klaagde,  dat  de  visschen  er  door  gedood 
werden.  Het  water,  dat  te  pouda  wordt  ingelaten,  is  veel  frisscher 
en  dient  wezenlijk  tot  verversching  van  den  boezem. 

S   19.    HET  WATER  IN  DE  LANDEN  TUSSCHEN  DE  NIEUWE    MAAS 
EN  DE  VPOLDERS. 

Bij  de  beschrijving  van  de  oro-hydrographischen  gesteldheid  van 
het  Jand  tusschen  de  Nieuwe  Maas  en  de  IJpolders  tot  den  Utrechtsch- 
Gooischen  heuvelrug  in  het  oosten  hebben  wij  reeds  opgemerkt,  dat 
geen  enkele  groote  rivier  dit  gebied  meer  doorstroomt  en  dat  er  slechts 
weinig  water  uit  de  buitenrivieren  wordt  ingelaten.  Wanneer  wij  hier- 
bij in  aanmerking  nemen,  dat  er  ook  van  omliggende  hooge  gronden 

l)  V.  Dissel  Overzicht  van  Rijnlands  waterstaat  van  1859 — 18851  pog.  18  en 
tabel  VI. 


Digitized  by 


Google 


4a 

(alleen  vati  de  doinen  en  van  den  Utrechtsch-Gooischeh  heuvelrug) 
betrekkelijk  weinig  water  wórdt  aangevoerd,  dan  komen  wij  tot  het 
besluit,  dat  de  natuurlijke  watertóestanden  aan  de  oppervlakte  der 
aarde  in  liet  besproken  gebied  zullen- af  hangen  v^n  den  atmospheri- 
sehen  neerslag  in  verband  met  de  verdamping,  den  orographischén 
YoriQ  en  de  physischè  gesteldheid  'des  bodems.  Dit  zou  namelijk 
het  gev^I  zijn,  wanneer 'de  molens' alle  bleven  ruften  en  demensch 
niet  door  waterinlating  of  andere  middelen  er  wijzigingen  in  aan- 
bracht. Als  de  molens  niét  werkten  en  de  sluizen  niet  op  geschikte 
tijden  geopend  werden,  zou  er  van  afvoer  des  waters  geen  sprake  zijn. 

In  het. boven  veronderstelde  geval  zou,  in  de  eerste  plaats,  de 
watertoestand    bepaald  worden  door  den  atmcKspherischen  neerslag: 

Te  UtrechtMjedraagt  de  gemiddelde  jaarlijksche  regènhoeveelheid 
over  de  laatste  37  jaren  (met  1886)  703,9  m.M.  én  in  1886  bedroeg 
die  hoeveelheid  702,3  m.M.  *) 

Volgens  de  meteorologische  waarnemingen  in  Rijnland  is  hier  de 
gemiddelde  jaarlIjksché  regenval  van  1743  'tot  1841,  dus  over  99 
jaren,  657,1  m.M.  en  bedroeg  in  1886  'de  regenval  69Ó  m.M,  *) 
Wanneer  wij  déze  laatste- regenhoe v&slheid  Voor  Rijnland  en  Woerden 
in  1S86  aannemen^  vinden  ivij,'  dat  hier^  op  eene  oppervlakte  vaö 
121  677  H.A.,  in  dat  jaar  8^36  716  654  M«  regen  viel  op  het  ge- 
heele  gebied.         - 

Deze  hoeveelheid  atmo'sph^isch  water  viel  dus  in  1886  binnen 
dè  grenzen  van  Hijnlahd.  Doch  gaan  wij  thans  na,  welke  omstan* 
digheden  waterafvoerend  werken  voor  hetzelfde  gebied.  In  de  eerste 
plaats  noemen  wij.  de  verdamping,  het  tegengestelde  van  den  neerslag. 

De  hoeveelheid  regen,  welke  in  een  gfebied  valt,  is  met  vrij 
'gróote  nauwkeurigheid 'waar  te  neméii,  doch  van  de  verdamping  kan 
dat  niet  gezegd  wóiden.  De  vefdampingsmetérs  laten  in  dé  méesté 
gevalleü  nog  veel  te  wenschen  over.  •)  Dat  de  verdamping  op  Véél 


i)    Mcteorol.  jaarboek', 1886  pag.  265. 

2).  Versl.  van  Rijnland  over  1886.      .    -       •     •  :  .  ', 

3j  Zie  hierover  Buys  Bajlot,  Hoe. zal  men  de  verdanipingshoevee|)ieid  be.- 
palen  van  polders?  (Versl.  en  Med.  der  Kon,  Akad.  van  Wet.  Nat.  1879  pa^ 
27  enz.)  Verder  de:  meteorologische  jaarboeken  1885  pag.  252,  1886  pag,  26S. 

I.  2.  4 


Digitized  by 


Google 


50 

plaatsen  en  in  vele  gevallen  grooter  is  dan  de  regenhoeveelheid,  werd 
reeds  sedert  lang  waargenomen,  i)  Ook  de  waarnemingen  te  Utrecht 
en  te  Den  Helder  bewijzen,  dat  in  elk  geval  het  verschil  tusschen 
verdamping  en  regenhoeveelheid  niet  groot  is.  Doch  men  lette 
er  wel  op:  de  verdampingsmeter  geeft  de  hoeveelheid  regen  aan, 
die  er  verdampen  kan  en  niet  de  feitelijke  verdamping  in  de 
natuur.  Het  water  op  het  land  bevindt  zich  in  slooten,  als  grond- 
water in  den  bodem,  in  een  plantendek  enz.,  dus  meestal  in  ge- 
heel andere  toestanden,  dan  welke  men  bij  den  verdampingsmeter 
vindt.  Daardoor  is  het  vraagstuk  der  werkelijke  waterverdamping 
in  polderlanden  als  anderzins  nog  altijd  onopgelost  en  hebben  de 
cijfers  slechts  betrekkelijke  waarde. 

Volgens  de  waarnemingen  in  Rijnland  was  hier  de  verdamping 
in  1886  als  volgt: 

Verdamping  van  een  wateroppervlakte  66 1, 6    m.M. 
1  »  zwarte  aarde         508,6      > 

»  »  begroeide  aarde    867,4      > 

R^enval  in  1886  690,2       » 

Naar  deze  opgave  zou  men  kunnen  vermoeden,  daar  het  grootste 
gedeelte  des  lands  begroeide  aarde  is,  dat  de  verdamping  den  regenval 
overtrof  en  dus  bemaling  onnoodig  was.  Doch  wij  zien,  dat  in  1886 
in  werkelijkheid  nog  454  124  000  M'  —  129  154  700  M«  =  324 
969300  M*  water  meer  geloosd  is  dan  ingelaten.  Dat  laatste  ge- 
loosde water  moet  dus  van  den  neerslag  afkomstig  zijn.  Men  ziet 
hieruit,  dat  de  afgevoerde  hoeveelheid  water  ongeveer  38  pCt.  van 
het  gevallen  water  uitmaakt,  zoodat  er  62  pCt.  voor  verdamping 
en  verbruik  der  planten  overblijft. 

Het  water  in  een  poldergebied,  waar  de  bodem  meest  uit  klei  of 
veen  bestaat  met  gering  doorlatend  vermogen  (zie  I  pag.  244)  en  de 
grond  tot  op  geringe  diepte  met  water  verzadigd  is,  heeft  hoofd- 
zakelijk een  bovengrondschen  afvoer.  Daardoor  zal  zeer  spoedig  na 
aanzienlijke  regens  een  hooge  waterstand  in  de  slooten  volgen.  De 
bodem  vormt  er  niet,  als  in  de  hooge  zandgronden,  een  reservoir  tot 
bewaring  van  het  water  als  grondwater.    De  afvoer  heeft  daardoor 

i)    S.  H.  Miller,  Prize  essay  on  evaporation,  1878  pag.  7. 


Digitized  by 


Google 


51 

meest  bovengronds  plaats  en  geschiedt  aldus  veel  sneller,  dan 
wanneer  de  grootste  hoeveelheid  water  een  benedengrondschen  af- 
voer had.  De  regen,  die  in  de  polders  snel  de  slooten  doet  wassen, 
wordt  van  deze  veelal  door  bemaling  weer  op  den  boezem  gebracht 
•en  zal  dus  ook  den  boezem  spoedig  doen  wassen.  Doch  alles  heeft 
-er  een  snel  verloop.  Zoodra  de  toevoer  van  het  afvloeiende  regen- 
water heeft  plaats  gehad,  zal  die  aanvoer  niet  zoo  geregeld 
voortgaan,  als  dit  in  de  zandgronden  door  het  grondwater  het 
^eval  is.  Hierdoor  hebben  de  stoomgemalen  slechts  een  klein  ge 
<Ieelte  des  jaars  noodig  te  werken,  zooals  uit  de  opgave  op  II  pag. 
46  blijkt. 

i   20.   BEDUKII^GEN   IN  KU^^LAND. 

Zooals  wij  uit  de  tabel  van  de  hoogte  der  polders  op  II  pag.  39 
usagen,  hebben  alle  polders  op  4  na  een  zomerpeil,  dat  lager  is  dan 
0,50  M.  —  A.  P.  Hieruit  blijkt,  dat  meest  bij  alle  polders  bemaling 
Tioodig  is.  Het  grootste  gedeelte  van  den  bodem  ligt  derhalve  beneden 
het  water  van  den  boezem,  waarop  het  overtollige  water  dus  door 
imolens  moet  gebracht  worden.  Hierdoor  is  bijna  het  geheele  gebied 
•door  dijken  en  kaden  in  een  groot  aantal  deelen  verdeeld,  terwijl 
de  boezemkanalen  tusschen  dijken  worden  ingesloten  en  hooger 
dan  het  land  liggen.  Nog  14  500  H.  A.  boezemland  loost  op  den 
ix>ezem  zonder  bemaling.  Men  moet  zich  verder  wachten  het  ge- 
bied van  Rijnland  zich  voor  te  stellen  als  geheel  ingesloten  door  éen 
langen  ringdijk,  die  het  land  daarbinnen  voor  goed  van  het  daar  buiten 
igelegen  land  en  van  het  buitenwater  afsluit.  Wel  vindt  men  op  vele 
plaatsen  nog  gedeelten  van  dergelijke  vroegere  ringdijken  tegen  het 
buitenwater,  bijv.  de  duinen^  de  SpaarndamscJu  zeedijk  ruim  3  M. 
-f  A.  P.  (vóór  de  afdamming  van  het  IJ)  de  IJseldijk  3,50  M.  +  A.P. 
«en  verschillende  kaden.  Doch  naar  Delfland  en  Schieland  is  die 
waterkeerende  ringdijk  van  aard  veranderd  en  ligt  er  zelfs  beneden 
A.  P.  Hier  is  het  een  kade,  die  slechts  dient,  om  de  polders  van 
Rijnland  van  die  van  Schieland  «n  Delfland  te  scheiden.  Liepen 
derhalve  die  laatste  onder,  dan  zou  ook  die  scheidingskade  over- 
loopen  en  het  buitenwater  langs  dien  weg  in  Rijnland  stroomen. 


Digitized  by 


Google 


"Wel  lag  hier  öorsprohkeiijk  een  höoge  dijk,  doch  die  iand- 
s'cheidin^^  zooals  hij  toen  gewoonlijk  placht  genoemd  te  woixien, 
bf stond  in  ideze  veenrijke  streek  meest  uit  veen  en  rustte  eveneens 
op  een  veenbeddihg.  Naarmate  er  nu  aan  weerszijden  polders  ont- 
stonden en  plas  verveningen,  welke  later  weer  droog  gemaakt  werden, 
kromp  het  veen  onder  den  dijk,  waar  het  water  er  aan  de  kanten 
uit  ontwijken  kon  én  niet  meer  tegen  drukte,  in,  en  droogde  uit.  Zoo 
zonk' de  dijk  meer 'eri  meer,  en  verloor  zijn  karakter  als  walerkee- 
ring  tegeri  het  buiten  water.  Nu  evenwel  ook  hier  ^Delfland  en 
Schieland)  polders  cn?itstaan  waren,  was  een  dergelijke  dijk  niet  meer 
noodig  en  werd  aan  het  onderhoud  niet  de  noodige  zorg  besteed. 

Langs  den  zuidelijken,  oiever  vau.  ^lep^  Oudeij  Rijn  van  de  Wie- 
rikkerschans  tot  bij  Katwijk  ligt  een  dijk,  de  HÓoge  Rijndijk^  ge- 
noemd. Deze  dijk  lieéft  éen  hoogte  van  0,25  tot  i  M.+  A.  P.,  gemid- 
deld niet  .méér  dan  :o,6M.  +  A.  P,  In  het  oosten  sluit  hij  zich  aan 
bij  den  Wierikkedijk  bi  Prinsendij k^  welke  van  Wiérikkeschans 
langs  de  Wierikke  naar  den  HoUandschen '  IJseldijk  loopt.  De 
laatste  wordt'  op  eeiie  hoogte  van  0,95  M.  +  A.  P.  onderhouden  door 
Rijnland,  Délflan(l  en  Schieland.  .  ' 

De  W'ierikkedifk  is  gelegd  in  1672.  Reeds  lang 'vóór  dien  tijd  had 
men  uitgezien  haar  eeine  volmaking  van  deh  *  béschermenden  ring 
dóór  aansluiting  ten  oosten 'aan  den  Rijndijk  in  het  Sticht.  Op  ver- 
deeldheid en  de  tegenstrijdige  belangen  stuitten  de  plannen  telkens  af. 
•  Het  Slicht  was  akijd  in  verzet  tegen  een  aansluiting  van  den  IJseldijk 
aan  den  RijndijL'  Öet  wilde  hameiijk  bij  eene  overstróoming  van  de 
Lek  in  zijn  gebied'  liever'  het  water  op  HoÜ^hd  laten  afloopen  dan  het. 
ophouden  en  duldde  niét  dan  noode  vreemde  dijkere.  Oók  de  be- 
langhebbende :stedeh  Gouda,  Delft,  Leiden,  Oudewatêr  en  Rotter- 
dam konden  het  niet  eens  worden. 'Doch  in  1672  gelaste  de  Prins 
van  Oranje  de  drie  waterschappen  den  Wierikkedijk  óp  te  werpen 
en  als 'slaper  te  onderhouden  i)       •      '  f        '  •  . 

Genoemde  Üooge  Rijfidijk  heeft:  evenwel  zijn  samenhang  op  ver- 
schillende plaatsen  vefloren-doór  afgravinijeh.  De  sluizen  in  dezen 

1)  'C.n.  Deé.  Memorie  omtrent  den  Wicriqlcerdijk  iS8j[.  ,  (De,geschietleni^ 
van"dien  dijW  is  hierin  te  vinden.)  '    ^  ' -"   *    '  i' :    ..  '   "    i 


Digitized  by 


Google 


53 

dijk  staap  meestal  open  tot  doorlating  van  het.  water  der  landen 
van  Rijnland  ten  zuiden- van  den  Rijn;  zjj  worden  gesloten, zooals 
wij  boven  zagen,  bij  eene  waterhoogte  op  den  Rijn  van  0,275  M.  t  A.P. 
'  Het  oorspronkelijk  doel  van  dezen  hoogen  Rijndijk  was  zeer 
zeker,  om  de  landen  ten  zuiden  van  den  Rijn  en  ook  Delfland  en 
Schieland  tegen  overstrooming  te  beveiligen  in  den  tijd,  toen  dé 
Spaarndamsche  dijk  nog  niet  bestond  of  nog  niet  genoeg  afwerend 
vermogen  tegen  de  zee  bezat  i)  en  dus  Rijnland  ten  noorden  van 
den  Rijn  bij  hoogen  waterstand  op  het  IJ  kon  onder  water  loopen.  Het 
eerst  vindt  men  gewag  gemaakt  van  dien  dijk  in  eene  Jceur  van 
1330*  Ook  na  den  aanleg  van,  den  Spaamdamschen  dijk  was  de 
afsluiting  van  Rijnland  in  het  noorden  nog  geenszins  voldoende  en 
bij  overstrooming  kon  dus  deHooge  Rijndijk  nog  altijd  dienst  doen. 

Verder  moest  de  Hoo.^e  Rijndijk  met  de  Wierikkckade  dienst  doen, 
om  het  zuidelijk  Rijnland  met  Delfland  en  Schieland  tegen  överstroo- 
ming  van  hetLekwater  in  Utrecht  te  beschermen.  (De  instandhou» 
ding  geschiedt  nog  door  genoemde  drie  waterschappen).  Vóór  1285 
was  de  IJsel  nog  ,^n  tak  van  de  Lek  en  de  ncorder  Lekdijk  en  de 
IJseldijk  waren  loen  de  eenige  beveiliging  voor  Woerden.  Nadat  de 
IJsel  in  1 285  bij  het  Klaphek  was  afgedamd,  werd  deze  minder  ge- 
vaarlijk^ doch  deLek  bleef  nog  altijd  dreigend.  Welk  gevaar  bij  een 
doorbraak  van  den  Lekdijk  dreigt,  blijkt,  als  wij  weten,  dat  bij  Vrees- 
wijk hét  Lekwater  gemiddeld  eene  hoogte  heeft  van  +  2,86  M.  doch 
o.  a.  in  1882  tot  6,24  M.  -^  A.  P.  steeg. 

Na  de  afdamming  van  den  IJsel  verlandde  deze  rivier  en  vele 
landen,  welke  vroeger  hierop  uit  waterden,  wendden  zich  öu  tot  Rijn- 
land, om  langs  dezen  boezem  te  mogen  loozeti.  Dientengevolge 
ontstonden  er  verschillende  overeenkomsten,  die  thans  nog  van  kracht 
zijn.  Hierdoor  kan  o.  a.  verklaard  worden,  dat  Woerden  in  1363 
te  Spaarndam  een  sluis  bouwde,  die  het  nog  moet  onderhouden. 
Langs  noordelijk  Rijnland  had  de  waterafvoer  v^n  deze  landen 
plaats.  Doch  het  Zuidelijk' Rijnland  bleef  er  van  verschoond  door 
den  hoogen  Rijndijk  en  de  Wierikkedijken  of  Gouwekaden. 

i)  C.  II.  Dee.  Memorie  betrekkelijk  den  hoogen  Rijndijk  i879'pag.3.  (Hierin 
vindt  men  eene  geschiedenis  van  den  arbeid  aan  dien  dijk  verricht.) 


Digitized  by 


Google 


54 

Of  deze  dijk  nog  behouden  dient  te  worden?  Gevers  v.  Ende- 
geest beantwoordt  die  vraag  met  ja.  i)  Voor  den  Spaamdam- 
schen  dijk  echter  behoeft  na  de  afsluiting  van  het  IJ  geen  vrees 
meer  te  bestaan.  Doch  de  Lekdijken  baren  voor  Holland  nog  altijd 
zorg,  en  de  verhooging  van  deze  (zie  I  pag.  347)  geeft  geei> 
voldoende  zekerheid.  Ingevallen  van  overstrooming  der  Lek  kunnei» 
de  Wierikkedijk  en  de  Hooge  Rijndijk  nog  altijd  dienst  doen  tot. 
bescherming  van  het  zuidelijke  Rijnland.  Schieland  en  Delflandi 

§   21.      IETS  UIT  DE  GESCHIEDENIS  VAN   RIJNLANDS  BEDIJKING 
EN  ZIJNE  WATERLOOZING.   {VerVOlg^ 

f  Het  waterschap  Rijnland  heeft  ongetwijfeld  zijn  ontstaan  te  dan- 
ken, of  beter  gezegd  zijn  ontstaan  te  wijten,  aan  de  verstopping 
van  den  Rijnmond  bij  Katwijk  en  aan  de  overstroomingen,  die 
daarvan  het  onmiddelijke  gevolg  waren",  zegt  prof.  Fruin.  Met  dit 
gevoelen  stemmen  wij  volkomen  in,  mits  men  er  niet  uit  wenscht  af 
te  leiden,  dat  zonder  de  verstopping  van  den  Rijn  een  dergelijk 
waterschap  niet  zou  ontstaan  zijn.  Want  als  wij  de  geheele  ge- 
steldheid van  het  lage  land,  dat  thans  tot  Rijnland  behoort,  nagaan, 
blijkt,  dat  ook  zonder  den  Rijnstroom  of  met  een  geheel  open* 
Rijnmond  hier  evenzoowel  een  waterschap  moest  ontstaan.  Langs- 
de  Nieuwe  Maas,  die  toch  geheel  open  bleef,  ontstonden  eveneens- 
de  hoogheemraadschappen  Delfland  en  Schieland. 

Doch  dat  de  verstopping  van  den  Rijnmond  dit  land  reeds- 
vroeg  naar  middelen  tot  waterkeering  deed  uitzien,  dat  die  gebeur- 
tenis een  aanzienlijke  factor  in  de  ontwikkelingsgeschiedenis  van* 
het  Hoogheemraadschap  is,  heeft  de  hoogleeraar  op  heldere  wijze 
aangetoond,  2)  en  zijne  studie  is  ons  hierbij  dikwijls  tot  gids. 

De  geschiedenis  van  de  oro-hydrographische  gesteldheid  des  lands- 
behandelen  wij  later  in  het  algemeen.  Thans  bepalen  wij  ons  enkel 
tot  Rijnland  en  eenige  zijner  voornaamste  werken. 


1)  Gevers  v.  Endegeest.  Het  Hoogheemraadschap  Rijnland  I  pag.  20. 

2)  R.  Fruin.  De  opkomst  van  Rijnland  (Versl.  en  Med.  der  Kon.  Akad.  vaik 
Wetensch.  1888  pag.  275—356.) 


Digitized  by 


Google 


55 

In  Rijnland  nu  begon  de  eerste  bedijking  zeer  zeker  met  een 
dam  of  dijk  tegen  het  water  uit  het  Sticht,  benevens  een  dam  aan 
den  Rijn  bij  Zwammerdam,  om  het  water  van  den  Rijn  te  keeren. 
Deze  dam  was  reeds  vóór  1165  gelegd  en  werd  later  telkens 
weder  gelegd  en  doorgestoken  Uit  1226  blijkt  ons  reeds  uit  een 
handvest,  dat  de  Vfendeldijk  gelegd  werd  met  zeven  sluizen  er 
in.  Deze  dijk  slingerde  zich  ten  zuiden  van  het  Leidsche  meer 
naar  het  oosten,  waar  hij  waarschijnlijk  in  nauw  verband  stond 
met  de  andere  op  de  grenzen  van  het  Sticht.  De  Wendeldijk  moest 
de  landen  langs  den  Rijn  in  Holland  tegen  het  water  uit  de  meren, 
die  later  het  Haarlemmermeer  vormden  en  andere,  welke  ook  met 
de  Zuiderzee  in  verbinding  stonden,  beschermen.  De  Wendeldijk 
had  daardoor  veel  te  lijden  en  was  dus  een  belangrijke  waterkeering. 
Doch  het  kon  de  aandacht  der  belanghebbenden  en  waterbouw- 
kundigen niet  ontgaan,  dat  een  veel  geschikter  verdedigingslinie  te 
kiezen  zou  zijn  ten  noorden  van  de  meren,  waar  langs  het  IJ  reeds 
een  zeedijk  bestond.  Hier  behoefde  men  slechts  het  Spaame  af  te 
dammen  en  daar  de  noodige  uitwateringssluizen  aan  te  leggen. 
Achter  deze  waterkeering,  zoo  zij  stevig  gebouwd  was  en  goed 
onderhouden  werd,  zou  een  veel  uitgebreider  streek  voor  overstroo- 
ming beschut  liggen,  dan  die  de  Wendeldijk  beveiligen  kon.  Geheel 
Rijnland  en  een  stuk  van  Kennemerland  zouden  er  door  gebaat  zijn. 

Dit  geschiedde.  Wanneer  het  werk  werd  uitgevoerd  is  niet  met  zeker- 
heid bekend,  doch  in  1253,  in  den  tijd  van  Koning  Willem,  was 
bet  Spaame  reeds  afgedamd  en  eeii  nog  gewichtiger  werk  in  be- 
sprek, het  bouwen  namelijk  van  een  schutsluis  in  den  dam,  ten 
gerieve  van  de  scheepvaart,  inzonderheid  voor  Haarlem.  En  uit  een 
oorkonde  van  dien  tijd,  1225,  leidt  Fruin  verder  af,  dat  de  gansche 
streek,  die  later  het  waterschap  Rijnland  vormt,  toen  als  gemeen 
land  werd  aangemerkt  en  dat  de  zorg  voor  haar  waterkeeringen 
in  dien  tijd  reeds  aan  een  coUegie  van  Heemraden  was  toever- 
trouwd, evenals  dit  later  het  geval  was. 

Tusschen  1255  en  1285  werd  genoemde  dam  weder  door  een  door- 
braak verwoest  en  Floris  V  beval  in  1286  opnieuw  deafdamming 
van   het   Spaame.   Hierbij    wordt  de  grens  van  het  gemeene  land 


Digitized  by 


Google 


56 

omschreven  en-  daar  de 'vroegere  bepalingen  van  Koning  Wiüem 
niet .  ;genoemd  zijn,  werd  later  ten  onrechte  Floris  V  als  de  grond- 
vester van  Rijnland  beschouwd  (Fruin).;     ' 

Het  was  het  streven  van 'Rijnland  gedurende  al  den  tijd  van  zijn 
bestaan  om  te  zorgen,  dat  er  geen  last  was  voor  zijne  landen  Van 
het  buitenwater  en  dat  de  boezem  vsn  zijn  gebied  zoo  laag  mogelijk 
kon  afwateren.  Verder  moest  ook  het  belang  der  scheepvaart  daarbij 
in  het  oog  gehouden  worden;  -     - 

Om  het  eerste  do^l  zooveel  mogelijk  te  bereiken  was  er  naast 
de  bedijking  behoefte  aan  goede  sluizen  tot  afwatering.  Het  bouwen 
van  een  schutsluis  in  den  Spaarndam  noemden  wij  boven  reeds  én 
dat  die  ook  in  1^05  bestond,  is  zonder  twijfel. 

Omstreeks  1360  werd  er  besloten  nieuwe  sluizen  in  dén  Zeedijk 
bij  Halfweg  aan  te  leggen,  zooals  uit  een  paar  oorkonden  van  1364 
in  het  archief  van  Rijnland  blijkt.  £n  een  brief  van  14 13  maakt 
melding  van  nieuwe  sluizen  in  den  Zeedijk  voor  gemeenelands 
rekening  bij  den  Heiligenweg  in  de  buurt  van  Amsterdam.         '    • 

Ook  werd  er  reeds  vroeg  eene  afwatering  door  de  Gouwe  naar 
den  IJsel 'gemaakt,  welke  o.  a.  in  1285  bestond.  De  Goitwe  is  zeer 
waarschijnlijk  een  gegraven  waterloop,  met  dat  doel  gegraven.  Nog 
volgens  een' handvest  van  1335  diende  de  sluis  bij  Gouda  tot  loozing 
van  water  van  de  Gouwe,  doch  in  het  begin  dezer  eeuw  had  die 
loozing  niet  meer  dan  8  etmalen  in  het  jaar  plaats  i),  zoodat  zij 
meer  tot  inlating  dan  tot  loozing  van  water  diende.  Door  de  kaha^ 
lisatie  van  den  Holbandschen  IJsel  is  dit  weder  verbeterd  in  deze  eeuw. 
,  De  afscheiding  tusschen  Rijnland  ven  Amsielland  heeft  langen 
tijd  aanleiding  gegeven  tot  vele  onderhandelingen.  In  het  archief 
van  Rijnland  zijn  een  groot  aantal  stukken  betreffende  de  stheiding 
dezer  beide  Hoogreemraadschappen  aanwezig,  dagteekenende '  van 
1285*— 1442  en  tot  1748. 

Er  bestonden  naar  den  kant  van  Amstelland  vroegfer  drie  dam- 
men om  de  doorstrooming  van  water  te  beletten/  De  een  van  deze 
staat  bekend  ak  de  Overtoom^  de  twee  andere  vond  men  irt  'de 
Drechi  en  in  de  Aar. 

l)  Conrad.  Verspreide. bijdragen  phg.  31.   • 


Digitized  by 


Google 


.  'De  naam  van  het  dorp  de  Overtoom  duidt  'genoegzaam  aan,  dat 
daar-  in  vroeger  tijden  •  een  overtoom  (een  overhaal  van  schei)en 
o  ver.  een  dam)  bestond,- om  de  schepen  uit  het  gebied  van  Rijnland 
naar  Amsterdam  en  omgekeerd  te  voeren.  Wanneer  die  dam  gelegd 
werd  is  onzeker,  doch  hij  bestond  reeds  in  1432- 

Genoemde  overtoom .  bestond  nog  in  het  begip  van  deze  eeuw 
op  de  plaats,  waar  nu  het  dorp  ligt.  Het  was  natuurlijk  zeer  in 
het  belang  van  de  scheepvaart  op  Amsterdam,  om  hier  een  sluis 
in- plaats  van  den  dam  met  den  lastigen  overtoom  te  hebben.  Doch 
het  laatste  was  in  *t  nadeel  van  Haarlem,  dat  hierdoor  de  vaart 
van  vele  schepen  over  Spaarndam  en  door  de  stad  met  de  daarmede 
verbonden  sluisgelden  zou  verliezen.  Ook  Rijnland  verklaarde  er 
zich  tegen,  daar-  het  vreesde,  door  een  sluis  meer  water  van  het 
hooger  gelegen  Stadswater  op  zijn  boezem  te  verkrijgen. 

Koning  Lodewijk  regelde  deze  zaak,  door  Amsterdam  bij  besluit 
van  31  Mei  1808  recht  te  geven  tot  het  bouwen  van  een  sluis  aan 
den  Overtoom,  onder  voorwaarde,  dat  Rijnland  en  Haarlem  ieder 
\  van  de  brug-  en  sluisgelden  zouden  ontvangen. 

Dit  had  plaats  tot  1866,  toen  Amsterdam  de  vaart  door  de  sluis 
geheel  vrijstelde.  Hoewel  Rijnland  om  zijn  aandeel  hiertegen  pro- 
testeerde, werd.  het  door  de  rechtbank  in  't  ongelijk  gesteld,  daar 
het  decreet  van  .1808  t  Amsterdam  wel  tot  de  hefhng  van  brug- 
en  sluisgelden  rcchtigde^  maar  niet  Vx*r plicht te^^  i). 

De  afsluiting  van  de  Drecht  en  de  Aar  dagteekent  van  1626. 
Tot  op  dat  tijdstip  schijnt  het  water  van.  Amstelland  door  die 
watertjes  •  in  gemeenschap  te  hebben  gestaan  met  een  gedeelte  van 
Rijnlands  water. 

Toen  nu  door  Rijnland  beide  watertjes  werden  afgedamd,  ontstond 
hierover  twist  met  Amsterdam,  dewijl  die  dammen  de  scheepvaart 
stremden.  Deze  twist  werd  in  1679  geëindigd  door  een  uitspraak 
van  ïiet  Hof  van  Holland,  waarbij  verklaard  werd,  >dat  Rijnland 
in  possessie  vel  quasi  \yas  om  vreemd  water  te  keeren  en  te  stuiten 
mits  daardoor  geen  derden  werden  benadeeld''.  Daarop  werden  nu 


i)  Gevers  van  Endegeest.  Het  Hoof>heeinraadschap  Rijnland  I  pag.  353.    . 


Digitized  by 


Google 


s« 

twee  verlaten  gelegd  in  plaats  van  de  dammen;  het  eene  om  de 
j4ar^  het  andere  om  de  Drecht  af  te  sluiten  van  Rijnland.  Deze 
verlaten  lagen  omstreeks  Bilderdam  in  de  Drecht  en  omstreeks 
Kaitenhruf^  in  de  Aar,  Toen  onder  Koning  Willem  I  in  1824  hier 
het  Aarkanaal  werd  doorgegraven  (eene  rechtgraving  van  de  Aar 
tot  de  Drecht)  onder  den  naam  Nietiwe  Vaarf^' zijn  beide  verla- 
ten opgeruimd  en  door  een  steenen  schutsluis  bij  het  huis  ten 
Drecht,  de  tegenwoordige  afsluiting,  vervangen.  1) 

Al  zeer  vroeg  werd  tusschen  Rijnland  en  Delfland  met  Schie- 
land  een  lage  dijk  gevonden,  die  soms  de  Landscheiding^  maar 
meestal  de  Zijdwinde  geheeten  werdt.  Deze  dijk  liep  in  1394  van 
de  duinzijde  benoorden  het  Haagsche  bosch,  waar  hij  een  aanvang 
nam,  naar  de  Vliet,  die  hij  ter  plaatse  van  den  Leidschendam  door* 
sneed  en  liep  verder  over  Zoetermeer,  Zegwaard,  Benthuizen,  Hazers- 
woude  en  AVaddingsveen  naar  de  Gouwe.  Wanneer  hij  gelegd  is 
weten  wij  niet.  Daar  de  grond  noordwaarts  opliep,  moest  hij  hoofd- 
zakelijk strekken  om  de  zuidelijke  landen  (Delfland  en  Schieland) 
te  beschermen  en  werd  door  deze  dan  ook  onderhouden.  In  dien 
zin  werd  nl.  in  1324  door  den  Graaf  beslist  2).  Eerst  in  1857  is 
er  in  die  grens  eenige  verandering  gekomen  3). 

Reeds  door  Graaf  Floris  V  schijnt  het  gebied,  dat  wij  thans 
beschouwen,  in  vijf  heemraad-  of  waterschappen:  Rijnland^  Delf- 
land^ Schieland^  U  Land  van  der  Gouwen  tn  U  Land  van  Woerden 
gescheiden  te  zijn,  »ten  einde  met  dijken,  zijdwinden  (waarschijnlijk 
=  waterkeerende  landscheiding),  waterkeeren  en  kaden  voor  altijd 
van  elkander  afgescheiden  te  blijven,  zonder  elkander  met  des  anders 
water  te  beschadigen,  zoodat  een  iegelijk  zijn  water  zeewaarts  loozen 
zou  op  de  bekwaamste  plaats  zonder  den  een  op  den  ander  uit  te 
wateren"  4). 


i)  Gevers  van  Endegeest  t.  a.  p.  pag.  7^ 

2)  Fruin,   Over  de   Qpkomst  van  Rijnland.  (Versl.  en  Med.  der  Kon.  Akad 
V.  Wet.  1888)  pag.  291. 

3)  Gevers  Deynoot,  Statistieke  beschrijving  van  Schieland. 

4)  Van  Mieris  II  pag.  767.  Gevers  en  Endegeest  t.  a.  p.  pag.  9. 


Digitized  by 


Google 


59 

i   22.   HET   KANAAL  VAN  KATWIJK.   DOORGRAVING  VAN  DE  DUINEN. 

Wel  werden  de  uitwateringsluizen  voortdurend  verbeterd,  maar 
toch  bleef  de  afwatering  van  Rijnland's  boezem,  vooral  door  de 
vermeerdering  van  de  polders  die  er  op  loosden  en  door  hunne 
bemaling,  niet  voldoende.  Al  in  de  i6e  eeuw  bemerkte  men  een 
voortdurenden  aanwas  van  het  water  in  Rijnland.  Die  verhoo- 
ging van  den  waterstand  meende  men  te  moeten  toeschrijven 
>aan  eene  daling  der  landen,  die  natuurlijk  veroorzaakt  wordt 
door  de  afslijting,  teweeggebracht  door  het  afloopen  van  het 
hemelwater  langs  beken,  rivieren  en  watergraflen.  Daarenboven 
zakken  de  landen  uit  hunne  eigene  natuur,  waartegen  het  water 
wederom  moet  oprijzen  door  verhooging  van  den  grond  der  zee, 
die  in  haren  boezem  allengskens  de  afgesletene  landen  ontvangt. 
Al  deze  samenloopende  oorzaken  zijn  dan  van  die  uitwerking, 
dat  men  de  daling  der  landen  of  de  opzwelling  der  zee  in  't  al- 
gemeen kan  stellen  op  gemiddeld  20  duim  in  de  100  jaren."  i) 

Verder  werd  ook  de  rijzing  van  den  binnenboezem  van  Rijnland 
voortdurend  met  zorg  waargenomen;  de  schrijver  van  den  Tegen w. 
Staat  vermeldt,  »dat  de  daling  van  Rijnland  met  betrekking  tot  zijn 
waterboezem  in  ieder  eeuw  op  17  duim  moet  gerekend  worden, 
waardoor  de  kaden  in  dien  tijd  zooveel  verhoogd  moesten  worden, 
en  de  watermolens  na  verloop  van  100  jaar  het  water  17  duim 
hooger  tot  den  gemeenschappelijken  boezem  moesten  opvoeren." 

Om  aan  dezen  zorgwekkenden  toestand  een  einde  te  maken, 
hadden  de  Dijkgraaf  en  Heemraden  in  1537  den  waterstand  van  de 
Noordzee,  in  vergelijking  met  dien  van  den  boezem  van  Rijnland,  doen 
onderzoeken.  Hieruit  bleek,  dat  de  waterstand  in  Rijnland  en  in 
den  Rijn  aanmerkelijk  hooger  was  dan  in  de  Noordzee  (nl.  bij  ebbe) 
Toen  hierover  in  1538  verslag  werd  uitgebracht,  werd  er  tegelijk 
een  ontwerp  ingediend  van  den  landmeter  Maarten  Corneliszoon, 
om  het  water  van  Rijnland  door  tonnen  in  de  Noordzee  af  te  lei- 
den. De  buitengewone  kosten,  die  Rijnland  aan  de  verbetering  der 
sluizen  besteed  had,  deed  dit  plan  uitstellen. 


i)  Tegenw.  Staat  VI  pag.  170. 


Digitized  by 


Google 


6o 

.  Telkens  werden  er  nog  weder  vergelijkende  waarnemingen  om- 
trent den  waterstand  in  den  Ouden  Rijn.  en  in  de  Noordzee  herhaald, 
welke  bevestigden,  dat  .  de  Noordzee  de  beste  uitwalering  aan 
Rijnland  kon  verschaffen.  Zoo  werd  er  eindelijk  door  het  Hof  van 
Holland   verklaard^   »dat   Rijnland  eene  betere  afwatering  noodig 

'had,  en  dat  men,  volgens  de  bekomen  onderzoekingen,  zonder 
gevaar  en  met  voordeel  en  bate"  eene  goede  afwatering  door  de 
duinen  bij  Katwijk  naar  zee  kon  maken.  Vervolgens  werd  ér  door 
den  Dijkgraafen  de  Hoogheemraden  besloten  tot  het  graven  van  een 

'kanaal^  hoewel  op  kleiner  schaal,  dan  in  de  ingediende  ontwerpen 
werd  aanbevolen. 

Den  26*5ten  Maart  15  71  ving  men  den  arbeid  tot  het  graven  van 
bovengenoemd  kanaal  aan  en  in  Noveml^r  157 1  was  men  reeds  tot 

'het  strand  genaderd.  In  April  1572  werd  eindelijk  de  doorgraving 
voltooid  en  in  tegenwoordigheid  van.  Dijkgraaf  en  Hoogheemraden 
van  Rijnland,  de  Regeering  van  Leiden  en  ontelbare  nieuwsgierigen 
geopend.  Het  water  stroomde  met  zulk  een  snelheid  door  de 
opening,  dat  een  schuit,  die  er  in  dreef,  alleen  met  veel  kracht  kon 

'worden  tegengehouden  i). 

Deze  eerste  doorgraving  van  de  duinen  heeft  niet  lang  bestaan. 
Wanneer  ze  weder  verstopt  is,  weet  men  niet;  men  vindt  vermeld, 
dat  ze  bij  een  hevig  onweder  toegeweld  is.  Dat  dit  evenwel  niet 
in  eens  plaats  had,  valt  gemakkelijk  te  begrijpen.  En  zij,  die 
meenden,  dat  aan  eene  goede  en  standhoudende  uitwatering  van 
Rijnland  door  de  duinen  niet  te  denken  viel,  noemden  het  over- 
blijfsel van  dit  kanaal,  om  het  als  overblijfsel  van  een  dwaas  plan 
voor  te  stellen,  het  Malle:^at.  Nog  altijd  is  hiervan  een  gedeelte  over. 
De  oorlogen  en  .beroerten,  die,  zooals  bijv.  de  belegering  van 
Leiden  1573 — 74,  somtijds  het  doorsteken  van  dijken  tot  over- 
stroomingen enz.  noodig  maakten,  werkten  de  verdere  plannen 
tot  verbeterde  afwatering  tegen.  Daarbij  kwam,  dat  het  land  van 
Rijnland,  hetwelk  tot  1600  voor  het  grootste  gedeelte  nog  onbe- 
fiolderd  lag,  na  dien  tijd  meer  en  meer  bedijkt  werd.  Tegelijk 
werden  de  kleinere  i)ólders  van  vroeger  vereenigd  tot  grootere  met 
I)  Tegenw.  Staat  VI  pag.  174. 


Digitized  by 


Google 


6i 

hooger  kaden.    Deze  werken   en   het  bouwen  van  zwaarder  wind- 
molens ter  bemaling  veroorzaakten  gróote  onkosten,  welke  vooreerst ' 
de  heropening  van  het  afwateringskanaal  bij  Katwijk  tegenhielden. . 

Na^vele  klachten  werd  de  zaak  in  1627  en  '28  eindelijk  opnieuw 
op   het   touw   gezet,   doch  zonder  gevolg.    Eveneens  werden  er  in  . 
1662,   in    1737 — 1740   waterpassingéh    en   andere   onderzoekingen 
ingesteld  en   ontwerpen  gereed   gemaakt,   doch   verder   kwam  het. 
niet  i).   Zelfs  maakten  in  1742  dè  opzichters  Nicolaas  Cruquiüs, 
Jan   Noppen   en   de  landmeter   Mëlchior  Bolstra  een  ontwerp 
tot  de  droogmaking  van  het  Haarlemmermeer  en  in  verband  daar- 
mede van  eene  Rijnuitwatering  bij  Katwijk.  Deze  ontwerpen  en  de 
daarbij   opgemaakte   stukken    zijn    zeer  belangrijk,  de  kaarten  van> 
Bolstra  geven  een  helder  overzicht  van 'de  plannen.    De  voorstel- 
len  hadden    evenwel   geene  gevolgen.  'Vooral  Haarlein  wierp  ver- 
schillende bezwaren  op  tegen  deze  plannen. 

'  De   resultaten   van   verschillende  onderzoekingen  in  1766  r- 1767. 
gedaan,  werden  door  Prof.  v.  d.  Wijnperse  onderzocht  en  in  177 1  • 
in   eene  Memorie  besproken,   waarbij   deze  Hoogleeraar  aanraadt, 
eene .  aanvankelijke  doorgraving  te  Katwijk  te  l)eproeveh.  Evenwel 
weder  zonder  gevolgen!  '  -  .  • 

De  klachten  over  de  slechte  afwatering  vermeerderden  intusschen. 
In  1802  gaf  A.  P.  TwENT  een  werkje  uit,  getiteld:  > Bedenkingen' 
en  Aanmerkingen  over  den  waterstaat  van  Rijnland  en  over  eene 
uitwatering  te  Katwijk.'*  Dit  werkje  kan  als  de  aanleidende  oorzaak' 
beschouwd  worden,  waardoor  de  zaak  opnieuw  te  berde  gebracht 
werd.  Na  den  slechten  tóestand  van  Rijnland  geschetst  te  hebben,: 
kwam  TwENT  tot  de  vraag,  hoe  daarin  verbetering  aan  te  brengen 
was?  Uit  de  vroeger  gedane  voorstellen  noemde  hij  er  drie,  dieeene» 
nadere  overweging  verdienden: 

1.    De  vermeerdering  van  sluizen  te  Halfweg. 

i.    Het  aanleggen  van  een  hoógen  boezem  naar  het  IJ. 

3-    Eene  uitwatering  te  Katwijk, 


i)  De  resultaten  van  die  onderzoekingen  zijn  te  vinden  bij  v.  Leeuwen,  Batavia 
lUustrata,  pag.  105,  i 


Digitized  by 


Google 


62 

Na  de  beide  eerste  middelen  onvoldoende  genoemd  te  hebben^ 
kwam  TwENT  tot  de  conclusie,  dat  alleen  van  eeiie  uitwatering  te 
Katwijk  heil  te  verwachten  was. 

Op  voorstel  van  den  heer  Brunings  werden  in  1802  door  Dijk- 
graaf en  Hoogheemraden  drie  deskundigen  benoemd,  om  de  plannen 
van  Twent  te  onderzoeken.  Dit  waren  de  heeren  F.  W.  Conrad, 
A.  Blanken  en  S.  Kros. 

Na  een  nauwkeurig  onderzoek  kwamen  genoemde  heeren  tot  een 
ontwerp  van  doorgraving.  Den  2  en  April  1803  werd  een  rapport 
ingediend,  waarin  het  graven  van  een  afwateringskanaal  van 
Rijnland  geheel  op  zichzelf  en  niet  in  verband  met  de  droogma- 
king van  het  Haarlemmermeer  hescJiouwd  werd. 

Verschillende  onderhandelingen  en  besprekingen  volgden.  Haar- 
lem toonde  zich  weder  een  tegenstander  van  de  zaak,  en  opperde  be- 
denkingen. Doch  die  zwarigheden  werden  grootendeels  opgeheven. 
Den  12  en  Maart  1804  deed  het  'Gedeputeerd  bestuur  van  Holland 
een  gunstige  voordracht  aan  het  Staatsbewipd,  waarop  den  4den  Mei 
1804  het  decreet  van  het  Wetgevend  Lichaam  der  Bataafsche  Repu- 
bliek volgde,  hetwelk  bepaalde:  Ttdat  eene  uitwatering  naar  Kat- 
wijk aan  Zee  zou  gemaakt  wordetC^  i). 

.  Den  25en  Juni  kwam  men  tot  het  besluit,  dat  de  uitwatering  ten 
koste  van  het  Hoogheemraadschap  zou  worden  uitgevoerd  en  onver- 
wijld moest  aanvangen.  Den  yen  Augustus  1804  werd  met  veel  plech- 
tigheid de  eerste  spade  gestoken  om  dit  belangrijk  werk  te 
beginnen.  Met  ijver  werd  er  aan  voortgewerkt.  Nauwelijks  was 
men  gereed,  of  bij  een  hevigen  noordwesten  storm  en  een  hoögen 
vloed  brak  de  buitendam  door  en  de  zee  stond  plotseling  voor 
de  pas  voltooide  sluis,  die  eene  hoogte  van  4,40  M.  water 
moest  keeren.  Deze  proef  werd  goed  doorgestaan.  Den  21  en  Sep- 
tember 1807  werd  ook  de  binnendam  weggenomen  enden  21  en  Oc- 
tober  1807  kon  het  kanaal  plechtig  geopend  worden.  Op  dien  dag 
stroomde  Rijnlands  boeumwater  7)oor  hel  eerst  na  vele  jaren  weder 
in  de  Noordzee  uit. 
':  Wel   was   dit  niet,   zooals   de  dichters  zich  phantastisch  wilden 

i)  Conrad^  Verspreide  Bijdragen  1849  pag.  47. 


Digitized  by 


Google 


63 

uitdrukken,  «den  vroeger  in  het  zand  smorenden  Rijn  eene  uitmon- 
ding geven,  zijn  grootschen  oorsprong  waardig",  want  eigenlijk  is 
het  geen  tak  van  den  Rijn  meer,  daar  het  Rijnwater,  zooals  wij 
zagen,  niet  verder  kon  komen  dan  op  zijn  hoogst  tot  bij  Harme- 
ien, Doch  het  scheppen  van  een  goede  waterloozing  van  een  zoo 
aanzienlijk  gebied  als  Rijnland  was  eene  niet  minder  groote  gebeur- 
tenis^ die  dan  ook  door  eene  gedenkpenning  moest  vereeuwigd 
worden.  Rijnland  toonde  hierdoor  zijne  erkentelijkheid.  Deze  pen- 
ning stelt  aan  de  eene  zijde  voor  de  buitenste  sluis  te  Katwijk  met 
het  bijschrift: 

Opus 

mi  Secul.  Desider 

III  Annis  Perfectum. 

Fav.  Summ.  Holl.  Imper. 

Impens.  Agr.  Renol.  Posf. 
MDCCCVII. 
Aan  de  andere  zijde  wordt  Neptunus  voorgesteld,  de  wateren  van 
den  Rijn  ontvangend,  met  het  opschrift: 

Instaurato.  Prisco.  Rheni.  Östio 
Feliciter. 
Hoewel   te  Katwijk  bij  ebbe  op  natuurlijke  wijze  het  water  van 
Rijnlandsboezem   kan  geloosd   worden,   is  dit  toch  niet  altijd  vol- 
doende. De  oprichting  van  een  stoomgemaal  moest  het  groote  werk 
voltooien.  In  1880  is  eindelijk  dit  stoomgemaal  gereed  gekomen. 

Een  tweetal  sluizen  dienden  te  Katwijk  tot  doorlating  en  tot  tegen- 
houden van  het  water.  De  buitensluis  of  zeesluis  bevat  5  openingen 
met  schuiven,  dk  van  3,77  M.  wijdte  in  den  dag.  De  binnensluis  bevat 
eveneens  5  openingen,  elk  met  een  paar  hooge  en  lage  deuren.  Deze 
laatste  slaan  tegen  bovenslagbalken  met  keermuren,  zoodat  ook 
2ij  den  vloed  van  zee  kunnen  keeren.  Elke  opening  is  5,65  M.  wijd. 

§   23,     HET  HAARLEMMERMEER. 

De  meest  belangrijke  droogmakerij  van  Rijnland  is  de  Haar- 
lemmermeerpólder.  Deze  grootsche  arbeid,  waardoor  18  224  H.  A. 
water  in   eene  vruchtbare  landouw  veranderd  werd,  verdient  eene 


Digitized  by 


Google 


64 

nadere  beschouwing.  Daarom  zullen  wij  iets  over  de  geschiedenis 
van  het  Haarlemmermeer  en  over  zijne  droogmaking  mededeelen. 

De  meeste  schrijvers  over  de  geschiedenis  vah  het  Haarlemmermeer 
vangen  aan  meteene  kaart  van  het  jaar  it)3i  i),  waarop  hoofdzakeiijk 
4  kleine  meren  voorkomen  op  de  plaats,  waar  het  latere  Haarlem- 
mermeer was.  Deze  meren  waren:  het  Oude  Haarlemmermeer^  het 
Oude  Leidsche  mcer^  het  Oude  meer  en  het  Spieringmeer,  Vóór 
dien  tijd  moeten  er  nog  meer  meren  in  dit  gebied  geweest  zijn. 

Genoemde  meren  nu  waren  smalle  wateren,  die  wel  met  elkander 
en  met  andere  plassen  in  den  omtrek,  als  het  Braasemermecr^  het 
Aaa^t^ermeer^  \\t\.  Lntkcmeèr  e.  a.  in  verbinding  waren,  doch  op  zich 
zelve  stonden  en  door  meer  of  minder  breede  strooken  lands  ge- 
scheiden waren. 

Mr.  Amersfoordt  2)  zegt,  >dat  eene  aandachtige  studie  van  den 
loop  der  omliggende  wateren  eene  bepaalde  strekking  aanduidt,  die 
in  overeenstemming  is  met  de  verhalen  van  den  vroegeren  loop 
van  den  Rijn.  Hieruit  besluit  hij,  dat  het  Haarlemmermeer  (zeker  wor- 
den genoemde  meren  en  hunne  verbindingen  bedoeld;  zie  boven)  de 
verbreeding  is  van  het  riviefbed  van  de  Rijn,  die  na  de  verzan- 
ding van  den  ouden  Rijnmond  naar  het  noorden  liep."  Op  deze 
zaak  komen  wij  later  terug. 

Dat  hèt  Haarlemmermeer  tijdens  het  verblijf  der  Romeinen  hier 
te  lande  een  ongenaakbaar  moeras  was,  leidt  de  heer  Amersfoordt 
af.  uit  de  omstandigheid,  dat  daarin  nog  nimmer  voorwerpen  uit 
tien  tijd  der  Romeinen  zijn  gevonden  en  zelfs  niet  van  Germaan- 
schen  oorsprong. 

Toch  lagen  tusschen  de  enkele  plassen  ..voor  den  aanvang  dei* 
i6de  eeuw  reeds  uitgestrekte  hooilanden,  zooals  o.  a.  ten  opzichte  van 
het  Spieringmeer  en  Haarlemmermeer  blijkt  uit  een  stuk,  betrekkelijk 


1)  Volgens   de  kaart- van  M.  Bolstra,  vermeld  op  •zijne  Afbeelding  van  Rijn- 
lands.  wr^terstaat  ten  opzichte  van. het  vergrooten  der. Haarlemmermeer.  In  4en 
Tegen w.  Staat  VI  pag.  163  is  eene  kaart  hiernaar  vervaardigd, 
•   -2)  Mr.   J.    P.    Amersfoordt,    Het  Maai lemmermecr,    oorsprong,  geschiedenis» 
ilroograaking  (Voordr..  in  Felix  Meritis  1856,  pag.  2).  .  .     - 


Digitized  by 


Google 


65 

den  toestand  van  genoemde  meren  omstreeks  1500  i).  Hierin  wordt 
o.  a.  door  zeker  Claes  Haegen  verklaard,  tdat  de  heerenweg  van 
Haarlem  naar  Utrecht  van  ouds  tusschen  genoemde  meren  door- 
liep, dat  er  verschillende  weilanden  tusschen  die  meren  lagen,  welke 
eene  zoo  groote  uitgestrektheid  hadden,  dat  men,  op  de  hoeken 
van  *t  land  bij  het  eene  meer  staande,  den  anderen  hoek  moeielijk  kon 
zien.»  Verder  verzekert  genoemde  persoon,  dat  hij  heugenis  had  van  het 
wegspoelen  van  deze  landerijen  tot  den  heerenweg  toe,  en  dat 
vervolgens  ook  de  dijk  is  doorgebroken,  waarover  de  weg  liep, 
zoodat  daardoor  beide  meren  met  elkander  in  verbinding  kwamen. 


Uitbreiding  van  het  Haarlemmermeer. 
Dat  de  Rijnwateren  na  de  verzanding  van  den  mond  te  Katwijk 


l)    Een  manuscript,  destijds  toebehoorende  aan  C.  A.  van  Sypestein,  n  -• 
deeld  in  de  Algcmeene  Konst-  en  Letterbode  1838  N».  37  pag.  113. 
I.  2.  5 


Digitized  by 


Google 


66 

hun  wég  door  de  laagste  streken  naat  het  noorden  genomen  hebben^ 
waardoor  er  verschillende  wateren  ontstonden,  valt  zeker  niet  te 
betwijfelen.  Dat  men  evenwel  gerechtigd  is  deze  oudste  meren  in^ 
een  moerassig  land,  waar  de  vloed  vrij  kon  binnendringen  als  uit- 
breidingen van  rivierbeddingen  te  beschouwen,  komt  ons  onwaar- 
schijnlijk voor.  Juister  dunkt  het  ons  aan  te  nemen,  dat  een  ge- 
deelte van  het  Rijnwater  door  deze  plassen,  hoe  dan  ooV  on tstaan^ 
sommige  waarschijnlijk  nog  overgebleven  van  het  met  veen  dicht- 
groeiende water,  zijn  weg  genomen  heeft.  Ten  deele  juist  drukt  Le 
Francq  van  Berkhey  zich  zeker  uit  als  hij  zegt,  dat  het  Haarlem- 
mermeer vroeger  een  moeras  was,  dat  naderhand  door  het  aanwas» 
send  Rijnwater  een  meer  geworden  is  i). 

De  bekende  geschiedenis  van  het  Haarlemmermeer  is  die  van  eene- 
uitbreiding  der  bestaande  plassen.  Deze  uitbreiding  kon  gemakke- 
lijk plaats  hebben,  daar  de  oevers  meestal  uit  moerassige  veengronden 
bestonden.  De  oevers,  welke  voor  de  zuidwesten-,  westen-  en  noord- 
westenwinden blootlagen,  (dus  de  daaraan  tegenovergestelde  N.0.  tot 
Z.0.  oevers),  hadden  het  meest  van  den  afslag  te  lijden,  daar  uit  deze- 
hoeken  de  hevigste  stormen  waaien.  In  een  antwoord  op  de  vraag  naar 
debeste  middelen,  om  het  afnemen  der  oevers  van  het  Haarlemmer- 
meer te  beletten  2),  leest  men,  dat  in  de  laatste  20  jaren  (1768)  aan- 
de  oostelijke  oevers  »vele  der  daaraan  grenzende  landen,  hoven, 
huizen  en  erven  door  het  water  ingeslokt  zijn  en  daardoor  het 
meer  alreeds  met  verscheidene  veenplasjes  vereenigd  is  en  nog  da- 
gelijks dreigt  zich  met  grooter  en  uitgestrekter  plassen  te  zullen  ver- 
eenigen, wat  zeer  geweldig,  gevaarlijk  en  nadeelig  is." 

f  De  westelijke  oever  langs  Lisse,  Hillegom,  Bennebroek  en  Heem- 
stede nam  weinig  af  sedert  eene  lange  reeks  van  jaren,  doordien  de 
grond  hier  harder  en  taaier  was  dan  in  het  oosten^  en  ook  door 
het  beter  onderhoud  der  oevers.  Van  het  Spaarne  af  langs  Schalk- 
wijk tot  aan  den  hoek  van  de  Vijf  Huizen  spoelt  het  land  jaarlijks- 
wel  een  roede  weg,,  doch  de  oevers  van  de  Haarlemmer  Liede,  lig- 

i)  Le  Francq  van  Berkhey.  Natuurlijke  historie  van  Holland  1769  Ipag.  221.. 
2)  Verhandelingen   door   de  Holl.  Maatschapp.  van  Wet.  1768  Xdc  deel  i*'* 
stuk  pag.  7  enz. 


Digitized  by 


Google 


47 

gende  aan  een  opperwal  tegen  het  westen,  hebben  geen  afslijting'*  i). 

Doch  tiiet  alleen  was  het  de  natuur,  ook  de  mensch  werkte  mede 
tot  uitbreiding  van  den  grooten  plas.  Dit  had  namelijk  plaats  door 
uitvening.  Door  deze  verschillende  oorzaken  had  het  Haarlemmer- 
meer in  de  laatste  drie  eeuwen  ongeveer  12  770  HA.  land  ver-- 
zwolgen.  De  dorpen  Vijf  huizen,  Nieuwerkerk,  een  zeer  aanzienlijk 
dorp,  dat  twee  predikanten  had  en  Rijk,  alle  aan  de  oostzijde  van 
het  Meer,  verdwenen  daardoor  in  den  loop  der  tijden  geheel  2). 

Nevensgaand  kaartje  geeft  een  overzicht  van  die  uitbreiding  van 
her  water. 

Volgens  Bolstra   Was  de  grootte  van  het  meer  achtereenvolgens 


in  153 1 5  600  HA. 

>    1591  ••• 10590     » 

»    1647 14450     » 


in  1687 15  400  HA. . 

1    1740 16600     » 

•-   1808  was  zij.   17775      » 


Is  het  wonder,  dat  men  er  meer  en  meer  aan  begon  te  denken, 
den  verslindenden  iwaterwolf'  te  beteugelen?  Het  eerste  plan 
daartoe  is  waarschijnlijk  dat  van  1617,  toen,  zooals  uit  de  ge* 
drukte  resolutiën  van  Holland  blijkt,  A.de  Hoog  octrooi  vroeg 
tot  bedijkingen  van  de  Haarleinsche  en  Leidsche  meren  3). 

Nadat  in  1631  nog  een  verzoek  daartoe  gedaan  was,  verscheen 
in  1641  het  Haarlemmermeerboek  van  J.  Asz.  Leegh water,  waar- 
van de  13de  druk^  1838,  bewerkt  door  Mr.  v.  Hasselt,  voor  ons  ligt. 

Nadat  Leeghwater  daarin  zijne  bevindingen  over  de  uitbreiding 
van  het  meer  geschetst  heeft,  doet  hij  de  vraag,  hoe  hieraan  perken 
zijn  te  stellen  ?  Eindelijk  komt  hij  tot  het  besluit,  dat  het  beste  is : 

Het  water  te  malen  uït  de  Meer, 
Dan  ligt  de  vijand  heel  ter  neer.'*  4) 

Het  Haarlcunmermeerboek  wekte  de.algemeene  belangstelling  en 
hield   de  gedachte   aan  droogmaken  levendig.  Een  ander  ontwerp. 


1)  Tegenwoordige  Staat.  1746  VI  pftg.  167. 

2)  V.    Hasselt:    Historisch  'ove'rzicht  en-aantéékenin^eh  op"  het  Haarlemmer- 
boek  1838,  pag.  7.      . 

.    3)  Tijdschrift  voor  Sti(a4bi|ishoiidkande  van  Sloet  tot  Oldhuis  1 855,  XII  p:^.  448. 
4)  Haarlemmermeerboek,  pag.  17.  .-■     i     -  .   ,  ' 


Digitized  by 


Google 


68 

van  J.  Bartelsz  Veeris,  dat  omstreeks  dezen  tijd  verscheen,  werd 
door  Rijnland  bestreden,  omdat  dit  vreesde  voor  de  verkltining  van 
zijn  boezem.  Hoe  kleiner  toch  de  boezem  werd,  des  te  hooger  zou 
het  water,  dat  hierin  opgemalen  en  tijdelijk  geborgen  wordt,  stijgen 

In  den  vierden  druk  van  zijn  werl^  bestreed  Leeghwater  deze 
vrees  en  in  1727  werd  dat  gevoelen  eveneens  door  C.  Velsen 
bestreden.  Dat  Rijnland  allengs  ook  tot  andere  gedachten  kwam, 
bewijst  de  opdracht  van  den  Dijkgraaf  en  de  Hoogheemraden  aan 
Cruquius,  Noppen  en  Bolstra  (zie  pag.  61)  in  1742,  om  een  ont- 
werp tot  droogmaking  van  het  meer  gereed  te  maken. 

Nog  werden  plannen  hiervoor  ontworpen  in  1743,  1750,  1757, 
1768  en  1808.  Nadat  Koning  Willem  I  in  18 19  zich  een  plan  liet 
voorleggen  door  baron  van  Lijnden  van  Hemmen,  Roèll  en  Repb- 
laar  van  Driel,  werd  de  zaak  eerst  recht  levendig.  Verschillende 
ontwerpen  en  geschriften  over  dit  werk  verschenen  nog  sedert  dien 
tijd,  waarin  de  voor-  en  tegenstanders  hunne  argumenten  ont- 
wikkelden. De  stormen  van  November  en  December  1836,  die  door 
opstuwing  van  het  water  in  veel  polders  schade  aanrichtten,  toonden 
opnieuw  de  hooge  noodzakelijkheid,  van  de  beteugeling  van  het 
Haarlemmermeer  aan,  en  den  7<ien  Augustus  1837  werd  er  eene 
staatscommissie  benoemd,  om  de  verschillende  ontwerpen  tot  droog- 
making te  onderzoeken  en  vóór  November  van  datzelfde  jaar  een 
ontwerp  met  eene  begrooting  der  kosten  in  te  dienen.  Reeds  in 
October  was  de  commissie  met  haren  arbeid  gereed. 

Het  in  Februari  1838  voorgedragen  wetsontwerp  werd  door  de 
Vertegenwoordiging  afgestemd.  Doch  reeds  hetzelfde  jaar  werd  een 
nieuw  ontwerp  ingediend,  dat  den  i9den  Maart  1839  is  aangeno- 
men. Volgens  Koninklijk  Besluit  van  20  Mei,  No.  12,  werd  de 
bedijking  aangevangen.  Jhr.  Mr.  D.  T.  Gevers  van  Endegeest 
werd  tot  voorzitter  der  commissie  van  uitvoering  benoemd,  i) 

Een  doorloopende  ringdijk  van  59  500  KM.  werd  gelegd  en  over 
eene  lengte  van   2780  M.   liep  deze  door  het  water.  De  eigenlijke 

1)  Zie  over  de  Geschiedenis  der  droogmaking  en  der  ontwerpen  Mr. 
Gevers  van  Endegeest,  Over  de  droogmaking  van  het  Haarlemmermeer  1843 — 
1861,  I  pag.  43  enz. 


Digitized  by 


Google. 


•69 

droogmaking  begon  op  den  i9den  April  1849  en  met  het  einde  van 
Juni  1852  klonk  de  mare  door  het  land:  >Dë  Haarlemmermeer  is 
droog!"  De  drie  stoomtwerktuigen :  ^^  Leeghwatcr^.ét  Lijnden  en 
de  Cruquim  hadden  in  39  maanden  831 831  501  kub.  M.  water  uit- 
gepompt. 

Daar  lag  nu  de  droge  bodem  van  het  meer,  —  de  prooi  aan 
den  waterwolf  ontrukt  —  als  een  ruim  veld  tot  ontginning  voorden 
Nederlan<jschen  landbouw.  Schoonér  verovering  'kon  een  volk  nim- 
mer maken! 

Met  de  droogmaking  was  evenwel  de  taak  der  commissie  nog 
niet  voltooid.  Uit  nauwkeurige  opmeting  bleek,  dat  de  opper- 
vlakte van  den  bodem  binnen  den  ringdijk  18  302*  HA.  bedroeg. 
Deze  vlakte  moest  kunnen  afwateren  en  verkaveld  worden. 

Behalve  kavelslooten  moest  een  hoofd-  en  kruisvaart,  met  dwars- 
en  lengtetochten  gegraven  en  moesten  tal  van  wegen  aangelegd 
en  bruggen  gebouwd  worden. 

Hierdoor  nu  werd  de  polder  verdeeld  in  langwerpig  vierkante 
blokken  van  300  HA.,  samengesteld  uit  15  stukken  dk  van  20  HA, 
van  het  Z.W.  naar  het  N.t).  zich  uitstrekkende.  Elk  stuk  heeft  aan 
den  eenen  kant  een  weg  en  aan  den  anderen  kant  een  vaart,  i) 

De  Haarlemmermeerpolder  is  eene  droogmakerij.  Een  ringdijk 
•met  eené  hoogte  van  +  0,70  tot  1,70  M.  4-  A.  P.  en  een  ringvaart  om- 
sluit hem  geheel.  De  bodemhoogte  in  de  polders  van  het  Haarlem- 
mermeer, volgens  de  laatste  waterpassing  in  1884  van  den  heer 
A.  Elink  Sterk,  bedraagt  van  3  M.  —  A.  P.  tot  4,65  M.  —  A.  P.  Het 
grootste  gedeelte  des  lands  heeft  eene  hoogte  van  4  tot  4,50  M.  —  A.P. 
en  de  gemiddelde  hoogte  bedraagt  4,13  M.  —  A.  P.  Hetzomerpeil 
in  den  polder  is  4,90  M.  —  A.  P.,  doch  als  werkelijke  waterstand  kan 
men  wel  aannemen  5,13  M.  —  A.  P.,  zoodat  het  water  gemiddeld 
I  M.  beneden  de  oppervlakte  des  lands  staat.  2) 

Daar  de  hoogte  van  het  water  in  Rijnlands  boezem  zooveel  mo* 


i)  Beknopt  overziclit  van  de   droogmaking  van  het  Haarlemmermeer.   Tijd- 
schrift van  Sloet,  1855  ^l^  P^S*  4^5  enz.) 

2)  Verslagen  en  Med.  der  Kon.  Akad.  v.  Wet.  1885,  I  pag.  364, 


Digitized  by  VjOOQIC 


70 

-gelijk  op  o,5S  M.  —  A.  P.  wordt  gehouden,  kan  men  deze  droog- 
. making  beschouwen'  als  een  van  ±  2,45  M.  tot  4,10  beneden  het 
omringend  boezemwater  gelegen. 

§    24.      DE    BOEZEM     VAN  WOERDEN   OF   VAN   DE   ENKELE  EN  DUBBELE 

WIERIKKE. 

De  boezem  vaii  Rijnland  dient  tegelijkertijd  tot  ontlasting  van 
den  boezem  van  Woerden.  Dit  gebied  loosde  vroeger  deels  op  den 
Rijn,  en  dus  op  Rijnlands  boezem  en  gedeeltelijk  op  den  IJsel, 
Nadat  de  IJsel  in  de  13de  eeuw  nabij  Vreeswijk  van  de  Lek  was 
afgedamd  en*  meer  en  meer  aanslibde,  verkreeg  Woerden  bij  af- 
zonderlijke overeenkomsten  recht  van  afwatering  door  Rijnland. 
Hierom  ook  werd  Woerden  in  1363  verplicht  de  Woerdsche  sluis 
te  Spaarndam  te  bouwen,  i) 

Tot  dusverre  is  het  steeds  gebruikelijk  geweest  de  boezem  van 
Woerden,  die  hoofdzakelijk  uit  het  gedeelte  van  den  Rijn  boven 
Zwammerdam  bestaat,  mede  tot  den  boezem  van  Rijnland  te  reke- 
nen. Dit  is  evenwel  onjuist,  daar  Woerden's  boezem  gewoonlijk, 
droge  zomers  uitgezonderd,  hooger  waterstand  heeft  dan  Rijnland 
en  er  dus  steeds  op  loost.  Bij  droge  zomers  kan  de  waterstand  in 
den  boezem  van  Woerden  ook  lager  staan  dan  in  die  van  Rijnland. 

De  boezem  van  Woerden  bestaat  voornamelijk  uit  het  gedeelte 
'^an  den  Rijn  tusscJien  Bodegraven  en  Harmeien  en  de  daarmede 
in  verband  staande  Enkele  en  Dubbele  Wierikke.  Hij  heeft  eene  water- 
oppervlakte van  170  H.A.,  waarop  ongeveer  17  190  H.A.  polderland 
uit  wateren.  De  ontlasting  van  den  boezem  heeft  plaats  door  de 
sluis  te  Bodegraven  op  Rijnlands  boezem.  Bij  watergebrek  heeft  de 
inlating  van  water  plaats  uit  den  IJsel  door  een  duikersluis,  ge- 
legen in  de  Enkele  Wierikke  te  Goejanverwelle,  tot  een  peil  van 
0,30  M.  —  A.P. 

De  Enkele  Wierikke  wordt  afgesloten  van  den  boezem  van  Woer- 
den  bij   een  stand  van  0,22  M.  —  A.P.,  de  Dubbele  Wierikke  bij 


I)  Gevers  v.  Endegeest.  Het  Hoogheemraadschap  Rijnland  pag.  16. 


Digitized  by 


Google 


71 

-een  stand  van  0,17  M.  —  A.P.,  welke  waterstanden  tevens  de 
«naalpeilen  zijn  van  de  boezems,  die  er  op  uitslaan. 

Het  maalpeil  van  het  deel  van  den  boezem,  gevormd  door  den 
Rijn^  de  LinscJioten  en  enkele  andere  weteringen  is  =  A.P. 

De  boezem  wordt  ingesloten  door  kaden  ter  hoogte  van  0,15 
tot  0,62  M.  -f  A.P. 5  de  Enkele  Wierikke  van  0,04  M.  —  A.P., 
<!le  Dubbele  van  0,11  M.  +  A.P. 

De  gemiddelde  waterstand  van  den  boezem  was  van  187 1 — 1880 
te  Bodegraven  0,43  M.  —  A.P.  De  hoogste  stand  was  in  dien  tijd 
c,i2  M.  —  A.P.  (Nov.  1872),  de  laagste  0,64  M.  —  A.P.  (Jan. 
1880).  Het  zomerpeil  der  polders,  welke  hierop  uitwateren,  loopt 
van  —  1,25  tot  1,^0  M.  —  A.P.  Hieruit  blijkt,  dat  voor  alle 
-polders  bemaling  noodzakelijk  is,  daar  het  water  in  de  polderslooten 
gemiddeld  ongeveer  van  0,80  tot  1,35  M.  beneden  dat  van  den 
Rijn  staat.  Ook  het  land  ligt  aanzienlijk  lager  dan  het  boezemwater. 

§    25.      AMSTELLANDS   BOEZEM   EN   ZIJN  GEBIED. 

Een  groot  gebied  van  30000  HA.  ten  oosten  van  Rijnland  loost 
het  overtollige  water  op  den  boezem  van  Amstelland.  Deze  boezem 
wordt  gevormd  door  den  Amstel  in  verbinding  met  een  aantal  wa- 
teren, als:  de  Drecht^  de  Kromme  Mijdrecht^  de  Angstel^  het  Ah- 
kouder  f  neer  ^  de  Ilolendrccht  en  de  Bullewijky  den  Ouden-  en  den 
Rijken  IVaver^  het  Gein^  de  IPinkei,  de  Gaaspy  de  IVcesper-  en 
Muider trekvaar ten ^  de  Dient en^  het  Nieuwe  Diep^  de  ringslooten 
van  de  lUjlmer-  en  Diemermeerpolders  en  een  deel  van  de  Singelgracht 
van  Amsterdam,  Deze  wateren  beslaan  eene  vlakte  van  600  HA. 

De  uitwatering  van  den  boezem  geschiedt:  A  door  het  Stads- 
^vater  te  Amsterdam  op  het  Noordzeekanaal^  B  door  de  Ipenslooter 
sluis  aan  het  einde  van  het  Nieuwediep  en  door  de  Diemerdavnner- 
^luis,^  (aan  het  eind  van  de  Diemen)  beide  op  de  Zuiderzee, 

Met  het  stadswater  van  Amsterdam  staat  Amstelland  in  ver- 
binding door  de  Amstelsluis  (in  den  Amstel)  en  de  waterkeering 
in  het  Weteringhek  (voormalige  Weteringpoort).  In  1880  is  na  on. 
Verhandelingen   bij    onderlinge  regeling  tusschen  Amstelland  en  d^ 


Digitized  by 


Google 


72 

gemeente  Amsterdam  vastgesteld,  dat  de  toldcurcn  in  de  Am  stel- 
sluis  en  die  in  de  waierkecrin^  bij  het  Weterin^hek  geopend 
wordeUy  zoodra  het  stadswater  te  Amsterdam  bij  de  Amstelsluis 
beneden  den  stand  van  0,20  M,  —  A.P,  is  gedaald.  Daarna  wor- 
den de  ebdeuren  in  de  Amstelsluis  geopend^  zoodra  de  waterstand 
wederzijds  die  deuren  gelijk  is^  of  zoodra  het  waterver schil^  dat 
zij  keeren^  zoo  gering  is,  dat  het  openen  zonder  nadeel  of  besclia- 
di,qivg  der  deuren  door  middel  van  gewone  windwerken  kan  ge- 
schieden.  De  Amstelsluis  en  de  waterkeering  bij  het  Weteringhek 
worden  gesloten^  zoolang  hei  boezeimvater  van  Amstelland  een  la- 
geren  stand  heeft  dan  0,5  M.  —  A.  P.  Bij  inlating  van  water 
in  Amsterdam  uit  het  IJ  tot  vcrversching  moeten  vooraf  de  Am- 
stelsluis en  dt  waterkeering  bij  het  Weteringhek  gesloten  worden. 
Ook  mag  er  geen  stadswater  op  Amstelland  gebracht  wordefi  be- 
houdens het  schut-  en  Ickwater  i). 

Tusschen  Amsterdam  en  enkele  gemeenten  uit  Amstelland  be- 
staat er  nog  al  strijd  o/er  deze  uitwatering.  De  laatste  beweren 
nl.  dat  Amsterdam  in  't  belang  van  zijne  waterverversching  en 
van  de  scheepvaart,  die  belang  heeft  bij  een  hooger  waterstand, 
zich  niet  altijd  houdt  aan  deze  bepalingen,  wat  van  tegengestelde 
zijde  ontkend  wordt.  Dr.  H.  P.  Kapteijn  te  Abkoude  meent  op 
grond  van  onderzoek  der  waterbeweging  in  Angstel  en  Amstel  te 
Abkoude  en  Ouderkerk  te  kunnen  aantoonen,  dat  in  den  zomer 
van  1888  zich  het  water  in  Angstel  en  Amstel  bewoog  in  de 
richting  van  Amsterdam  naar  Utrecht  2)  en  wijst  in  een  adres 
op  het  bederf  van  het  water  in  Amstellands  boezem  door  het  stads- 
water  te  Amsterdam,  terwijl  Amsterdam  daartegenover  volhoudt^ 
dat  het  verdrag  van  1880  gehandhaafd  wordt.  In  de  verdere  bij- 
zonderheden van  deze  quaestie  kunnen  wij  ons  niet  begeven. 


i)  Art.  I — 4  van  het  verdrag  van  1880  tusschen  Amstelland  en  Amsterdam. 
Zie  de  notulen  van  den  gemeenteraad  van  Amsterdam  van  de  vergadering  van 
28  April  1880. 

2)  Schriftjsltjke  mededeeling  van  Dr.  Kapteijn.  Zie  over  deze  quaestie  verder 
Nieu%vs  van  den  Dag  26  April  1886  tweede  blad. 


Digitized  by 


Google 


73 

Een  andere  vraag,  die  vooral  de  belangen  van  Amstelland  betreft, 
is  de  loozing  op  het  Noordzee -kanaal.  Vóór  dat  het  Noordzee-kanaal 
tot  stand  kwam,  had  Amstelland  zijn  vrije  uitwatering  door  Am- 
sterdam op  het  open  IJ.  Daar  het  IJ  evenals  de  Zuiderzee  aan 
eb  onderworpen  was,  kon  die  loozing  geregeld  goed  geschieden. 
Bij  de  afsluiting  van  het  IJ  werd  de  bepaling  gemaakt,  dat  het  Noord- 
zeekanaal een  waterstand  van  0,5  M.  —  A.P.  zou  verkrijgen,  waardoor 
Amstellands  waterloozing  geen  nadeel  kon  toegebracht  worden.  Doch 
weldra  bleek,  dat  in  het  afgesloten  IJ  de  waterstand  van  0,50  M. 
—  A.  P.  niet  gehandhaafd  werd  en  niet  zelden  was  de  waterstand  = 
A.  P.  of  zelfs  daarboven.  "Voor  alle  polders,  die  op  het  afgeslotjn 
IJ  loosden,  leverde  dit  nadeelige  gevolgen  op,  doch  bovenal  voor 
Amstelland.  Amstelland  toch  loost  eerst  op  Amsterdams  stads- 
water. Nu  is  Amsterdam  gedwongen,  ten  einde  zijn  lijdelijk  peil  te 
handhaven,  om  bij  eene  rijzing  van  het  Noordzee-kanaal  tot  0,20 
M.  —  A.  P.  de  sluizen  naar  het  IJ  (Noordzee-kanaal)  te  sluiten. 
Deze  kanaalstand,  hoewel  te  hoog,  zou  toch  Amstelland  nog  gele- 
genheid geven  op  het  afgesloten  IJ  te  loozen,  wat  nu  evenwel  door 
het  sluiten  der  sluizen  van  wege  Amsterdam,  niet  kan  geschieden.  1) 

Ware  er  eene  uitwatering  van  Amstelland  buiten  Amsterdams 
stadswater  om  op  het  Noordzee-kanaal,  dan  zou  laatstgenoemd 
nadeel  verholpen  zijn.  Deze  nu  kon  verkregen  worden  door  het 
Nieuwe  Merwede-kanaal.  Het  noordelijkst  pand  van  dit  kanaal 
ligt  gemeen  met  Amstellands  boezem.  Doch  dit  kanaal  staat  door 
een  schutsluis  bij  Zeeburg  in  verbinding  met  het  afgesloten  IJ  en 
door  deze  sluis  zal  genoemde  afwatering  van  Amstellands  boezem 
niet  geregeld  kunnen  plaats  hebben.  De  zaak,  om  Amstelland 
eene  betere  afwatering  te  geven,  is  nog  van  regeeringswege  in  on- 
derzoek. 

Amstellands  boezem  wordt  ingesloten  door  kaden  met  eene  hoogte 
van  0,15  tot  0,30  M.  4-  AP.  De  gemiddelde  waterstand  in  den 
boezem  bedroeg  (1871— 1880)  te  Diemerbrug  0,39  M. — AP.  (Hoogste 


i)  Adres  van  het  Bestuur  van  Amstelland  aan  de  Tweede  Kamer  der  Staten- 
Generaal,  17  Jan.  I887. 


Digitized  by 


Google 


74 

stand  +  0,04  AP.  Nov.  '72;  cle  laagste  —  0,90  Oct.  '75).  Het 
buitenwater  op  de  Zuiderzee  bereikte  in  dien  tijd  de  volgende 
hoogten  : 

Gemicld.  jaarl.  stand     Gemidd.  jaarl.  stand.  Laagste 

bij  hoogwater  bij  laagwater  standen  (1888) 

Zeeburg  (1888)  +  0,06  —  0,29  —  1,78 

Muiden  (buitenzijde)  —  0,11  —  0,20  —  0^90 

Hieruit  blijkt,  dat  de  gemiddelde  stand  van  het  buitenwater  hooger 
is  dan  die  van  den  boezem.  De  waterloozing  kan  dan  ook  niet  ge- 
regeld, doch  alleen  bij  lage  waterstanden  vrij  plaats  hebben. 

De  hoogte  van  het  zomerpeil  der  verschillende  polders,  die  op 
dezen  boezemafwateren,  wisselt  af  van  —  1,20  tot  2,04  M.  —  AP. 
dus  0,81  tot  1,65  M.  onder  den  gemiddelden  boezemstand.  £en 
klein  deel  van  dit  boezemgebied,  dat  zich  ten  zuiden  van  den  Rijn 
uitstrekt  heeft  een  zomerpeil  van  1,10  M.  —  AP. 

Ook  in  Amstelland  liggen  een  tal  van  droogmakerijen.  De  voor- 
naamste zijn:  DeDiEMERMEER  of  WATERGRAAFSMEER-polder,  groot 
530  HA.  met  een  zomerpeil  van  5,50  M.  —  AP. 

Het  schijnt,  dat  door  doorbraken  van  de  Zuiderzee  de  alhier  be- 
staande plassen  werden  uitgebreid  tot  de  oppervlakte,  welke  ze  in 
de  i6de  eeuw  besloegen.  In  1629  is  het  meer  op  kosten  van  Am- 
sterdam bedijkt  en  drooggemaakt  i).  Nadat  de  polder  weder  onder 
water  liep,  werd  hij  in  165 1  op  nieuw  bedijkt.  In  1672  werd  hij 
bij  de  nadering  der  Franschen  onder  water  gezet,  doch  spoedig 
daarna  weer  droog  gemaakt. 

De  Bijlmermeerpolder,  540  HA.  met  een  zomerpeil  van  4  M.  —  AP. 
De  droogmaking  van  dezen  plas  had  plaats  volgens  octrooi  der  Staten 
van  Dec.  1622.  In  1672  werd  de  polder  bij  de  nadering  der  Franschen 
onder  water  gezet,  doch  in  1678  weder  drooggemaakt.  Eene  over- 
strooming van  1702  gaf  het  meer  weder  aan  de  golven  prijs,  en  Am- 
sterdam liet  bagger  storten  in  den  plas  2).  Hierdoor  werden  de  ran- 
den allengs  in  moesvelden  hei^chapen.  Eindelijk  is  het  Bijlmermeer 
van  18 18  tot  1826  weder  drooggemalen. 


i)  Tegenw.  Staat  VIII  pag.  148.      2)  Tegcnw.  Staat  XIII  pag.  148. 


Digitized  by 


Google 


75 

Verder  noemen  wij  de  Bovenkerker»^  Thamer-^  Bom-  en  Stom* 
meer^  de  Noorder-  en  Zuider  Legmeerpolders^  alle  ontstaan  uit  de 
drooggemaakte  Legmeerplassen.  Het  Legmeer  was  oorspronkelijk  een 
lange,  smalle  plas  tusschen  Nieuwer- Amstel,  Thamen  en  Aalsmeer. 
Door  vervening  der  aangrenzende  landen  verkregen  deze  plassen 
van  de  i6de  tot  de  i8<le  eeuw  een  aanzienlijke  uitbreiding. 

Op  de  kaart  van  Tirion  1 769  (Tegenw.  Staat  VIII)  zijn  de  Leg- 
meerplassen geteekend,  met  enkele  wegen  doorsneden,  die  duidelijk 
aantoonen,  dat  bij  de  vervening  deze  wegen  waren  blijven  bestaan. 

Doch  bovenal  werden  deze  plassen  vergroot  door  den  storm, 
die  den  dijk  tusschen  Kudelstaart  en  de  Kwakel  wegsloeg  den 
2osten  November  1836.  Den  2isten  April  1873  werd  de  concessie 
tot  droogmaking  dier  plassen  verleend  aan  den  heer  J.  R.  M.  Wiegel. 
De  Noorder  Legmeerpolder  werd  reeds  in  1877  drooggemaakt;  met 
de  zuidelijke  plassen  is  men  eerst  aangevangen  in  1881.  Gezamen- 
lijk hebben  zij  een  grootte  van  3340  H.A.  i) 

De  Mijdrechische  droogmakerij  heeft  de  vroegere  Mijdrechtsche 
plassen  vervangen.  Deze  plassen  zijn  eveneens  voor  het  grootste  ge- 
deelte ontstaan  door  vervening  der  lage  landen.  De  eerste  bedijking 
alhier  is  aangevangen  volgens  octrooi  van  Aug.  1789  i).  Nadat 
eene  eerste  poging  mislukt  was,  heeft  het  Rijk  in  1838  de  bedijking 
ondernomen.  Er  bestaan  drie  bedijkingen  van  de  Mijdrechtsche 
plassen.  De  tweede  had  plaats  van  1852—56;  de  derde  van  1863 
tot  1864. 

Het  zomerpeil  dezer  droogmakerijen  wisselt  af  van  5,40  tot  6  M.  — 
A.  P.  Dit  zijn  alzoo  de  laagste  droogmakerijen  van  Amstelland. 

Dè  Zevenhovensche  piassen  in  Zuid-Holland  zijn  grootendeels  door 
vervening  ontstaan.  Op  het  laatst  der  vorige  eeuw  (1795)  is  men 
met  de  droogmaking  dier  plassen  aangevangen  en  zoo  zijn  ze  in 
de  Zevenhovensche  droogmakerij  veranderd.  Deze  droogmakerij, 
17 18  H.A.,  loost  gedeeltelijk  op  Rijnland  gedeeltelijk  op  Amstelland. 

1)  Versl.  der  Openb.  werken  1882,  pag.  190. 

2)  In  de  Bijlage  tot  den  Nieuwen  Post  van  den  Neder-Rijn  N<>  5,  1797  komt 
een  art.  voor,  waarin  aangedrongen  wordt  op  het  gebruik  van  stoommachines 
bij  deze  droogmakerij. 


Digitized  by 


Google 


76 

§   20.     <}ESCH1EDKUNDIGE  OPMERKINGEN   OVER   AMSTELLAND 
EN  DEN   AMSTEC. 

Bij  het  opnoemen  van  de  droogmakerijen  in  het  gebied  vanAm- 
stelland  hebben  wij  reeds  iets  medegedeeld  over  de  veranderingen, 
die  dit  land  in  historischen  tijd  ondergaan  heeft.  Nog  enkele  bij. 
zonderheden  uit  de  historie  der  hydrographie  van  Amstelland  zul- 
len wij  hieraan  toevoegen. 

De  Amstel  is  een  water,  dat  in  de  oudste  geschiedenis  van  deze 
gewesten  niet  genoemd  wordt  en  dat  zeker  in  dien  tijd  nog  geen 
naam  had.  De  oorzaak  van  het  eerste  ligt  hierin,  dat  deze  landri vier 
in  Romeinschen  tijd  nóch  een  handelsweg  opleverde,  nóch  een  Rijnarm 
was  en  dus  niet  van  den  Rijn  uit  bevaren  werd.  De  Vecht  ver- 
keerde als  Rijnarm  in  gunstiger  omstandigheden  en  werd  daar- 
door reeds  vroeg  een  veel  bevaren  water.  Doch  de  Amstel  was 
eenvoudig  het  >  IVater  van  het  Gouw*\  het  Gouwenwater,  Dit 
water  verkreeg  later  den  naam  van  de  gouw,  die  het  doorstroomde. 
Deze  heette  Amestelle  en  het  gouwewater  werd  hiernaar  de  Amstel 
genoemd. 

Het  land  aan  beide  zijden  van  den  Amstel  was,  waarschijnlijk 
eenige  eeuwen  vóór  tot  weinige  na  den  aanvang  der  Christelijke 
jaartelling,  een  moerassige  streek  met  bosschen  bedekt.  Dat  dit  het 
geval  moet  geweest  zijn,  bewijst  het  kienhout,  hetwelk  in  de  lage 
venen  van  deze  streken  zöo  overvloedig  gevonden  wordt  i). 

Wanneer  deze  woeste  en  onbewoonde  streek  meer  bewoonbaar 
geworden  is,  valt  niet  met  zekerheid  te  zeggen.  Wel  weten  wij,  dat 
reeds  in  de  13de  eeuw  een  tijdgenoot  het  land  beschreef  als  leene 
aaneenschakeling  van  grasrijke  weiden"  en*  dat  een  overblijfsel  der 
wouden  nog  lang  daarna  bestond  in  het  Rei^erboschXi^noosiQViy^n 
Ouder-Amstel  (Annales  Egmundani  pag.  91  en  92). 

Het  oude  en  eigenlijke  Amestelle  werd  gevormd  door  twee 
strooken  laag.  veen  op  bfeide  cmejis  van  den  Wojvervtinden  Amstel 
tot  den  mond.  Uit  het  bericht  van  bovengenoemden  beschrijver  uit 


l]  Staring.  De  bodem  van  Nederland  I,  pag.  70. 


Digitized  by 


Google 


77 

de  13de  eeuw  blijkt  ook,  dat  destijds  Amestelle  reeds  bedijkt  was 
en  dat  eene  doorbraak  het  deed  ondervloeien.  Evenwel  kan  niet 
met  zekerheid  gezegd  worden,  waar  die  eerste  dijk  liep.  Doch  trots 
die  bedijking  was  Amestelle  zeker  nog  een  waterachtig,  moerassig 
land,  dat  toen  wel  eenigszins  zal  geleken  hebben  op  het  Over- 
IJsche  Waterland.  Men  vond  hier,  evenals  daar,  meren  en  meertjes, 
kolken  en  braken,  nessen  en  liesdellen.  De  naam  Amestelle  be- 
teekent  ook  eene  i  waterachtige  gesteldheid,  een  waterrijk  oord*'  i). 

Het  Hoogheemraadschap  Amstelland  bestond  .reeds  in  de*  14de 
eeuw,  zooals  o.  a.  blijkt  uit  een  brief  van  1387,  waarin  van  sluis- 
meesters  en  heemraden  gesproken  wordt  2).  Het  ontleent  zijn  naam 
aan  den  Amstel,  die  omstreeks  de  helft  der  13de  eeuw  nog  geheel 
vrij  in  het  IJ  uitstroomde  en  in  verbinding  stond  met  verschillende 
plassen  en  wateren  van  Holland,  welke  de  ontlasting  van  hun  over- 
tollig water  door  den  Amstel  volbrachten. 

Omstreeks  de  helft  der  13de  eeuw  liet  Gij sbr echt  III ^^zxi  KmsXA 
een  dam  en  sluis,  de  Amsteldamme^  later  de  Middeldam  of  Vijgen- 
dam,  iii  den  Amstel  leggen.  Op  die  sluizen  verkregen  de  eigenaars 
der  achterliggende  landen,  die  recht  van  uitwatcring  op  den  Am- 
stel hadden,  het  toezicht  en  reeds  van  1387  vinden  wij  berichten 
omtrent  reglementen  op  het  openen  en  sluiten  di^r  sluizen. 

Door  koop  en  traktaten  werd  het  gebied,  dat  rechtens  op  den 
Amstel  loozen  mocht,  uitgebreid.  Gijsbrecht  IV  verkocht  in  het 
laatst  der  13de  eeuw  aan  de  bezitters  van  Oüd-Kalslagen  en  Nieuw- 
veen het  recht,  om  door  een  watergang  de  landen  te  doen  uitwa- 
teren  op  den  Amstel  3),  onder  voorwaarde,  dat  zij  den  Biidcrdam^ 
in  de  Drecht  gelegen,  gesloten  zouden  houden. 

In  1413  verkocht  graaf  IPillem  van  Beieren  met  goedvinden  van 
Amsterdam  en  van  allen  die  op  Amstelland  uit  waterden,  aan  de 
landen  van  Rcinerskoop^  Bijleveld^  Achthaven  tn  Mastwijk^  gtltgtn 
in  het  Sticht,  ten  zuiden  van  den  Rijn  het  recht  om  door  Amstel- 


i)  J.  Ter  Gouw.  Geschiedenis  van  Amsterdam  1S79  J.  jwg.  18  en  19. 

2)  V.  Mierik,  in  pag.  172. 

3)  Wagenaar-  Amsterdam  in  zijn  opkomst  III  pag.  103.  . 


Digitized  by 


Google 


7» 

land  uit  te  wateren  of  in  het  IJ.  Later  verkr^n  ook  Harmelen^ 
Rokkengen  en  Spengen  hetzelfde  recht.  Doch  hieraan  was  de 
voorwaarde  verbonden,  dat  zij  een  watergang  moesten  graven  van 
den  Rijn  tot  Wilnis.  Deze  watergang  moest  voor  vreemd  water 
gesloten  blijven  en  werd  Bijleveld  genaamd.  Daarnaar  werden  de 
landen,  welke  door  den  Bijleveld  op  Amstelland  uitmonden,  ook 
eveneens  Bijleveld  genoemd  i). 

Het  handvest  van  Willem  van  Beieren  verklaart,  dat  den  »,goeden  lieden,  die 
geland  zijn  op  Reijnerskoop  en  Bijleveld,  tusschen  den  Meerendijk  en  Haan- 
w ijker  Ka'*  door.  Hertog  Albrecht  brieven  gegeven  waren,  om  hun  landen  op 
den  Rijn  te  doen  afwateren,  waarvan  echter  geen  gebruik  meer  kon  gemaakt 
worden.  „Ende  omdat  wij  niet  en  willen,  dat  die  voorsz.  goede  luiden  daarbij 
verderflijk  beschadigt  zouden  blijven,  soo  hebben  wij  met  goeden  voorsien  or& 
wel  bedacht  en  beraden,  bij  goeddunken,  consent  en  wille  onzer  stede  van  Am- 
sterdam en  voorts  allen  onse  ondersaten  dergeene,  die  in  der  Waterschap  van  onsen 
Landen  van  Am  sier  land  gewatert  zijn,  overdragen  en  voorwaarden  gemaakt  mij- 
ten goeden  lieden,  die  geland  zijn  op  Reijnerskoop  ende  op  Bijlevelt  voorsz.  en 
voorts  mitten  goeden  luden,  die  geland  zijn  in  Achthoven  ende  in  Mastwijk, 
gele<;en  tusschen  Merendijk  en  der  Heerenvliet  van  St.  Cathrijnen  t'  Utrecht  ii> 
deser  manieren  en  voorwaarden  hierna  beschreven.  Dat  te  weten,  dat  wij  de 
voorn,  goeden  luden  verkocht,  gegont  en  overgegeven  hebben,  verkopen,  gonnen 
en  overgeven  mits  desen  onsen  tegenwoordigen  brieve  om  een  zekere  somma 
van  gelde,  die  sij  ons  wettelijk  en  wel  betaald  hebben  in  ons  zelfs  handen,  den 
lesten  penning  mitten  eersten,  als  dat  zij  haar  water  van  den  voorst,  lande 
sullen  brengen  en  leyden  mofen  overal  door  den  onsen^  tot  haare  oester  oirbaar 
en  profijt^  van  uijtten  Rhijn  tot  in  die  Amstel  mtt  eenen  watergang^  die  beginnen 
sal  in  den  Rhijn  tusschen  Basterdam  en  de  Haanwij ker kade  en  voort  den  ouden 
Rhijn  langs  tot  aan  den  Bruedijk  en  voort  door  den  Bruedijk  der  Hollander 
meenfe  langs  tot  Kockengen  en  voort  door  Kockengen  achter  aan  Spengen  bij 
den  Ruger  gijdwinde  en  van  daar  voort  door  den  Hollander  weg  op  ^strekkende 
door  Wilnisse  en  zoort  van  daar  door  die  Waver  in  die  ouden  Rhijn  en  alsoo- 
voort  op  tot  Coelbiers  toe  in  die  Amster  ent.  Verder  wordt  er  in  verklaard,  dat 
verkocht  is  het  recht  over  al  de  sluizen,  meren  en  watergangen,  welke  dienen 
konden  om  het  water  op  den  Amstel  te  brengen.  Doch  de  „goede  luden" 
moesten  daarbij  verzekeren,  te  zorgen,  dat  geen  water  van  de  Heikoop  in  hun 
gebied  kwam  en  alleen  mochten  zij  des    zomers  bij  watergebrek  voor    hun  vee 

I)  Zie  hierover  B.  G.  A.  van  Pabst.  De  Hydrarchia  Bijleveld  1836.  I>eze 
dissertatie  (Utrecht)  geeft  veel  over  deze  geschiedenis. 


Digitized  by 


Google 


79 

water   doen   inloopen  uit  den  IJsel.    Dit  handvest  ^as  gegeven  den  isten  Oct. 

1413"  O- 

De  laatste  vergrooting  van  het  afstroomingsgebied  op  den  Amstel- 
landschen  boezem  had  plaats  in  de  i6de  eeuw.  De  bewoners  van 
sommige  ten  westen  de  Vecht  gelegen  landen  staken  toen  de  dam- 
men, die  hen  van  Amstelland  scheidden,  door,  en  brachten  vervol- 
gens het  water  van  hun  land  op  den  Amstel  in  plaats  van  op  de 
Vecht,  hetwelk  aanleiding  gaf  tot  veel  twist  met  Amsterdam  2). 
Zoo  werd  langzamerhand  het  afstroomingsgebied  van  den  Amstel 
uitgebreid  3). 

De  landen  aan  beide  zijden  van  den  Amstel  lagen,  in  't  begin 
der  17de  eeuw  nog  onbepolderd  of  waren,  «edert  ongeveer  eene  eeuw 
slechts  met  zomerkaden  omringd.  Daardoor  leden  zij  veel  last  van 
het  winterwater,  hetwelk  zij,  bij  gebrek  aan  molens,  niet  konden 
loozen.  Hoewel  de  landen  ten  westen  van  den  Amstel  door  den 
Amsteldijk  beschermd  werden  tegen  hoog  water  in  den  Amstel, 
hadden  zij  hier  toch  overlast  van  het  regenwater  in  den  herfst  en 
den  winter,  en  zelfs  van  het  water  uit  het  Haarlemmermeer.  Doch 
in  het  laatst  der  i6cle  eeuw  werden  de  landen  aan  beide  zijden  van 
den  Amstel  door  zwaarder  kaden  of  dijken  ingesloten,  welke  pol- 
ders hun  overtollig  water  in  den  Amstel  of  op  't  IJ  door  de  Ipen- 
slooter  en  Diemerdammersluizen  loosden  4).  Dat  bemaling  hierbij 
noodig  was  spreekt  van  zelf. 

Lang  was  de  vaart  op  den  Amstel  alleen  voor  kleine  schepen 
te  gebruiken  en  alle  vaartuigen,  die  van  vaststaande  masten  voor- 
zien waren  of  een  grootere  breedte  hadden  dan  ruim  4V2  M.  moes- 
ten, evenals  die,  welke  hooge  bovenlasten  hadden  of  eenigszins  diep 
geladen  waren,  over  het  Haarlemmermeer  en  het  IJ  of  over  het 
Haarlemmermeer  en  den  Overtoom  naar  Amsterdam  komen.  Waar 


i)  Groot  Placaatboek  van  Utrecht  II  pag.  138. 

2)  C.   A.    W.   van   Hoorn.  Een  woord  over  Amstelland.  (Economist  1870  II 
pag.  1239). 

3)  Zie  J.  Ter  Gouw.  Geschiedenis  van  Amsterdam  IV  pag.  61. 

4)  Wagenaar.  Amsterdam  in  zijn  opkomst  en  aanwas  1767  III  pag.  107. 


Digitized  by 


Google 


8o 

de  Amstel  in  Amsterdam  komt,  was  destijds  een  steenen  brug 
met  gemetselde  bogen,  die  den  toegang  voor  hooge  schepen  be- 
lette. Ia  1822  zijn  de  twee  middelste  bogen  weggebroken  len 
dienste  van  de  Eeulsche  vaart  die  in  genoemd  jaar  verlegd  werd. 

In  1823  werd  besloten  ook  den  Amstel  beter  bevaarbaar  te  ma- 
ken in  verbinding  met*  de  Aar  en  de  Drecht.  (Zie  II  pag.  58).  Bij 
Kon.  Besluit  van  den  s^en  April  1823  werd  de  uitvoering  van 
een  ontwerp  daartoe  opgedragen  aan  het  Collegie  van  Heemraden 
van  Amstel  en  Nieuwer -Amstel  i).  Van  den  aanvang  tot  den 
Omval  werd  de  Amstel  bij  i6  M.  bodembreedte  tot  3  M.  —  A.P. 
uitgediept,  terwijl  beneden  den  Omval  tot  bij  de  Hoogesluis  de 
breedte  41  M.  zou  zijn.. 

Thans  bedraagt  boven  den  Omval  de  breedte  van  den  Amstel 
op  kanaalpeilso — 90  M.  met  eene  verbreeding  te  Uithoorn  tot  120 
M.  en  eene  vernauwing  beneden  de  brug  te  Vrouwenakker  tot  32 
M.  De  bodemdiepte  is  2,75  M.  —  AP.  Van  den  Omval  tot  Am- 
sterdam bedraagt  de  breedte  125  tot  160  M.  2). 

Duidelijk  blijkt  hieruit  ook  weder,  hoe  weinig  de  bodem  van  het 
lage  Holland  en  de  loop  der  wateren  en  waterscheidingen  een  pro- 
dukt  van  natuurlijke  ontwikkeling  zijn. 

§   27.      HET  STADSWATKK  TE   AMSTERDAM. 

Een  afzonderlijke  boezem  vormt  in  het  gebied  ten  zuiden  van  het 
IJ  nog  het  Stadswater  van  Amsterdatn.  Tot  dezen  boezem  behooren 
o.  a.  de  stadsgrachten^  de  BinnenAmstel^  de  Ovtrtoomsche  vaart^ 
de  Van  Lennepsvaart  en  de  Kostverloren  Wetering,  De  waterop- 
pervlakte van  den  boezem  bedraagt  ruim  260  HA.,  waar  ongeveer 
2000  HA.  polderland  geheel  of  gedeeltelijk  op  loozen. 

Het  Ooster-  en  Wcsterdok  liggen  bijna  altijd  gemeen  met  het 
Stadswater  en  kunnen  daarom  ook  tot  den  boezem  gerekend  worden. 
De  gemiddelde  waterstand  van  den  boezem  was  (van  1873—1875) 
0,437  M.  ■—  A.  P. 

i)  Jacob  de  Jong.  De  Amstel,  de  Drecht  en  de  Aar  voor  grootere  schepen 
bevaarbaar  gemaakt,  1825,  pag.  XIIT. 

2)  Overzicht  der  scheepvaartkanalen  in  Nederland,  ibS8,  pag.  96  en  106. 


Digitized  by 


Google 


8i 

Het  stadswater  ontlast  zich  door  verschillende  sluizen  op  het 
No&rdzcc'kanaal^  dat  een  kanaalpeil  moet  hebben  van  0,50  M.  — 
A.  P.  Evenwel  was  hier  (aan  de  peilschaal  in  de  Willenissluizen 
van  1873 — 1875)  de  gemiddelde  waterstand  0,438  M.  —  A.P.,  zoo- 
dat het  waterverschil  slechts  zeer  gering  is.  En  dikwijls  is  de  water» 
stand  er  hooger,  zooals  wij  zagen. 

Verder  wordt  door  een  stoomgemaal  bij  Zeeburg  het  overtollige 
water  somtijds  uit  de  stad  afgemalen  op  de  Zuiderzee.  Bovenal 
wordt  hier  water  ingelaten,  teneinde  de  grachten  met  versch  wa- 
ter te  kunnen  vullen. 

Dat  Amstellands  boezem  op  het  Stadswater  loost,  hebben  wij  reeds 
gezien.  De  afscheiding  kan  geschieden  door  een  schutsluis  in  den 
Amstel,  die  evenwel  meestal  openstaat,  en  door  de  waterkeering 
bij  het  Weteringhek.  (Zie  verder  II  pag.  71.) 

§   28.      HISTORISCHE  OPMERKING  OVER  HET  STADSWATER 
TE  AMSTERDAM. 

Oorspronkelijk  stond  het  water,  ter  plaatse  waar  thans  Amsterdam 
ligt,  in  onverhinderde  gemeenschap  met  den  Amstel,  die  toen  vrij  in 
het  IJ  loosde.  De  afsluiting  van  het  IJ  had  plaats  in  de  13de  eeuw  door 
het  leggen  van  een  dam  met  sluis  in  den  Amstel,  waarnaar  Amster- 
dam den  naam  ontving.  In  het  jaar  1306  lag  er  naast  de  groote  sluis 
ook  reeds  een  kleine  sluis  in  den^Middeldam.  Door  deze  beide  sluizen 
konden  aldus  Amsterdam  en  Amstelland-op  het  IJ  uitfilteren.  Bij 
de  uitbreiding  der  stad  werden  er  telkens  nieuwe  sluizen  bij  ge- 
bouwd om  water  te  keeren  en  te  leiden.  Hierdoor  was  in  de  17  de 
eeuw-  de  stad  Amsterdam  in  hydrographisch  opzicht  in  vier  pol- 
ders en  boezems  verdeeld.  De  grootste  van  deze  lag  met  den  Am- 
std  gemeen. 

De  verversching  dezer  boezems,  vooral  van  dien.  welke  met  <}^n 
Amstel  gemeen  lag,  liet  evenwel  veel  te  wenschen  over,  daar.de  Am* 
stel  niet  dan  bij  zeer  lage  ebbe,  welke  zelden  bestond,  eenigentijd 
werkelijk  afvoer  van  water  kon  hebben.  Daarom  besloot  mei>,  om  het 
IJwater,  dat  des  zomers  soms  3^4  voet  hooger  kwam  te  staan  dair 

I.  1.  6 


Digitized  by 


Google 


82 

het  Amstelwater,  van  den  Anistel  geheel  af  te  sluiten,  waarneer 
men  het  in  de  stad  liet.  Tot  dit  doel  werd  de  Amstelsluis  ge- 
legd tusschen  de  Prinsengracht  en  Achtergracht  (1670).  Daardoor 
kon  men  vrij  het  IJwater  in  Amsterdam  laten  loopen,  zonder  dat 
de  Amstel  er  brak  water  van  verkreeg.  Op  die  wijze  werd  het  Stads- 
water van  Amstelland  afgescheiden.  Men  dro^  verder  zorg,  dat  het 
intappen  van  IJwater  in  de  stad  door  andere  sluizen  geschiedde  dan 
het  uitlaten,  om  aldus  strooming  te  verkrijgen.  Ook  liet  men  toen 
reeds  het  water  uit  de  stad  wel  eens  een  weinig  lekken  door  de  sluis 
op  den  Amstel.  i) 

:  De  inlating  van  water  uit  het  IJ  vereischte,  met  het  oog  op  de 
inrichting  der  huizen,  der  straten  enz.,  een  vast  peil  in  Amsterdam 
ter  bepaling  der  waterhoogte.  Dit  gaf  aanleiding  tot  het  vaststellen 
van  een  stedelijk  peil,  het  Amsierdamsch  /«7,  zooals  wij  reeds 
vroeger  zeiden.  Dat  dit  peil  ook  elders  in  Nederland  en  zelfs  in 
Pruisen  tot  nulpunt  der  hoogtebepaling  werd  aangenomen,  merkten 
wij  vroeger  op  (zie  I  pag.  39.; 

§    29.      DE  VOORNAAMSTE  KAN  AALVERBINDINGEN  TUSSCHEN 
LEK  EN  NIEUWE  MAAS  IN  HET  ZUIDEN   EN  DE  ZUIDER- 
ZEE EN  HET  NOORDZEE-KANAAL  IN  HET  NOORDEN. 

Iets  anders  dan  de  boven  besproken  afwaterings-kanalén  en  boe- 
zems, welke  dienen  tot  loozing  van  het  overtollige  water  en  die 
daarom  volgens  wettige  bepalingen  tot  bepaalde  stelsels  zijn  afge- 
sloten, is  de  .scheepvaartverbinding  van  de  voornaamste  plaatsen 
langs  waterwegen.  Hoewel  toch  een  boezem  eene  of  meer  bepaalde 
ttitwateringssluizéh  heeft,  waarlangs  het  water  op  het  buitenwater 
of  op  een  anderen  boezem  kan  wegstroomen,  vindt  men  tusschen 
de  boezems  niet  zelden  andere  sluizen,  ^elke  niet  bepaald  dienen 
tot  uitwatering,  doch  mede  of  zelfs  alleen  voor  de  scheepvaart. 
Dit  iijn  taamelijk  de  schutsluizen.  Ieder,  die  een  schutsluis  gezien 
heeft,   i^ëet,   dat  ze  niet  geheel   het  afwateren  tegengaat,   doch  dit 


.  .1)  Zie  over  èen  en  ander  uitvoerig  in  Wagenaar,  Amsterdam  in  zijn  opkomst 
'765  n,  pag.  55-  «2- 


Digitized  by 


Google 


83 

tot  een  minimum  beperkt.  Bij  iedere  schutting  toch  stroomt  slechts 
.-zooveel  water  van  het  hoogste  naar  het  laagste  pand,  als  er  tus- 
«chen  de  sluisdeuren  boven  den  laagsten  stand  kan  instroomen. 
iDit  is  betrekkelijk  zeer  weinig  en  oefent  op  den  waterstand  van 
een  tamelijk  uitgebreiden  boezem  weinig  invloed  uit.  £en  schut- 
:sluis  kan  evenwel  ook  tegelijkertijd  uitwateringsluis  zijn. 
•  Door  dergelijke  schutsluizen  nu  staan  de  gedeelten  van  verschu- 
ilende boezems  in  Holland  met  elkander  in  verbinding  in  het  be- 
lang van  de  scheepvaart.  De  boven  beschreven  afscheiding  van 
•de  boezems  en  boezemgebieden,  die  uit  een  hydrographisch  oogpunt 
veel  waarde  heeft,  zal  een  reiziger  te  water  in  het  lage  gebied  van 
•ons  land  niet  gemakkelijk  opmerken.  De  scheiding  namelijk  van 
twee  boezemgebieden  kan  plaats  hebben  door  hooge  afsluitings- 
dijken,  welke  grooter  hoogte  hebben  dan  de  overige  kaden  tusschen 
•de  polders,  doch  volstrekt  niet  altijd  is  dit  het  geval.  Er  is  een 
igrens  voor  den  afloop  van  het  overtollige  regenwater  in  den  polder, 
maar  in  gewone  omstandigheden  valt  die  niet  in  het  oog.  Men 
^aat  van  heteene  boezemgebied  over  in  het  andere,  bijna  evenals 
enen  van  den  eenen  polder  uit  een  bepaald  gebied  overgaat  in  den 
anderen  polder  van  hetzelfde  gebied. 

Met  de  boezemwateren  zelve  is  meestal  die  overgang  van  den 
•èenen  boezem  in  den  anderen  nog  al  te  bemerken,  door  het  verschil 
in  waterhoogte  bij  de  sluizen.  Te  Utrecht  is  namelijk  het  water- 
verschil  van  het  Stadswater  en  van  de  Vecht  bij  de  Weerdsluis  + 
-0,64  M.  Wanneer  een  schipper  door  de  schutsluis  aan  den  Leid- 
•schendam  van  de  Vliet^  een  deel  van  Rijnlandsboezem  met  eene 
gemiddelde  hoogte  van  0,55  M.  —  A.  P.,  overgaat  in  den  Schic' 
^oezem^  met  een  waterhoogte  van  0,18  M.  —  A.  P.,  valt  die  over- 
gang van  den  eeoen  boezem  in  den  anderen  2eer  weinig  in  het 
oog.  Zoo.  maakt. h^ttgefiii  andecen  indruk,  dan  wanneer  men  op 
een  gewoon^  kanaal  in  de  hoogere  gronden  van  het  eene  pand  in 
liet  andere  overgaat. 

Op  de  gewone  kaarten  nu  worden  de  algemeene  waterverbin- 
dingen aangegeven,  zonder  te  letten  pp  hun  afstroomingsgebied  of 
op  hunne  hydógraphische  gréQzen..Bij  een  overzicht  van  het  landschap. 


Digitized  by 


Google 


84 

bij  het  zoeken  naar  een  gezichtsbeeld  of  een  landschapstype,  zonder 
tot  den  grond  der  zaak  of  tot  de  oorzaken  van  het  beslaande  door 
te  dringen,  is  dit  voldoende.  Ook  de  handel  heeft  daarin  zijn  voor- 
naamste belang. 

In  dit  overzicht  nu  willen  wij,  na  den  natuurlijken  toestand  in 
het  vorenstaande  geschetst  te  hebben,  de  voornaamste  waterverbia- 
dingen  behandelen  zonder  bepaald  op  de  hydrographische  bijzon- 
derheden te  letten ;  evenwel  zullen  enkele  er  bij  worden  aangegeven. 

A.  De  Waterweg  Amsterdam— Rotterdam.  Van  Rotterdam 
uitgaande  loopt  de  weg  langs  de  Nieuwe-Maas  en  den  Hollandschen 
IJsel  tot  Gouda.  Bij  het  overgaan  op  de  Gouwe  begint  het  gekana- 
liseerde gedeelte  van  dien  weg  en  komt  men  in  Rijnlands  boezem. 
Langs  de  Gouwe  tot  Alfen  in  den  Ouden-Rijn  gekomen  zijnde, 
verdeelt  zich  de  waterweg  in  twee  takken.  De  oostelijkste  tak 
loopt  tegenover  de  Gouwsche  sluis  door  de  Nieuwe  vaart  en  de  Aaf 
tot  het  Huis  te  D recht  op  de  grens  van  Noord-Holland.  Van  deze 
plaats  loopt  de  waterweg  verder  door  de  Drecht  naar  het  N.0.  en 
gaat  tegelijk  uit  \i^X  gebied  van  Rijnlands  boezem^  meteene  waterhoogte 
van  0,55  M.  —  A.  P ,  over  tot  den  boezem  van  Ajnstelland^  met 
een  gemiddelde  waterhoogte  van  0,40  M.  —  A.  P.  Aldus  gaat  het 
niveau  hier  =t  0,15  M.  naar  boven.  Verder  loopt  de  weg  door  de 
Drecht  en  gaat  van  deze  vrij  over  in  den  Amstel^  die,  zooals  wij 
gezien  hebben,  bij  de  Amstelsluis  te  Amsterdam  kan  worden  afge- 
sloten, doch  welke  gewoonlijk  openstaat. 

Daar  de  Gouwsche  sluis  in  de  Gouwe  bij  Alfen  meest  openstaat 
(zie  II  pag.  43)  kan  het  gedeelte  van  Gouda  tot  het  Huis  te  Drecht 
als  éen  aaneengesloten  pand  beschouwd  worden. 

De  tweede  tak  loopt  bij  Alfen  iets  verder  westelijk,  eerst  door 
den  Ouden-Rijn  en  vervolgens  door  de  Fieimans-WeteringnzsaYi'^ 
breede  gedeelte  van  de  Wijde  Aa^  waar  deze  met  het  Braasemer- 
meer  in  verbinding  staat.  Door  het  Braasemtrmeer  langs  Oude  We- 
tering gaat  de  weg  vervolgens  over  de  Ringvaart  om  den  Haar- 
lemmermeer polder.  Na  deze  in  N.  O.  richting  gevolgd  te  zijn,  komt 
men  op  de  breede  plas,  het  NieuweMeer^  gaat  van  deze  op  ó&Schinhel 
over,  en  verlaat  bij  de  schutsluis  aan  den  C?ir/'/(È?t7;;x  Rijnlands  boer 


Digitized  by 


Google 


«5 

zem,  om  op  de  Overioovischc  vaar  f ^  de  van  Lennepsvaart  of  de  Kost- 
verloren  Wcierin^^  alle  tot  het  Stadswater  van  Amsterdam  behoo- 
rend,  over  te  gaan.  Hier  is  de  waterstand  gemiddeld  =*=  0,437  M, 
—  A.  P.  Met  Rijnland  is  dus  het  verschil  ±  0,113  M. 

Eenige  opgaven  over  de  afmetingen  van  deze  waterwegen  mogen 
hier  volgen.  De  waterweg  van  Amsterdam  naar  Rotterdam,  bestaande 
uit  Amsicl^  (van  den  Omval),  Drecht^  Nieuwe  vaari^  Aar^  Gouwe 
en  Turfsingelgracht  te  Gouda  tot  den  IJsel  heeft  eene  lengte  van 
51,640  KM.  Het  pand  van  den  Omval  tot  het  Huis  te  Drecht 
{Amsiei^  Drecht)  is  24,600  KM.  lang,  op  kanaalpeil  50  k  90  M. 
breed  en  2,75  M.  —  A.  •  P.  diep  (de  gemiddelde  waterstand  te 
Ouder-Amstel  was  (1880— 1884)  =  0.40  M.  —  A.  P.)  Het  tweede 
pand,  van  h;t  Huis  te  Drecht,  waar  de  Atostelsluis  gevonden  wordt, 
tot  de  Rijnbrug  {^Nieuwe  vaart  en  Aar)  is  11,262  KM.  lang,  21 
tot  27  M.  breed  en  de  bodem  ligt  3  M.  —  A.P.  Over  eene  lengte 
van  0,1  KM.  loopt  de  waterweg  vervolgens  over  den  Ouden  Rijn 
tot  de  Gouwcsluis.  Van  de  Gouwesluis  bij  den  Rijn  tot  de  Malle- 
gatsluis  bij  den  IJsel  heeft  de  Gouwe  eene  lengte  van  15,680  KM. 
eene  bódemdiepte  van  3  tot  4,5  M.  —  A.P.  en  een  breedte  (op 
kanaalpeil)  van  20  tot  30  M. 

De  Ovcrtoomsche  vaart  van  den  Singel  bij  de  Leidsche  gracht 
te  Amsterdam  tot  de  schutsluis  aan  den  Ovjertoom  is  1,8  KM. 
lang,  10  M.  breed  en  de  bodem  ligt  ;5  M.  —A.P.  De  Kostiierloren 
vaart  staat  in  Amsterdam  door  de  Kattensloot  in  verbinding  met 
de  Singelgracht.  De  lengte  van  beide  bedraagt  3,3  K.M.,  de 
breedte  12  M.,  en  de  diepte  3,5  M.  -  A,P. 

De  Schinkel  tusschen  de  Overtoomschc  sluis  en  het  Niemve 
vteer  heeft  een  breedte  van  15  tot  80  M,  en  in  het  Nieuwe  meer 
is  de  breedte  100  tot  300  M.,  terwijl  de  diepte  3  M.  —  A.P.  bedraagt. 
(De  waterstand  van  Rijnland  aan  de  Overtoomsche  sluis  was  van 
1880  tot  1884  gemiddeld  0,57  M.  —  A.P.)  Van  de  Overtoomsche 
sluis  tot  het  fort  Nieuwermeer  is  de  lengte  4,800  K.M.  Het  ge- 
deelte van  de  Rin^ioart  om  de  Haarlemmermeer  is  38  è.  45  M. 
breed  (op  kanaalpeil).  De  vaart  van  Oude  Weterih^  bij  de  Ring- 
vaart om  de  Haarlemmermeer  tot  de  Molenaarshrug  aan  den  Ouden 


Digitized  by 


Google 


86 

Rijn  loopt  door  het  Braasemermeer,  is  99250  K.M.  lang,  van  2,75 
M.  —  A.P.  tot  4,50  M.  —  A.P.-diep  en  van  22  tot  76  M.  breed  ojv 
kanaalpeil. 

£.  De  waterweg  van  het  Noordzebkanaal  bij  Haarlem 
TOT  DE  Nieuwe  Maas.  Deze  waterweg  63,300  KM.  lang,  be- 
staat uit  de  verbinding  van  verschillende  kanalen,  die  zich  op- 
niet  grooten  afstand  van  de  duinen  in  de  hoofdrichting  N.-Z.  uit- 
strekken. Ten  noorden  van  Spaamdam  staat  het  Spaarne  door 
twee  monden,  welke  den  driehoekigen  Spaarndatnmer  polder  (bodem- 
hoogte —  1,20  tot  1,40  M.  —  A.  P.)  insluiten,  met  het  Noordzee- 
kanaal in  verbinding.  Vroeger  bevond  zich  de  uitvvatering  van  het 
Spaarne  bij  Spaamdam  op  het  IJ;  sedert  dit  ingepolderd  is  zijn 
hier  genoemde  kanalen,  het  oostelijke  een  scheepvaartkanaal,  en  het 
westelijke  een  afwateringskanaal,  aangelegd. 

Docm:  de  sluizen  te  Spaamdam  komt  men  op  het  Spaarne^  een- 
breed  water,  dat  tot  Haarlem  voert.  Van  Haarlem  wordt  de  Leidschc 
irekvaari  (gegraven  1656—57)  gevolgd  tot  Leiden  en  van  Leiden 
de  Vliet  tot  den  Leidschendam.  Dit  gedeelte  van  den  water^veg: 
behoort,  uitgezonderd  de  monden  van  het  Spaarne  in  den  IJpolder,. 
tot  Rijnlands  boezem. 

Bij  Leidschendam  heeft  de  overgang  in  den  Schieboezem 
plaats.  Van  den  Leidschendam  tot  de  Hoornbrug  heet  het  water 
Haagsche  irekvliet^  en  verder  tot  Delft  de  Vaart  van  Delft,  Langs 
de  Rotterdamsche  Schie  loopt  de  weg  verder  tot  Rotterdam  en 
Schiedam.  Over  het  verschil  in  waterhoogte  bij  Leidschendam 
spraken  wij  reeds  boven. 

C.  De  waterweg  van  Amsterdam  naar  de  Lek  en  de  Mer- 
wede.  De  Keulsche  vaart.  De  waterweg  van  Amsterdam  naar 
de  Lek  en  de  Merwede  wordt  de  Keulsche  vaart  genoemd,  omdat 
het  de  oude  handelsweg  is  te  water  van  Amsterdam  naar  Keuleni 
Evenwel  de  Keulsche  vaart  vormt  niet  éen  water,  maar  bestaat 
uit  een  groot  aantal  wateren,  welke  met  elkander  verbonden  zijn^ 
Vóór' 1822  moesten  de  schepen  van  het  IJ  tot  Muiden  de  Zuiderzee 
passeeren  om  dan  de^  Vecht  te  volgen.  Na  dien  tijd  is  er  van  Am- 
sterdam  tot   de   Vecht  een  binnenweg  gevormd.    Van  Amsterdam. 


Digitized  by 


Google 


«7 

uitgaande,  wordt  de  Amsiel  gevolgd^  tot  den  Omval ;  vervolgens 
loopt  de  weg  door  de  Rin^sloof  om  de  Diemermeer  en  de  W^sper 
trehvaart  tot  de  schutsluis  te  Weesp  (deze  trekvaart  loopt  door  de  . 
Gaasp^  een  eenigszins  breeder  water,  en  de  Smalweesp  bij  Weesp). 
Genoemde  wateren  behooréft  tot  den  boezem  van  Amstelland;  door 
de  sluizen  bij  Weesp  gaat  men  in  den  Vechtboezem  over. 

Van'  Weesp  loopt  de  weg  de  Vecht  op  tot  Utrecht,  waar  men 
door  de  Weerdsluis  overgaat  in  het  Stadswater  en  van  dit  op.  den 
Vaartschen  Rijn*  Van  den  VaartscKen  Rijn  komt  men  door  de 
sluizen  te  Vreeswijk  op  de  Lek  en  van  Vianen  voert  eveneens  een 
sluis  weder  op  ïiet  Zederik-Kanaal^  dat  tot  den  Arkelschen  dam  ge* 
volgd  wordt.  Hier  gaat  men  door  een  sluis  over  op  de  Lttt^e^nXe 
Gorkum  mondt  de  Linge  door  eene  sluis  uit  in  de  Merwede.  Laatst- 
genoemde kanalen  zijn  reeds  genoemd.  Deel  I,  pag.  299. 

De  lengte  vr.n  deze  panden  is  de  volgende: 

Van  Amsterdam  tot  Weesp 13,400  K.M. 

^  »     Weesp  tot  de  Weerdsluis  te  Utrecht.  34,900     > 

>    Utrecht  tot  de  sluis  te  Vreeeswijk . . .  11,600     > 

""59,900  KM. 

Een  dergelijke  ellendige  kanaalverbinding  bestond  er  tusschen 
Neerlands  hoofdstad  en  de  hoofdrivier,  den  Rijn. 

Langen  tijd  werd  er  terecht  geklaagd  over  den  onvoldoenden 
toestand  van  genoemde  Keulsche  vaart  voor  het  verkeer.  Nadat  het 
plan  van  een  kanaal  over  Weesp  door  het  Gooi  en  door  de  Gel- 
dersche  vallei  verworpen  was  doo'r  de  Tweede  Kamer  der  Staten- 
Generaal  en  andere  plannen,  als  het  plan  Kalf,  van  een  kanaal 
Amsterdam,  Amerongen,  Boven-Waal  niet  in  aanmerking  kwam, 
werd  een  voorstel  tot  de  verbetering  van  de  Keulsche  vaart,  den 
29sten  Juli  i88i  aangenomen. 

Het  aanvankelijk  ontwerp  van  6  Januari  1881  bepaalde  den  aan- 
1^  van  een  kanaal  van  het  Noordzeekanaal  ten  oosten  van  Am- 
sterdam bij  'den  mond  van  het  spoorwegbassin  tot  in  de  Merwede 
ten  westen  van  Gorinchem.  Met  een  reeks  van  bochten  zou  het, 
van  Amsterdam  af  gebruik  makende  van  gedeelten  jder  bestaande 
vaarten,  zooals  de  ringvaart   van  de  Watergraafsmeer^  de  Wees- 


Digitized  by 


Google 


88 

per  trekvaari^  de  Gaasp  en  het  Gein^  in  de  Vecht  bij  Nichtevecht 
terecht  moeten  komen.  De  kronkelende  Vecht  zou  men  vervol- 
gens met  enkele  afkortingen  volgen  lot  iets  ten  noorden  van 
Utrecht.  Met  een  bocht  ten  westen  om  deze  stad  zou  men  in 
den  Vaartschen  Rijn  bezuiden  de  iniAdatie-sluizen  komen  en  die 
volgen  tot  iets  ten  noorden  van  Vreeswijk,  vanwaar  een  kort  zij- 
kanaal ten  westen  langs  Vreeswijk  in  de  Lek  moest  voeren.  Schuin 
tegenover  dit  eindpunt,  oostelijk  van  Vianen,  zou  het  kanaal  voort- 
gezet worden  door  het  Zederikkanaal  tot  aan.  de  Schotdeuren, 
om  eerst  aan  de  westzijde  langs  en  door  den  staatsspoorweg  heen 
ten  westen  van  Gorinchem  in  de  Merwede  te  komen. 

Gelukkig  werd  nog  bijtijds  ingezien,  dat  de  uitvoering  van  dit 
plan  een  veel  te  bochtigen  weg  vormde,  zoodat  de  verbetering  van 
de  Keulsche  vaart  zeer  slecht  aan  de  eischen  van  onzen  tijd  zou 
kunnen  beantwoorden.  Bedenkingen  tegen  deze  richting  hadden 
ten  gevolge,  dat  reeds  bij  de  wet  van  29  Juli  i88i  (Staatsblad 
N^  143)  in  het  oorspronkelijk  plan  wijzigingen  zijn  gebracht.  Zij 
bestonden  voornamelijk  in : 

A,  Tot  beginpunt  bij  Amsterdam  werd  de  afsluitdijk  naar  Schel- 
lingwoude  verkozen, 

B.  Eene  meer  rechte  richting  tot  Nichtevecht  werd  aangenomen. 
De  Weespertrekvaart  en  het  Gein  werden  daarom  niet  gevolgd. 

C.  Belangrijke  afsnijdingen  van  de  Vecht  tot  Maarsen  werden 
bepaald, 

D,  Eene  wijziging  in  de  richting  hij  Utrecht  en  tusschen  de 
schotdeuren  en  Gorinchem^  waar  de  kanaalrichting  aan  de  oostzijde 
van  den  spoorweg  iverd  bepaald. 

De  laatste  wijziging  in  het  plan  had  plaats  bij  de  wet  van  15 
Mei  1884  (Staatsblad  N®.  106)  op  voorstel  van  Jhr.  Mr.  J.  W.  H. 
RüTGERS  VAN  ROZENBURG,  waarbij  bepaald  werd,  dat  het  Vecht- 
pand  zal  geheel  vervallen  en  het  kanaal  van  Nichtevecht  tot  Utrecht 
langs  de  oostzijde  van  den  RijnspOotwég  tot  nabij  Zuilen  op  Am- 
stcllands  boezempeil  zal  worden  doorgetrokken. 

Dit  kanaal,  hetwelk  op  dit  oogenblik  nog  in  uitvoering  is,  zal 
bestaan  uit  de  volgende  afdeelingen. 


Digitized  by 


Google 


89 

A.  De  voorhaven  bij  Zeeburg  in  het  open  IJ  bij  de  Stads-Riet- 
landen te  Amsterdam,  lang  1,3  KM. 

.    I.     Het  kanaalpand    van   de    dubbele  schutsluis  bij  Zeeburg  tot 
die  bij  den  Groenendijk  bewesten  Utrecht,  lang  35,420  KM. 
-  2,    Het   kanaalpand  van  de  schutsluis  bewesten  Utrecht  tot  die 
te  Vreeswijk,  10,327  KM.     . 

B.  De  voorhavens  aan  de  I-ek  te  Vreeswijk  en  Vianen  ter  weers- 
zijden van  deze  rivier.  Die  te  Vreeswijk  is  lang  0^23  KM.,  en  die 
te  Vianen  0,710  KM. 

3.  Het  kanaalpand  van  de  schutsluis  te  Vianen  tot  de  Merwede- 
sluis  te  Gorinchem,  lang  22,440  KM. 

C.  De  voorhaven  aan  de  Merwede  te  Gorinchem,  lang  0,470  KM. 
Het  geheele  kanaal  met  de  voorhavens  heeft  een  lengte  vah  ruim 
70  KM.  De  breedte  van  het  kanaal  op  den  bodem  is  op  zijn  minst 
20  M   en  de  diepte,  3,10  M.  beneden  lage  waterstanden. 

,  De  voorhaven  van  het  nieuwe  kanaal  in  het  IJ  wordt  aan  de 
oostzijde  begrensd  door  een  nieuwen  afsluitdijk,  aanvangende  onge- 
veer in  het  midden  van  den  bestaanden  dijk  te  Schellingwoude  en 
aansluitende  aan.  de  schutsluizen  nabij  'Zeeburg  in  het  Nieuwe  diep. 
Deze  dijk  is  3  M.  +  A.  P.  hoog  en  op  de  kruin  4  M.  breed. 

De  voorhaven  ligt  in  gemeenschap  met  en  heeft  een  waterstand 
als  het  afgesloten  IJ,  d.  i.  volgens  de  bepaling  0.50  M.  —  AP.  (de 
werkelijkheid  is  hooger).  Het  eerste  pand  van  het  Noordzeekanaal 
tot  Utrecht,  heeft  een  peil  =  Amstellands-boezempeil  d.  i.  =*^  0,40 
M.  —  AP.  Dit  eerste  pand,  dat  1 1  cM.  hooger  moet  liggen  dan  de 
noordelijke  voorhaven,  is  door  een  schutsluis  bij  Zeeburg  van  deze 
gescheiden.  Door  een  syphon  of  duiker  wordt  bij  Zeeburg  het 
stadswater,  dat  het  stoomgemaal  hier  aanvoert,  dwars  onder  het  ka- 
naal door  in  de  Zuiderzee  gevoerd. 

Het  EERSTE  PAND  loopt  van  de  sluis  bij  Zeeburg  door  de  plas  Nieuwe 
diep^  en  vervolgens  op  korten  afstand  van  den  zeedijk  met  dezen  na- 
genoeg evenwijdig  tot  in  den  Overdiemer  polder^  waar  het  kanaal  zich 
naar  het  zuiden  ombuigt.  De  polders,  waardoor  dit  eerste  pand  loopt, 
zijn  de  volgende,  van  den  mond  af:  de  Diemerpoider  (zomeq^eil  =: 
1,60   M.  —  AP.)  de  Overdiemerpolder  (Z,  P.  =  1,80  M.  —  AP.) 


Digitized  by 


Google 


90 

de  Gcmeenschapspolder  (Z.  P.  =  i,8o  M.  —  AP.)  de  Aetsveldsche* 

polder  (Z.  P.  =  1,80  M AP.)  de  Garsierpolder  (Z.  P.  =  1,70 

M.  —  AP.)  de  Oostzijdschepolder  (Z.  P.  =  1,85  M.  —  AP.)  de 
de  Voorburgschepolder  (Z.  P.  =  1,70.  M.  —  K^^^^^tHonderdsche^ 
polder  (Z.  P.  =  1,70  M.  —  AP.),. de  Breukeier  Waard  (Z.  P.  = 
1,50  M.  —  AP.),  polder  Otter spoorbroek  (Z.  P.  =  1,15  M.  — AP.), 
polder  Madrsenbroek  (Z.  P.  =.  1,00  M.  —  A.P.),  de  Hooge  Neer- 
maten  (Z.  P.  =  0,70  M.  AP.)  Waterschap  de  Hooge- en  Lage  Weide 
(Z.  P.  =  0,73  M.  —  AP.)  De  waterstand  in  het  kanaal  db  0,40  M. 
—  AP.  en  staat  dus  bij  Amsterdam  ongeveer  ly^o  M.  hooger  dan  het 
water  en  ongeveer  i  M.  hooger  dan  het  land  van  de  omliggende 
polders.  Ook  bij  Utrecht  is  het  kanaalpeil  nog  hooger  dan  dat  der 
nevenliggende  polders.  Hierdoor  is  het  noodig,  dat  dit  geheele  pand 
door  bedijkingen  wordt  ingesloten.  De  kanaaldijken  hebben  in  dit 
pand  eene  hoogte  van  i  M.  +  AP.  De  bodem  van  het  kanaal  ligt  in 
dit  pand  3,70  M.  —  A.P.  Een  groot  aantal  duikers  loopen  dwars 
onder  het  kanaal  door,  om  de  verschillende  deelèn  der  polders,  die 
het  doorsnijdt,  in  watergemeenschap  met  elkander  te  houden.  Waar 
nabij  Weesp  het  kanaal  den  Oosterspoorweg  kruist,  is  de  laatste 
aanzienlijk  opgehoogd,  om  de  ^hepen  steeds  onder  den  brug  door 
den  doorgang  te  verschaffen.  Dit  eerste  pand  staat  door  schutsluizen 
of  geheel  vrij,  nog  met  verschillende  wateren  in  gemeenschap.  De 
wateren,  die  er  gemeenschap  mede  hebben,  zijn:  de  Muidertrek- 
vaart  onder  Diemen,  het  Smal- Weesp  ten  oosten  van  deGeinbrug, 
de  Oiide  l^echt^  door  de  schutsluizen  te  Nichtevecht,  de  Binnenvaart 
naar  Amsterdam  te  Nieuwersluis,  de  vaart  van  Breukelen  naar 
Ter- Aar ^  door  middel  van  de  aan  weerszijden  in  de  kanaaldijken  ge- 
legen schutsluizen,  de  VecfU^  door  de  in  den  oostelijken  kanaaldijk 
gelegen  schutsluis,  en  de  Proostwetering  door  de  schutsluis  in  den 
westelijken  kanaaldijk. 

Het  TWEEDB  PAND,  van  Utrecht  naar  de  rivier  de  Lek,  heeft  een 
kanaalpeil  gelijk  aan  dat  in  den  Vaartschen  Rijn.  Hier  bedraagt 
de  waterstand  in  den  winter  -r  0,60  en  in  den  zomer  0,47  M.  +  AP. 
Het  zomerpeil  in  de  omringende  landen  loopt  van  0,10  M.  +  AP. 
(Laag  Raven)  tot  0,47  M.  +  AP.  (de  Oude  Geinpolder).    Daaruit 


Digitized  by 


Google 


91 

ll^kt  ons,  dat  kanaaldijken  ook  hier  notidig  zijn.  Zij  hebben  eene 
hoogte  van  2  M.  +  AP.  Het  niveau-yers^fl  van  het  tweede  met 
het  eerste  pand  zal  ±  i  M.  bedragen. 

De  bodem  ligt  in  dit  pand  2,60  M.  —  AP. 

Het  tweede  pand  staat  in  gemeenschap  met  dèn  Leidstken  Rijn^ 
(beide  wateren  kruisen  elkander  door  een  schutsluis  in  den  weste^ 
lijken,  en  een  schotbalk-sluis  in  den  oostelijken  kanaaldijk)  met 
den  Vaar tschen  Rijn  ten  noorden  van  het  huis  »deLiesbosch";  met 
den  Hollandschen  Tfsel  door  de  schutsluis  aan  de  Doorslag  te  Jut< 
faas,  met  de  Schalksche  Wetering  en  met  den  Vaar  tschen  Ri/nhe* 
zuiden  het  huis  de  Wiers, 

Het  DERDE  PAND  vau  de  Lek  van  Vianen  tot  den  noordelijken  dijk 
van  het  kanaal  van  Steenenhoek  bij  Gorinchem  heeft  een  kanaal- 
peil  gelijk  aan  dat  van  het  kanaal  van  Steenenhoek.  De  omliggende 
landen  hebben  zomerpeilen  van  1,12  M.  +  AP.  (Polder  Vianen  be- 
oosten  het  Zederikkanaal)  tot  0,86  M.  —  A.  P.  bij  Gorinchem.  De 
hoogte  der  kanaaldijken  is  in  het  noorden  tot  den  Arkëlschen  dam 
2  M.  +  AP.,  en  verder  zuidelijk  2,5  M.  +  AP.  De  bodem  van  het 
kanaal   ligt  in  het  noorden  —    2,60,  in  het  zuiden  3  M.  —  A.  P* 

Dit  pand  heeft  gemeenschap  met  den  Ouden  Zedertk  door  de  schut- 
sluis bij  Meerkerk,  met  het  Zederikkanaal  ten  noorden  van  de 
schutsluis  aan  den  Arkëlschen  dam  en  met  het  kanaal  aan  Stee- 
nenhoek ten  westen  van  Gorinchem. 

De  voorhoven  ten  westen  7fan  Gorinchem  valt  gedeeltelijk  samen 
met  de  vestinggracht.  Zij  is  ingesloten  tusschen  havendijken*,  op  zijn 
minst  6,60  M.  +  A.P.  hoog.  De  diepte  van  den  mond  der  haven 
is  3,20  M.  —  A.  P.  1). 


■l)  De  opgaven  in  het  bovenstaande  zijn  ontleend  aan: 

a.  Overzicht  der  Scheepvaartkanalen,  in  Nederland.  Uitgegeven  door  het  Mini- 
sterie van  Waterstaat,  Handel  en  Nijverheid  1888. 

ö,  'Wetsontwerp  tot  verbetering  der  Keulsche  Vaart.  Bijl.  van  de  Handel  der 
Si.  Gen.  1881. 

c.  Wet  van  29  Juli  1S81  (Staatsbl.  No.  I43)« 

d.  Wet  van  15  Mei  18S4  (Staatsbl.  No.  106). 

e.  Kaart  van  het  kanaal  Amsterdam — Merwede,  schaal  i :  50,000. 


Digitized  by 


Google 


92 

§   $0.    VROEGERE  ALGKMEENE  TOESTAND   VAN   HST  LAND  TÜSSCHEN 
DE  NIEUWE   MAAS   EN   HET   IJ. 

Geschiedenis  van  de  Vecht  ai  den  Ouden  Rijn. 

Zeer  moeilijk  is^  het  van  de  tegenwoordige  oro-hydrographische  ge- 
steldheid van  het  lage  Holland  cene  juiste  voorstelling  te  verkrijgen, 
doch  nog  veel  moeielijker  is  het  de  geschiedenis  van  die  gesteld- 
heid na  te  gaan  en  een  eenigszins  juist  beeld  van  het  oude  Hol- 
land te  geven.  De  bodemgesteldheid  is  er  zoozeer  veranderd,  en 
de  drassige,  bewegelijke  bodem  levert  zoo  weinig  natuurlijk  vaste 
punten,  dat  men  dikwijls  niet  met  zekerheid  meer  weet,  waar  de  wer- 
ken, die  de  vroegere  geschiedenis  ons  noemt,  te  plaatsen  zijn.  Om- 
trent de  ligging  van  dijken  en  wateren,  welke  oude  schrijvers  aan- 
halen, verkeert  men  veeltijds  bijna  geheel  in  onzekerheid,  of  men  kan 
alleen  door  vergelijking  hun  plaats  bepalen.  Alleen  in  algemeene  trekken 
kunnen  wij  beschrijven,  hoe  de  gesteldheid  van  het  vroegere  Holland 
moet  geweest  zijn.  Wanneer  wij  ons  thans  de  dijken  wegdenken, 
xoodat  ook  de  bemaling  moest  ophouden,  zou  Ket  land  tusschen 
de  IJpolders  en  de  Nieuwe  Maas  sijoedig  weer  in  een  moerrassig 
gebied  met  tal  van  meren  en  vele  onregelmatig  er  door  kronke- 
lende plassen,  wateren  en  slooten  veranderen.  Bij  langdurige  droogte 
zou  het  land  eenigszins  vaster  zijn,  doch  door  veelvuldige  regens 
moest  het  een  moerassig,  slecht  begaanbaar  gebied,  worden. 

Zoo  zou  de  gesteldheid  tegenwoordig  zijn,  nu  zelfs  geen  enkele 
groote  rivier  het  land  doorstroomt  en  water  van  elders  binnen  de 
grenzen  brengt.  Hoeveel  te  meer  zal  het  land  met  water  be- 
dekt geweest  zijn  in  den  tijd,  toen  de  Rijn  bij  Wijk  bij  Duurstede 
nog  niet  was  afgesloten  en  langs  den  Krommen  Rijn  door  dit  land 
eèn  tak  naar  zee  leidde  terwijl  de  Lek  zich  nog  door  den  Hol- 
landschen  IJsel  ontlastte. 

De  geschiedenis  van  den  Rijnarm  voorbij  Utrecht  beheerscht  en  be- 
paalt grootendeels  de  geschiedenis  van  het  land,  dat  wij  thans  bespreken. 

/-  Vergelijkende  kaart  van  de  Keulsche  vaart  en  de  verschillende  kanaal- 
ontwerpen.  Bijlage  der  Mem.  van  Toelichting  van  het  wetsvoorstel  Rutgers 
van  Rozenburg. 


Digitized  by 


Google 


93 

In  den  aanvang  van  onze  t^drpkening  vloeide  een  gedeelte  van 
het  Rijnwater  omstreeks  langs  den  Krommen  Rijn  naar  Utrecht. 
Hier  koos  het  zich  twee  wegen:  gedeeltelijk  door  de  Vecht  naar  het 
noorden,  gedeeltel^k  langs  den  Leidschen  of  Ouden  Rijn  naar  het 
westen. 

ACKER  Stüating  meent,  dat  de  Vecht  oorspronkelijk  geen  tak 
van  den  Rijn  is^  doch  een  zelfstandig  watertje,  dat  ten  oosten  van 
Utrecht  bij  Oudewijk  ontstond  en  bij  Utrecht  zich  naar  het  noorden 
omboog.  Dit  riviertje  zou  dan  later  te  Utrecht  met  den  Rijn  ver- 
bonden tijn  geworden  door  een  kanaal.  ^) 

Deze  meening  komt  ons  al  zeer  onwaarschijnlijk  voor.  Hoe  dit 
kleine  riviertje  in  den  zandgrond  zou  zijn  ontstaan  en  water  genoeg 
zou  ontvangen  hebben,  om  een  stroom  als  de  Vecht  te  worden, 
hoe  dergelijk  klein  watertje  de  kleiafzettingen  kon  aanvoeren,  die 
men  langs  de  Vecht  vindt,  is  al  zeer  raadselachtig.  Staring  noerat 
terecht  de  Vecht  een  tak  des  Rijns^  en  het  zoeken  naar  historische 
gronden  voor  het  tegengestelde  schijnt  ons  in  strijd  met  de  natuur. 

Van  Asch  van  Wijck  verdedigt  het  bestaan  van  eene  verbinding 
der  Vecht  met  den  Rijn  reeds  in  Romeinschen  tijd  op  verschillende 
historische  gronden.  Het  hoofdmotief  vindt  de  schrijver  hierin,  dat 
het  oude  handelsverkeer  reeds  zeer  vroeg  van  Utrecht  langs  de 
Vecht  naar  het  noorden  liep. 

Of  de  Vecht  oorspronkelijk  hij  Utrecht  zal  aangevangen  heb- 
ben, schijnt  ons  onzeker  en  niet  waarschijnlijk.  Volgens  van  Asch 
van  Wijck  scheidde  zich  omstreeks  het  buitengoed  Nieuw-Amelis- 
weerd  aan  het  Vossegat  (waar  thans  een  fort  ligt)  de  Vecht  af,  liep 
in  een  sterk  kronkelenden  loop  om  het  gerecht  Abstede  heen  en 
stroomde  langs  Oudewijk  in  de  richting  van  de  Bildsche  graft.  Na  aldus 
het  noordwestelijk  uiteinde  der  stad  genaderd  te  zijn,  verdeelde  zij 
zich  in  verscheidene  takken  en  vormde  hier  een  eiland,  de  Waard 
geheelen.  Van  deze  takken  schijnen  het  Ooster-  en  Westerstroompje 
nog  overblijfselen  te  zijn.  Deze  takken  vereenigden  zich  weder, 
om  vervolgens  den  loop  naar  Muiden  voor  te  zetten. 

De   andere   of  hoofdtak    van    den    Rijn,   die  den  naam  behield 

i)  Acker  Stratingh.  Aloude  Staat  I  pag.  207. 


Digitized  by 


Google 


94 

(OadeRijn),  stroomde  langs  het  zuidoostelijk.ui^einde  der  stad  voorbij 
de  Tollesteeg  en  voorts  door  het  zoogenaamde  Lijnpad^waarschijn- 
lijk  een  jaagpad  langs  den  Rijn  voorbij  de  Cather3menpoort.  West- 
waarts van  deze  tot  dicht  aan  den  loop  der  Vfccht  geaderd  zijnde 
en  waarschijnlijk  zich  weder  met  deze  rivier  vereenigd  hebbende^ 
omsloten  alzoo  de  Rijn  en  de  Vecht  den  grond, 'Wa^arop  thans  de 
stad  is  gebouwd  i). 

Wat  de  Vecht  betreft,  daarvan  waren  volgens  Vaft  Asch  van 
Wijck,  nog  sporen  van  den  vroegeren  loop  boven  Utrecht  in  de 
aanwezige  bedijkingen  te  vinden  2). 

Acker  Stratingh  bestrijdt  deze  verschillende  splitsingen,  door  van 
Asch  van  Wijck  volgens  zijne  mededeeling  (Bijlage  II  deel- IV 
pag.  63)  maar  eigen  onderzoek"  opgegeven.  Over  de  bijzonderheden 
in  dezen  durven  wij  geen  oordeel  vellen.  Om  dergelijke  zaken  in 
detail  te  kunnen  nagaan,  behoort  men  een  locaal  onderzoek  in  te 
stellen,  dat  veel  zorg  en  kosten  vereischt,  en  waarvan  wij,  bij  het 
omvangrijke  en  reeds  kostbare  van  onzen  arbeid,  hierbij  >helaas 
moeten  afzien.  Na  den  tijd  van  Acker  Stratingh  e.  a.  schijnt  de 
lust  tot  zelfstandig  onderzoek  naar  den  historischen  toestand  des 
lands  ingesluimerd  te  zijn  en  allengs  werden  de  onderzoekingen  van 
bepaalde  gedeelten  minder, ^^wat  zeer  te  betreuren  valt. 

Zonder  nu  over  de  kleine  bijzonderheden  te  willen  beslisseif,  ge- 
looven  wij  toch,  zooals  wij  boven  zeiden,  op  goeden  grond  de  ver- 
binding van' de  Vecht  met  den  Krommen  Rijn  in  de  oudste  tijden 
te  kunnen  aannemen.  Dat  er  kleine  riviertjes  in  dien'  tak  van  den 
Rijn  bij  zijn  oorsprong  uitmondden,  die  hem  tevens  voedden,  is  zeer 
goed  mogelijk.  3) 

De  Vecht  dan  werd  hoofdzakelijk  met  Rijnwater  gevoed  en 
zette  de  hieruit  aangevoerde  slibstofTen  als  kleilagen  langs  de  oevers 
tusschen  moerassige  gronden  af.    Die  aanvoer  van  klei-  met  het 


i)  Van  Asch  'vui  Wijck.-  Geschiedk.  betcbouwing  vatt  bet  oode  handelsver- 
keer der  stad  Utrecht  1S3S  I  pag.  38. 

2)  V.  Asch  van  Wijck.  t.  a.  p.  I  pag.  30;  IV  pag.  68. 

3)  Tegenw.  Staat  XI  pag.  8. 


Digitized  by 


Google 


95 

Rijnwater  kon  alleen  plaats  hebben,  vóór  dat  de  Rijn  bij  Wijk- 
bij-Duurstede  was  afgesloten  (Ziel  pag.  405).  Na  die  waterafslui- 
ting hield  de  wateraanvoer  uit  den  Rijn  op  of  was  te  gering, 
om  de  overstroomingen  en  kleiafzetting  geregeld  te  doen  ge- 
schieden. 

De  Vecht  onderging  in  den  loop  der  tijden  nog  verschillende 
rechtgravingen  en  ook  bedijkingen,  waardoor  zij  in  een  vaste  baan 
werd  besloten.  Wanneer  die  bedijkingen  plaats  hadden,  kunnen  wij 
niet  zeggen.  Van  Asch  v.  Wijck  meent,  dat  de  Vecht  reeds  in  den 
vroegen  historischen  tijd  >een  bepaalde  stroombaan  had;  immers 
^ij  wordt  in  alle  tot  haar  betrekking  hebbende  charters  vermeld  als 
zijnde  van  Utrecht  af  tot  Muiden  eene  doorloopende,  bevaarbare 
rivier"  i).  Misschien  was  *s  menschen  band  haar  hierin  wel  behulpzaam 
geweest.  Van  de  verdere  en  latere  verbeteringen  noemen  wij  het 
graven  van  een  nieuw  bed  door  het  eiland  de  Waard  heen  buiten 
Utrecht  in  1338  i)  en  de  afsnijding  van  een  bocht  tusschen  Vree- 
land en  Nederhorst  in  de  17de  eeuw  3).  Daar  te  Muiden  reeds  in 
het  begin  der  middeleeuwen  een  rijkstol  gevestigd  was,moet  de  Vecht 
*ene  veel  bevaren  rivier  geweest  zijn  4).  Van  het  toenemend  verlanden 
van  den  Krommen  Rijn  zal  zeer  zeker  ook  'de  Vecht  geleden  heb- 
ben. Door  het  graven  van  den  Vaartschen  Rijn  in  1373  echter  werd 
er  weder  opnieuw  water  uit  de  Lek  op  de  Vecht  gebracht.  Hoewel 
deze  rivier  hierdoor  verbeterde,  kon  zij  toch  geenszins  nog  aan  zich 
zelve  worden  overgelaten.  In  1437  besloten  de  vijf  capittelen,  de 
Ridderschap  en  de  stad  Utrecht  om  een  sluis  in  de  Vecht  aan 'den 
Hinderdam  even  bezuiden  Nichtevecht  te  bouwen  en  een  vaste  schou- 
wing pp  dit  water  in  te  voeren  5).  De  sluis  te  Muiden  werd*  ge- 
bouwd  in   het'-jaar   1674  in  plaats  van  den  Hinderdam,  die  toen 


1)  V.  Asch  V.  Wijck.  t  a.  p.  IV  pag.  67. 

2)  Zie  de  stokken  bij  Burman,  Utrechtsche  jaarboeken  I  pag.  521, 

3)  V.  Asch  V.  Wijck.  t.  a.  p.  IV  pag.  67. 

4)  Van  den  Bergb.  Middel  Ned.  Geograpbie  pag.  68. 

5;  K.  Barman.  Utrecbtscbe  jaarboeken  I  pag.  491.  Utrechtsch  placaatboek  III 
pag.  215. 


Digitized  by 


Google 


96 

opgeruimd  is  i).  In  1875  is  bij  Nieuwersluis  voor  militaire  inun- 
datiën  een  sluis  in  de  Vecht  gebouwd. 

Die  beide  stroomen,  Oude  Rijn  (wij  gebruiken  de  tegenwoordige 
namen  om  gemakkelijker  aan  te  duiden  wat  wij  bedoelen)  en  de 
Vecht,  doorkronkelden  het  lage  land  van  Holland.  Afgesloten  waren 
hunne  stroombeddingen  aanvankelijk  zeer  zeker  niet,  en  ongetwijfeld 
stonden  zij  door  spranken  en  takjes  met  de  plassen  en  meren  in  ver- 
binding. Dit  zal  bovenal  het  geval  geweest  zijn,  toen  de  monding  van 
den  Rijn  te  Katwijk  begon  te  verzanden  en  het  Rijnwater  opstuwde. 

Die  verzanding  is  zeer  zeker  niet,  zooals  dikwijls  ten  onrechte 
wordt  voorgesteld,  een  verschijnsel,  dat  Jsich  plotseling  voordeed. 
Dat  een  stormachtige  winter  aanleiding  tot  eene  verdere  verzanding 
gegeven  zal  hebben,  is  niet  onwaarschijnlijk.  Nog  dagelijks  leert 
de  geschiedenis  der  zeegaten  ons,  dat  er  verplaatsingen  van  zand* 
banken  geschieden  door  stormen  enz.  En  wij  wezen  er  reeds 
vroeger  op,  dat  daar,  waar  eens  een  ondiepte  gevormd  is,  de  ver- 
landing het  meest  doorgaat.  Het  vormen  van  een  bocht  van  de 
rivier  aan  de  kust  tegenover  de  verzanding  moest  in  de  duinen 
juist  tengevolge  hebben,  dat  de  gesteldheid  der  monding  van  kwaad 
tot  erger  werd.  Want  als  de  oever  der  rivier  in  de  duinen  werd 
ondermijnd,  zou  de  geheele  duin  massa  van  boven  zich  spoedig  in 
de  diepte  werpen,  die  aan  den  hollen  oever  ontstond.  Hierdoor 
moest  de  rivier  wel  langzaam  verstoppen. 

Wanneer  die  verstopping  begonnen  mag  zijn  en  wanneer  de  uit- 
monding geheel  of  bijnia  geheel  gesloten  was,  valt  niet  met  zeker- 
heid te  zeggen.  Doch  dat  door  die  verstopping  niet  alleen  het  land 
langs  den  Ouden  Rijn  de  afwatering  miste,  maar  ook  het  uit 
den  Rijn  van  Wijk  bij  Duurstede  nog  altijd  toestroomeade.  water 
opstuwde  en  er  overstroomingen  ontstonden,  is.  zeker.  Het  water 
behoefde  niet  zeer  hoog  te  rijzea  of  de  bestaande  plassen  in  het 
effene   moerasland  kwamen  daardoor  met  *  elkander  in  verbinding. 

Naar  het  noorden  en  naar  het  zuiden  moest  de  afstrooming  vaa 
het   opstuwende   water  in  den  Rijn  plaats  hebben,  daar  de  duinen 


1)  V.  der  Aa.  Woordenboek.  Art.  Muiden. 


Digitized  by 


Google 


97 

het  land  in  het  westen  afsloten.  En  zoo  vormden  zich  aaneensluitende 
wateren  en  plassen  in  noordelijke  en  zuidelijke  richting.  Door  uitvening 
van  het  land  en  door  afslag  werden  die  plassen  vergroot  en  vervormd. 

Hoeveel  Rijnwater  er  in  deze  wateren  was,  is  moeielijk  te  beantwoor- 
den. Men  heeft  willen  aannemen,  dat  de  Rijn  na  genoemde  verstopping 
van  den  mond  naar  het  noorden  stroomde.  Door  den  Amstel  en  door 
de  plassen  van  het  latere  Haarlemmermeer,  vervolgens  dwars  door  het 
IJ  en  verder  door  de  Zaan,  zou  hij  naar  het  noorden  geloopen  hebben, 
om  bij  Egmond  of  bij  Petten  in  de  Noordzee  uit  te  monden. 

De  strijd  daarover  is  nog  niet  beslist.  Ongetwijfeld  zal  er  door 
de  verstopping  van  den  mond  meer  water  uit  den  Rijn  naar 
het  noorden  gestroomd  zijn.  Maar  hoe  ver  dit  water  kwam,  is  niet 
uit  te  maken.  Het  is  niet  onwaarschijnlijk,  dat  er  van  dit  Rijnwater 
een  gedeelte  in  het  noorden  van  het  toenmalige  Noord-Holland 
kwam.  Een  buitengewone  rijzing  van  het  Rijnwater  was  in  dit 
vlakke  land  daarvoor  in  't  geheel  niet  noodig.  Dit  blijkt  bovenal, 
als  wij  weten,  dat  het  water  in  den  Rijn  bij  Bodegraven  tegenwoordig 
ongeveer  0,55  M.  —  A.  P.  staat,  terwijl  het  water  van  den  Binnen- 
Zaan  =t  0,58  M.  —  A.  P.  (Schermerboezempeil)  hoog  staat.  Doch 
dat  een  geregelde  uitmonding  van  den  Rijn  in  Noord-Holland 
zal  geweest  zijn,  is  onzes  inziens  niet  aan  te  nemen. 

Naar  onze  meening  volkomen  juist  schetst  Prof.  Fruin  den  toe- 
stand aldus:  »Het  afkomende  water,  door  niets  meer  gestuit, 
zocht  voortaan  een  uitweg  naar  zee,  dien  het  te  Katwijk  niet  meer 
vond,  over  de  lage  landen  langs  den  rechteroever  in  noordelijke 
richting,  en  splitste  zich  in  die  vele  sprieten  en  tochten,  die  de 
I^idsche  en  Haarlerasche  meren  vulden  en  uitbreidden,  zoo  zij  hen 
al  niet  gevormd  mogen  hebben,  en  vloeide  door  deze  in  het  IJ  en 
in  de  Zuiderzee  af.  Bij  lagen  waterstand  en  gunstigen  wind  was  de 
toestand  nog  dragelijk;  bij  noordelijke  winden  echter  en  bij  hooge 
zee  werd  het  wegvloeien  van  het  rivierwater  in  die  richting  belet, 
zoodat  het  land  overstroomd  en  meer  bedorven  moest  raken."  i). 


l)  Prof.    Fruin.    Over  de  opkomst  van  hel  hoogheemraadschap  van  Rijnland. 
(Vcrsl.  en  Med.  der  Kon.  Akad.  van  Wetenschappen,  derde  reeks,  V  1888  paj;.  282). 
IL  7 


Digitized  by 


Google 


98 

De  geschiedenis  bericht  ons,  dat  er  reeds  in  1165  perken  gesteld 
werden  aan  het  landbederf,  door  de  overstroomingen  van  den  ver- 
stopten Rijn  veroorzaakt. 

Van  dat  jaar  dagteekent  eene  belangrijke  oorkonde  van  keizer 
Frederik  Barbarossa.  Deze  oorkohde  handelt  over  een  geschil, 
waarin  de  HoUandsche  Graaf  tegenover  den  Bisschop  van  Utrecht 
en  de  Graven  van  Gelderland  en  Kleef  stond.  De  Graaf  van  Hol- 
land had  namelijk  op  de  grens  tusschen  zijn  graafschap  en  het 
Sticht,  bij  het  Stedeke  Swadenburg  (Zwammerdam),  den  afloop  van 
den  Rijn  door  een  dam  versperd,  tengevolge  waarvan  de  hooger 
gelegen  streken  (in  Utrecht),  die  toch  reeds  veel  van  watersnood  te 
lijden  hadden,  als  in  dagelijksch  doodsgevaar  verkeerden  —  quasi 
mors  cotidiana  imminebat  —  zooals  de  Keizer  het  uitdrukt. 

Hoewel  niet  gezegd  wordt,  met  welk  doel  de  Graaf  van  Holland 
dit  deed,  valt  het  toch  gemakkelijk  te  begrijpen.  Het  was  natuurlijk 
om  zijn  laag  gelegen  land  tegen  het  water,  dat  uit  het  oosten  den 
Rijn  afkwam,  te  beschermen.  Het  zal  dus  wel  niet  enkel  een  dam 
in  de  rivier  geweest  zijn,  zegt  prof.  Fruin,  dien  hij  had  gelegd, 
maar  een  uitgestrekte  waterkeering  langs  de  grens  van  zijn  gebied, 
met  dien  dam  in  aansluiting. 

Door  die  daad  beveiligde  de  Graaf  zijn  eigen  land,  doch  belette 
hij  de  loozing  van  het  overtollige  water  van  Utrecht,  en  zijne  na- 
buren kwamen  klagen  bij  keizer  Frederik  Barbarossa,  toen  deze  te 
Utrecht  was. 

Deze  gebood  in  bovengenoemden  brief  van  1165,  dat  de  dam  zou 
worden  weggeruimd,  opdat  de  rivier,  zegt  de  Keizer,  »als  van  ouds 
zonder  eenige  hindernis  in  vrijen  en  koninklijken  loop  zou  afvloeien". 
Daarentegen  mocht  een  dam,  die  bij  Wijk  bij  Duurstede  den  Rijn 
(Krommen)  afsloot,  en  den  Rijn  grootendeels  in  de  Lek  deed  over- 
gaan, ten  bate  van  het  Sticht  blijven  liggen.  Verder  werd  den  Stich- 
tenaren verlof  gegeven,  om  in  het  lage  land  bij  de  Node  op  de  Gel- 
dersche  grens  (in  de  Geldersche  vallei)  een  kanaal  te  delven,  ten 
einde  het  water  van  hier  naar  de  Zuiderzee  af  te  leiden.  (Zie  I  pag.  399). 

Dat  de  Graaf  van  Holland  zich  niet  streng  aan  bovengenoemd 
verbod  van  den  keizer  zal  gehouden  hebben,  valt  te  vermoeden  uit 


Digitized  by 


Google 


99 

het  belang,  dat  Holland  bij  het  leggen  van  dien  dam  had,  en  asin 
de  weinige  onderdanigheid,  die  de  graven  gewoonlijk  tegenover  den 
keizer  betoonden.  De  dijken  en  kaden  langs  het  Bisdom,  waarvan 
in  dit  handvest  gezwegen  wordt,  waren  natuurlijk  blijven  bestaan; 
de  verleiding,  om  deze  weer  aan  te  vullen  door  een  dam  dwars 
in  de  rivier,  moet  bij  dringenden  waternood  haast  onweerstaan- 
baar zijn  geweest.  De  naamsverandering  van  Swadenburg,  de  plaats, 
waar  de  dam  oorspronkelijk  gelegd  werd,  in  Swadenburgdam  of 
Swademerdam,  waaruit  het  hedendaagsche  Zwammerdam  is  saam- 
getrokken, wettigt  het  vermoeden,  dat  de  dam  aldaar  niet  van 
korten  duur  zal  geweest  zijn. 

Dat  bovenstaand  vermoeden  juist  is,  blijkt  ook  uit  het  verdrag, 
dat  bisschop  Dirk  van  Utrecht  in  1204  met  den  gemaal  van  gravin 
Ada,  I^dewijk,  graaf  van  Loon,  aanging.  Deze  zocht  de  hulp  van 
den  Bisschop  tegen  zijn  mededinger  in  Holland,  Willem  I,  en  be- 
loofde daarvoor  aan  den  Bisschop  onder  eede,  >dat  hij  en  zijn  mannen 
niet  weer  den  Rijn  bij  Swadenburg  zouden  afdammen  —  quod  de 
cetero  nuUa  unquam  occasione  Rhenus  apud  Swathenburgh  obstruc- 
tur.  —  Deze  belofte  was  natuurlijk  onnoodig  geweest,  als  het  bevel 
van  Barbarossa  was  nageleefd !  En  toen  kort  daarop  Willem  I  door 
Utrecht  nederlagen  geleden  had,  onderschreef  hij  hetzelfde  verdrag. 

Hieruit  zien  wij,  dat  reeds  vóór  11 65  de  Rijn  opgehouden  had 
een  geregeld  naar  het  westen  doorloopende  rivier  te  vormen,  en  dat 
dit  sedert  dien  tijd  alleen  plaats  had,  als  Utrecht  machtig  genoeg 
was  om  zijn  recht  te  handhaven.  Want  reeds  in  1226  was  de  zaak 
weer  aan  de  orde,  en  werd  er  weder  eene  oorkonde  opgemaakt, 
dat  geen  dam  bij  Swadenburg  afvloeiend  Rijnwater  mag  keeren.  i) 
Maar  hierbij  wordt  voor  het  eerst  aan  het  Sticht  de  verplichting 
opgelegd,  dat  van  de  zeven  afwateringssluizen,  die  in  den  Wendeldijk 
noodig  zijn,  de  helft  door  den  bisschop  zal  bekostigd  worden,  en 
dat,  zoo  hij  in  gebreke  blijft,  de  dam  weer  hersteld  zal  worden. 
De   Wendeldijk   is,  volgens   Fruin,   te   zoeken  in  de  buurt  van 


I)  Oorkondenboek    van    Holland.    I.    N.  294.   (Volgens  Fruin). 


Digitized  by 


Google 


lOO 

Warmond  en  zeer  waarschijnlijk  ten  zuiden  van  het  Leidsche  meer.  i) 
In  het  oosten  zou  hij  dan  waarschijnlijk  met  den  Swadenburger  dijk 
in  verband  gestaan  hebben.  De  reden,  waarom  de  Bisschop  tot 
onderhoud  van  eenige  der  sUiizen  in  dien  dijk  verplicht  kon  worden, 
is  waarschijnlijk  de  volgende.  Door  het  wegnemen  van  den  dam 
te  Zwammerdam  stroomde  de  Rijn  weer  onverhinderd  op  Holland 
af.  Evenwel  moet  men  zich  hierbij  niet  den  oorspronkelijken  Rijn- 
stroom denken,  daar  reeds  door  de  afsluiting  bij  Wijk  bij  Duurstede 
een  groot  gedeelte  van  het  Rijnwater  in  de  I^k  was  afgeleid.  Daar 
de  mond  van  den  Rijn  bij  Katwijk  verstopt  was,  had  hij  langs 
talrijke  watergangen,  die  noordwaarts  naar  de  meren  strekten, 
en  waarvan  de  Aa^  de  Heemswetering^  de  Does,  de  Zijl  en 
de  Mare  de  voornaamste  zijn,  een  heenkomen  te  zoeken.  Maar 
de  monden,  waarmede  deze  wateren  in  de  meren  Hepen,'waren  even 
zooveel  gaten,  waardoor  bij  noordewinden  het  opgestuwde  meerwater 
het  lage  land  binnendrong.  Daarvoor  nu  was  een  dijk  met  talrijke 
uitwateringssluizen  noodig.  En  het  was  billijk,  dat  het  Sticht,  hetwelk 
evenzeer  als  Holland  hierbij  gebaat  was,  in  de  kosten  «r  van  bijdroeg. 

De  legging  van  den  Wendeldijk  en  de  afsluiting  van  den  Rijn 
zijn  mede  de  oudste  werken,  welke  hier  het  water  binnen  zekere 
grenzen  besloten.  Die  arbeid  werd  steeds  voortgezet.  Hierdoor  werden 
de  onregelmatige,  langwerpige  plassen  in  een  regelmatiger  bedding 
beperkt,  en  zoo  ontstonden  langzamerhand  eenige  wateren,  die  op 
de  kaart  als  rivieren  geteekend  werden.  Wij  noemen  slechts  den 
Amstel^  de  Angstel^  het  Spaarne  enz.  En  deze  zoogenaamde 
rivieren  werden  later  bij  verdere  bedijkingen  enz.  weder  in  boezems 
veranderd. 

De  Rijn  beneden  Utrecht,  zonder  voldoenden  toevoer  van  water, 
zonder  stroom,  moest  wel  meer  en  meer  verlanden.  Telkens  moesten 
er  verbeteringen  en  verdiepingen  in  aangebracht  worden.  Aldus  was 
hij  o.  a.  in  de  eerste  helft  der  i6de  eeuw  beneden  Utrecht  zoo 
verland,    dat   men    hem    na  1532  tot  Woerden  geheel  uitdiepte.  2) 


1)  Fruin.  T.  a.  p.  pag.  287. 

2)  Groot  Utrechtsch  placaatboek.  II.  pag.  246. 


Digitized  by 


Google 


lOl 

Na   dien   tijd  schijnt  dit  water  den  naam  van  Leidsche  vaart  ver- 
kregen te  hebben  i). 

—  Deverderegeschiedenis  vandit  gebied  zullen  wij  niet  nagaan; 
wij  zouden  ons  daartoe  te  veel  in  plaatselijke  bijzonderheden  moeten 
verdiepen,  en  aldus  de  hier  gestelde  grenzen  overschrijden.  Bij  de 
afzonderlijke  bespreking  van  land  en  water  hebben  wij  bovendien 
reeds  enkele  bijzonderheden  medegedeeld. 

£en  paar  der  watertjes  in  het  HoUandsche  laagland  wenschen 
wij  nog  te  noemen  bij  deze  historische  beschouwing,  nl.  de  Liethe 
of  Lede  en  de  Flietha  of  Vliet, 

In  een  brief  van  1063  wordt  gewaagd  van  de  kapel  te  Liethe- 
muthen^  die  oudtijds  door  Karel  en  andere  rechtzinnige  vaderen  aan 
de  kerk  van  Epternach  gegeven  was.  2)  Het  is  het  tegenwoordige  dorp 
I^imuiden  bij  het  vroegere  Leidsche  meer,  en  de  naam  duidt  aan, 
dat  daar  het  riviertje  de  Liethe  of  I^e  uitmondde,  en  dat  dus  ten  tijde 
dier  eerste  schenking  (de  8ste  eeuw)  de  plas  het  Leidsche  meer 
reeds  bestond.  Of  deze  Lede  de  Drecht  is,  die  thans  het  dorp 
bespoelt,  dan  wel  de  Lede^  die  voorbij  Warmond  loopt,  is  onzeker, 
doch  wellicht  is  door  de  vele  verveningen  de  oude  loop  ver- 
anderd. ») 

De  Vliet  is  thans  de  benaming  van  het  kanaal  tusschen  den 
Ouden  Rijn  bij  Leiden  en  de  Schie  bij  Delft.  Deze  laatste  zet  zich 
naar  het  zuiden  voort  tot  de  Maas. 

Zeer  waarschijnlijk  is  dit  kanaal  voor  het  grootste  gedeelte  reeds 
door  de  Romeinen  onder  Corbulo  laten  graven,  zoowel  om  den  Rijn 
met  de  Maas  te  verbinden,  als  om  het  land  achter  de  duinen  eene 
afwatering  te  verschaffen.  Dit  laatste  wordt  dan  ook  door  Dio 
Cassio  uitdrukkelijk  verzekerd. 

Prof.  Fruin  vermoedt,  dat  niet  het  geheele  water  gegraven  zal 
zijn,  maar  dat  de  Romeinen  eene  verbinding  tusschen  de  Vliet^  een 
klein  watertje,  dat  bij  Leiden  in  den  Rijn  uitmondde,  en  de  Schie 


i)  Tegenwoordige  Staat.  XI.  pag.  7. 

2)  Oorkondenboek  I  n.  85.  —  Van  Mieris  I  pag.  65. 

«}  V.  d.  Bergh  I.  c.  pag  68. 


Digitized  by 


Google 


I02 

bij    Ouwerschie,   welk   watertje   op  de   plaats  van  Schiedam  in  de 
Maas  uitmondde,  tot  stand  brachten,  i) 

Deze  uiteinden  doen  werkelijk  minder  aan  een  gegraven  kanaal 
denken  dan  het  midden-gedeelte,  en  ook  de  natuurlijke  gesteldheid 
des  lands  pleit  voor  die  veronderstelling.  Dit  vroeger  doorloopende 
kanaal  werd  afgesloten  door  het  aanleggen  van  den  dijk  de  Zijd- 
winde^  1394  (zie  II  pag  58),  toen  er  bij  Leidschendam  een  dam  in 
gelegd  werd.  In  den  tijd  der  Hollandsche  graven  was  hier  een 
overtoom,  die  omstreeks  1578  op  kosten  van  Delft  door  schutsluizen 
vervangen  werd.  Aan  deze  sluizen  heeft  het  dorp  Leidschendam 
zijn  oorsprong  te  danken. 

Het  Brasemermeer ^  thans  een  plas  van  ruim  300  H.  A.  opper- 
vlakte, was  in  het  begin  der  17  de  eeuw  nog  slechts  een  watertje, 
door  hetwelk  het  Haarlemmermeer  met  den  Rijn  in  verbinding 
stond.  2)  Door  uitvening  en  afslag  der  lage  venen  is  een  gedeelte  van 
het  watertje  tot  een  plas  verwijd. 

§   31.    DE  VERDEDIGING   VAN   HOLLAND   IN    BETREKKING   TOT    DE 
ORO-HYDROGRAPHISCHE  GESTELDHEID.  —  DE  NIEUWE  HOLLANDSCHE 

WATERLINIE. 

De  ontwikkeling  der  menschheid  tot  familiën  en  natiën,  naast 
den  doorloopenden  strijd  om  uitbreiding  van  gezag  en  om  de  meer- 
derheid, dien  de  geschiedenis  ons  doet  kennen,  bracht  van  zelf  mede, 
dat  ieder  er  steeds  op  bedacht  was,  om  zijn  woonplaats  op  eene 
veilige  en  gemakkelijk  te  verdedigen  plaats  te  vestigen.  In  de  oudste 
tijden  bouwden  in  enkele  streken  de  menschen  hunne  woningen  op 
palen  boven  het  water,  zooals  uit  de  overblijfselen  in  de  Zwitser- 
sche  meren  en  elders  gevonden,  blijkt.  In  vele  gedeelten  van  Afrika 


1)  R.  Fruin.  Naar  aanleiding  der  vereeniging  van  Delfshaven  met  Rotterdam. 
(Rotterdamsch  jaarboekje  1890  pag.  5).  Wij  wijzen  er  hierbij  op.  dat  deel  II 
tot  pag.  96  reeds  in  1889  tot  afdrukketi  gegeven  was,  waardoor  wij  van  deze 
stadie  vroeger  geen  gebruik  konden  maken. 

2)  V.  d.   Aa.   Woordenboek. 


Digitized  by 


Google 


103 

en  elders  stichten  de  bewoners  hunne  dorpen  in  de  bosschen,  omdat 
zij  daar  veiliger  zijn  tegen  aanvallen.  De  ridders  der  middel- 
eeuwen bouwden  hunne  burgen  op  ontoegankelijke  rotsen,  en  de  poor- 
ters omringden  met  groote  kosten  en  moeiten  hunne  steden  met 
muren,  wallen  en  grachten.  In  de  lage  gedeelten  van  Nederland 
heeft  het  water  ongetwijfeld  steeds  tot  bescherming  tegen  den  vijand 
gediend,  en  verschillende  steden  hebben  aan  die  bescherming  hunne 
ontwikkeling  te  danken.  Doch  ook  later  en  tot  op  onzen  tijd  heeft 
men  van  die  natuurlijke  gesteldheid  des  lands  gebruik  gemaakt,  om 
de  veiligheid  te  verzekeren.  In  het  lage  land  van  Holland  is  de 
natuurlijke  terreinvorming  gunstig,  om  voor  een  groot  gebied  van 
het  water  een  belangrijk  verdedigingsmiddel  te  maken.  Dit  gebruik 
des  terreins  tot  verdediging  wenschen  wij  thans  nader  te  beschouwen ; 
niet  uit  het  technisch  oogpunt  der  verdediging,  maar  van  ons  geo- 
graphisch  gezichtspunt. 

Het  gebruik  tot  verdediging,  dat  men  in  Nederland  van  het  ter- 
rein kan  maken,  bestaat  bijna  uitsluitend  in  onderwaterzetting  der 
lage  landen.  Aanzienlijke  verschillen  in  hoog  en  laag  des  bodems, 
gebergten,  die  elders  gedeelten  lands  onneembaar  maken  voor  den 
vijand,  kunnen  ons  niet  van  dienst  zijn.  Alleen  in  zooverre  heeft 
de  orographische  gesteldheid  van  ons  land  waarde,  dat  daardoor 
de  grens  der  inundatie  bepaald,  en  het  in  stand  houden  der  inun- 
datiën  verzekerd  wordt. 

De  waterverdediging  van  Holland  bestaat  daarin,  dat  naar  de  land- 
zijde  eene  breede  strook  lands  onbegaanbaar  gemaakt  wordt,  zoodat 
de  vijand  hierdoor  bij  den  voortgang  naar  de  provincie  Holland  tegen- 
gehouden wordt,  en  den  bewoner  de  verdediging  gemakkelijker  valt. 
Hierbij  is  het  niet  onverschillig,  hoe  hoog  het  water  op  het  land 
staat,  want  bij  een  te  diepe  inundatie  zou  van  platbodemde  schuiten 
en  vlotten  gebruik  kunnen  gemaakt  worden.  Zooals  wij  zeiden,  het 
land  moet  onbegaanbaar  gemaakt  worden,  en  daartoe  dient  het 
lage  terrein  over  een  tamelijke  breedte  in  een  moerassige  strook 
lands  herschapen  te  worden.  De  grenzen  voor  de  diepte  eener 
militaire  inundatie  zijn  dus  vrij  beperkt,  want  voor  vlotten 
enz.   is   reeds   weinig   water   tot   bevaring   voldoende.     Gemiddeld 


Digitized  by 


Google 


I04 

tracht  men  eene  diepte  van  0,25  tot  0,30  M.  te  verkrijgen.  Doch 
hoe  vlak  dit  land  ook  is,  het  is  geenszins  zoo  effen,  dat  men  over 
eene  uitgestrektheid  van  eenige  beteekenis  regelmatig  dergelijke 
inundatie  kan  verkrijgen.  Zoo  zal  de  feitelijke  diepte  van  0,1  tot 
0,5  M.  moeten  afwisselen. 

Het  terrein,  dat  voor  dergelijke  inundatie  geschikte  gelegenheid 
aanbiedt,  is  een  strook  lands  van  Muiden  en  Naarden  in  het  noorden, 
langs  de  Vecht  naar  Utrecht,  en  verder  tot  nabij  Woudrichem  in  het  zui- 
den. Dit  terrein  voor  inundatie  van  ongeveer  1 2  uren  gaans  lengte,  heet 
de  Nieuwe  Hollandsche  Waterlinie.  In  tegenstelling  van  een  meer  wes- 
telijk gelegen  Waterlinie,  die  men  in  1672  met  vrucht  gebruikte,  de  Oude 
Hollandsche  Waterlinie,  wordt  eerstgenoemde  de  Nieuwe  genoemd. 

Om  land  te  kunnen  inundeeren,  is  in  de  eerste  plaats  water 
noodig,  dat  gemakkelijk  opgevoerd  kan  worden  tot  een  grooter 
hoogte,  dan  het  te  inundeeren  terrein.  Reeds  een  blik  op  de  kaart 
wijst  aan,  van  waar  hier  het  water  verkregen  moet  worden.  In 
het  noorden  is  het  de  Zuiderzee.  Dwars  door  de  Waterlinie  stroomt 
de  Lek^  en  in  het  zuiden  strekt  zij  zich  uit  tot  de  Waal  en  de 
Merwede.  Het  valt  te  verwachten,  dat  van  deze  drie  waterreservoirs 
de  wateraan  voer  tot  inundatie  kan  verkregen  worden. 

Dat  dit  kan  geschieden,  bewijst  ons  eene  vergelijking  van  den 
waterstand  der  rivieren  met  de  hoogte  des  lands.  Een  blik  op  de 
algemeene  hooglekaart  zegt  ons  reeds,  dat  ten  oosten  van  de  Utrechtsche 
Vecht  een  strook  lands  ligt,  welke  meest  overal  al  beneden  A.  P. 
hoog  is  ( — 0,5  M.)  en  die  naar  het  oosten  langzaam  oploopt  naar  de 
Utrechtsche  heuvelrij.  Ten  oosten  van  den  Vaartschen  Rijn  ligt 
de  bodem  voor  kleine  gedeelten  nog  beneden  A.  P.  doch  wordt 
naar  het  oosten  op  korten  afstand  i  M.  +  A.  P.  Ook  ten  oosten 
van  den  Diefdijk  op  de  Betuwe  ligt  de  bodem  ruim  i  M.  +  A.  P. 
hoog,  en  ten  oosten  van  de  beneden  Linge  wordt  hij  iets  lager. 
Deze  cijfers  toonen  aan,  dat  het  inundatie-terrein  in  het  noorden 
het  laagst  is,  en  naar  het  zuiden  hooger  wordt. 

In  de  Zuiderzee  is  de  gemiddelde  waterstand  (187 1 — 1880)  te 
Muiden  bij  vloed  0,11  M.  +-  A.  P.  en  bij  eb  0,20  M.  —  A.  P. 
Hieruit   ziet   men,  dat    bij    vloed   het    noordelijke  gedeelte  van  de 


Digitized  by 


Google 


105 

Nieuwe  HoUandsche  Waterlinie  uit  zee  water  kan  ontvangen.    Te 
Vreeswijk   is   de   gemiddelde   waterstand  op  de  Lek  in  den  zomer 


Schetskaart  van  de  Vesting  Holland.  Het  gearceerde  duidt  het  terrein  van  inundatie  aan. 

2,62  M.  +  A.  P.,  en  in  den  winter  3,09  M.  +  A.  P. ;  te  Gorinchem 
is  gedurende  de  zomermaanden  de  waterstand  bij  vloed  gemiddeld 


Digitized  by 


Google 


io6 

1,85  M.  +  A.  P.  en  bij  eb  1,45  M.  +  A.  P.,  en  gedurende  de 
wintermaanden  2,26  M.  -f  A.  P.  bij  vloed  en  1,97  M.  -f  A.  P. 
bij  eb.  Op  deze  punten  is  dus  de  waterstand  op  de  rivieren  ge- 
middeld altijd  hooger  dan  het  tusschenliggend  land,  en  kan  daar- 
door gewoonlijk  het  inundatie-water  wel  verkregen  worden. 

Daar  het  terrein  niet  overal  even  hoog  is,  zouden,  indien  men  het 
water  vrij  liet  loopen,  enkele  gedeelten  te  diep  onder  water  ko- 
men, terwijl  andere  daarentegen  watergebrek  zouden  hebben.  Om 
dit  te  voorkomen,  is  het  geheele  terrein  van  de  Nieuwe  Waterlinie 
in  eenige  afzonderlijke  inundatie-bakken  of  -kommen  verdeeld,  die 
ieder  een  eigen  hoogte  van  waterstand  hebben. 

De  eerste  kom^  van  het  noorden  af,  strekt  zich  uit  van  de 
Zuiderzee  tot  nabij  het  fort  de  Klop  en  den  Maartensdijkschen 
weg.  Zij  wordt  nog  weder  verdeeld  in  twee  deelen  door  de  Tien- 
hovensche  kade,  die  dwars  door  het  geïnundeerde  terrein  gaat. 
In  het  westen  gaat  de  inundatie  tot  den  westelijken  Vechtdijk  en 
in  het  oosten  zoover  als  het  terrein  dit  toelaat.  Wanneer  nu  bij 
het  opkomen  van  den  vloed  de  sluizen  in  de  Vecht  te  Muiden 
geopend  worden,  zal  het  water  in  deze  rivier  rijzen  tot  aan  de  bij 
Nieuwersluis  gebouwde  sluis  in  de  Vecht,  die  dan  gesloten  wordt 
gehouden.  Daarna  worden  de  uitwateringssluizen  in  den  oostelij  ken 
Vechtdijk  geopend,  en  door  deze  stroomt  het  water  het  land  binnen. 
Zoo  wordt  het  eerste  gedeelte  van  deze  kom,  d.i.  ten  noorden  van  de 
Tienhovensche  kade,  geïnundeerd. 

Het  zuidelijke  gedeelte  van  de  eerste  kom  ontvangt  het  water  uit  de 
Lek.  Dit  water  wordt  door  de  sluizen  te  Vreeswijk  en  den  Vaart- 
schen  Rijn  aangevoerd  naar  de  Vecht,  waarlangs  het  niet  naar 
beneden  kan  afstroomen,  daar  de  sluis  bij  Nieuwersluis  gesloten  is. 
Door  den  oostelijken  Vechtdijk  laat  men  het  aldus  aangevoerde 
water  over  het  land  loopen.  Wanneer  de  wateraan  voer  van  dezen 
kant  voldoende  is,  kan  het  water  uit  dit  tweede  zuidelijke  gedeelte 
der  eerste  kom  ook  in  het  lager  gelegen  eerste  gedeelte  gelaten 
worden,  zoodat  hier  het  uit  zee  aangevoerde  zoute  water  door  zoet 
rivierwater  wordt  vervangen. 

De   tweede   kom  is  veel  kleiner  dan  de  eerste.    Zij  ligt  ten   zui- 


Digitized  by 


Google 


den  der  eerste  kom,  en  eveneens  ten  noorden  van  en  Utrecht  aan 
de  oostzijde  van  de  Vecht,  tot  nabij  den  weg  van  het  Oosterspoor 
Bij  deze  tweede  kom  buigt  zich  het  inundatie-terrein  ten  oosten 
van  de  Vecht  af,  om  ten  oosten  voorbij  Utrecht  te  gaan.  On- 
geveer in  den  hoek  tusschen  den  Centraal-spoorweg  en  het  Oos- 
terspoor ligt  hier  nog  een  zeer  kleine  zelfstandige  inundatiekom,  de 
derde  kom.  De  vierde  kom  omvat  het  terrein  ten  oosten  van  den 
Vaartschen  Rijn,  van  den  Centraalspoorweg  ten  oosten  van  Utrecht 
in  het  noorden  tot  de  Lek  in  het  zuiden. 

De  tweede  kom  wordt  geïnundeerd  door  water  uit  de  Lek.  Dit 
water  wordt  aangevoerd  van  Wijk  bij  Duurstede,  (dus  van  een 
hooger  gelegen  punt  van  den  Rijn,)  langs  den  Krommen  Rijn  tot 
Utrecht,  waar  het  door  middel  eener  afsluiting  langs  tal  van  sluis- 
jes, door  het  Vossegat,  langs  de  Biltstraat  en  Blauwkapel  naar 
de  tweede  kom  geleid  wordt.  Is  deze  op  de  bepaalde  hoogte 
gevuld,  dan  sluit  men  de  sluis,  welke  het  verder  loopen  van  het 
water  belet,  zoodat  het  water  zich  in  de  kleine  derde  kom  moet 
uitstorten.  Wanneer  ook  deze  gevuld  is  op  de  wenschelijke  hoogte, 
dan  wordt  de  duiker  in  den  Centraalspoorweg  gesloten,  en  het 
water  is  genoodzaakt  zich  van  den  Krommen  Rijn  tot  aan  den 
Spoorwegdijk  uit  te  breiden,  zoodat  het  noordelijk  gedeelte  der 
vierde  kom  wordt  onder  water  gezet. 

De  verdere  voeding  der  vierde  kom  (tusschen  den  Centraalspoor- 
weg en  de  Lek)  geschiedt  uit  de  Lek  door  de  sluis  bij  het  fort  Honswijk. 
Het  hierdoor  in  het  land  gelaten  water  neemt  zijn  weg  door  twee, 
met  dit  doel  daartoe  gegraven  afvoerkanalen,  en  door  de  Schalksche 
Wetering.  Dit  water  verbreidt  zich  over  het  land  tot  den  oostelijken 
dijk  langs  den  Vaartschen  Rijn,  die  gesloten  blijft,  opdat  het  water 
zich  niet  daarin  uitstorten  kan.  Alle  overige  weteringen,  welke  het 
inundatie-water  kunnen  afvoeren,  moeten  vervolgens  gedicht  worden. 

Wanneer  op  deze  wijze  het  terrein  geïnundeerd  is,  vormen  deze 
kommen  in  hunne  hoogte  eene  trapvormige  opklimming  van  de 
Zuiderzee  naar  de  Lek.  De  eerste  en  noordelijkste  kom  ligt  0,30 
M.  +  A.  P ,  de  tweede  0,60  lyL  +  A.  P.,  de  derde  1,30  M.  +  A.  P. 
en  de  vierde  1,55  M.  -h  A,  P.  Het  peil  van  elk  dezer  kommen 
ligt   dan  beneden  den  gemiddelden  waterstand,  waaruit  zij  gevoed 


Digitized  by 


Google 


io8 

moeten  worden.  Alleen  de  beide  zuidelijkste  kommen  liggen  wel 
lager  dan  den  gemiddelden  stand  der  Lek  bij  Honswijk  en  Vreeswijk, 
doch  niet  beneden  den  laagsien  stand  op  deze  plaatsen.  (Laagste  stand 
te  Vreeswijk  van  187 1 — 1880  13  Dec.  187 1 0.87  M.  +  A.P.)  In  dit  geval 
zullen  deze  laatste  kommen  hoofdzakelijk  gevoed  moeten  worden 
door  de  hooger  gelegen  sluis  bij  Wijk  bij  Duurstede  en  den  Krom- 
men Rijn.  De  kanalisatie  van  den  Krommen  Rijn  had  dan  ook 
hoofdzakelijk  ten  doel,  de  militaire  inundatie  te  bevorderen.  Een 
inundatiesluis  werd  daarvoor  tot  bijzondere  verbinding  met  de  Lek 
gelegd  (zie  II  pag.  10),  om  bij  zeer  lagen  waterstand  tot  inundatie  te 
kunnen  dienen. 

Nauwkeurig  valt  het  natuurlijk  niet  te  bepalen,  hoeveel  water  voor 
de   boven  besproken  inundatie  benoodigd  is.    Dat  de  weersgesteld- 
heid en  het  jaargetijde  hierop  van  grooten  invloed  zijn,  is  natuurlijk. 
Doch  in  't  algemeen  schat  men  de  benoodigde  hoeveelheid: 
van  de  iste  kom  43        millioen  M^. 
'i      »    2de     »        I  »  » 

»      »    3de     ,        0,75         »  » 

>      >    4de     »      23  >  > 

Totaal  67,75  ïnill-  M». 

Voor  de  drie  kommen,  welke  uitsluitend  uit  de  Lek  gevoed  moeten 
worden,  is  ongeveer  25  millioen  M'.  water  noodig.  De  Beneden 
Rijn  heeft  bij  middelbaren  rivierstand  een  water  afvoer  van  ±410  M'. 
in  de  seconde  i)  of  34,424,000  M'.  per  dag.  Hieruit  blijkt,  dat 
gemiddeld  de  wateraanvoer  van  de  Lek  ruim  voldoende  is  voor 
de  inundatie.  Evenwel  vergete  men  niet,  dat  geenszins  den  geheelen 
aanvoer  van  boven  door  de  inundatiesluizen  op  het  land  geleid 
wordt. 

Het  deel  der  verdedigingslinie  tusschen  de  Lek  en  de  Merwede 
wordt  in  drie  inundatiekommen  verdeeld. 

a.  De  kom  tusschen  den  Zuider-Lekdijk  en  den  Noorder-Lingedijk. 

b.  De  kom  tusschen  de  Lingedijken. 

c.  De  kom  tusschen  den  Zuider-Lingedijk  en  den  Noorder-Waaldijk. 


i)  Nederl.  en  zijne  Bew.  I.  pag.  334. 


Digitized  by 


Google 


I09 

De  eerste  kom  wordt  gevoed  uit  de  Lek  door  het  openzetten  vap 
de  Spoelsche  inundatiesluis,  benevens  die,  welke  het  fort  Everdingen  in 
gemeenschap  brengt  met  de  Lek.  De  tweede  kom  wordt  gevoed 
uit  de  Linge,  door  het  sluiten  der  sluizen  in  den  bij  A  speren  dwars 
door  de  rivier  gelegden  dam.  De  derde  kom  wordt  gesteld  uit  de 
Waal,  door  de  sluizen  te  Dalen,  Vuren  en  Herwijnen.  Om  hier 
de  inundatie  beter  tot  stand  te  brengen,  is  ten  zuiden  van  Tiel  een 
inundatiekanaal  gegraven,  dat  de  Waal  met  de  Linge  verbindt. 

Het  peil  van  deze  kommen  is  het  volgende: 

Voorloopig  peil.  Volledig  peil. 

In  de  zuidelijke  kom i       M.  +  A.  P.       1,50  M.  -h  A.  P. 

»    »  middelste  of  T^ingekom  .    .   1,50  M.  +  A.  P.       2,50  M.  +  A.  P. 
>    »  noordelijkste  kom  lot  de  Lek  1,50  M.  +  A.  P.       2,50  M.  +  A.  P 

De  mogelijkheid  van  het  stellen  dezer  inundatie  blijkt  ons,  als  wij 
met  deze  peilen  de  water.standen  op  de  rivieren  vergelijken.  Te  Vrees- 
wijk bedraagt  de  gemiddelde  zomer-rivierstand  2,62  M.  +  A.  P.  en 
te  Gorinchem  bij  vloed  1,85  en  bij  eb  1,45  M.  +  A.  P.  (Zie  I 
pag.  268 — 269.) 

De  verschillende  toegangswegen  door  deze  waterlinie  worden  door 
de  vestingen  Naarden,  Muiden  e.a.  en  door  tal  van  forten  versperd. 

Behalve  en  binnen  deze  inundaties  der  Nieuwe  HoUandsche  wa- 
terlinie, kan  uitsluitend  de  stelling  Amsterdam  in  uitersten  nood 
nog  tot  verdediging  ingericht  worden.  Dit  bestaat  in  inundatie  der 
terreinen  rondom  Amsterdam  in  een  wijden  kring.  Deze  inundatie- 
kring loopt  ongeveer  van  Edam  langs  Purmerend,  Uitgeest,  Spaarndam, 
ten  oosten  langs  Haarlem,  door  het  zuidelijk  gedeelte  van  het  Haar- 
lemmermeer, langs  Aalsmeer  naar  Abkoude  en  van  hier  naar  Weesp 
en  Muiden.  Een  krans  van  forten  in  genoemden  inundatiekring 
gelegen,  omsluit  Amsterdam.  In  het  oosten  sluit  deze  inundatie  der 
stelling  Amsterdam  van  het  fort  Tienhoven  tot  Muiden  zich  bij  de 
Nieuwe  HoUandsche  waterlinie  aan. 

In  Noord-Brabant  van  Geertruidenberg  langs  het  Oude  Maasje 
naar  's  Hertogenbosch  en  ten  zuiden  langs  de  Maas  ligt  nog  een 
terrein,  dat  tot  inundatie  geschikt  is,  de  Zuidelijke  Waterlinie 
genoemd.     (Zie  voor  een  en  ander  het  schetskaartje,  pag.  105). 


Digitized  by 


Google 


110 

§  32.    Invloed  der  oro-hydrographische  gesteldheid  van  het 
besproken  gebied  op  de  verbreiding  der  bevolking. 

Wij  wenschen  op  deze  plaats  geenszins  de  bevolking  na  te  gaan 
in  hare  ontwikkeling,  doch  enkel  aan  te  wijzen,  in  hoever  de  elementen 
der  oro-hydrographische  gesteldheid  factoren  zijn  in  de  geschiedenis 
van  de  verbreiding  der  bewoners.  De  bevolking  zelf  is  een  onder- 
werp van  latere  beschrijving. 

Het  ligt  in  den  aard  der  zaak,  dat  de  volksverbreiding  in  een 
moerassig,  laag  gebied  als  het  boven  beschrevene,  dat  voor  een 
groot  gedeelte  door  kunst  bewoonbaar  gemaakt  is,  sterk  onder  den 
invloed  stond  van  het  land  Waar  de  bodem  ongeschikt  was  om 
te  bouwen,  en  niet  veilig  tegen  het  water  om  te  wonen,  konden  de 
eerste  vestigingen  niet  plaats  hebben.  Hierdoor  wordt  het  verklaar- 
baar, dat  de  oudste  plaatsen  in  dit  gebied  gevonden  worden  op  de 
hoogere  gedeelten,  langs  de  duinen  in  het  westen  en  op  de  hoogere 
gronden  in  het  oosten.  Evenwel  moet  tegelijker  tijd  hierbij  rekening 
gehouden  worden  met  de  verkeerswegen  te  water,  die  reeds  de  oudste 
bewoners  de  plaatsen  wezen,  waar  zij  het  meeste  voordeel  konden  be- 
halen. Waar  de  waterwegen  door  dammen  werden  afgebroken, 
die  tot  overlading  enz.  aanleiding  gaven,  was  dit  niet  zelden  aan- 
leiding tot  vestiging.  Wij  behoeven  hierbij  slechts  te  wijzen  op 
Amsterdam,  Rotterdam,  Schiedam,  enz.  Door  deze  verschillende 
omstandigheden  wordt  hoofdzakelijk  het  ontstaan  ^der  eerste  mid- 
delpunten van  bewoning  verklaard. 

De  Romeinen  waren  in  den  oudsten  tijd,  waarvan  de  geschiedenis 
spreekt,  reeds  bewoners  van  deze  landen,  en  hadden  door  het  bou- 
wen van  sterkten  invloed  op  het  ontstaan  van  centra  der  bevolking. 
Doch  hun  krijgskundig  inzicht  koos  daarvoor  natuurlijk  bovenal 
strategisch  belangrijke  punten,  bij  splitsingen  of  mondingen  van 
rivieren,  of  aan  die  rivieren,  waar  de  vestiging  gemakkelijk,  en  de 
bevolking  reeds  een  woonplaats  gekozen  had.  Zoo  was  Wijk  bij  Duur- 
stede een  punt,  aangewezen  tot  een  vestiging.  En  werkelijk  vindt 
men  hier  reeds  in  de  vroegste  oudheid  eene  stad. 

Den  Rijn  volgend,  vond  men  in  Romeinschen  tijd  een  geheele  rij 


Digitized  by 


Google 


llt 

van  sterkten  tot  aan  de  monding,  die  met  elkander  in  verkeer 
stonden.  Wij  noemen  Vechten  (de  plaats  waar  zich  oorspronkelijk 
misschien  de  Vecht  van  den  Rijn  scheidde),  Utrecht^  de  Meern^ 
Woerden^  Al  f  en  en  Voorburg  i).  De  mond  van  den  Rijn  werd 
beschermd  door  den  Brittenburg,  welks  fundamenten  thans  door 
de  zee  bedekt  zijn. 

Over  de  ligging  van  Utrecht,  zegt  v.  Asch  v.  Wijck  2):  i  wanneer 
men  de  verhevenheid  van  den  grond,  op  welken  bijna  de  geheele 
stad  gebouwd  is,  gadeslaat,  oppert  zich  als  van  zelve  de  vraag,  of 
bij  de  Romeinen,  die  zoo  gelukkig  de  plaatsen  wisten  uit  te  kiezen 
voor  hunne  krijgskundige  stellingen,  dit  punt  wel  onopgemerkt 
konde  blijven.  De  ligging  beneden  en  tusschen  de  splitsingen  van 
den  Rijn  gaf  hen  gelegenheid  tot  verkeer  naar  drie  richtingen,  naar 
het  land  der  Friezen  langs  de  Vecht,  den  Rijn  af  en  den  Rijn  op." 

Zoo  zag  men  in  de  eerste  plaats  langs  de  rivieren  rijen  van  steden 
of  groote  plaatsen  ontstaan,  langs  de  Lek,  den  Ouden  Rijn  en  de 
Vecht;  plaatsen,  die  door  historische  omstandigheden  meestal  in 
beteekenis  verloren  hebben. 

Verder  noemden  wij  den  rand  der  duin-  en  geestgronden  als 
oro-hydrographisch  voordeelige  punten  van  vestiging.  De  meeste 
aanzienlijke  dorpen  aan  dien  kant  zijn  gelegen  op  gedeelten  der 
binnenduinen  en  der  geestgronden,  die  door  hooger  en  droger  ligging 
tot  vestiging  beter  geschikt  waren  dan  het  lage,  moerassige  land. 
Denken  wij  hierbij  slechts  aan  Naaldwijk  en  's  Gravezande,  Monster, 
Loosduinen,  Wassenaar  en  Voorschoten,  Sassenheim,  Lisse,  Hille- 
gom,  Bennebroek,  Heemstede,  Haarlem,  Bloemendaal  en  Zandpoort. 
Niet  zelden  ziet  men  de  dorjjen  geheel  op  den  rand  der  hoogere 
zandgronden  gelegen. 

Dat  de  Nieuwe  Maas  de  economische  motieven  tot  vestiging  der 
bevolking  met  zich  voerde,  spreekt  van  zelf.  Een  breede,  bevaar- 
bare  riviermond,   die   toegang   verschafte  tot   de   zee,   en  die  een 


1)  V.  Asch  van  Wijck.  Geschiedk.  beschouwing  van  het  oude  handelsverkeer 
van  Utrecht.  L  pag.  43. 

2)  T.  a.  p.  pag.  37. 


Digitized  by 


Google 


112 

achterland  bezit  door  de  Lek,  de  Noord  en  de  Merwede  met  hare 
voortzettingen,  hij  moest  eene  visschers-bevolking  wel  tot  vestiging 
aanlokken.  Op  de  visscherij  volgde  de  handel.  De  steden  Brielle, 
Rotterdam,  Delfshaven,  Schiedam,  Vlaardingen  en  Maassluis  vinden 
gedeeltelijk  hun  ontstaan  door  bovengenoemde  oorzaken  verklaard. 
Bij  Rotterdam  en  Schiedam  werkten  de  afdamming  van  de  Rotte 
en  de  Schie  tot  oorzaken  mede. 

Van  de  binnenwateren  gaf  de  IJsel  aanleiding  tot  het  ont- 
staan van  een  rij  steden  als  IJselstein,  Montfoort,  Oudewater 
en  Gouda,  om  van  de  dorpen  niet  te  spreken.  Van  deze  heeft 
Gouda,  dat  lag  aan  het  eind  van  het  best  bevaarbare  gedeelte 
dezer  oude  riviersprank,  waar  men  ook  eene  verbinding  met  den 
Rijn  tot  stand  bracht  door  de  Gouwe,  natuurlijke  voordeelen 
gehad,  die  in  de  meerdere  ontwikkeling  van  deze  stad  duidelijk 
zijn  op  te  merken. 

De  Vecht  is  een  der  binnenwateren,  die  door  de  nabijheid  van 
Amsterdam,  dat  langs  binnenwateren  gemakkelijk  te  bereiken  viel, 
en  door  de  gemakkelijke  verbinding  met  de  oude  bisschopsstad 
Utrecht,  reeds  vroeg  aanleiding  gaf  tot  het  aanleggen  van  talrijke 
sierlijke  buitenplaatsen  en  ridderhofsteden.  Sedert  de  spoorwegen 
een  gemakkelijk  verkeer  met  de  hooge  gronden  tot  stand  brengen, 
is  de  Vechtstreek  niet  zoo  veel  meer  in  trek. 

De  plaatsen  in  dit  lage  land  dragen  bijna  alle  min  of  meer  sporen 
van  den  invloed,  dien  het  land  op  haar  bouwtrant  uitoefende.  Waar 
het  land  lager  ligt  dan  het  peil  der  meeste  wateren,  moest  men  voor 
den  bouw  der  huizen  de  hoogste  gedeelten  kiezen.  Hiervoor  waren 
de  dijken  als  aangewezen,  terwijl  zij  tevens  het  voordeel  aanboden, 
verbindingswegen  te  vormen.  Zoo  ontstond  er  een  bebouwing  aan 
beide  zijden  onmiddellijk  langs  den  dijk,  en  niet  dan  bij  uiterste  nood- 
zakelijkheid dacht  men  er  aan,  hieraan  nog  zijstraten,  rechthoekig 
op  de  eerste  staande,  toe  te  voegen.  Een  gevolg  hiervan  was  het 
ontstaan  van  lang  uitgestrekte  dorpen  met  weinig  of  geen  dwars- 
straten, tenzij  dijken  elkander  kruisen. 

Hierdoor  onderscheiden  zich  de  dorpen  in  het  lage  land  duidelijk 
van  die  op  de  hoogere  gronden.  Vergelijk  bijv.  Huizen  in  het  Gooi 


Digitized  by 


Google 


ÏI3 

met  zijn  door  elkander  liggende  huizen,  Rijswijk,  Voorschoten  enz. 
met  hun  pleinen  en  verstrooide  huizen  op  meer  of  minder  afstand 
van  den  weg  en  met  tuinen  er  voor,  met  Oudewetering,  Wou- 
brugge,  de  dorpen  langs  den  Ouden  Rijn,  de  Lek,  enz.  De  laatste 
bestaan  hoofdzakelijk  uit  een  rij  huizen  langs  den  dijk.  Enkele  steden 
dragen  nog  het  kenmerk,  dat  zij  aanvankelijk  uit  dergelijke  dijken- 
bouw  ontstaan  zijn.  In  Rotterdam  vormt  de  Hoogstraat  kennelijk 
den  hoogen  dijk  langs  de  Maas.  Bij  de  uitbreiding  der  plaatsen 
geschiedde  dit  door  kunstmatige  ophooging  der  terreinen  langs  de 
dijken.  Evenwel  had  die  ophooging  geenszins  altijd  tot  zulk  een 
hoogte  plaats,  dat  de  grond  boven  den  hoogsten  waterstand  kwam  te 
liggen,  zoodat  een  gedeelte  der  steden  dikwijls  in  de  afsluiting  door 
dijken  zijn  veiligheid  moest  vinden. 

Nog  moeten  wij  het  oog  vestigen  op  de  residentie,  Den  Haag. 
De  ontwikkeling  van  deze  stad  staat  in  zoover  onder  den  invloed 
van  het  land,  dat  de  geest-  en  duingrond  er  gelegenheid  gaven  tot 
bouwen,  en  dat  de  schoone,  boschrijke  natuur  den  Staatslieden  een 
aangenaam,  rustig  verblijf  gaf.  Dat  de  residentie  zich  juist  daar 
ontwikkelde  en  niet  elders  in  de  duinstreek,  is  geheel  een  gevolg 
van  historische  zoogenaamde  toevalligheden,  waaraan  geen  berede- 
neerd plan  tot  grondslag  lag. 


U- 


Digitized  by 


Google 


XII.    DE  IJPOLDERS  EN  HOLLAND'S  NOORDER 

KWARTIER,  ORO-,  HYDROGRAPHISCH 

BESCHOUWD. 


LITTERATUUR. 

1.  Waterstaatskaart*    Schaal  i  :  50000. 

2.  Topographischc  kaart.     Schaal  i  :  500Ö0. , 

3.  Overzicht  der  scheepvaart-kanalen  in  Nederland,  1888. 

4.  D.- Swarts.  Geschied-  en  natuurkundige  verhandeling  over- het  IJ  en  deszelfs 
vroeger, bestaan  als  sprank  van  den  Rijn,  1828. 

5.  Lorié.     Het   dalen    van    den   bodem  in  Nederland.    (Handelingen  van  het 
Tweede  Natuur-  en  Geneesk.- Congres,   1889). 

6.  Drie  verhandelingen  over  de  verbetering  der  ontlasting  van  Rijnlands  lx>e7.eni, 
en  het  project  der  doorgravinge  uit  het  Wijkermeer  naar  de  Noordzee,  1772. 

.  7.  J.  P.  Amersfoordt.  Een  oud  plan  van  doorgraving  van  Holland  op  zijn 
smalst,  1873. 

8.  J.  Blanken  en  R.  Waltman.  Verhandeling  over  de  oorzaken  van  de  toenemende 
opslibbing  van  het  IJ.   (Holl.  Maatsch.  der  Wetensch.,  1809.  IV). 

9.  D.    Mentz.    Verhandeling    over  de  nfdamming  van  het  IJ.  (Holl.  Maatsch. 
der  Wetensch.,  1824,  XII). 

10.  A.  T.  Goudriaan.  Over  de  afdamming  van  het  IJ.  (Holl.  Maatsch.  der 
Wetensch.,  1824,  XII). 

11.  P.  J.  Dirks.  Het  Amsterdamsche  Noordzee-Kanaal.  (Tijdschr.  Kon.  Aardr. 
Gen.,  1882). 

12.  P.  Steenstra.  Aanmerkingen  op^  de  verbetering  der  ontlasting  van  Rijnlands 
boezemwater  op  het  IJ,  en  project  van  doorgraving  uit  de  Wijkermeer  naar 
dé  Noordzee,  1774. 

13.  A.  Huet.  De  Noordzee  voor  Amsterdam,  1867.  Eene  memorie  over  de 
afdamming  van  Pampus  en  de  indijking  van  het  IJ,  1868. 

14.  A.  Galand.  Historisch  overzicht  en  opmerkingen  betrekkelijk  de  ontwerpen 
tot  verbinding  van  de  Noord-  en  de  Zuiderzee,  1869. 

15.  V.  Mieris.  Groot  Charterboek,  1753. 

16.  G.  de  Vries  Azn.  De  zeeweringen  en  waterschappen  in  Noord -Holland.  1864. 


Digitized  by 


Google 


ïi5 

1 7.  G.  de  Vries  Azn.  Het  dijks-  en  molenbestuur  in  HoUand's  Noorder  kwartier 
onder  de  grafelijke  regeering  en  gedurende  de  Republiek,  (1876). 

18.  G.  de  Vries  Azn.    .Kaart  van  Holland's  Noorder  kwartier  in  1282. 

19.  G.  de  Vries  Azn.  Nieuwe  bijdrage  tot  de  geschiedenis  van  het  hoogheem- 
raadschap van  den  Hondsbossche  en  Duinen  tot  Petten.  (Versl.  en  mededeel, 
der  Kon.  Akad.  v.  Wetensch.  Gesch.,  1869). 

20.  G.  de  Vries  Azn.  Bedijking  van  de  Diepsmeer  en  de  Tjaarlingermeer  door 
Johan  van  Oldenbamevéld.  (Versl.  en  mcd.  der  Kon.  Akad.  v.  Wetensch. 
Gesch.,  1865). 

21.  G.  de  Vries  Azn.  De  Rijndijk  in  de  duinen  bij  Petten.  (Versl.  en  mededeel, 
der  Kon.  Akad.  v.  Wetensch;,  1887). 

22.  G.  de  Vries  Azn.  Het  hoogheemraadschap  van  den  Hondsbossche  en  Duinen 
tot  Petten.  (Nieuwe  Bijdr.  v.  Rechtsgel.  V). 

23.  J.  G.  A.  Faber.    De  Hondsbossche  en  Duinen  tot  Petten,  1869. 

24.  J.  G.  A.  Faber.  Gelijkmaking  van  het  peil  van  het  Noordzee- Kanaal  en 
van  den  Schermerboezem,  1873. 

25.  A.  A.  Beekman.    Nederland    als   Polderland,  en  De  strijd  om  het  bestaan. 

26.  Tegenwoordige  Staat  Holland.  1742. 

27.  O.  G.  Heldring.     De  Anna  Paulowna  polder,  1847. 

28.  O.  G.  Heldring.  Korte  beschrijving  van  den  toestand  van  den  Anna  Pau- 
lowna polder,  185 1. 

29.  P.  V.  d.  Ster.  Korte  beschrijving  van  de  Waard-  en  Groetgronden.  (Bouw- 
kundige bijdragen,  1849). 

30.  Geschiedenis  der  inpoldering  en  bebouwing  van  Waard  en  Groet.'  (Weekblad 
van  Haarlemmermeer,  1862,  pag.  51,  77,  81  en  109). 

31.  Abr.  Sloos.  Geschiedenis  der  inpoldermg  en  beschouwing  van  Waard  en 
Groet,  1858. 

32.  H.  Hoefft  Van  Velsen.  Verslag  over  het  gebeurde  gedurende  25  jaren  bij  de 
bedijk  ing  en  bebouwing  der  Waard-  en  Groetgronden  van  1844 — 1869. 
(Manuscript.) 

33.  Algemeene  statistiek  van  Nederland.  1870. 

34.  J.  Bouman.    Bedijking,  opkomst  en  bloei  van  de  Beemster,  1857. 

35.  J.  F.  W.  Conrad.  Verhandeling  over  de  Hondsiwssche  zeewering.  (Be- 
kroonde prijsvraag,  1864). 

36.  M.  Bolstra.  Oorzaken  van  het  afnemen  van  het  .strand  te  Petten  en  mid- 
delen om  het  tegen  te  gaan.  (HoU.  Maatsch.  der  Wetenschappen,  1755,  II). 

37.  J.  Muntjewerf.  De  tegenwoordige  en  voormalige  staat  van  den  Hondsbossche 
en  Duinen  tot  Petten,  1795. 

38.  A.  Roskam  Kool.  Het  Hondsbosch  en  de  duinen  te  Petten.  (Holl.  Maat- 
schappij der  Wetensch.,  1784,  XI). 


Digitized  by 


Google 


.ii6 

39.  Mr.  J.  A.  Kluppel.  Verzameling  van  stukken  van  1388  tot  1598  betrek- 
kelijk het  hoogheemraadschap  Hondsbossche  en  Duinen  tot  Petten. 

40.  Resolutiën  genomen  bij  Dijkgraai',  Hoofdingelanden  en  Hoogheemraden  van 
den  Ilondsbossche  in  he^  laatst  der  x8do  eeuw. 

41.  Paludanus.  Oudheid-  en  Natuurkundige  verhandelingen,  meestal  betrekkelijk 
West-Friesland,  1776. 

42.  J.  v.  Dam  den  Bouwmeester.  Beschrijviiig  van  den  Helder,  1847. 

43.  J.  F.  de  Bordes.  De  haven  het  Nieuwediep.  (Tijdschr.  der  Maatschappij 
V.  Nijverheid,   1860). 

44.  Geschiedenis  van  de  dokwerken  op  het  Marine  etablissement  Willemsoord 
en  Nieuwediep.     (Verband.  Kon.  Inst.  v.  Ingenieurs,  1864 — 65,  1866 — 67). 

45.  J.  Le  Francq  van  Berkhey.  Natuurlijke  historie  van  Holland,  1769. 

46.  A.  J.  Lastdrager.  Proeve  eener  geschiedenis  van  het  Koninkrijk  der 
Nederlanden,  1832. 

47..  D.  J.  Storm  Buijsing,  J.  G.  v.  Gendt  en  J.  Ort.  Memorie  aangaande  de 
verbetering  van  het  Noord- HoUandsch  Kanaal.  1856.  (Versl.  der  Openb. 
Werken  1855--56). 

48.  Zach.  l'Epie.  Onderzoek  over  de  oude  en  tegenwoordige  natuurlijke  ge- 
steldheid van  Holland  doch  voornamelijk  van  West-Friesland,  ten  opzichte 
van  rivieren  en  landen,  aanwas,  ophooging,  zakking,  dijkage,  enz.,  1734. 

49.  A.  Loosjes.    Zaanlandsche  dorpen,  1794. 

50.  Simon  Eikelenburg.  Gesteldheid  en  gedaante  van  West-Friesland  voor 
1300,  1714. 

51.  Hendr.  Soeteboom.     Oudheden  van  Zaanland  en  Stavoren,  1702. 

§    I.      HET  NOORDZBE-K ANAAL   EN   ZIJN   BOEZEMGEBIED. 

Dwars  door  Noord- Holland,  van  de  Zuiderzee  tot  de  Noordzee, 
loopt  de  boezem  van  het  Noordzee- Kanaal.  Deze  boezem  en  zijn 
afvvateringsgebied  zijn  van  jonge  dagteekening.  De  vroegere  breede 
waterplas  het  IJ,  een  open  inham  van  de  Zuiderzee  in  Noord- 
Holland,  is  gedeeltelijk  in  den  afgesloten  boezem  het  Noordzee- 
Kanaal  veranderd.  Het  overige  gedeelte  van  het  IJ  is  ingepolderd 
tot  de  droogmakerijen  der  I/polders.^  die  direct  tot  het  boezemge- 
bied van  het  Noordzee-Kanaal  behooren. 

De  boezem  van  het  Noordzee-Kanaal  heeft  in  hydrographisch 
opzicht  een  dubbele  beteekenis.  In  de  eerste  plaats  dient  hij  tot 
waterberging    en    waterafvoer    van    de   direct    hiertoe    behoorende 


Digitized  by 


Google 


iï7 

IJpolders  te  zamen.  Verder  wateren  rechtstreeks  hierop  af  de  polders, 
vroeger  buitendijks  langs  het  IJ  gelegen,  nl. :  ten  zuiden  die,  welke 
tot  het  hoogheemraadschap  Rijnland  behooren ;  verder  de  landen  ten 
westen  van  het  vroegere  Wijkerraeer,  en  de  buitenpolders  ten  noorden 
van  het  IJ.  Ook  loozen  direct  op  den  boezem  de  polders  tusschen 
de  Zaan  en  het  Twiske  ten  zuiden  van  de  Wormsr.  De  polders 
tusschen  de  Zaan  en  het  vroegere  Wijkerraeer  loozen  gedeeltelijk 
direct  op  dezen  boezem,  gedeeltelijk  op  den  Schermerboezem,  en 
het  Waterland,  tusschen  het  Twiske  en  de  Zuiderzee  en  ten  zuiden 
van  de  Purmer,  loost  deels  direct  op  den  boezem  van  het  Noordzee- 
Kanaal,  deels  direct  op  de  Zuiderzee. 

In  de  tweede  plaats  is  het  Noordzee-Kanaal  een  voorboezem, 
waarop  de  boezems  van  Rijnland,  van  Amstelland,  van  het  Stads- 
water te  Amsterdam  en  de  Schermerboezem  gedeeltelijk  hun  water 
loozen. 

De  boezem  van  hei  Noordzee-Kanaal  heeft  een  oppervlakte  van 
I020  H.  A.  en  dient  tot  waterloozing,  geheel  of  gedeeltelijk,  van 
24,250  H.  A.  polderland.  Hij  is  in  het  oosten  van  de  Zuiderzee 
gescheiden  door  den  dam  bij  Schellingwoude  met  de  Oranje-sluizen^ 
in  het  westen  van  de  Noordzee  door  de  sluizen  bij  IJmuiden.  De 
afstand  tusschen  deze  eindpunten  bedraagt  27  K.  M.  Door  ge- 
noemde sluizen  heeft  de  boezem  zijn  natuurlijke  loozing.  Daaren- 
boven is  er  bij  de  Oranjesluizen  nog  een  stoomgemaal  van  225 
paardekracht  geplaatst,  om  bij  onvoldoende  natuurlijke  loozing  den 
boezem  te  kunnen  afmalen.  Volgens  de  concessie  der  kanaal- 
maatschappij moet  het  peil  van  den  boezem  0,50  M.  —  A.  P.  zijn. 
Dit  peil  wordt  in  werkelijkheid  nimmer  bereikt,  gedeeltelijk  niet, 
wegens  het  onvoldoende  vermogen  van  het  stoomgemaal,  gedeeltelijk, 
om  de  scheepvaart  op  het  kanaal  meerderen  diepgang  teverleenen. 
De  gemiddelde  waterstand  op  het  kanaal  voor  Amsterdam  van  1880 
tot  1884  bedroeg  0,43  M.  —  A.  P.  i),  doch  dikwijls  is  de  waterstand 
hooger  2).  De  hoogste  stand  van  1880— 1884  was  0,01  M.  +  A.  P., 


i)  Overricht  der  scheepvaartkanalen  1888,  pag.   iii. 
2)  Nederland  en  zijne  Bewoners.  II,  pag.  73  enz. 


Digitized  by 


Google 


ii8 

de  laagste  0,71  M.  —  A.  P.  De  bodem  van  het  kanaal  ligt  8,20 
M.  —  A.  P.  en  de  breedte  van  het  kanaal  bedraagt  op  kanaal- 
peil  125  M  Evenwel  is  het  in  het  oosten  door  het  IJ  aanzienlijk 
breeder.  Van  Amsterdam  naar  het  oosten  wisselt  de  breedte  af  van  275 
tot  II 00  M.;  ten  westen  van  Amsterdam  wordt  het  kanaal  smaller  tot 
125  M.  en  in  de  doorgraving  van  Buitenhuizen  is  het  68  M.  breed. 
De  drempel  der  groote  schutsluis  bij  Schellingwoude  ligt  4,50  M.  — 
A.  P.;  die  van  de  groote  schutsluis  te  IJmuiden  7,90  M.  —  A.  P.; 
terwijl  ten  noorden  der  bestaande,  een  nieuwe  schutsluis  met  een 
drempelhoogte  van  10  M.  —  A.  P.  aangelegd  wordt. 

Het  Noordzee-Kanaal  loopt  voor  het  grootste  gedeelte  door  de 
^polders,  en  alleen  in  het  westen  door  de  geest-  en  duingronden. 
Naar  het  noorden  en  zuiden  strekken  zich  nog  zij  kanalen  als  d  wars- 
armen van  het  hoofdkanaal  door  de  polders  uit.  Die  'zijkanalen 
staan  in  vrije  gemeenschap  met  het  hoofdkanaal.    Zij  zijn : 

A.  Noordelijke  zijkanalen. 

I.  Het  Hij  kanaal  A  naar  Beverwijk^  2  c  K.  M.  lang,  2oè.25M. 
breed  en  2,50  M.  —  A.  P.  diep;2.  Zijkanaal  D  naar  Nauerna^  1,2 
K.  M.  lang,  dat  te  Nauema  door  een  schutsluis  met  de  Nauernasche- 
vaart  in  verbinding  staat,  85  M.  breed ;  3.  Zij  kanaal  E  naar  Westza^n^ 
0,5  K.  M.  lang,  tusschen  het  Noordzee-Kanaal  en  den  Westzaanpolder, 
60  M.  breed;  4.  Zij  kanaal  G  naar  Zaandam^  2,6  K.  M.  lang,  tot 
de  sluis  te  Zaandam,  waar  dit  met  de  Zaan  in  verbinding  staat,  en 
van  75  tot  200  M.  breed;  5.  Zijkanaal  H  tiaar  de  Molensluis^  1,7 
K.  M.  lang;  6.  Zijkanaal  I  naar  Oostzaan^  3  K.  M.;7.  Zijkanaal 
naar  Nieuwendam  0,5  K.  M. 

B.  Zuidelijke  zijkanalen. 

I.  Zijkanalen  B  ^n  C  naar  Spaarndam  resp.  4  en  3,6  K.  M. 
lang,  75  M.  breed  en  4  M.  —  A.  P.  diep;  2.  Zij  kanaal  F  naar 
Halfweg^  4,9  K.  M.  lang,  60  M.  breed  en  3y4  M.  —  A.  P.  diep. 

—  Het  grootste  gedeelte  der  IJ  polders  heeft  eene  bodemhoogte  van 
—  1,20  tot  1,90  M.  —  A.  P.  Slechts  kleinere  gedeelten  liggen  lager, 
tot  —  2,90  A.  P.  toe,  en  enkele  hooger,  zooals  de  vroegere  eilandjes 
de  Horn  en  Ruigoord.  In  het  vroegere  Zuid-Wijkermeer  vinden 
wij  diepten  van  —  0,60  tot  1,00  M.  —  A.  P.    Gemiddeld  zal  der- 


Digitized  by 


Google 


119 

halve  het  water  in  den  boezem  ongeveer  0,70  tot  1,40  M.  boven 
het  niveau  des  bodems  staan.  De  zomerpeilen  der  polders  wisselen 
af  van  —  2,00  tot  3,40  M.  —  A.  P.  Uit  dit  alles  blijkt,  dat  alle 
polders  bemalen  moeten  worden,  wat  trouwens  ook  niet  anders  te 
verwachten  valt  van  eene  droogmakerij. 

§   2.    HISTORISCH   OVERZICHT   VAN   HET  IJ  EN  HET  NOORDZEE-KANAAL. 

Het  IJ  was  tot  voor  korten  tijd  een  breede  inham  der  Zuiderzee 
in  Noord-Holland,  die  zich  tot  de  duinen  uitstrekte.  Door  som- 
migen wordt  beweerd,  dat  het  IJ  in  de  12de  eeuw  op  sommige 
plaatsen  door  eilandjes  de  breedte  van  slechts  een  sloot  had,  welke 
de  Haarlemmers  gemakkelijk  konden  overtrekken  i).  Beslist  zeggen 
enkelen,  dat  het  Binnen-IJ  oudtijds  grootendeels  land  2)  of  in 
elk  geval  veel  smaller  was.  Deze  historische  mededeelingen,  hoewel 
door  anderen  bestreden,  zijn  zeer  waarschijnlijk  in  hoofdzaak  juist. 
Vóór  dat  het  meer  Flevo  tot  de  Zuiderzee  was  uitgebreid,  had  on- 
getwijfeld het  IJ  niet  dien  omvang,  waarmede  wij  het  later  leeren 
kennen.  Dat  eene  positieve  niveau- verandering,  (de  rijzing  van  het 
niveau  der  zee  ten  opzichte  van  het  land),  waardoor  de  uitbreiding 
van  de  Zuiderzee  het  Haarlemmermeer  en  andere  meren  waar* 
schijnlijk  bevorderd  werd,  van  invloed  geweest  is  op  de  uitbreiding 
van  het  IJ,  daaraan  valt  onzes  inziens  niet  te  twijfelen.  Dergelijke 
positieve  niveau-verandering  is  o.  a.  door  Dr.  Lorié  bij  zijn  onder- 
zoek der  resultaten  van  verschillende  putboringen  geconstateerd  en 
tevens  uit  andere  zaken  afgeleid  3).  Bij  die  rijzing  des  waters 
deed  de  golfslag,  waardoor  de  veen-oevers  werden  aangetast,  het 
verdere.  Zoo  verkreeg  de  inham  allengs  grooter  uitgebreidheid, 
waaraan  eindelijk  door  bedijking  en  andere  kunstwerken  een  grens 
werd  gesteld.    Was  de  monding  bij  de  Zuiderzee  dicht  gebleven  of 


1)  Beudeker.    Geciteerd  door  v.  d.  Aa. 

2)  F,  Halma.  Toneel  der  Vereenigde  Nederlanden.  II,  pag.  377.  —  Soeteboom . 
Oudheden  van  Zaanland.  pag.  2i.  —  A.  Loosjes.  Zaanlandsche  dorpen,  pag.   13. 

3)  J.    Lorié.     Het   dalen    van  den  bodem  van  Nederland.  (Handelingen  van 
het  Tweede  Natuur-  en  Geneesk.  Congres,  1889.) 


Digitized  by 


Google 


120 


smaller  geweest,  het  IJ  zou  een  meer  geworden  zijn,  evenals  het 
Spieringmeer,  de  Beemster  e.  a.  Door  sommige  schrijvers  i)  wordt 
het  ontstaan  van  het  IJ  nog  in  verband  gebracht  met  de  ver- 
stopping van  den  Rijn  te  Katwijk,  en  als  rivier  genoemd,  een 
gevoelen,  dat  wij,  na  het  gezegde  over  den  Rijn,  niét  verder  be- 
hoeven te  bestrijden,  daar  het  geheel  met  de  natuur  in  strijd  is. 
Wij  ontkennen  hiermede  geenszins,  dat  er  Rijnwater  in  het  IJ  kan 
gestroomd  zijn.  (Zie  II  pag.  97.) 

In  het  droogmakende  Holland,  waar  zulk  een  aanzienlijk  gedeelte 
des  bodems  aan  de  zee  ontwoekerd  is,  kon  het  wel  niet  anders,  of 
ook  de  inham  van  de  Zuiderzee  moest  in  droog  land  veranderd 
worden.  Het  eerste  plan  tot  droogmaking  werd  gemaakt  door  Jan 
PiETERSzooN  Doü  landmeter  van  Rijnland,  in  1619,  en  had  hoofd- 
zakelijk ten  doel.  Rijnland  eent*  betere  afwatering  te  verschaffen 
door  de  Breesaap  (bij  Velzen). 

Voorzeker,  het  was  een  stout  plan  in  een  tijd,  toen  men  nog  over  zoo 
beperkte  technische  middelen  kon  beschikken.  De  heeren  van  Rijnland, 
in  wier  vergadering  Dou  zijn  plan  had  blootgelegd,  waren  er  dan 
ook  zeer  mede  tevreden,  zoo  tevreden  zelfs,  dat  ze  hem,  volgens 
Dou's  eigen  mededeelingen,  i  inviteerden  om  bij  de  dienstboden,  in 
de  keuken  te  blijven  eten."  3) 

Lang  duurde  het  evenwel  nog,  vóór  een  dergelijk  plan  met  ernst 
overwogen  werd.  De  voortgaande  aanslibbing  van  het  IJ  echter 
veroorzaakte  aan  de  scheepvaart  veel  ongerief,  en  gaf  aanleiding 
tot  een  tal  van  besprekingen  door  meer  of  minder  deskundigen. 
Wij  behoeven  hier  slechts  te  herinneren  aan  de  prijsvraag,  door  de 


1)  D.  Swarts.  Geschied  en  natuurkundige  verhandeling  over  het  IJ,  deszelfs 
vroeger  bestaan  als  sprank  van  den  Rijn,  1828. 

2)  Z.  1'Epie.  Onderzoek  naar  de  oude  en  tegenwoordige  gesteldheid  van 
Holland,  voornamelijk  West-Friesland,  1734,  pag.  27. 

3)  Zie  Mr.  Amersfoordt.  Een  oud  plan  van  doorgraving  van  Holland  op 
zijn  smalst,  met  bijdragen  tol  de  levensgeschiedenis  van  Jan  Pieterszoon  Dou, 
1873.  (Tijdschr.  Kon.  Inst.  v.  Ingenieurs,  1872 — 73). 

V,  J.  Dirks.  Het  Amsterdamsche  Noordzce-kanaal.  (Tijdschr.  Aardr.  Gen., 
1882,  pag.   154). 


Digitized  by 


Google 


121 

HoUandsche  Maatschappij  van  Wetenschappen  in  1824  uitgeschreven 
over  de  verbetering  van  het  IJ.  Twee  antwoorden  kwamen  hierop 
in,  die  uitgegeven  werden  5  een  van  den  heer  A.  F.  Goüdriaan, 
Inspecteur-Generaal,  en  een  door  D.  Mentz  i),  hoofd-ingenieur  van 
's  Rijks  waterstaat. 

Beiden  kwamen  daarin  overeen,  dat  de  aanslibbing  van  het  IJ 
was  toe  te  schrijven  aan  de  vrije  gemeenschap  met  de  Zuiderzee, 
die  met  den  vloed  slib  aanvoert,  welke  bij  de  kentering  der  getijden 
en  gedurende  de  ebbe  bezinkt,  en  dus  de  bedding  voortdurend  ver- 
hoogt. De  tot  nu  toe  daar  tegen  aangewende  middelen  waren  onvol- 
doende. Rijnland  was  sedert  lang  bezorgd  voor  zijne  uitwatering 
bij  het  dichtslibben  van  het  IJ  2)  en  Amsterdam  vreesde  voor  het 
verloop  der  scheepvaart. 

Door  versmalling  van  het  IJ  op  enkele  plaatsen  wilde  menschu^ 
ring  van  het  doorloopende  ebbe-  en  vloedwater  veroorzaken  3),  om 
hierdoor  de  ondiepten  met  natuurlijke  werking  te  doen  wegnemen.  Ook 
het  plan  eener  doorgraving  van  de  duinen  was  reeds  gemaakt. 

De  heer  Goüdriaan  gaf  in  zijn  antwoord  verschillende  voordeelen 
op,  die  de  afdamming  van  het  IJ  zou  opleveren.  Hierdoor  zou  o.  a. 
de  diepte  van  het  IJ  meer  bestendig  blijven,  het  onderhoud  van 
kostbare  zeeweringen  zou  veel  verminderd  worden,  de  groote  schepen 
zouden  niet  zooveel  op  het  droge  komen,  waardoor  zij  minder  te 
lijden  hadden. 

De  heer  Mentz  wees  bovenal  op  de  volgende  voordeelen :  Eene 
bestendige  diepte  van  de  Amsterdamsche  haven  en  van  de  water- 
wegen van  Amsterdam  naar  Spaarndam,  Zaandam  enz. :  meer  vei- 
ligheid  voor   de   scheepvaart ;   vrijwaring  tegen  overstrooming  van 

i)  HoUandsche  Maatschappij  van  wetenschappen,  12de  deel,  1824,  psg. 
I  en  pag.  87. 

2)  Zie:  Drie  verhandelingen  over  de  verbeterinjg  der  ontlastinge  van  Rijnland 's 
boezemwater  en  het  project  der  doorgravingen  uit  het  Wijkermeer  naar  de 
Noordzee,  1772. 

3)  P.  Steenstra.  Aanmerkingen  op  de  verbetering  der  ontlasting  van  Rijnland 's 
boezemwater  op  het  IJ,  en  het  project  van  doorgraving  uit  de  Wijkermeer  naar 
de  Noordzee,  1774, 


Digitized  by 


Google 


122 

Amsterdam;  mogelijkheid  van  het  afbreken  der  waterkeerende  sluizen 
voor  Amsterdam,  en  de  daaruit  volgende  toegang  der  groote  schepen 
tot  de  pakhuizen;  de  droogmaking  van  een  groot  gedeelte  van  het 
IJ  enz. 

Verder  stemden  beiden  hierin  overeen,  dat  de  drooglegging  van 
het  IJ  de  droogmaking  van  het  Haarlemmermeer  zou  bevorderen. 
Wel  vreesden  zij,  dat  de  verdere  aanslibbing  van  den  Pampus, 
door  afdamming  van  het  IJ  zou  toenemen,  maar  zij  meenden 
tevens,  dat  hiertegen  genoegzame  maatregelen  te  nemen  waren. 

Overigens  liepen  hunne  plannen  nog  eenigszins  uit  elkander. 

De  heer  Gk)udriaan  wilde  de  afdamming  van  het  IJ  geheel  buiten 
het  IJ  brengen,  zoodat  de  verbinding  van  het  eiland  Marken  met 
den  vasten  wal  hiermede  kon  vereenigd  worden.  Hoewel  in  de  onder- 
deelen  verschillend,  wilde  pok  de  heer  Mentz  hier  de  afsluiting. 
Doch  verder  wilde  deze  eene  uitwatering  van  het  IJ  tot  stand 
brengen  door   een  kanaal  van  het  Wijkermeer  naar  de  Noordzee. 

Beide  verhandelingen  werden  bekroond;  evenwel  kwam  slechts 
het  eerste  tot  uitvoering  in  aanmerking,  en  werkelijk  ving  men 
aan  met  de  voorbereiding,  om  de  Gouwzee  af  te  dammen. 

Doch  het  machtige  Amsterdam  verhief  met  kracht  zijn  stem  tegen 
deze  plannen.  In  de  afdamming  van  het  IJ  zag  het  gevaar  voor 
de  scheepvaart,  door  het  oponthoud  en  het  tijdverlies,  dat  de  sluizen 
zouden  veroorzaken.  De  handel  zag  met  vrees,  dat  Amsterdam 
weldra  een  landstad  zoude  worden.  £n  eene  commissie,  door  den 
Koning  benoemd,  om  de  betoogen  van  Amsterdam  in  deze  zaak  te 
onderzoeken,  ontraadde  het  geheele  plan,  bij  haar  besluit  van  ii 
Dec.  1824.  Wel  was  de  zaak  hiermede  nog  niet  geheel  uit,  doch 
toen  de  Kamer  van  Koophandel  te  Amsterdam  zich  in  Januari 
1828  nogmaals  tot  den  Koning  wendde,  met  verzoek  de  afdamming 
niet   te  doen  plaats  hebben,  werd  het  werk  eindelijk  opgegeven  i). 


i)  Zie  A.  Hufet.  De  Noordzee  vóór  Amsterdam,  IV.  Eene  memorie  over  de 
afdamming  van  Pampus  en  de  indijking  van  het  IJ,  1868. 

(Met  de  rijke  litteratuur  over  het  Noordzee-Kanaal  moesten  wij  ons  nood- 
wendig beperken.) 


Digitized  by 


Google 


123 

Toen  het  evenwel  meer  en  meer  bleek,  dat  het  Noord-HoUandsche 
Kanaal  (in  1824  voltooid)  niet  langer  aan  de  eischen  van  de  scheep- 
vaart kon  voldoen,  kwam  de  doorgraying  van  Holland  telkens 
weder  ter  sprake.  In  1852  werd  deze  zaak  aanhangig  gemaakt 
door  den  gemeenteraad  van  Amsterdam,  die  eene  technische  com^ 
missie  benoemde,  om  de  zaak  te  onderzoeken.  Nog  hetzelfde  jaar 
werd  er  een  verslag  uitgebracht,  waarbij  het  ontwerp  van  een  kanaal 
was  gevoegd. 

Sedert  volgden  rapporten  en  geschriften  elkander  in  menigte 
op,  en  den  loen  December  1861  werd  den  heer  de  Jaeger  concessie 
verleend  voor  een  ontwerp,  waarvan  het  bestaande  kanaal  eene  wij- 
ziging is  i). 

Finantieele  moeielijkheden  hielden  de  uitvoering  der  plannen  nog 
eenigen  tijd  tegen,  en  eerst  den  8en  Maart  1865  werd  de  eerste  spade 
in  den  grond  gestoken  voor  het  groote  werk.  Den  len  November 
1876  werd  eindelijk  onder  het  gedonder  van  het  geschut  de  haven 
van  IJmuiden  en  het  Noordzee-Kanaal  door  den  Koning  der  Neder- 
landen voor  de  scheepvaart  geopend. 

§   3.      NOORD-HOLLAND  TEN   NOORDEN   VAN   DE   IJPOLDERS. 
DUINEN,   ZEEWERINGEN   EN   NATUURLIJKE  GRENZEN. 

Het  noordelijk  gedeelte  van  Noord-Holland  vormt  bijna  een  eiland. 
Behalve  in  het  zuiden  wordt  het  aan  alle  zijden  door  de  wateren 
der  zee  bespoeld.  Evenwel  heeft  de  droogmaking  van  het  IJ  voor 
dit  gedeelte  van  Holland  het  karakter  van  een  eiland  meer  doen 
verloren  gaan. 

Het  grootste  gedeelte  des  bodems  ligt,  zooals  wij  bij  de  nadere 
beschouwing  der  deelen  zullen  opmerken,  beneden  den  spiegel  der 
omringende  zee,  zoodat  het  land  aan  alle  zijden  door  dijken  legen 
het   water  beschermd   moet   worden.    Langs  de  westkust  loopt  de 


i)  Al  Caland.  Historisch  overzicht  en  opmerkingen  betrekkelijk  de  ontwerpen 
tot  verbinding  van  de  Noord <  en  de  Zuiderzee,  1869. 


Digitized  by 


Google 


124 

duinenrij,  die,  behalve  van  Kamperduin  tot  het  dorp  Petten,  de 
aanvallen  van  de  Noordzee  tegenhoudt. 

Van  de  grens  der  provincie  Zuid-Holland  tot  Kamperduin 
loopt  met  afwisselende  breedte  de  duinketen  bijna  onafgebroken 
door,  over  eene  lengte  van  45,392  K.  ^I.  De  doorgraving  van  Hol- 
land op  zijn  smalst  heeft  alleen  bij  IJmuiden  een  smalle  opening 
in  het  duin  gevormd. 

Ten  noorden  van  Kamperduin  ligt  over  eene  lengte  van  4,556 
K.  M.  de  Hondsbossche  zeewering^  van  Kamperduin  tot  de  Pettemer 
zeewering.  Zij  bestaat  uit  een  kunstmatig  aangelegden  zanddijk,  de 
Waker  dijk  genoemd,  en  een  daarvoor  ^zxïgtl^g^  paalschermwerk^  dat 
aan  de  zeezijde  beschermd  is  door  een  met  steen  bezet  rijsheslag^  waar- 
van op  het  strand  29  hoofden  gelegd  zijn.  (Zie  de  schetskaart  pag.  125). 

Achter  den  Wakerdijk  ligt  de  korte  Droomerdijk  ±  500  M.  lang, 
zich  uitstrekkende  van  den  Wakerdijk  tot  den  on^en  Schoorlschen 
zeedijk.  Verder  landwaarts  ten  zuid-oosten  van  deze  ligt  de  bijna 
2000  M.  lange  Slaper  dij k^  van  de  duinen  bij  Har  gen  tot  den  ouden 
Schoorlschen  teedijk. 

De  oude  Schoorlsche  zeedijk  strekt  zich  uit  van  den  Droomerdijk 
tot  den  Slai^erdijk  en  verder  tot  het  Noord- Hollandsche  Kanaal 
naar  het  zuid-oosten. 

Ten  noorden  van  de  Hondsbossche  zeewering  is  de  Pettemer 
zee7uering  er  mede  verbonden.,  Zij  strekt  zich  uit  van  de  aanslui- 
ting aan  den  Wakerdijk  (ten  noorden  van  de  aansluiting  aan  den 
Hazedwarsdijk)  tot  ten  noorden  van  hel  dorp  Petten,  waar  hij 
zich  bij  de  duinen  aansluit.  Deze  zeewering  bestaat  uit  een  kunst- 
matig aangelegden  zanddijk  met  een  paalschermwerk  er  voor.  Aan 
de  zeezijde  is  hij  beschermd  door  een  met  steen  bezet  rijsbeslag, 
waarvoor  zes  besteende  rijshoofden  op  het  strand  gelegd  zijn. 

De  Hondsbossche  zeewering  wordt  onderhouden  door  het  Hoog- 
heemraadschap van  den  Hondsbossche,  de  Pettemer  door  het  Rijk 
(de  Provincie). 

Bij  de  Pettemer  zeewering  sluit  zich  de  duin  keten  weder  aan,  die 
zich  tot  het  zuideinde  van  de  Helderscl\e  zeewering  bij  het  fort 
Kijkduin  over  eene  lengte  van  20,830  K.  M.  onafgebroken  uitstrekt. 


Digitized  by 


Google 


Gedeeltelijk  is  hier  het  duin  kunstmatig  gevormd,  zooals  wij  later 

zien  zullen.  De  provincie  is  met  het  onderhoud  van  de  duinketen  belast. 

De   breedte  van  de  duinketen  is  zeer  afwisselend.    Bij  Wijk  aan 


^ 


Groet 


C/in^periiutn    ^jj^  r^S;-^  *  "  .,^i".  ,^^      '  *** 


^:;.y  ••■  ^  y^^  ^'"^^^  '■ 


zee  bedraagt  de  breedte  =t  1800  M.,  vervolgens  neemt  ze  toe  tot  bij 
Kastricum,  waar  zij  ±  3000  M.  beloopt,  om  daarna  te  versmallen  tot 
1500  M.  bij  Egmond  aan  Zee.  Ten  noorden  van  Egmond  aan  Zee 


Digitized  by 


Google 


1^6 

verbreeden  zich  de  duinen  weder,  en  bereiken  te  Bergen  eene  breedte 
van  3000  M.  en  te  Schoorl  van  4000  M.  Daarna  houden  ze  spoedig 
bijna  geheel  op,  om  plaats  te  maken  voor  de  Hondsbossche  zeewering. 
Van  Petten  tot  Kallantsoog  is  verder  de  duinbreedte  gemiddeld  1000  M. 
en  van  Kallantsoog  versmalt  zij  weder  tot  gemiddeld  420  M.  breedte. 
'  De  hoogte  der  duinen  is  op  verschillende  plaatsen  en  tevens  op 
de  verschillende  tijden  zeer  afwisselend.  Hoogtemetingen  in  de 
duinen  zijn  evenwel  nog  bijna  niet  verricht,  zoodat  wij  daaromtrent 
weinig  kunnen  opgeven. 

Hoewel  wij  reeds  vroeger  gezien  hebben  (I,  pag.  1 1  enz.)  en  bij  de 
geschiedenis  van  den  Hondsbossche  zien  zullen,  dat  de  natuurlijke 
westgrens  niet  constant  gebleven  is,  heeft  toch  de  oostelijke  grens 
van  land  en  water  in  dit  gebied  de  meeste  verandering  ondergaan. 
Aanvankelijk  is  dit  geschied  door  de  verovering,  welke  de  uitbreiding 
der  Zuiderzee  op  het  land  maakte.  Hierop  volgde  eerst  de  be- 
teugeling der  zee,  en  vervolgens  de  verovering  van  den  mensch  op 
de  zee.  Door  verschillende  bedijkingen,  als  het  Koegras,  de  Anna 
Paulowna  polder,  de  Zijpe,  de  Wieringerwaard,  de  Waard-  en 
Groetpolder,  werd  de  landgrens  in  den  loop  der  tijden  zeewaarts 
verplaatst.  En  waar  zij  niet  werd  uitgezet,  moest  evenwel  door 
kunstmatige  middelen  de  bestaande  grens  van  land  en  zee  be- 
waard worden. 

Zoo  is  de  geheele  oostkust  van  dit  gebied  bedijkt.  In  het  noorden 
begint  bij  Kijkduin  de  Heldersche  zeeivering^  die  zich  langs  de 
noordelijke  punt  tot  het  Nieuwediep  in  het  oosten  voortzet.  Van 
hier  loopt  de  Havendijk  tot  het  fort  Oostoever,  en  verder  naar  het 
zuiden  ligt  de  dijk  van  het  Koegras.  Deze  beide  dijken  behooren 
tot  de  werken  van  het  Noord- Hollandsch  Kanaal,  en  zijn  in  onder- 
houd bij  het  Rijk.  Zuidelijker  vindt  men  de  zeedijken  der  bedijkingen 
Anna  Pauiawna  polder^  Wieringerwaard  en  Waard  en  Groet^  die 
door  deze  zelf  worden  onderhouden.  Van  hier  maakt  de  zeedijk, 
die  over  Medemblik,  Enkhuizen  en  Hoorn  loopt,  deel  uit  van  den 
Wesi-Frieschen  zeedijk.  Het  noordelijk  gedeelte  daarvan  heet 
Noorder 'Koggen  zeedijk.^  en  langs  Drechterland  de  Dr  echter  landsche 
zeedijk.  Door  de  ambachten  der  Vier  Noorder-Koggen  en  Drechter- 


Digitized  by 


Google 


t27 

land  worden  deze  beide  dijken  onderhouden,  terwijl  de  kosten 
daarvan  ten  laste  van. geheel  West-Friesland  komen  i). 

De  West-Friesche  zeedijk  is  van  oude  dagteekening.  Hij  moet  reeds 
gelegd  zijn  vóór  het  jaar  1288,  want  in  handvesten  van  Floris  V  aan 
Medemblik  en  Drechterland  verleend,  wordt  die  dijk  genoemd  2). 
Het  is  een  ringdijk,  die  het  oude  West-Friesland,  oudtijds  geheel 
door  buitenwater  omringd,  omsloot.  Door  verdere  bedijkingen  in 
Holland  is  hij  voor  een  groot  gedeelte  binnendijk  geworden. 

Ten  zuiden  van  Lutje  Schardam  tot  de  Assendelverdijk  ligt  de 
Vereeniging  van  den  Noorder  IJ-  en  Zeedijk^  die  de  dijken  langs 
de  Zuiderzee  en  ten  noorden  langs  het  ÏJ  omvat.  De  noordelijke 
IJdijk  is,  sedert  de  inpoldering  van  dit  water,  een  binnendijk  ge- 
worden tot  Schéllingwoude.  Van  het  noorden  af  draagt  deze  weder 
verschillende  namen.  Aanvankelijk  vinden  wij  in  het  noorden  den 
Schardamschendijk  en  den  Keukendijk,  De  naam  Kenkendijk  is 
hiervan  afkotnstig,  djtt  de  bewoners  der  huizen  oï  keukens^  dien 
dijk  moesten  onderhouden.  In  1775  werd  deze  dijk  op  zes  plaatsen 
tot  den  grond  toe  weggeslagen.  —  Verder  zuidelijk  volgen  de  Zeevangs 
Kenkendijk  en  de  Zeevan^s  Zeedijk^  de  Katwouder  Zeedijk^  de 
Zuidpolder  Zeedijk^  de  Nieuwendam  bij  Monnikendam  en  de 
Waterlandsche  Zeedijk, 

Terwijl  elk  deel  in  onderhoud  staat  bij  de  besturen  der  aangren- 
zende deelen,  was  het  noodig,  dat  een  algemeen  bestuur  het 
toezicht  op  den  geheelen  dijk  ten  zuiden  van  den  West-Frieschen 
Zeedijk  hield,  omdat  het  niet  onderhouden  van  éen  deel  van  den 
dijk  nadeelig  zou  zijn  voor  al  het  land.  Daarom  werd  in  1845  de 
Vereeniging  van  den  Noorder  IJ-  en  Zeedijk  opgericht,  die  zich 
tot  een  algemeen  toezicht  bepaalt.  De  kosten  van  huitengeutoon 
onderhoud  worden  dan  ook  gedragen  door  alle  landen  ten  zuiden 
van  West- Friesland,  die  beneden  A.  P.  liggen. 

De  hoogte  der  dijken  is  aan  den  Helder  en  het  Nieuwediep 
+    2,5    il   2,75    M.    +    A.  P.;   van  den  Helder  tot  de  Wieringer- 


1)  Zie  1>eslif«ingen  van  den  Hoogen  Raad  164*  1657,  1695. 

2)  V.  Mieris,  I,  478. 


Digitized  by 


Google 


128 

waard  3,7  M.  +  A.  P.;  van  de  Wieringer waard  tot  Enkhuizen 
+  4  è  5  M.  +  A.  P.;  en  van  Enkhuizen  tot  Schellingwoude  + 
2,25  tot  4  M.  +  A.  P.  i).  De  waterstand  in  de  omringende  zee 
i-J  als  volgt  (187 1 — 1880). 


Gemiddelde 

jaarlijksche  stand 

bij  vloed. 

Gemiddelde 

jaarlijksche  stand 

bij  eb. 

Hoogste  standen. 

IJ  muiden 

+  0,83" 

—  0,82 

+  2,60  Dec.  1877. 

Petten 

+  o,S4 

—  0,88 

+  2,30  Jan.    1877. 

Helder 

+  0.23 

—  0,92 

+  1,74  Jan.    1877. 

Medemblik 

+  0^23 

-  0,38 

+  2,50  Jan.    1877. 

Hoorn 

+  0,01 

—  0,31 

+  2^1  Jan.   1877. 

Durgerdam 

+  0,15 

—  o,so 

+  2,47  Jan.   1877. 

§  4.    Algemeen  overzicht  van  de  hoogte  des  bodems. 

De  bodem  van  het  noordelijk  gedeelte  van  Noord-Holland  is 
alleen  in  de  duinstreek  oneffen  en  hier  tevens  het  hoogst,  doch 
overigens  laag  en  vlak.  Het  lage  veen,  dat  het  grootste  gedeelte 
van  het  vasteland  van  Zuid-Holland  inneemt,  zet  zich  over  het  IJ 
voort,  ongeveer  tot  de  lijn  Hoorn — Alkmaar.  Die  bedekking  der 
oppervlakte  met  laagveen  wordt  afgebroken  door  kleigronden, 
welke  men  in  de  droogmakerijen  vindt.  Hier  is  niet  zelden  de 
klei  gevormd  na  wegslag  van  het  lage  veen  óf  vormt  den  onder- 
grond er  van. 

De  lage  venen  waren  het,  die  in  dit  gebied  zeer  veel  hebben 
bijgedragen  tot  de  vorming  van  land  achter  de  duinen.  Vóór  dat 
de  plassen  waren  drooggemaakt,  was  het  laagveen  door  tal  van 
wateren  en  meren  afgebroken.  Om  dit  land  bij  hooge  waterstanden 
bewoonbaar  te  houden,  werden  er  reeds  vroeg  bedijkingen  op  aan- 
gelegd,  en    zoo   vormen    zij    het   ot/dc  land.    Dit  oude  land  werd 

1)  Zie  over  dit  onderwerp:  De  Vries.  De  zeeweringen  en  waterschappen  van 
Noord  Holland. 


Digitized  by 


Google 


129 

later  door  de  droogmaking  der  tusschenliggende  plassen  uitgebreid. 

In  een  nog  vroegeren  tijd,  vóór  de  uitbreiding  van  het  meer 
Flevo  tot  de  Zuiderzee,  had  zeer  zeker  het  land  grooter  uitbreiding. 
Doch  door  vervening,  afslag  en  positieve  niveauverandering  werd 
de  watervlakte  vergroot. 

De  oude  landen  hebben  zomerpeilen  van  —  0,9  M.  tot  2  M. — 
A.  P.  Zij  liggen  het  laagst  in  het  noorden  langs  den  West- Frieschen 
ringdijk;  langs  de  duinen  liggen  peilen  van  0,8  M.  —  A.  P.  De  terreins- 
hoogte  bedraagt   ongeveer    0,30  M.  4-  A.  P.  tot  0,4  M.  —  A.  P. 

Doch  te  midden  van  deze  oudste  terreinen,  of  liever  van  de 
gedeelten,  welke  het  vroegst  boven  water  lagen,  vindt  men  de  droog- 
makerijen, met  een  diepte  van  —  3,5  tot  4  M.  —  A.  P.  De 
drooggemaakte  Berger-^  Egmonder-^  Heillooèr  (thans  Kooimeer  en 
Groenewater)  en  Boekelermeren^  aanvankelijk  ondiepe  waterplassen, 
die  niet  met  de  zee  in  verbinding  stonden,  doch  waarin  het  water 
van  duinen  en  geestgronden  samenliep,  liggen  niet  dieper  dan  het 
oude  land  ten  O.  der  Schermer  (zomerpeilen  van  —  1,45  tot  2,25 
M.  —  A.  P.) 

Ten  noorden  ongeveer  van  de  lijn  Hoorn — Alkmaar  bestaat  de 
bodem  meest  uit  zeeklei  en  zand.  In  het  gebied  binnen  den  West- 
Frieschen  dijk  ligt  de  bodem  zeer  laag ;  men  vindt  er  zomerpeilen  van 
0,65  M.  —  A.  P.  (Geestmer  Ambacht  in  't  W.)  en  2,10  M.  —  A. 
P.  (de  Polder  Noorder  Koggen  in  *t  O.) 

Het  noordelijkst  gedeelte  van  Noord-Holland  bestaat  meest  uit 
bedijkingen  van  gedeelten  der  zee  ten  oosten  langs  de  duin-eilandjes 
en  reeds  ingedijkte  polders  Kallantsoog  en  Huisduinen.  Men  vindt 
hier  de  Zijte^  6755  H.  A.,  hoog  +  i  M.  —  A.  P.;  de  Wieringer- 
waard^  1859  H.  A.,  hoog  +  1,5  M.  —  A.  P.;  de  Waard-  en 
Groetpolder  1529  H.  A.,  hoog  +  i  M.  —  A.  P.;  de  Anna 
Fauloivnapolder^  5180  H.  A.,  hoog  Hh  0,50  M. — A.  P. ;  het  Koe- 
^as^  3967  H.  A.  en  ±  0,3  M.  +  A.  P.  hoog.  Deze  bedijkingen  (van 
gedeelten  der  zee)  liggen  veel  hooger  dan  de  droogmakerijen  (droog- 
gemaakte plassen).  Doch  als  bedijkingen  liggen  zij,  in  vergelijking 
met  die  in  Zeeland,  laag.  Terwijl  men  in  Zeelèmd  kan  wachten 
met  bedijking,  totdat  de  hoogte  een  natuurlijke  afwatering  bij  ebbe 

II.  9 


Digitized  by 


Google 


130 

toelaat,  was  dat  hier  niet  mogelijk,  daar  het  verschil  tusschenebbe 
en  vloed  er  te  gering  is.  Alleen  het  Koegras  heeft  geene  bemaling 
doch  natuurlijke  afwatering. 

Die  lage  ligging  maakt,  dat  bepoldering  voor  bijna  het  geheele 
gebied  noodig  was,  alleen  de  duinsireek  met  de  geestgronden  uit- 
gezonderd. Bij  de  meeste  polders  is  daarenboven  bemaling  een 
vereischte.  De  polders  sluiten  dicht  aan  elkander,  en  boezemland, 
(land  dat  onbedijkt  langs  den  boezem  ligt),  vindt  men  hier  zeer 
weinig.  Alleen  van  Alkmaar  naar  het  zuiden  over  Heiloo  strekt 
zich  een  hooger  liggende  strook  boezemland  uit. 

De  afwatering  des  lands  heeft  hoofdzakelijk  plaats  op  boezems^ 
die  weder  met  het  Marsdiep,  de  Zuiderzee  en  het  Noordzee-ka- 
naal  in  verbinding  staan.  Doch  van  eenige  gedeelten  geschiedt  de 
afwatering  rechtstreeks  door  sluizen  op  de  Zuiderzee.  Dit  heeft 
o.  a.  plaats  met  een  deel  van  Waterland^  een  groot  deel  van  H^^esi- 
Friesland^  (nl.  Drechterland,  Vier  Noorder  Koggen)  en  de  Wie- 
r invoerwaard.  Deze  laatste  is  de  eenige  bedijking,  die  na  opmaling 
uitsluitend  direct  op  zee  afwatert.  De  Anna  Faulawna-poider  en  de 
Zeevang  loozen  gedeeltelijk  direct  op  zee,  gedeeltelijk  op  den 
Schermerboezem.  Op  het  Noordzee- Kanaal  wordt  direct  geloosd 
door  een  deel  van  Waterland  en  door  den  polder  Oostzaan. 
Aldus  blijkt,  dat  de  waterafvoer  naar  het  zuiden,  oosten  en  noorden 
en  niet  direct  naar  het  westen  plaats  heeft.  (Zie  kaart  VUL) 

De  boezems  in  dit  gebied  zijn  de  volgende: 

A.     De   Schermerboezem. 

6.     De   Raakmaatsboezem. 

C.  De   Mient   of  Niedorperkoggeboezem. 

D.  De   Skagerkoggeboezem. 

E.  De   boezem    van   het   Kolhornerdiep. 

Van  deze  boezems  is  de  Schermerboezem  verreweg  de  belangrijkste^ 
door  zijne  groote  uitgebreidheid  en  zijn  aanzienlijk  boezemgebied. 
Hij  neemt  het  afvoerwater  op  van  geheel  het  westen  (van  het 
Noordzee-Kanaal  tot  het  Marsdiep),  en  strekt  zijn  gebied  ten  noor- 
den van  Waterland  tot  den  West-Frieschen  ringdijk  (ongeveer  de  lijn 
Hoorn— Alkmaar)    en    de    Zuiderzee   uit.     Hierdoor    is   de    Scher- 


Digitized  by 


Google 


131 

merboezem  een  onderwerp  van  gemeenschappelijk  belang  voor. het 
grootste  gedeelte  van  Holland's  Noorderkwartier. 

In  historisch  opzicht  kan  men  het  land  van  Holland  ten  noorden 
van  het  IJ  in  vier  deelen  of  kavels  verdeelen,  en  de  tegenwoordige 
toestanden  sluiten  zich  vrij  goed  hierbij  aan.  Evenwel  de  hydro- 
graphische  indeeling  wijkt  hiervan  nog  al  af.  Die  historische  deelen 
dan  zijn:  i.  de  Duinkavel^  2.  de  Kavel  van  Waterland^  3.  West- 
Friesland^  4.  de  Kavel  der  aangedijkte  landen.  Onder  deze  laatste 
afdeeling  vat  men  de  nieuwe  landen  samen,  die  door  bedijkingen 
op  de  zee  veroverd  zijn,  als:  de  Zijpe^  de  Wieringerwaard^  het 
Koegras ^  de  Anna  Paulownapolder  en  de  Waard-  en  Groetpolder. 
Verder  komen  hierbij  de  deelen,  welke  vroeger  eilanden  waren,  als 
Kallantsoog  en  Huisduinen. 

Wij  behandelen  thans  het  Noordelijk  Holland  volgens  de  boezem- 
gebieden,  doch  zullen  hierbij  op  die  historische  indeeling  achtslaan. 

§   5.      DE    SCHERMERBOEZEM. 

De  Schermerboezem  bestaat  uit  een  tal  van  wateren,  die  het 
gedeelte  van  Noord-Holland  ten  noorden  van  het  Noordzee-kanaal 
doorsnijden.  Het  voornaamste  water  hiervan,  waarop  de  meeste 
andere  wateren  uitloopen,  is  het  Noord- Hollandse h  Kanaal  van  de 
stad  Purmerend  tot  aan  den  Helder.  Het  zuidelijkste  deel  van  dit 
kanaal,  van  Purmerend  tot  Buiksloot,  ligt  met  Waterlands  polder- 
water gemeen,  en  wordt  door  een  schutsluis  te  Purmerend  van  het 
noordelijke  deel  gescheiden.  Het  noordelijke  deel  van  het  Noord- 
Hollandsch  Kanaal,  dat  geheel  tot  den  Schermerboezem  behoort, 
loopt  van  Purmerend  langs  de  Beemster,  het  Starnmeer  en  de 
Schermer,  langs  Geestmerambacht,  midden  door  de  Zijpe  en  langs 
het  Koegras. 

De  overige  wateren  van  den  Schermerboezem  zijn :  de  Schermer- 
ringvaart  (doch  niet  langs  de  Heer-Hugowaard),  de  Ursemer- 
vaart  langs  den  Waligsdijk  (deel  van  de  trekvaart  van  Alkmaar 
op  Hoorn),  het  Zwet  bij  Schermerhorn,  de  Beemster  ringvaart.^  de 
uitwatering  van  de  Beemster^  de  uitwatering van  Kennemerlandof 


Digitized  by 


Google 


132 

Korssloot^  het  gedeelte  van  de  ireki^aart  van  Edam  op  Hoorn  (van 
Oosthuizen  tot  Oudendijk),  de  stadsgrachten  van  Furmerend^  de 
Weere^  de  Furmer-ringvaart^  de  stadsgrachten  en  binnenhaven  te 
Edam^  de  trekvaart  tusschen  Edam  en  Monnikendam^  het  Stinke- 
vuil  of  de  Furmer-Ee^  de  Wijdewormer-ringvaart  (zoover  die  niet  is 
afgedarad),  de  Braaksloot^  de  Zaan^  de  Knollendammervaart^  de 
JN auernaschevaart^  de  Markervaari^  de  Stierop^  het  Langemeer 
met  de  daarmede  vei bonden  meren,  ^'t  stadsgrachten  van  Alkmaar^ 
de  trekvaart  van  die  stad  af  tot  de  sluis  aan  de  Zes  wielen  en  de 
vaart  van  die  sluis  tot  aan  het  Huiswaardergat ;  verder  in  de 
gemeente  Heiloo,  Egmond-Binnen  en  Bergen:  de  vaart  van  Alkmaar 
naar  Egmond-Binnen  en  Egmond  op  den  Hoef^  de  Wimmenum' 
mervaart  en  de  ringvaart  rondom  het  Bergermeer  en  den  Monni- 
kenpolder  (deze  vaarten  kunnen  door  twee  sluisjes  van  den  Scher- 
merboezem worden  afgesloten);  verder  de  scheidingssloot  tusschen 
Bergen  en  Schoort  en  de  Hondsbossche  vaart  tot  over  en  langs  den 
Hondsbosschen  Slaperdijk. 

Wij  zijn  in  de  opnoeming  dezer  wateren  vrij  uitvoerig  geweest ; 
minder  om  de  details  van  den  hydrographischen  toestand  te  on- 
derzoeken, dan  wel  om  het  geographische  beeld  van  het  uitgebreide 
waternet  van  den  Schermerboezem  door  Hollands  Noorderkwartier, 
zij  het  ook  al  vaag,  toch  eenigszins  te  voltooien. 

Vóór  het  graven  van  het  Noord-HoUandsche  Kanaal  (i  8 19)  hield 
de  Schermerboezem  in  het  noorden  op  aan  den  Schoor Isc hendij k^  en 
werd  daar  door  de  Jacob-Klaassensluis  van  de  wateren  in  den 
polder  de  Zijpe  afgescheiden. 

De  doorsnijding  van  den  Schoorlschendijk  ten  behoeve  van  het 
Kanaal  heeft  niet  alleen  aan  den  Schermerboezem  het  geheele 
verdere  kanaal  tot  Nieuwediep  toegevoegd,  maar  ook  •  de  wateren 
van  de  Zijpe  met  dien  boezem  vereenigd.  Hierdoor  werd  de  water- 
oppervlakte van  den  boezem  van  1700  H.  A.  tot  2000  H.  A.  uit- 
gebreid. 

Een  groot  aantal  polders  loozen  hun  water  op  den  Schermer- 
boezem. 

I.    De  polders  van  den  Duinkavel,  uitgezonderd  het  Wijkerbroek. 


Digitized  by 


Google 


133 

2.  Al  de  polders  waarvan  enkele  gedeeltelijk,  van  den  kavel  Wa- 
terland^ behalve  de  polder  Oostzaan,  die  uitsluitend  op  het 
Noordzee-Kanaal  uitwatert. 

3.  De  polders  Beschoot  en  Westerkogge  in  Drechterland. 

4.  Al  de  polders  van  Geestmerambacht  en  enkele  behoedende  tot 
de  Vier  Noorder  koggen  ^  welke  polders  uitmalen  op  den 
Raakmaatsboezera,  terwijl  deze  weder  op  twee  plaatsen  te 
Oudorp  en  te  Rustenburg,  op  den  Schermerboezem  kan  wor- 
den afgemalen. 

5.  De  polder  Kallantsoog  en  de  Helder sche  polder^  die  daarop 
zonder  bemaling  afwateren    ij. 

De  gezamenlijke  landen,  welke  op  den  Schermerboezem  uitwateren, 
beslaan  een  oppervlakte  van  77500  H.  A.  2).  Hierbij  is  niet  ge- 
rekend het  gebied  van  den  Raakmaatsboezem,  die,  zooals  wij  reeds 
zagen,  ook  op  den  Schermerboezera  kan  uitwateren.  Dit  laatste 
heeft  namelijk  plaats,  wanneer  door  hoogen  buiten-waterstand  deze 
boezem  niet  op  de  Zuiderzee  kan  loozen. 

De  Schermerboezem  heeft  een  zomerpeil  van  0,58  M.  —  A.  P., 
een  maalpeil  =  A.  P.  terwijl  het  noodpeil  0,08  +  A.  P.  is.  De 
waterstanden  van  1872 — 1883  waren: 

te  Alkmaar  \      te  Pur  merend 

Gemiddelde  zomerstand     0,53  —  A.  P. 
„  winterstand    0,43  —  A.  P. 

Laagste  stand  22  April  73'  0,77  —  A.  P. 


Gemiddelde  zomerstand     0,53  —  A.  P. 

„  >nnterstand     0,43  —  A.  P. 

Laagste  stand  15  April  73'  0,75  —  A.  P. 


De  hoogte  der  boezemkaden  is  Ji  0,10  tot  0,50  M.  +  A.  P. ; 
van  enkele  polders  bedraagt  die  hoogte  niet  meer  dan  =  A.  P., 
terwijl  zij  voor  den  Beemster  reikt  tot  1,75   +  A.  P. 

De  Schermerboezem  watert  uit  door  vijf  sluizen  op  het  Noordzee- 
Kanaal  en  door  vijf  sluizen  op  de  Zuiderzee  en  aan  het  Nieuwediep. 
Deze  sluizen  zijn: 

a.    Naar  het  Noordzee-Kanaal: 


i)  Mr.  G.  de  Viies  Azn.  De  zeeweringen  en  waterschappen  van  Noord- 
IloUand,  1864,  pag.  230  enz. 

2)  Mr.  J.  G.  A.  Faber.  (üelijkmaking  van  het  peil  van  het  Noordzee-Kanaal 
en  van  den  Schermerboezera,  1873;  noemt  79000  H.  A. 


Digitized  by 


Google 


134 

1.  de  Nauernasche  schutsluis. 

2.  de  duikersluis  bij  Nauerna. 

3.  de  groote  schutsluis  te  Zaandam. 

4.  de  kleine  schutsluis  te  Zaandam. 

5.  de  duikersluis  te  Zaandam. 
b.  Naar  de  Zuiderzee : 

I.   de  Graven-  of  Grafelijkheidsluis  te  Monnikendam, 
a.   de  schutsluis  te  Edam. 

3.  de  Zuidersluis  te  Schardam. 

4.  de  Noordersluis  te  Schardam, 

5.  de  Homsluis  te  Lutje  Schardam. 

Op  pag.  12»  zagen  wij  reeds,  dat  de  gemiddelde  ebbestand  te 
den  Helder  ±  0,92  M.  —  A.  P.  bedraagt,  en  dus  lager  is  dan  op 
de  Zuiderzee  (Medemblik  —  0,31).  Hierdoor  kan  men  verwach- 
ten, dat  ook  aan  den  Helder  de  aanzienlijkste  uitwatering  van 
den  Schermerboezem  zal  plaats  hebben,  sedert  dit  noordelijk  ge- 
deelte door  het  Noord-HoUandsch  Kanaal  er  mede  verbonden  is. 
Voor  een  belangrijk  deel  heeft  dan  ook  de  loozing  hier  plaats  door 
de  aan  het  Rijk  behoorende  schutsluis  in  het  Nieuwe  werk  en  door 
de  Marineschutsluis,  beide  te  Nieuwediep  aan  het  einde  van  het 
Noord-HoUandsch  Kanaal  gelegen. 

In  zeer  zeldzaam  voorkomende  gevallen  kan,  krachtens  contract 
van  21  October  1853  tusschen  de  Zijpe  en  den  Anna  Paulowna 
polder,  de  loozing  ook  geschieden  door  de  Van  Ewijkssluism^tn 
zeedijk  van  den  Anna-Paulownapolder,  aan  het  einde  van  de  uit- 
watering van  de  Zijpe  door  het  Oude  Veer  gelegen.  Volgens  genoemd 
contract  mag  de  Jacob-Klaassensluis  (tusschen  het  water  van  de 
Zijpe  en  het  Noord-Hollandsch  Kanaal)  enkele  omstandigheden 
uitgezonderd,  steeds  openstaan. 

S  6.   HET  HOOGHEEMRAADSCHAP  WATERLAND. 

Men  moet  wel  onderscheid  maken  tusschen  den  Kavel  Waterland 
en  het  Hoogheemraadschap  Waterland,  De  Kavel  Waterland  is 
een  historische  naam,  die  toegekend  wordt  aan  het  land,  grenzende 


Digitized  by 


Google 


'35 

aan  West- Friesland  in  het  noorden,  den  Duin-Kavel  in  het  westen, 
de  IJpolders  in  het  zuiden  en  de  Zuiderzee  in  het  oosten.  De 
polders  van  dit  gebied  vormen  noch  in  administratief,  noch  in  hy- 
drc^raphisch  opzicht  een  zelfstandig  geheel.  De  eenige  gemeen- 
schappelijke band,  een  zeer  losse,  is,  dat  zij  een  gemeenschappelijke 
vertegenwoordiging  in  het  Hoogheemraadschap  van  den  Honds- 
bossche  bezitten. 

Doch  in  het  zuid-oosten  van  den  Kavel  Waterland  zijn  een  tiental 
polders  vereenigd  tot  het  Hoogheemraadschap  Waterland,  De  af- 
watering der  tot  dit  Hoogheemraadschap  behoorende  landen  wen- 
schen  wij  thans  te  bespreken. 

Het  Hoogheemraadschap  Waterland  omvat  het  gebied  tusschen 
het  TJ  in  het  zuiden,  de  Zuiderzee  in  het  oosten,  de  lijn  van  Mon- 
nikendam westwaarts  gaande  in  het  noorden  en  de  Twisk  (de 
oostelijke  grens  van  den  polder  Oostzaan)  in  het  westen. 

Door  Waterland  loopt  het  eerste  pand  yzxiYitl Noord- Hoiiandsch 
Kanaal^  van  de  Willemsluizen  tot  Purmerend,  over  eene  lengte  van 
14,968  K.  M.  Dit  kanaal  ligt  in  vrije  watergemeenschap  met  het 
polderwaler  der  slooten  en  der  wateren  van  Waterland,  en  heeft  het- 
zelfde zomerpeil  van  1,30  M.  —  A.  P.  Daar  het  tweede  pand  met 
den  Schermerboezem  gemeen  ligt,  en  een  zomerpeil  van  —  0,58  M. 
A.  P.  heeft,  zal  dus  bij  de  sluizen  te  Purmerend  de  waterspiegel 
1,30  —  0,58  =  0,72   M.  rijzen. 

De  loozing  van  water  uit  Waterland  heeft  plaats  met  bemaling, 
door  twee  sluizen  direct  op  de  Zuiderzee,  de  Foelsluis  en  de  Rij- 
persluis  en  door  een  stoomgemaal  bij  Kadoelen  op  het  Noordzee- 
kanaal. De  drooggemaakte  meren  uit  dit  gebied  loozen  hun  water 
op  het  polderwater  van  Waterland.  Men  vindt  hier  o.  a.  de  Buik- 
sloter meer-polder^  z.  p.  —  4,50,  de  Broekermeer-polder  z.  p.  — 
S,io,  de  Belmermeer-polder^  z.  p.  —  4,44,  de  Noordmeer-polder^ 
z.  p.  —  4,30  drooggemaakt  1865  en  de  Monnikenmeer ^  z.  p.  — 
4,10,  drooggemaakt  1864.  Het  Blijkmeer  is  in  1875  drooggemaakt, 
en   loost  direct  op  de  zee. 


Digitized  by 


Google 


136  ^ 

§    7.      WEST-FRIESLAND. 

Het  gedeelte  van  het  Noorder  Kwartier,  dat  onder  den  historischen 
naam  West-Friesland  bekend  is,  wordt  geheel  door  een  ringdijk 
ingesloten.  Het  land,  dat  binnen  dezen  dijk  gelegen  is,  wordt  in 
vier  ambachten  verdeeld:  Drechterland^  de  Vier  Noorder-Koggen^ 
Geestmerambacht  en  de  Schager-  en  Niedorper- Koggen, 

De  polders  van  Drechierlandy  het  oostelijkste  gedeelte,  hebben  geen 
gemeenschappelijken  boezem  en  evenmin  een  gemeenschappelijk 
gemaal.  De  afwatering  van  dit  land  heeft  plaats  door  verschil- 
lende sluizen  op  de  Zuiderzee.  In  het  westelijk  gedeelte,  in  de 
banne  Berkhout^  liggen  nog  eenige  landen  met  den  polder  Ursem 
vereenigd,  die  op  dtn  Raakmaatsboezem  afwatert. 

De  polders  van  het  ambacht  der  Vier  Noor  der- Koggen  hebben 
voor  het  grootste  gedeelte  een  gemeenschappelijken  boezem  en  een 
gemeenschappelijk  stoomgemaal.  De  waterloozing  van  dezen  boe- 
zem heeft  plaats  door  sluizen  op  de  Zuiderzee. 

A.   De  Raakmaatsboezem  en  zijn  gebied. 

De  polders  en  droogmakerijen  van  het  Geestmerambacht  hebben 
een  gemeenschappelijke  waterbergplaats  en  een  uitwateringsmiddel  in 
den  Raakmaatsboezem.  Deze  boezem  wordt  gevormd  door  onder- 
scheidene wateren,  meest  ringslooten  om  de  droogmakerijen,  in  het 
Geestmerambacht.  De  Raakmaatsboezem  loost  zijn  water  door  de 
Geestmerambachtsluis  in  den  West-Frieschendijk  bij  Aartswoud  op 
een  uitwateringskanaal,  dat  langs  den  binnenberm  van  den  zeedijk 
van  den  Groetpolder  loopt,  en  door  een  sluis  in  dien  zeedijk  bij 
het  Kolhomerdiep  op  de  Zuiderzee  kan  afstroomen. 

Verder  kan  deze  boezem  afstroomen  op  den  Schermerboezem  door 
de  schutsluis  aan  de  Zes  Wielen  bij  Alkmaar,  en  door  de  uitwate- 
ringsluis  te  Rustenburg.  Bij  onvoldoende  natuurlijke  loozing  door 
genoemde  drie  sluizen  wordt  de  boezem  afgemalen  op  den  Sc  her- 
merboezem.  Ook  de  inlating  van  water  heeft  van  den  Schermer- 
boezem  plaats. 

Het  zomerpeil  van  den  Raakmaatsboezem  is  0,65  M.  —  A.  P.; 


Digitized  by 


Google 


137 

de  hoogte  der  boezemkaden  is  van  +  0,08  tot  0,25  M.  +  A  P.; 
bij  den  polder  Veenhuizen  tot  1,00  M.  +  A.  P.  Ongeveer  16000  H.A. 
polderland  brengt  zijn  water  op  dezen  boezem.  De  polders  heb- 
ben zomerpeilen  van  —  1,18  tot  2,13  M.  —  A.  P.  Daarenbo- 
ven liggen  er  vele  droogmakerijen  in  dit  gebied,  met  zomerpeilen 
van  —  1,87  tot  M.  —  3,49  A.  P.  Onder  deze  is  de  Heer-Hu- 
gowaard  van  de  meeste  beteekenis. 

B.  De  Mient  of  Niedorper-Koggeboezem  en  zijn  gebied. 

De  wateren  in  de  Niedor per-Kogge^  het  gebied  ten  noorden  van 
Geestmerambacht,  vormen  den  Niedorper-Koggeboezem^  die  wordt 
afgemalen  bij  Lutjewinkel  op  den  boezem  van  het  Kolhornerdiep, 
Het  zomerpeil  van  dezen  boezem  is  0,65  M.  —  A.  P.  Ongeveer 
3700  H.  A.  polderland  watert  hierop  af. 

De  boezem  kan  door  de  schutsluis  aan  de  Niedorperveriaat  mtX. 
den  Raakmaatshoezem^  en  door  de  Verlaaisluis^  een  schutsluis  in 
de  Kromme  Gouw,  bij  Kolhorn  met  den  Schdger-Koggehoezem  in 
gemeenschap  gebracht  worden. 

Het  zomerpeil  der  hierop  loozende  polders  wisselt  af  van —  1,42 
tot  2,51  M.  —  A.  P.  zoodat  bemaling  noodzakelijk  is. 

C.   De  Schager-Koggeboezem  en  zijn  gebied. 

Deze  boezem  wordt  gevormd  door  verschillende  wateren,  waarop 
±  3300  H.  A.  polderland  uitwateren.  De  boezem  wordt  afgemalen 
bij  Kolhorn  op  den  boezem  het  Kolhornerdiep,  Het  zomerpeil  van 
den  boezem  is  M.  —  A.  P.  0,60,  dat  van  de  polders  van  M.  — 
A.  P.  0,90  in  het  westen  tot  M.  —  A.  P.  1,90. 

D.   De  boezem  het  Kolhornerdiep  en  zijn  gebied. 

Het  hoofdwater  van  dezen  boezem  is  het  Kolhornerdiep  met  het 
BoerensluiskanaaL  Op  dezen  boezem  loozen  in  het  geheel  ongeveer 
8500  H.A.  polderland.  De  Niedorper-Koggeboezem  en  de  Schager- 
Koggeboezem    malen   hun    water  af  op  het  Kolhornerdiep,  zooals 


Digitized  by 


Google 


13» 

wij  zagen.  Verder  is  dit  de  waterbergplaats  van  den  Waard-  en 
Groetpolder.  De  boezem  loost  zelf  het  water  door  een  schutsluis 
op  de  Zuiderzee.  Het  maalpeil  van  den  boezem  is  +  A.  P.  0,70 
M.  +  A.  P.  en  hij  wordt  door  wallen  van  +   i  M.  ingesloten. 

£.   De  voorboezem  van  de  Wieringerwaard. 

Bij  de  bedijking  van  den  Anna  Paulowna  polder  is  tot  water- 
loozing  van  den  polder  de  Wieringerwaard  een  voorboezem  ge- 
graven, waarop,  behalve  de  Wieringerwaard  ook  de  Oostpolder,  een 
deel  van  den  Anna  Paulownapolder,  loost.  Deze  voorboezem  loost 
door  een  duikersluis  gelegen  in  den  dijk  aan  den  Oosthoek  van  den 
Anna  Paulownapolder  op  de  Zuiderzee. 

§   8.      DE   KAVEL   VAN   DE   AANGEDIJKTE  LANDEN. 

Onder  de  aangedijkte  landen  verstaat  men  de  bedijkingen  in  het 
noordelijk  gedeelte  van  Noord-Holland,  nl.  de  Zijpe^  den  Wie- 
ringerivaard  of  Nieuwe  Zijpe,  het  Koegras^  den  Anna  Paulowna- 
polder en  den  polder  Waard  en  Groet^  met  de  vroegere  eilanden 
Kallanisoog  en  Huisduinen,  Deze  bedijkingen  zullen  wij  achtereen- 
volgens afzonderlijk  bespreken  en  de  geschiedenis  er  van  kortelijk 
vermelden. 

A.    De  Zijpe. 

De  Zijpe  is  de  oudste  van  ^tz^  bedijkingen  in  het  noordelijk 
Noord- Holland.  Hare  geschiedenis  wordt  op  pag.  153  besproken; 
alleen  vermelden  wij,  dat  zij  sedert  1597  droog  ligt. 

De  bedijking  de  Zijpe  ligt  in  het  zuid-westen  en  zuiden  tegen 
den  Schoorlschendijk,  in  het  Z.  O.  en  O.  tegen  den  West- Frieschen 
zeedijk  en  heeft  ten  N.  en  N.  W.  eigen  bedijkingen.  Tusschen  den 
Spreeuwendijk  en  Kallantsoog  is  de  oorspronkelijk  gelegde  dijk  tot 
binnenduin  vervormd.  De  hoogte  der  dijken  is  2,25  tot  5,28  M. 
4-  A.  P.  In  de  lengte  wordt  deze  polder  doorsneden  door  het 
Noord'Hollandsch    Kanaal^   waarop   hij    loost.    De   Oude  sluis  is 


Digitized  by 


Google 


'39 

na  de  indijking  van  den  Anna  Paulownapolder  van  een  schutsluis 
in  een  doorvaartsluis  veranderd.  Ingevolge  overeenkomst  28  Oct. 
1853  mag  de  binnen-boezem  van  den  Anna  Paulownapolder  alleen 
dan  van  de  gemeenschap  met  het  Zij  per  boezem  water  worden  afge- 
sloten^ als  het  boezemwater  van  den  Anna  Paulownapolder  hooger 
staat  dan  in  de  Zijpe,  of  de  ebdeuren  in  de  Ewijkssluis  niet  gesloten 
gehouden  worden. 

De  Zijpe  is  verdeeld  in  21  polders,  die  elk  hun  eigen  bemaling 
hebben,  waarmede  het  water  wordt  uitgemalen  op  de  Groote  Sloot^ 
de  Egalement  vaarten  en  het  Kanaal^  alle  gemeen  liggende  met 
den  Schermerboezem. 

De  winterpeilen  in  de  Zijpe  loopen  van  —  0,50  tot  1,70  M. 
—  A.  P.    De  polder  heeft  een  oppervlakte  van  =t  6755  H.  A.  i). 

B.    De    Wieringerwaard* 

Ten  noord-oosten  van  de  bedijking  der  Zijpe  lagen  langs  den 
noordelijken  West-Frieschen  zeedijk  slijkgronden.  In  1597  werd 
aan  Adriaan  Maartensz.  Koetenburg  octrooi  verleend  deze  gronden 
te  mogen  bedijken  2).  Eerst  in  1608  werd  er  met  kracht  aan  be- 
gonnen te  werken.  In  161  o  liep  de  bedijking  weer  onder  water, 
doch  werd  ook  hetzelfde  jaar  weder  drooggemaakt  3).  Men  noemt 
deze  bedijking  de  Wieringerv^aard  of  ook  wel  Nieuwe  Zijpe^  als 
aansluiting  bij  deze. 

Ten  Z.  tegen  den  West-Frieschen  zeedijk^  ten  Z.-W.  tegen  den 
Zijpschen  Slijkerdijk  gelegen,  is  de  polder  ten  N.-W.,  N.  en  O. 
dooreen  eigen  dijk  ingesloten,  die  vroeger  geheel  zeedijk  was,  doch 
nu  slechts  voor  890  M.  waterkeerend  is.  Ten  noorden  toch  heeft 
sedert,  de  inpoldering  van  den  Anna  Paulownapolder  en  ten  oos- 
ten van  den  Waardpolder  plaats  gehad.  De  dijk  ligt  3,41  M.  -r 
A.  P.  De  polder  heeft  eene  oppervlakte  van  1859  H.  A* 

1)  De  Vries.  Zeeweringen  en  waterschappen  in  Noord- HoUand,  1864, 
png.   585. 

2)  Groot  plakkaat  boek  II.  D.  Kol.  1691. 
l\  Tegenw.  Staat  VIII,  pag.  425. 


Digitized  by 


Google 


140 

Het  zomerpeil  is  2,14  M.  —  A.  P.  De  polder  wordt  bemalen. 
Eerst  wordt  het  water  uit  den  polder  op  een  kanaal  of  sloot,  strek- 
kende langs  den  noord  west  en  noorddijk  opgemalen.  Uit  dit  kanaal 
wordt  het  vervolgens  overgemalen  in  een  kolk,  die  zich,  door  een 
duikersluis  in  den  noorddijk  ontlast  op  een  voorboezem.  (Zie 
pag.  138  E.)    I). 

C.    Het  Koegras. 

Het  Koegras  is  eene  bedijking  (groot  3967  H.  A.)  in  18 17  door 
het  aanleggen  van  het  Noord-HoUandsch  Kanaal  tot  stand  gekomen. 
Vóór  dien  tijd  bestond  het  Koegras  uit  bewassen  slik-  en  zand- 
gronden, die  door  schapen  en  koeien  beweid  werden.  Meer  dan 
2000  schapen  en  veel  jong  vee  onder  opzicht  van  huislieden  in 
de  zoogenaamde  keeten,  twee  groote  boerenwoningen  in  het  midden 
van  het  Koegras,  zwierven  hier  rond.  Doch  met  plotseling  op- 
komend hoog  water  kwamen  niet  zelden  vele  dieren  om,  soms  500 
k  600  in  éen  nacht. 

Van  tijd  tot  tijd  werden  er  plannen  tot  bedijking  ontworpen, 
die  op  de  hooge  kosten  afstuitten.  In  1610  werd  de  Zanddijk  of 
Oldenbarneveldsdijk  ten  westen  langs  het  Koegras  gelegd,  om  het 
tegen  de  Noordzee  te  beschutten.  In  April  1629  werd  octrooi  tot 
bedijking  van  het  Koegras  verleend,  doch  zonder  gevolg;  in  1663 
beloofden  de  Staten  zelfs  200,000  gulden  van  den  Staat  als  sub- 
sidie, doch  eveneens  vruchteloos.  In  1666  en  1759  werd  het  on- 
derwerp weder  ter  sprake  gebracht,  doch  niet  voor  181 7  kwam  de 
zaak  tot  uitvoering  2). 

Het  Koegras  is  een  dorre  bodem  van  weinig  waarde.  De  hoogte 
is  gemiddeld  0,80  M.  f  A.  P.  Bemaling  is  hierdoor  niet  noodig. 
De  afwatering  geschiedt  door  éen  houten  duiker  en  twee  schut- 
sluizen op  het  Kanaal  3). 


i)  De  Vries.  De  zeeweringen  en  waterschappen  van  Noord-Holland,  pag.  595. 

2)  Tegenwoordige  Staat  VIII,  pag.  374.  —  Van  der  Aa,  art.  ^^Koegrasy 

3)  De  Vries.    t.  a.  p.  pag.  597. 


Digitized  by 


Google 


141 
D.    De  Anna  Paulownapolder. 

Tusschen  den  Koegras-zeedijk,  den  Zijpschen  dijk  en  den  noord- 
west en  noorddijk  van  de  Wieringerwaard  lagen  schorgronden,  van 
eenige  diepere  geulen  doorsneden.  In  1844  (29  Juli  Stbl.  N.  134) 
werd  concessie  tot  bedijking  dezer  gronden  verleend,  en  in  1845 — 47 
werd  zij  werkelijk  uitgevoerd.  Een  hechte  zeedijk  +  3,40  tot  3,70 
M.  +  A.  P.  sluit  dit  deel  thans  van  de  zee  af.  Aan  deze  bedijking 
werd  de  naam  Anna  Paulownapolder  gegeven. 

Midden  door  den  polder  is  nog  de  oude  diepere  geul  als  een  bree- 
der  water  onder  den  naam  Oude  Veer  achtergebleven.  Op  de  kaart 
van  Tirion  (Tegenw.  Staat)  heet  die  geul  het  Veer  of  Ouddieper 
Swin  i). 

Dit  Oude  Veer  met  de  Van  Ewijksvaarl  (die  evenwijdig  langs 
het  laatste  gedeelte  van  het  Oude  Veer  loopt)  deelen  de  bedijkiog 
in  twee  deelen;  in  een  Oostelijk  en  Westelijk  deel.  De  noordelijkste 
helft  van  het  Oude  Veer  ligt  in  den  Oostdijken  polder.  De  uit- 
watering  van  de  Zijpe  door  de  Oude  sluis  geschiedt  op  het  zuidelijk 
deel  van  het  Oude  Veer,  waardoor  het  water  op  de  Van  Ewijks- 
vaart  gevoerd  wordt  en  door  de  Van  Ewijkssluis  op  de  zee  afloopt. 
(Zie  pag.  134  en  139).  Oude  Veer  en  v.  Ewijksvaart  vormen  dus 
een  voorboezem  van  de  Zijpe, 

Het  stoomgemaal  van  de  Westelijke  helft  van  den  Anna  Paulowna- 
polder maalt  af  op  het  Oude  Veer,  dat  zich  onmiddellijk  door  de 
Van  Ewijksvaart  en  -sluis  op  zee  kan  ontlasten.  De  hoogere 
zandgronden  in  het  noorden  van  den  polder  loozen  op  hetdijkska- 
naal  en  verder  door  een  duikersluis  nabij  de  van  Ewijkssluis  op  de  zee. 

De  geheele  grootte  van  de  bedijking  bedraagt  5180  H.  A.  87 
H.  A.  van  den  polder  zijn  vrij  van  dijklasten,  omdat  zij  behoor- 
den tot  eene  schor,  die  reeds  omkaad  en  in  bebouwing  was  vóór 
de  algemeene  bedijking. 

De  waterstanden  in  den  polder  zijn  niet  overal  gelijk.  In  den 
Westpolder  bevinden  zich  4  verschillende  waterstanden  van  —  0,80 


i)  Tegenwoordige  Staat  VIII,  pag.  395. 


Digitized  by 


Google 


142 

tot  i,8o  M.  —  A.  P.  De  bodem  is  er  0,20  tot  0,60  M.  —  A.  P 
In  de  oostelijke  helft  zijn  de  zomerpeilen  1,30  tot  1,60  M.  — 
A.  P.  i). 

E.    Waard  en  Groet. 

De  Waard  is  eene  bedijking  ten  oosten  van  de  Wieringerwaard 
en  ten  zuiden  tegen  een  gedeelte  van  den  West-Frieschen  dijk  gele- 
gen. De  Groeipolder  ligt  ten  oosten  legen  den  West-Frieschen  zee- 
dijk. De  bedijking  dezer  gronden  is  geschied  volgens  concessie  van 
5  Juli  1843  (Stbl.  N.  42).  Deze  bedijking  wordt  bemalen.  Het  zo- 
merpeil  is  1,65  M.  —  A.  P.  De  oppervlakte  van  de  Waard  en  de 
Groet  is  1526  H.  A. 

De  Waard  en  Groet  zijn  gescheiden  door  eene  kreek,  he^  Kol- 
hornerdiep^  die  vroeger  op  de  diepte  werd  gehouden  door  het  waler^ 
dat  bij  vloed  en  ebbe  op  en  afstroomde,  en  den  schepen  bij  Kolhorn 
een  soort  van  veilige  haven  verschafte. 

Langs  den  binnenberm  van  den  zeedijk  loopt  door  den  Groet- 
polder een  uitwateringskanaal  van  Geestmerambacht  tot  het  Kol- 
hornerdiep.   (zie  pag.  136  A.) 

Deze  bedijking  is  evenals  de  voorgaande  een  gedeelte  van  de 
waterplas,  welke  zich  gevormd  heeft  bij  de  uitbreiding  van  het 
meer  Flevo  tot  de  Zuiderzee.  Vóór  de  13de  eeuw  werd  hier  reeds 
droge,  bewoonbare  bodem  gevonden.  Ongeveer  een  M.  beneden 
de  oppervlakte  des  terreins  werd  bij  het  graven  der  slooten  overal 
een  laag  veen  of  derrie  van  verschillende  dikte  (20  è  80  cM.)  ge- 
vonden. Hetzelfde  was  in  de  Wieringerwaard  het  geval.  Daarin  wer- 
den doodsbeenderen  en  stukken  elzenhout  aangetroffen;  ook  vond 
men  er  overblijfselen  van  een  put  en  van  een  ouden  steenen  weg. 
Van  dien  weg  vond  men  eveneens  gedeelten  in  de  Wieringer- 
waard 2).  Al  deze  overblijfselen  wijzen  er  op,  dat  die  veenlaag  eens  de 

i)  Zie:  Mr.  G.  A.  de  Vries,  De  zeeweringen  en  waterschappen  van  Noord- 
Ilolland,  1864,  pag.  599. 

O.  G.  Heldring.     De    Anna  Paulowna  polder,  1847. 
„  „  Korte  beschouwing  van  den  toestand  van  den  Anna  Paulowna 

polder,  1851. 

2)  Zie  over  dien  weg  Paludanus,  Oudheid-  en  natuurkundige  verhandelin- 
gen, 1776. 


Digitized  by 


Google 


143 

begane  grond  zal  geweest  zijn.  Door  afslag  in  verband  met  posi- 
tieve niveauverandering,  waarop  wij  reeds  vroeger  wezen,  heeft 
de  Zuiderzee  zich  over  dit  land  uitgebreid.  Vervolgens  had  er  op 
vele  plaatsen  weder  aanslibbing  van  klei  over  de  overgebleven 
veenlaag  plaats.  Zoo  werd  de  bodem  weder  door  de  natuur  op- 
gehoogd, totdat  de  bedijking  hem  aan  het  water  onttrok  i). 


§   9.      DROOGMAKERIJEN   IN   HOLLANDS   NOORDERKWARTIER. 

Het  noordelijk  deel  van  Noord-Holland  was  in  de  13de  eeuw 
geheel  met  breede  wateren  doorsneden,  zooals  de  kaart  van  de  Vries 
aantoont.  Die  wateren  werden  successievelijk  afgedamd  en  van  het 
buitenwater  afgesloten.  Na  de  afdamming  volgde  vooral  in  de 
17de  eeuw,  de  eeuw  der  droogmakerijen,  het  droogmaken  der  ach- 
tergebleven meren  en  plassen  in  het  land.  Wij  zullen  een  tabella- 
risch overzicht  geven  van  de  droogmakerijen,  welke  in  dit  gebied 
gevonden  worden  met  opgaven  der  jaren  van  droogmaking,  der 
zomerpeilen  en  der  grootte  2). 


i)  P.  V.  d.  Ster.  Korte  beschrijving  van  de  Waard-  en  Groetgronden  (met 
kaart.);  (Bouwkundige  bijdragen,  1849  pag.  117.) 

De  Vries.    De  Zeeweringen,  pag.  597. 

H.  Hoeufit  van  Velsen.  Verslag  over  de  geschiedenis  der  indijking  van 
Waard  en  Groet  gedurende  2$  jaren.  Dit  en  nog  een  ander  nrjanuscript  hierop 
l)etrekking  hebbende,  werd  ons  door  den  schrijver  welwillend  ten  gebruike 
afgestaan. 

Geschiedenis  der  inpoldering  en  bebouwing  van  Waard  en  Groet.  (Weekblad 
van  Haarlemmermeer,  1862.) 

Abr.  Sioos.  Geschiedenis  der  inpoldering  van  Waard  en  (Broet.  (1858,  pag. 
51.  77,  81  en  109). 

2)  Zie  Algemeene  Statistiek  I,  pag.  57.  Verder:  de  Waterstaatskaart  en  de 
Prov.  Ve  slagen.  In  het  Jaarboekje  voor  de  Provincie  Noord-Holland  vindt 
men  opgave^  van  de  belastbare  oppervlakten.  Niet  altijd  kloppen  de  opgaven 
der  grootte.  Die  der  Waterstaatskaart  zijn  gemeten  op  de  kaart.  Wij  volgen 
meestal  de  opgaven  uit  de  .M^ern.  Statistiek. 


Digitized  by 


Google 


144 

Tabellarisch  overzicht  der  belangrijkste  droogmakerijen 
in  Noord-Holland  ten  noorden  van  het  IJ. 


I  Jaar    van  eer- 
I     ste  of  her- 
Namen  der  droogmakerijen,  i  nieuwde      in- 
I  poldering  na 
overstrooming 


Gemiddelde  hoogte  in 
M.  ±  A.P.  van 


Groote 
in  H.A. 


den  bodem  I  het  zomerpeil , 

1 


1 


Schager-  en  Niedor 
per  Koggen. 

Het  Tjaddingskrijtje  . . 

Braakpolder 

Het  Oudedijkje 

Nederlandspolder 

Het  Kerkerijtje 

Geestmerambacht. 

Dergmeer 

Kerkmeer 

Vroonermeer 

Zwijiismeertje 

Kleimeer 

Daalmeer 

De  Slootgaard 

Diepsmeer   en  Tjaar- 

lingertneer 

Wogmeer 

Heer  Hugowaard 

Berkmeer 

Schagerwaard 

De  Greb 

Rekerkoog 

Schoulsbraakje 

Bleekmeer 

Schaapskuümeer 

Warmerhuizen-Kerk- 

meertje 

Woudraeer 

Het  Kromwater 

Vier  Noorder- 
Koggen. 

Neschmeer 


1632 

1634 

1642 

+    1650 

1857 


+  1520 

1547 
1561 

1567 
1567 
1575 
1590 

1594 
1607 
1625 
1626,1633 
1630 
163 1 

1631 
1632 
1632 

1632 

1635 
vóór   1650 


1440 


2,62  -  AP. 

2,12 

1^95 
2,78 


I,02-AP.| 

0,90- AP.  I 


2,05 
i  2,10 


1,84 
'1,58 

|2,II 
,2,24 

:3i07 
2,91 
,2,60 
'  1,20 
11,82 

1,75 
2,72 
2,10 
2,10 


2,24 
2,05 


25,10 
72,50 
27,60 
26,40 
19,70 


67,25 

66,17 

104,70 

16,30 

66,30 

131,00 

238,80 

230,10 

685,80 

3337,40 
287,60 

540,70 
91,90 
17.90 
6,00 
80,80 
51,30 

12,60 

233^70 
16,70 


28,00 


Digitized  by 


Google 


145 


Jaar  van  eer- 
I     ste  of  her- 
in- 


I  o**,    xn 

Namen  der  droogmakerijen.  I  nieuwde 

'    poldering  na 
I  overstrooming 


Gemiddelde  hoogte  in 
M.  ±  A.  P    van 


I  den  bodem 


Bennemeer 

De  Brake,  Poel  en 
Wijmers  en  het  Lich- 
tewater 

Braakpolder 

Weel  en  Braken  onder 

Obdam 

Zandwervens-braak  . . . 

Kolk  van  Dussen 

Het  Groote  Hop 

Weelpolder 

Bedijkte  boezem 

Drechterland. 

Baarsdorpermeer. . . . 

Groote  Waal 

Twee  braakjes  bezuiden 

Scharwoude 

Noordbraak 

Bedijkte  Leek 

Kleine  Waal 

Oude  Moer 

Waterland. 

Beemster 

Purmer 

Drie  waterlandsche  me 
ren  (Belraermeer, 
Buikslootermeer, 
Broekermeer) 

Wijde  Wormer 

Schermer 

Etersheimerbraak 

Noordeindermeer 

Sapmeer 

Schaalsmeer 

II. 


het  zomerpeil  i 


Grootte 
in  H.A. 


1629 

1 
3,oo- 

AP. 

69,10 

1 

1630 

2,70 

» 

163,40 

1631 

(vergr.1851) 

2.35 

» 

63,20 

1632 

2,80 

» 

76,60 

1634 

1 

8,30 

I64I 

2,50 

» 

97,80 

1854 

3,60 

» 

5,60 

1856 

2,15 

» 

45i4o 

? 

18,00 

1624 

3^54 

» 

209,30 

1627 

4,02 

» 

57,10 

1630 
1631 

1633 
18.. 

3,54 

3,1$ 

4,20 

> 

10,60 
5,20 
9,40 

2,85-AP. 

1,9^ 
12,20 

I607-I6I2 

4,05 

» 

7174,00 

16I7-I622 

4 

» 

2680,30 

I623-I628 

ll624-'25.'26 

11825,1826 

4,89 
4,32 

759,70 
1661,40 

I63I-1635 

3,98 

» 

4828,20 

163 1 

3,90 

» 

48,2 

1631,1647 

1  4,49 

» 

218 

1631,1644 

1  4,49 

» 

26,10 

I63I 

1  3.4 

» 

54,70 

] 

[O 

Digitized  by 


Google 


I4t 


Namen  der  droogmakerijen 


Gemiddelde  hoogte  in     I 
M.  —  A.  P.  van 

I     Grootte 
— r--=^^ -r-_..-.-^j    in  H.A. 


Jaar  van  eer- 
ste of  her- 
nieuwde     in- 
poldering na 
overstrooming    den  bodem  |het  zomerpeil 


1 


Volendammer  meer 1631 

Starnmeer  en    Kamer- 
hop 1632-1643 

Wilmkebreek 1633 

Enge  Wormer 1634-1638 

De  Vliet 1638 

Graftermeer 1842,1845 

Assendel  ver    Veenpol- 

der 1845 

Monnikenmeer 1 863 

Burgerdammer  Dee.. .  1881 

Heintjes  Broek 188 1 

Duinkavel. 

Bergermeer 1564 

Egmondermeer 1 5  64 

Boekelermeer 1580 

Zwaansmeer 1879 


3,15-AP. 


:  3i95 

» 

621,4a 

4,72 

» 

28,00 

3,50 

> 

i6o,6a 

2,28 

» 

19-.30 

3^88   3,90 

> 

1 1 0,00 

,  2,86 

» 

3^3^30 

3.10 

» 

145,00 
32,00 

2,90 

> 

10 

1,58 

» 

636,00 

i'.SÖ 

9 

587,10 

1,80 

» 

338,80 
6,5 

25 


§    10.     GESCHIEDKUNDIG  OVERZICHT   VAN   DE  GESTELDHEID   DES   LANDS 
IN   HOLLANDS   NOORDER-KWARTIER   IN   HISTORISCHEN    TIJD. 

Het  gedeelte  van  Holland  ten  noorden  van  het  IJ  heeft  in  histo- 
rischen  tijd  groote  veranderingen  ondergaan.  In  het  bovenstaande 
moesten  wij  van  tijd  tot  tijd  reeds  op  deze  veranderingen  in  de  ver- 
houding van  het  land  tot  het  water  wijzen.  Thans  wenschen  wij 
die  geschiedenis  in  een  beknopt  overzicht  samen  te  vatten.  Wij 
doen  dit,  wat  de  historische  feiten  betreft,  hoofdzakelijk  aan  de 
hand  der  werken  van  Mr.  G.  de  Vries  Azn.,  aan  wiens  historische 
onderzoekingen  het  te  danken  is,  dat  de  geschiedenis  der  hydrogra- 
phische   gesteldheid   van    dit   deel  van  ons  land  zeer  goed  bekend 


Digitized  by 


Google 


147 

werd.  Naar  zijn  kaart  van  Hollands  Noorder-Kwartier  in  1288 
is  ook  ons  kaartje  IX  bewerkt  i). 

In  de  eerste  eeuwen  onzer  jaartelling  bestond  het  noordelijk 
gedeelte  van  Noord-Holland  uit  een  meer  of  minder  gesloten 
duinstrook,  met  een  gebied  van  lage  venen  en  kleibezinkingen  daar 
achter.  De  lage  venen  vormden  zeker  een  waterig,  drassig  gebied, 
en  waren  op  vele  plaatsen  met  lichte  bosschen  en  struiken  bedekt. 
De  overlevering  wil,  dat  dit  laagveengebied  zich  door  de  tegen- 
woordige' Zuiderzee  tot  Friesland  uitstrekte,  en  dat  ten  westen  van 
Stavoren  het  zoogenaamde  Kreilerbosch  moet  gelegen  hebben,  eene 
plek,  waar  thans  de  golven  der  zee  klotsen.  Het  eiland  Marken, 
thans  door  de  Gouwzee  van  het  land  gescheiden,  was  destijds  met 
het  land  verbonden  evenals  het  eiland  Wieringen. 

Na  de  eerste  eeuwen  onzer  jaartelling  kwam  hierin  verande- 
ring. Ons  land  was  nog  in  wording,  en  vóór  dat  de  vorming 
voltooid  was,  volgde  er  een  tijdperk  van  teruggang.  De  zee  nam 
van  het  verloren  gebied  terug. 

>Vóór   het  einde  der  13de  eeuw  hebben  onze  voorouders  de  ver- 


ij  Mr.  G.  de  Vries  .\zn.  Het  dijks-  en  molenbestuur  in  Hollands  Noorder 
Kwartier  onder  de  grafelijke  regeering  en  gedurende  de  Republiek.  (Uitgeg. 
door  de  Kon.  Akad.  v.  Wetensch.    1876.) 

Mr.  G.  de  Vries  Azn.  Nieuwe  bijdrage  tot  de  geschiedenis  van  het  Hoog- 
heemraadschap van  den  Hondsbossche  en  duinen  tot  Petten.  (Versl.  en  Med. 
der  Kon.  Akad.  v.  Wet.  1869,  pag.  337.) 

Mr.  G.  de  Vries  Azn.  Bedijking  van  den  Diepsmeer  en  den  Tjaarlingermeer 
door  Johan  van  Oldenbarneveld.  (Versl.  en  Med.  der  K.  Ak  v.  W.  1885  P*g-  29.) 

Mr.  G.  de  Vries  Azn.  De  Rijndijk  en  de  duinen  bij  Petten,  (Versl.  en  Med. 
der  Kon.  Akad.  van  Wetensch.   1887,  pag.  7.) 

Mr,  G.  de  Vries  Azn.  Het  Hoogheemraadschap  van  den  Hondsbosschc  en 
duinen  tot  PeUen.  Oorsprong  en  inrichting  des  bestuurs.  (Nieuwe  Bijdr.  voor 
Rechtsgeleerdheid  en  Wetgeving.  V  stuk  3,  pag.  401.) 

Mr.  G.  de  Vries  Azn.  Kaart  van  Hollauds  Noorder  Kwartier  in  1288.  (Verh. 
der  Kon.  Akad.  van  Wetensch.) 

Mr.  J.  G   A.  Faber.     De    Hondsbosschc  en  duinen  tot  Petten,  1869. 

Verzameling  van  de  stukken  betrekkelijk  den  Hondsbosschc  en  duinen  tot 
Petten.    (Gedrukt  op  last  van  het  bestuur  des  Hoogheemraadschaps.) 


Digitized  by 


Google 


14» 

woestingen  aanschouwd  door  den  Kimbrischen  en  andere  vloeden 
aangericht ;  hebben  zij  hunne  landen  in  de  Zuiderzee  zien  wegzinken, 
het  vaste  land  tot  eilanden  zien  vaneen  scheuren  en  dit  zelf  in 
vele  kleinere  stukken  zien  verdeden,  vaneen  gescheiden  door  bin- 
nenlandsche  meren  en  stroomen,  die  met  onstuimige  woede  rusteloos 
de  omliggende  oevers  afsloegen  en  hun  eigen  gebied  vergrootten,* 
zegt  de  Vries  i). 

De  zoogenaamde  Kimbrische  vloed  wordt  veelal  door  de  historici 
als  een  catastrophe  beschouwd,  welke  het  begin  der  veranderingen  in  de 
gesteldheid  van  ons  land  zou  tot  stand  gebracht  hebben.  Van  een 
geologisch  of  een  natuurkundig  standpunt  valt  die  overstrooming, 
welke  door  duistere  overleveringen  in  herinnering  schijnt  gebleven 
te  zijn,  niet  als  de  oorzaak  der  veranderingen  te  beschouwen.  Dat 
de  veranderingen  plaats  grepen,  daaraan  valt  niet  te  twijfelen,  ook 
al  zijn  zij  niet  door  een  enkelen  water  vloed  veroorzaakt,  en  al 
moeten  zij  in  eene  positieve  niveauverandering  hun  grond  vinden. 
Dat  overstroomingen  er  een  eigenaardige  uitdrukking  aan  gaven 
en    de   veranderingen  beter  deden  uitkomen,  is  wel  waarschijnlijk. 

Na  dien  achteruitgang  volgde  een  periode  van  aanwinst  van  land, 
hoofdzakelijk  door  kunst.  En  het  Noorder-Kwartier  is  aldus  uit 
den  toestand,  dien  het  volgens  de  kaart  van  1288  had,  langzaam 
geworden  zooals  het  nu  is. 

Volgen  wij  thans  het  overzicht  van  de  Vries. 

Het  Noorder-Kwarlier  van  Holland  bestond  onder  de  grafelijke 
regeering  uit  de  volgende  deelen :  een  gedeelte  van  Kennemerland^ 
Waterland  en  Zeevang^  Wesi-Friesland  en  eenige  eilanden. 
Doch  ten  opzichte  van  den  waterstaat  verdeelt  men  het  gebied  in 
kavels  (=  gedeelten),  nl. :  den  Duinkavcl^  den  kavel  Waterland^ 
West-Friesland  en  een  vierden  kavel^  die  ten  tijde  der  graven  slechts 
eilanden  omvatte^  doch  thans  die  der  Aangedijkte  landen  heet. 

De  Duinkavel  maakte  een  deel  uit  van  het  vasteland  van  Ken- 
nemerland,  en  eindigde  ten  noorden  tegen  de  Zijpe  bij  het  dorp 
Petten.     Het  gat  in  de  duinen,  dat  de  Noordzee  met  de  Zijpe  ver- 

I)  Kaart  van  Hollands  Noorder-Kwaiticr,  pag.  4. 


Digitized  by 


Google 


149 

bond,  bestond  uit  vlakke  schorgronden  met  geulen.  Langs  den 
inham  van  de  Zijpe  (Zipe)  vond  men  aan  den  oostkant  van  den 
Duinkavel  den  Schoor Ischendijk  (Scoirle-dijc)  om  het  lage  land 
tegen  de  Zijpe  te  beschermen. 

De  oostelijke  grens  van  den  Duinkavel  werd  in  het  noorden 
gevormd  door  de  Bekere^  een  smal  water,  dat  van  de  Zijpe  naar 
Alkmaar  liep,  en  daar  met  de  Schermer  en  zijne  uitbreiding  ver- 
bonden was.  Dit  water  volgde  nagenoeg  denzelfden  weg,  dien  thans 
het  Noord-Hollandsch  Kanaal  van  Alkmaar  tot  voorbij  Schoorldam 
volgt.     Ten  oosten  van  de  Rekere  lag  West-Triesland, 

Genoemde  Schoorlschedijk  liep  ten  westen  langs  de  Rekere  nog 
een  eind  naar  het  zuiden,  en  aan  den  westkant  op  West-Frieslands 
gebied  liep  een  dijk  geheel  langs  de  Rekere.  De  Schoorlschedijk 
langs  de  Rekere  moest  dienen,  om  het  water,  dat  uit  de  Zijpe 
hierin  opjoeg,  van  de  lage  landen  aan  den  voet  der  duinen  af  te 
houden.  Toen  de  Rekere  in  het  noorden  door  den  Rekerdam  werd 
afgedamd,  verviel  de  beteekenis  van  dien  dijk  gedeeltelijk.  (Zie  de  kaart.) 

Langs  de  Schermer  en  het  Langemeer  waren  de  geestgronden 
van  den  Duinkavel  op  vele  plaatsen  hoog  genoeg,  om  het  watei 
zonder  dijken  te  keeren,  hoewel  ook  gedeeltelijk  bedijking  noodig 
was.  Die  dijken  verbonden  de  hoogere  gedeelten.  In  het  zuiden  werden 
de  Kennemer  dorpen  door  een  dijk  beschermd,  die  in  de  nabijheid 
van  Beverwijk  zich  bij  de  hooge  gronden  aansloot,  langs  de  Krommenye 
en  het  I,angemeer  liep,  en  zich  bij  Uitgeest  weer  met  de  hooge 
gronden  vereenigde.  Vermoedelijk  heeft  die  geheele  dijk  of  het 
grootste  gedeelte  daarvan  den  naam  van  St  Aagiendijk  gedragen, 
totdat  de  afdamming  van  de  Krommenye  dien  naam  tot  het  buiten 
gebleven  gedeelte  van  de  zeewering  beperkte. 

De  kavel  Waterland  bestond  uit  verscheidene  eilanden,  die,  wat 
den  waterstaat  betreft,  niets  met  elkander  gemeen  hadden. 

Tusschen  de  Krommenye  en  de  Zaan  lag  een  eiland.  Tegen 
deze  beide  wateren,  tegen  het  IJ  ten  zuiden  en  tegen  de  binnen- 
meren   ten    noorden,  waren  dijkages  om  dat  eiland  opgeworpen. 

Dit  land  werd  dus  door  een  dijkring  ingesloten,  en  het  binnen- 
üggende  land  had  een  gemeenen  waterstand. 


Digitized  by 


Google 


Tusschen  de  twee  heerlijkheden,  waarin  het  land  verdeeld  lag, 
vormde  het  Twiske  de  grensscheiding.  Ten  westen  van  dit  water 
lag  de  heerlijkheid  van  Assemiel/i  en  aan  de  oostzijde  die  van 
Westzaan  en  Krommenie, 

Ten  oosten  van  de  Zaan  lag  een  ander  eiland,  dat  in  een  dijks- 
ring  het  land  van  Oostzaan  met  het  daarachter  gelegen  Hadei^ddX 
van  fFormery  Jisp  en  Nek  en  Waterland  omvatte.  Vermoedelijk 
liep  vóór  de  afdamming  van  de  Zaan  de  dijk  aan  de  oostzijde  van 
dat  water  even  onafgebroken  door  als  aan  de  westzijde.  De 
mond  van  de  Wormer^  die  op  de  kaart  open  is,  was  destijds  vol- 
gens van  Mieris  aan  den  Zaankant  afgedamd. 

Tusschen  Oostzaan  en  Waterland  vormde  een  water,  het  Twiske 
genaamd,  de  grens.  Oostzaan^  het  eiland  Hadel  of  Halerbroek^ 
Wormer  en  Jisp  behoorden  tot  Kennemtrland,  Waterland  maakte 
van  ouds  met  Zeevang  en  het  bezuiden  het  IJ  gelegen  Amstellana 
één  baljuwschap  uit.  Purmerend^  Purmerland  en  Ilpendam  echter 
vormden  met  Nek  eene  afzonderlijke  heerlijkheid. 

Een  derde  eiland,  tusschen  de  Zuiderzee  ten  oosten  en  de  Beemster 
en  Purmer  ten  westen  gelegen,  was  het  land  van  Zeevang^  waarmede 
in  het  zuiden  het  land  van  Katwoude  vereenigd  was.  Ten  noorden 
van  Zeevang  lag  eenig  buitendijksch  land,  dat  later  de  Westerkoog 
is  geworden.  Het  buitendijksch  land  tegen  de  Beemster  is  de 
Hobreederkoog  geworden,  terwijl  het  land  bezuiden  Kwadijk,  tusschen 
Beemster  en  Purmer,  thans  de  Kwadijkerkoog  en  den  Overweerschen 
polder  vormt. 

De  Zeevang  zelf  was  door  den  Ovensloot  van  Katwoude  gescheiden 
en  rondom  door  een  dijk  omgeven.  De  IJe^  die  van  de  zee  dit 
land  binnenliep,  was  oorspronkelijk  op  eenigen  afstand  van  de  zee 
toegedamd.  Aan  de  oostzijde  dier  watering  behoorde  het  land  tot 
den  Warderban,  aan  de  westzijde  tot  den  ban  van  Middelie  en 
dien  van  Kwadijk,  De  beide  eersten  strekten  zich  tot  den  tegen- 
woordigen  Zuidpolder  uit.  Aan  den  dam,  waar  een  tol  van  schepen 
geheven  werd,  ontstond  een  dorp,  dat  door  het  vertier,  hetwelk  de 
scheepvaart  gaf,  zich  weldra  uitbreidde  en  de  rechten  van  een  stad 
verkreeg,  IJedam^  Adam  of  Edam  genaamd. 


Digitized  by 


Google 


Vooral  na  het  graven  van  een  nieuwe  haven  in  1357,  waardoor 
de  Zuidpolder  van  het  overige  land  van  de  Zeevang  werd  geschei- 
den, is  de  vrijheid  der  stad  ten  koste  der  beide  naburige  bannen 
herhaaldelijk  vergroot. 

Het  graven  der  nieuwe  haven  ging  met  de  geheele  afdamming 
van  het  IJe  gepaard.  Aan  den  mond  van  dien  dam  ontstond  het 
dorp   Volendam, 

Tusschen  de  Beemster  en  Schermer  lag  het  Schermereiland^  dat 
slechts  voor  het  noord-oostelijk  deel  door  een  ringdijk  omsloten  was. 
Eerst  in  het  midden  der  14de  eeuw  is  ook  het  oorspronkelijk 
buitendijks  gesloten  land  omdijkt. 

In  de  bannen  Akersloct  en  Uitgeest  vond  men  verder  nog  ver- 
scheiden eilandjes,  waarvan  de  grootste  het  land  besloegen,  dat  later 
in  den  JFestwouder-  en  Oostwoudcrpolder  is  gesplitst. 

Ten  noorden  der  boven  beschouwde  eilanden  en  ten  oosten  van 
de  Rekere  lag  de  derde  kavel,  die  van  West-Friesland.  Dit  gebied 
was  geheel  door  dijken  omgeven,  die  voor  een  groot  gedeelte  zee- 
wering vormden,  de  Vriesendijk^  later  West-Trieschedijk  geheeten. 
Naar  het  zuiden  lagen  de  Slimdijk^  de  Waligsdijk  en  de  Huigendijk 
tegen  de  wateren  van  Beemster  en  Schermer.  De  dijk  om  de 
Rekere  werd  door  het  leggen  van  den  Rekerdam^  binnendijk. 

JFest'Friesland  was  met  den  aanvang  van  het  eerste  tijdperk,, 
evenals  thans,  in  vier  ambachten  verdeeld,  die  ieder  afzondei  lijk 
bedijking  hadden. 

Ten  noorden  van  Duinkavely  aan  de  overzijde  van  de  Zijpe,  begon 
met  Kallantsoog  de  reeks  der  eilanden,  die  de  Zuiderzee  van  de 
Noordzee  scheidden.  Op  Kallantsoog  volgde  Huisduinen^  die  beide 
in  het  oosten  en  op  de  noord-  en  zuideinden  bedijking  noodig 
hadden.  I,ater  is  door  bedijking  dit  gebied  naar  het  oosten  sterk 
uitgebreid,  en  in  den  kavel  der  aangedijkte  landen  veranderd  " 

—  Het  boven  beschreven  door  wateren  verdeelde  land,  waarvan  de 
kaart  een  afbeelding  geeft,  is  hoofdzakelijk  door  den  invloed  van 
den  raensch  op  den  bodem  tot  een  aaneengesloten  geheel  geworden. 
De  bewoner  heeft  hier  een  belangrijk  aandeel  gehad  in  de  vorming 
des   lands.      Zijn    eerste   werk   was,    zooals   wij    reeds  zagen,     de 


Digitized  by 


Google 


Ï52 

moerassige  lage  eilanden  te  bedijken.  Maar  tevens  moest  hij  den 
strijd  met  de  binnenwateren  voortzetten.  Bij  storm  drong  de  zee 
door  de  verschillende  verbindingswegen  in  het  land,  en  bedreigde 
zijne  woonplaats.  Daarom  besloot  hij  de  binnenwateren  zelf  af  te 
sluiten.  De  Rekerdam  en  de  Zaandam  waren  de  eerste  werken 
dier  afsluiting,  en  spoedig  volgde  het  leggen  van  den  Schardam  en 
den  Kr(nnmenyerdam\  de  laatste  in  1357.  In  1400  of  1401  werd 
de  Purmer-Ee  bij  Monnikendam  afgedamd,  waardoor  al  de  aan 
zee  gelegen  eilanden  van  den  kavel  ^«/'^r/öw^  aan  elkander  gehecht 
en  tevens  met  den  Duinkavel  en  West-Friesland  verbonden  werden. 
Deze  laatste  dam  gaf  aanleiding  tot  het  ontstaan  van  Monnikendam. 
Zoo  waren  dus  toen  de  drie  kavels  een  samenhangend  geheel,  doch 
met  een  tal  van  afgesloten  binnenwateren. 

Nu  kwam  de  beurt  aan  de  afgesloten  meren,  die  het  land  veel  last 
veroorzaakten.  Vooral  de  Heer^Hugawaard  in  West-Friesland  was 
lastig.  De  Huigendijk  sloot  haar  af  van  de  Schermer,  en  het  in 
standhouden  van  dien  dijk  kostte  veel  moeite.  Verder  bleef  de 
afwatering   van   deze   plas  langen  tijd  een  bron  van  veel  zorg. 

Toen  de  uitvinding  der  watermolens  om  het  water  af  te  malen 
bekend  werd,  maakte  men  hiervan  al  spoedig  gebruik.  In  de  15de 
eeuw  bracht  men  ze  hier  in  toepassing,  en  in  de  i6dc  eeuw  werden 
ze  meer  en  meer  algemeen.  Nu  bedijkte  men  de  plassen,  welke 
voor  niets  dan  tot  vischwater  dienden,  en  maakte  ze  door  bemaling 
droog.  Zoo  ontstonden  er  aanvankelijk  kleine  droogmakerijen  en 
eindelijk  werden  ook  de  groote  plassen  tot  drogen,  bebouwbaren 
bodem  gemaakt. 

In  de  i6de  eeuw  ving  de  bedijking  der  groote  meren  aan,  doch  de 
17de  eeuw  kon  met  recht  de  eeuw  der  droogmaking  genoemd  worden. 
De  eerste  van  de  groote  meren  was  de  Beemster^  waarmede  men  reeds 
in  1570  aanving  te  bedijken,  welk  werk  echter  na  een  klein  begin 
door  den  oorlog  tot  de  volgende  eeuw  werd  uitgesteld.  In  1607 
werd  er  opnieuw  octrooi  toe  verleend,  waartoe  men  te  lichter  over- 
ging,  daar   het   meer   somtijds   wel    25  morgen  lands  wegnam  i). 

i)  Tegen w.  Staat  VIII,  pag.  560. 


Digitized  by 


Google 


153 

Zelfs  wil  men,  dat  deze  breede  plas  door  langzame  uitbreiding  van 
een  smal  water,  de  Barnes  tra  zal  ontstaan  zijn  i).  Na  eenige 
tegenspoeden  werd  de  arbeid  der  droogmaking  voltooid  in  1612. 

Tot  het  bedijken  van  de  Purmer  werd  in  16 17  octrooi  verleend, 
en  in  1622  werd  de  arbeid  voltooid.  De  Warmer  volgde  in  1625, 
de  Heer-Hugowaard  in  1626 — 1631,  en  de  Schermer  in  1631. 

Een  groote  huUenwaard  was  er,  waarop  langen  tijd  de  blik 
gevestigd  bleef.  Dit  was  de  Zijpe^  die,  zooals  de  kaart  aanwijst, 
een  inham  van  de  zee  was.  Levendig  werd  de  noodzakelijkheid 
gevoeld,  om  het  Zijpergat  te  dichten  en  de  Noordzee  te  beletten 
zich  over  de  Zijpsche  waardgronden  te  storten,  van  waar  zij  zoo 
fel  den  Frieschendijk  bestookten. 

De  plannen,  om  dit  ondiepe  zeegat  met  zijne  gorzen  te  bedijken, 
zijn  reeds  zeer  oud,  en  ook  reeds  vroeg  werd  er  uitvoering  aange- 
geven. Door  sommigen  wordt  vermeld,  dat  de  eerste  bedijking  in 
1388  plaats  had  door  Willem,  eerste  heer  van  Schagen,  bastaard- 
zoon van  hertog  Albrecht  2). 

Zeer  waarschijnlijk  was  deze  bedijking  niet  zoo  omvangrijk  als 
de  tegenwoordige.  Doch  na  weinige  jaren  brak  de  zee  het  afge- 
dijkte  land  weder  binnen,  waarna  het  land  gedurende  langen  tijd 
met  de  zee  gemeen  bleef  liggen. 

Voor  Noord- Hollands  noordelijk  gedeelte  bleef  men  de  bedijking 
der  Zijpe  steeds  noodzakelijk  houden.  Filips  van  Bourgondiê 
gaf  in  1443  octrooi  tot  bedijking,  zeggende:  » tevreden  te  zijn,  dat 
de  Zijpe  bedijkt  wordt,  hetzij  door  ons  of  op  onze  kosten,  hetzij 
zij  bedijkt  wordt  door  anderen,  zooals  het  door  onze  gouverneurs 
en  raaden  gevoegelijkst  en  voordeeligst  zal  gevonden  worden.»  Er 
bestaat  reden  te  vermoeden,  dat  er  toen  werkelijk  iets  verricht  is, 
daar  er  melding  gemaakt  wordt  van  een  latere  doorbraak.  Karel  V 
verleende  octrooi  tot  bedijking  der  Zijpe,  hetwelk  niet  werd  uitgevoerd, 
doch  nadat  een  voordeeliger  octrooi  door  de  Staten  in  1560  verleend 


i)  Zie  over  de  geschiedenis  van  de  Beemster  verder:  J.  Bouman,     Bedijking, 
opkomst  en  bloei  van  de  Beemster.     1857. 
2)  Van  der  Aa. 


Digitized  by 


Google 


154 

werd,  is  de  Zijpe  werkelijk  drooggemaakt,-  en  een  tijd  lang  met 
goed  succes  bebouwd. 

In  1570  had  er  een  groote  watervloed  plaats,  waardoor  de  Honds- 
bossche  op  drie  plaatsen  doorbrak  en  de  bedijking  weder  onder- 
liep. Wel  werd  in  1571  een  nieuw  en  voordeeliger  octrooi  voor 
de  bedijking  verleend,  en  werkelijk  een  gedeelte  van  het  werk  der 
herbedijking  uitgevoerd,  zoodat  in  1572  de  dijken  eenigermate  tot 
zeewering  konden  dienen,  doch  Sonov  liet,  om  de  Spanjaarden,  die 
Haarlem  bemachtigd  hadden,  te  beletten  in  het  Noorder-Kwartier 
door  te  dringen,  de  dijken  doorsteken,  waardoor  alles  weder  onder 
water  liep. 

In  dien  toestand  bleef  het  tot  1596,  toen  de  Staten  van  Holland 
en  West-Friesland  opnieuw  octrooi  tot  bedijking  verleenden,  met  de 
verplichting,  dat  deze  het  volgende  jaar  moest  worden  aangevangen, 
en  zoo  mogelijk  volbracht.  Doch  de  hevige  noordwest-storm  van 
1597  (15  Aug.)  scheurde  de  bedijking  op  veel  plaatsen  weder.  Toch 
werd  de  arbeid  voortgezet  en  in  1598  was  eindelijk  het  werk 
voltooid  i). 

De  strijd  van  den  bewoner  met  het  water  spreekt  duidelijk  uit 
de  geschiedenis  van  deze  bedijkingen.  De  geschiedenis  der  verdere 
bedijkingen  is  reeds  vroeger  besproken.  Alleen  van  enkele  deelen 
des  lands  willen  wij  de  historische  ontwikkeling  verder  nagaan. 

§    II.      GESCHIEDENIS    VAN   DE   HONDSBOSSCHE  ZEEWERING. 

De  Bondsbossche  Zeewering  is  een  der  meest  bekende  zeedijken  in 
ons  land.  Op  de  plaats,  waar  zij  ligt,  waren  de  duinen  meer  en  meer 
weggeslagen  of  hadden  zij  nimmer  volledig  bestaan,  en  bedreigde 
de  zee  telkens  het  land.  De  meening  van  sommigen,  dat  de  Rijn 
hier   eene    uitmonding  in  zee  had,  is,  zooals  wij  vroeger  reeds  cp- 

I)  G.  de  Vries  Azn.  Zeeweringen  en  waterschappen  van  Noord-Holland. 
1864,  pag.  585. 

Ociroye  en  Ordonnantie  des  Conings  van  .Spangiön  tot  vorderinge  van  de 
dijckagie  van  de  landen  in  de  7ijpe.     23  Mei  1561. 

Tegenwoordige  S'taat  van  Holland,  VIII.  pag.  409. 


Digitized  by 


Google 


155 

merkten,  ongegrond.  Wel  is  het  niet  onwaarschijnlijk,  dat  er  tus- 
schen  Pelten  en  Kamp  in  den  oudsten  tijd  een  water  in  zee  liep,  dat 
de  Zaane  genoemd  wordt.  De  schetskaart  van  de  Zaane^  zooals 
haar  loop  was  in  iioo,  1250  en  later  (uitgegeven  als  bijlage  van 
het  verhandelde  in  de  vergadering  van  Hoofdingelanden  van  den 
Hondsbossche  en  duinen  tot  Petten,  25  Apr.  1854),  geeft  dat  water 
de  Zaane  aan  als  in  eene  noord-westelijke  richting,  evenwijdig  met 
het  van  Schoorl  versmallende  duin  naar  Petten  loopende  i). 

Wat  er  van  dit  water  zij,  de  duinen  tusschen  Petten  en  Kamp 
verstoven  of  werden  door  golfslag  weggenomen,  en  de  kunst  moest 
middelen  zoeken  om  het  land  tegen  de  zee  te  beschermen.  In 
1422  spoelde  de  kerk  van  Petten  weg,  en  in  1432  werd  een  dijk 
tusschen  de  twee  dorpen  van  Petten  aangelegd,  dien  men  liet  be- 
stuiven  om   de  zeewering  op  deze  wijze  te  versterken  2). 

In  1446  werd  door  Philips  van  Boürgondiè  een  keur  gegeven 
om  het  vee,  dat  in  de  duinen  tusschen  Petten  en  Kamp  kwam, 
te  mogen  schutten,  daar  de  helmplant  hierdoor  werd  vernield,  en  het 
duin  meer  verstoof.  In  1464  werd  door  G.  v.  Berkenrode  ineen 
Verslag  aan  de  Raden  van  Holland,  Zeeland  en  Friesland  mede- 
gedeeld, dat  nabij  Petten  een  gat  in  de  duinen  geslagen  was, 
waardoor  zij  tot  op  3  roeden  na  waren  doorgebroken,  en  in  1466 
gelastte  Philips  van  Bourgondië  een  slaperdijk  te  leggen,  tusschen  den 
Pettemer  molen  en  het  oude  Hondshosch  (een  voormalig  dorp, 
waarnaar  de  zeewering  haar  naam  ontving),  opdat  daaruit  door 
bestuiving  een  nieuw  duin  zou  gevormd  worden  (stuifduin). 

De  bepalingen  en  verorderingen  om  verbetering  in  de  duinen  als 
zeewering  te  brengen,  volgden  snel  elkander  op  3).  Evenwel  de 
maatregelen,  zoover  zij  genomen  werden,  waren  onvoldoende.  In 
1501  was  de  duinregel  geheel  weggespoeld  en  werd  door  paalwerk 
vervangen     Zelfs  werd  door  het  grafelijk  gezag  de  hulp  van  Am- 

i)  Eene  afbeelding  dezer  kaart  is  te  vinden  in  J.  F.  W.  Conrad,  Verhande- 
ling over  de  Hondsbossche  zeewering.     Bekroonde  prijsvraag. 

2)  Van  Mieris  IV,  pag.  640. 

3)  Conrad.  t.  a.  p.  pag.  8  enz. 


Digitized  by 


Google 


156 

stelland  en  Rijnland  ingeroepen,  om  op  dit  gevaarlijk  punt  de  zee 
te  helpen  bekampen.  Rijnland  o.  a.  legde  in  1532  in  dit  gebied 
een  slaperdijk  aan,  die  naar  den  aanlegger  de  Rijndijk  genoemd 
werd.  Deze  Rijndijk^  waarover  de  geschiedenis  sprak,  gaf  later, 
toen  de  oorsprong  van  den  naam  verloren  ging,  aanleiding  om  hier 
ten  onrechte  een  uitloop  van  den  Rijn  aan  te  nemen  i). 

Wegens  afneming  der  duinen  door  golfslag  en  doorbraken  als  in 
1570  en  1573  drong  de  zee  hier  voortdurend  verder  landwaarts,  en 
zelfs  belette  de  gouverneur  van  het  Noorder  Kwartier,  Diederik 
VAN  Senov,  de  herstelling  der  zeewering  door  zijne  soldaten,  omdat 
hij  de  opening  voor  de  verdediging  noodig  achtte.  In  1579  gaf  de 
Prins  van  Oranje  vergunning  het  gat  te  dichten. 

Evenwel  bleef  het,  doordien  de  werken  niet  voldoende  of  niet  volgens 
een  geregeld  stelsel  van  verdediging  werden  uitgevoerd,  altijd  een 
gevaarlijk  punt.  In  het  begin  der  17de  eeuw  ging  men  echter  met 
meer  ijver  aan  't  werk.  De  eeuw  der  droogmakingen  moest  met 
meer  zorg  zich  wijden  aan  de  bescherming  en  bewaking  van  het 
eens  verkregen  terrein.  Zoo  werd  in  16 14  in  deze  zeewering  de 
Droomerdijk  gelegd.  Het  plan,  dat  er  bestond,  om  Petten  buiten 
te  dijken,  werd  door  de  Staten  van  Holland  voorkomen,  en  zij 
gelastten  het  aanleggen  van  een  Schenkeldij k  tot  behoud  van  Pelten, 
Tevens  werd  verlof  gegeven  tot  het  leggen  van  een  nieuwen  dijk, 
buiten  de  zeewering  van  het  Hondsbosch.  Die  nieuwe  dijk  werd 
in  1624  gelegd.  Dit  was  de  nieuwe  Bondsbosschedijk  oï  Wakerdijk^ 
in  aanleg  75,24  M.  en  op  de  kruin  10,26  M.  breed.  De  oude 
zeedijk  werd  toen  verlaten  en  een  groot  deel  van  Petten  met  het 
Gemeentehuis  binnenwaarts  gebracht. 

Zoo  bestond  thans  de  Hondsbossche  zeewering  uit  een  onverdedigd 
strand  met  den  ffakerdijk,  die  evenmin  verdedigd  was^  en  daar- 
achter lagen  nog  de  Droomerdijk  en  de  in  1526  aangelegde  Sla- 
perdijk.    Deze   laatste   liep  oorspronkelijk  van  den  Zijpdijk  tot  de 


i)    De   Vries.     De  Rijndijk  in  de  duinen  te  Petten.    (Verh.  der  Kon.  Akad. 
V.  Wetensch.  Letterk.  1869). 


Digitized  by 


Google 


157 

duinen  bij  Hargen^  en  werd  in  1694  tot  het  Schoorlsche  duin  ver- 
lengd en  tevens  verhoogd. 

De  zeewering  was  echter  nog  geenszins  voldoende  om  de  kracht  der 
golven  te  weerstaan,  en  men  moest  het  stelsel  van  terugtrekking 
volgen.  Van  1555  tot  1793  werd  de  Wakerdijk  voortdurend  verder 
landwaarts  verplaatst,  en  men  waande  zich  ten  onrechte  veilig  achter 
de  Slaperdijken.  Van  1730  tot  1790  werd  de  duinregel  tusschen 
het  Hondsbosch  en  Kamp  geheel  vernield,  terwijl  de  Droomerdijk 
535  M.  en  de  Wakerdijk  270  M.  waren  afgenomen.  De  laagwater- 
lijn  was  in  dien  tijd  gemiddeld  220  M.  landwaarts  verplaatst.  De 
oude  Schoorl  schedijk,  die,  aan  de  westzijde  van  den  Hargerpolder 
gelegen,  in  1730  nog  een  binnendijk  was,  maakte  in  1793  reeds 
deel  uit  van  den  Hondsbosschen  Wakerdijk.  Het  oude  Petten, 
in  1730  nog  een  dorp  van  vrij  aanzienlijke  grootte,  bestond 
in  1793  niet  meer.  Bij  het  verder  binnen waarts  brengen  der  zee- 
wering in  1745  werden  hier  50  huizen  en  het  raadhuis  afgebroken  i). 

Die  treurige  geschiedenis  moest  steeds  de  aandacht  op  dit  ge- 
vaarlijk punt  vestigen.  Toen  in  1754  het  strand  bij  Petten  en  de 
Hondsbossche  meer  dan  gewoonlijk  begon  af  te  nemen,  schreef  de 
Hollandsche  Maatschappij  van  Wetenschappen  eene  prijsvraag  uit 
van  den  volgenden  inhoud: 

1.  Welke   zijn   de   ware  oorzaken,  dat  het  strand  bij  Petten  en 

den   Hondsbossche  sedert  eenige  jaren  zoo  aanmerkelijk  is 
afgenomen  ? 

2.  Wat   is   het   beste   middel  om   het  strand  te  dier  plaatse  te 

bewaren  en  te  doen  aanwinnen  ? 
Van  de  ingekomen  antwoorden  werd  dat  van  Melchior  Bolstra 
21  Dec.  T754  gegeven,  bekroond  2).  Zijn  plannen  van  verbetering 
werden  echter  niet  uitgevoerd.  Nog  tot  1793  duurde  het,  vóór  men 
tot  werkelijke  verbetering  overging.  In  1792  hadden  de  storm- 
vloeden van  December  weer  belangrijke  schade  aan  de  zeewering 
toegebracht,    zoodat   zij    op  enkele  plaatsen  van  lo  roeden  breedte 

i)  Conrad.  t.  a.  p.  pag.  17. 

2)  V'erh.  der  Holl.  Maatsch.  van  Wetensch.  te  Haarlem.  II. 


Digitized  by 


Google 


'58 

tot  iV«  roede  was  ingekrompen.  Door  Dijkgraaf,  Hoogheemraden 
en  Iloofdingelanden  weid  nu  in  April  1793  ^^^  ^^^  directeur  van 
'slands  rivier-  en  zeewerken,  C.  Brunings,  aan  L.  den  Berger, 
inspecteur  van  'slands  zeeweringen  aan  den  Helder,  en  aan  de 
landmeters  J.  Sabrier  en  J.  Nierop  opgedragen,  de  zeewering  op  te 
nemen,  omtrent  den  toestand  verslag  uit  te  brengen  en  middelen  tot 
verbetering  aan  te  wijzen.  Het  verslag  werd  door  Sabrier  en  Nierop 
uitgebracht.  Van  de  voorstellen  tot  verbetering  noemen  wij  den  aanleg 
van  8  met  steen  bezette  rijshoofden,  rechthoekig  op  het  strand  tot 
verdediging  van  de  kust.  Na  veel  twisten  over  het  nut  der  voorstellen 
kwam  men  toch  in  1796  tot  uitvoering  van  dergelijke  plannen. 

Toch  was  deze  kustverdediging  nog  niet  voldoende,  en  men  was 
nog  altijd  genoodzaakt  voor  de  zee  landwaarts  ie  wijken.  De 
steenen  hoofden  werden  niet  behoorlijk  onderhouden,  en  waren  op 
te  grooten  afstand  van  elkander  gelegen  om  den  dijk  te  beschermen. 
Doch  in  1836  werd  op  aanbeveling  van  den  ingenieur  Van  Gendt 
tot  eene  plaatsing  van  paalwerk  als  dijkbescherming  overgegaan. 
Door  verschillende  verbeteringen  daarbij  aangebracht,  kon  in  1849 
de  dijkgraaf  in  zijn  jaarverslag  mededeelen,  dat  de  Hondsbos- 
sche,  wat  de  hoofden,  het  paalwerk  en  den  zanddijk 
aangaan,  thans  in  een  staat  gebracht  zijn,  dat  er  voor 
dat  bolwerk  van  Noord-Holland  weinig  meer  te  duch- 
ten is.  Zoo  zal  het  stelsel  van  terugtrekken  sedert  dien  tijd  tot 
de  geschiedenis  behooren. 

De  Inrichting  dezer  zeewering  beschreven  wij  reeds  vroeger.  (II, 
pag.  124)  i), 

i)  Behalve  naar  genoemde  werken,  en  bovenal  nair  dat  van  Conrad,  verwijzen 
wij  voor  dit  onderwerp  naar  de  volgende  werken. 

J.  Muntjewerf.  De  tegenwoordige  en  voormalige  slaat  van  den  Hondsbossche 
en  duinen  tot  Pelten.     1795. 

Resolutien,  genomen  bij  Dijkgraaf,  Hoofdingelanden  en  Hoogheemraden  van 
den  Hondsbossche  in  het  laatst  der  18de  eeuw. 

Verbalen  van  het  verhandelde  in  de  vergaderingen  van  Hoofd  ingelanden 
van  den  Hondsbossche  en  duinen  tot  Pelten  van  1S38 — 1864. 

Mr.  J.  A.  Kluppel.  Verzameling  van  stukken  van  1388  tot  1598  betrekkelijk, 
het  Hoogheemraadschap  van  den  Hondsbossche  en  duinen  tot  Petien. 


Digitized  by 


Google 


159 


§    12.      GESCHIEDENIS    DER    NOORDELIJKE   PUNT   VAN   NOORD-HOLLAND, 
VAN   HUISDUINEN,    DEN   HELDER   EN   HET   NIEUWEDIEP. 

Het  noordelijk  gedeelte  van  Noord-Holland  wordt  van  Tessel 
gescheiden  door  het  Marsdiep^  een  zeegat,  dat  zich  in  de  duinen 
gevormd  heefc  of  is  blijven  bestaan.  Het  is  zeer  waarschijnlijk, 
dat  in  den  tijd,  toen  de  positieve  niveau  verandering  Holland  nog 
niet  van  het  land  in  het  oosten  beroofd  had,  Tessel  bij  laag  water  met 
Huisduinen  verbonden  was  door  droge  zandplaten.  Verschillende 
geschiedschrijvers  hebben  getracht  te  bewijzen,  dat  het  in  de  eerste 
eeuwen  onzer  jaartelling  mogelijk  was,  droogvoets  van  Huisduinen 
(de  Helder  bestaat  eerst  sedert  1500,  Huisduinen  reeds  in  723) 
naar  Tessel  te  gaan. 

Met  voldoende  historische  zekerheid  is  evenwel  de  geschiedenis 
van  het  Marsdiep  niet  na  te  gaan.  Wat  Paludanus,  Huydecoper, 
Alting,  Acker  Stratingh  en  Van  den  Bergh  hierover  zeggen,  geeft  het 
bewijs,  dat  de  nauwkeurige  gegevens  uit  den  oudsten  tijd  ontbreken. 
Evenwel,  in  verband  met  de  natuurlijke  verschijnselen  in  dit  land 
en  met  de  uitbreiding  der  Zuiderzee,  valt  zeer  wel  aan  te  nemen, 
dat  het  Marsdiep  in  den  aanvang  onzer  tijdrekening  niet  bestond, 
of  slechts  een  schor  was,  die  bij  ebbe  droog  lag.  Door  de  verhef- 
fing van  het  niveau  der  zee  ten  opzichte  van  het  land,  werd  de 
aandrang  van  het  zeewater  bij  vloed  krachtiger,  en  toen  de  Zuiderzee 
in  omvang  toenam  en  een  reservoir  werd,  waarin  zich  het  vloed- 
water  kon  uitstorten,  had  dit  een  krachtigen  vloedstroom  over  die 
schor  tengevolge,  waardoor  zij  werd  geërodeerd  en  aldus  na  ver- 
loop van  tijd  tot  een  zeegat  als  het  tegenwoordige  verdiept.  Op 
den  vloedstroom  volgde  telkens  de  ebstroom,  die  denzelfden  arbeid 
verrichtte. 


A.  Koskam  Kool.     Het  Hondsbosch  en  de  duinen  te  Petten.  (Holl.  Maatsch. 
der  Wetensch.  1784.  XXI). 

Hondslx)ssche  duinen  te  Petten.    (Historische  Gen.  Kroniek.  1848,  pag.  163). 
A.  Huet.     De  zeeweringen  aan  de  Hondsbossche  en  bij  Petten.     1872. 
J.  G.  A.  Faber.     De  Hondsl)OSSche  en  duinen  tot  Petten.  1872. 


Digitized  by 


Google 


In  welk  jaar  die  verandering  plaats  had,  valt  niet  op  te  geven. 
•  Het  is  onwaarschijnlijk,  dat  dit  ook  in  één  jaar  geschiedde.  Mis- 
schien heeft  een  storm  en  water  vloed  het  proces,  dat  langzaam  was 
voorbereid,  verhaast;  maar  in  een  periode  van  jaren  heeft  het  zich 
voltooid.  Van  den  Bergh  loont  aan,  dat  in  de  8ste  eeuw  het 
Maresdiep  reeds  bestond  i).  Evenwel  was  dat  niet  het  Marsdiep 
van  thans,  want  voortdurend  hebben  stroom  en  wind  de  kusten 
van  dit  diep  veranderd. 

Toen  het  Marsdiep  eenmaal  een  bevaarbaar  water  was,  lagen  de 
duinen  van  Huisduinen,  welke  hier  als  een  hoeksteen  vooruitstaken, 
meer  bloot  aan  den  wind  en  den  golfslag.  De  geschiedenis  leert 
met  zekerder  feiten,  dat  hier  sedert  de  13de  eeuw  belangrijke  afslag 
des  lands  heeft  plaats  gehad.  De  duinen  werden  weggenomen  en 
tevens  verder  landwaarts  verplaatst. 

In  eene  authentieke  verklaring  van;  1592  wordt  gezegd,  »dat  zij 
(de  bedoelde  personen)  van  haere  voorouders  wel  hebben  verstaan 
en  hooren  seggen,  dat  haere  dorp  zooveel  landen  bewesten  ende 
noordwesten  de  kerck  hadden  leggen,  dat  sij  maar  twee  wagens 
met  hoeij  mochten  thuis  halen«  2).  Aldus  zal  het  land  daar  in 
dien  tijd  reeds  een  paar  uren  afgenomen  zijn,  en  waren  de  Noorder- 
en Zuiderhaaks  vóór  dien  tijd  droog  land.  De  oude  stukken  spreken 
dan  ook  telkens  van  het  inleggen  der  dijken,  welke  het  land  van  Huis- 
duinen en  den  Helder  aan  de  noordwest- en  noordzijde  beschermden. 
Op  het  Rijksarchief  zagen  wij  eenige  kaarten,  welke  die  verplaat- 
sing der  dijken  landwaarts  voorstellen.  Verder  wordt  vermeld,  dat 
in  1648  de  kerk  van  Huisduinen  verder  landwaarts  verplaatst  moest 
worden,  en  in  1679  moest  men  ook  de  kerk  van  den  Helder,  die 
in  1500  gebouwd  was,  achteruit  brengen  3).  Volgens  eene  kaart 
uit  de  17de  eeuw  bestonden  er  toen  nog  duinen  ten  westen  van 
den    Helder   tot    het   Kaaphoofd,   doch   in   1774  waren  die  geheel 


1)  Van  den  Bergh.  Middel.-Ned.  Geogr.  pag.  50.  —  Oorkondenboek  I,  N.  9.  f  59. 

2)  J.  van  Dam  den  Bouwmeester.  Beschrijving  van  den  Helder.  1847,  pag.  21. 
—  Paludanus.  Oudheid-  en  Natuurk.  Verh.  1776,  I. 

3,  Tegenwoordige  Staat.  XVIII,  pag.  376  enz. 


Digitized  by 


Google 


i6i 

verdwenen.  Van  het  Kaaphoofd  tot  Kijkduin  waren  in  1750  vele 
slooten,  die  vroeger  binnendijks  gelegen  hadden,  buitendijks  komen 
te  liggen  i). 

Huisduinen  vormde  in  de  13de  eeuw  een  eiland,  dat  door  het 
Heersdiep  van  Kallantsoog  gescheiden  was,  en  nog  in  de  i6de  eeuw 
bestond  dat  diep.  Het  was  een  geul  of  kreek  door  de  schorgron- 
den,  welke  later  gedeeltelijk  door  het  Koegras  werden  ingenomen, 
en  aan  locale  omstandigheden  was  het  slechts  te  danken,  dat  dit 
water  zich  niet  tot  een  zeegat  verwijdde,  gelijk  met  het  Marsdiep 
het  geval  was.  Door  kunst  werd  dit  geheel  verhinderd,  toen  in 
1610  Huisduinen  door  den  aangelegden  Zanddijk  (Zie  II  pag.  140 
en  pag.  172)  met  Kallantsoog  vereenigd  werd. 

Door  den  oudsten  dijk  ten  westen  van  den  Helder  was  het 
Oudeland  ingedijkt,  door  den  tweeden  de  Koog  en  door  den  derden 
dijk,  den  Nieuwlandschen-^  Ooster-  of  Sluisdijk,  beginnende  bij  het 
Nieuwediep,  werd  het  Nieuweland  ingedijkt  2).  Eindelijk  werd  in 
18 19  het  Koegras  aan  de  baren  ontrukt. 

Het  water  het  Nieuwe  diep^  langs  de  oostkust,  was  aanvankelijk 
een  kreek  en  ligplaats  van  visschersschuiten.  Die  kreek  kwam  uit 
het  onbedijkte  Koegras  voort.  Vóór  den  aanleg  van  den  Zanddijk 
in  1610,  welke  Huisduinen  met  Kallantsoog  verbindt,  was  dit  diep 
van  zoo  weinig  beteekenis,  dat  men  er  droogvoets  door  kon  gaan. 
Door  den  aanleg  van  genoemden  dijk  en  de  daarop  volgende  ver- 
hooging der  ten  oosten  hiervan  liggende  schorren,  werd  de  ebbe- 
stroom  meer  genoodzaakt  door  het  Nieuwe  diep  te  loopen.  Hierdoor 
had  het  in  1648  aan  den  ingang  van  het  Marsdiep  reeds  12  voet  diepte. 
De  Harssens  liepen  bij  gewone  tijden  niet  onder,  en  het  water,  dat 
bij  eb  uit  de  Zuiderzee  ten  zuiden  langs  Wieringen  naar  de  Noordzee 
liep,  moest  voor  een  gedeelte  door  het  Nieuwe  diep  stroomen.  Deze 
ebstroom   had  door  erozie  genoemde  verdieping  bewerkt.     In  1750 


1)  Tegenwoordige  Staat  XVIII,  pag.  376  enz. 

2)  Zie :    De  kaerte  van    't  Koegras,   gemeeten  en  geteekent  door  Dirck  Ab- 
bestee,  in  het  koper  gebracht  door  Frederick  de  Wit  in  1672. 

II.  II 


Digitized  by 


Google 


102 

vormde  daardoor  het  Nieuwe  diep  reeds  een  »schoone  haven  voor 
kleine  schepen*   i). 

In  1647  bestonden  er  reeds  plannen  een  haven  in  het  Nieuwe  diep 
aan  te  leggen,  evenwel  zonder  tot  uitvoering  te  komen.  Doch  de 
toenemende  verondieping  van  de  Maasmonden  deed  de  aandacht 
meer  op  het  Nieuwe  diep  vestigen.  In  1780  werd  daarom  door  de 
Staten  van  Holland  en  West-Friesland  eene  commissie  benoemd, 
om  te  onderzoeken,  wat  er  gedaan  kon  worden  >om  van  de  kreek 
of  geul,  die  tusschen  de  punt  van  Noord-Holland  aan  de  zijde  van 
de  Zuiderzee  en  den  zoogenaamden  Zuid  wal  was  gevormd,  het 
Nieuwe  diep^  een  oorlogshaven  te  maken  €  2). 

Volgens  de  voorstellen  dezer  commissie  werd  er  een  leidam  langs 
de  oostzijde  van  de  geul  gelegd,  zoodat  deze  geul  geheel  in  een  kanaal 
in  de  lengte  langs  de  kust  veranderd  werd.  Verder  werd  het  zuid- 
einde van  dien  leidam  verbonden  met  een  vnngdam^  die  over  de 
Harssens  (eene  ondiepte  ten  oosten  van  het  Nieuwediep  in  de  Zui- 
derzee) naar  zee  insprong.  De  richting  van  dien  vangdam  was 
naar  het  oost-zuidoosten.  Men  had  hiermede  ten  doel  om  het 
vloedwater,  dat  van  de  Noordzee  de  Zuiderzee  als  een  stroom  bin- 
nendringt, wanneer  het  als  ebbestroom  uit  de  Zuiderzee  weer  te- 
rugkeert naar  de  Noordzee,  op  te  vangen  en  door  het  Nieuwe- 
diep te  leiden.  Die  strooming  zou  hier  de  haven  uitdiepen.  Wer- 
kelijk voldeed  dat  alles  aan  de  verwachting,  want  reeds  in  1785 
had  men  hierdoor  eene  diepte  van  5  II  6  M.  verkregen.  De  vangdam 
werd  later  verlengd  en  aan  het  uiteinde  nog  voor  een  gedeelte 
zuidwaarts  omgebogen. 

Ook  aan  de  landzijde  was  intusschen  een  leidam  aangelegd  over 
de  Schootervlakte,^  die  later  verlengd  werd,  terwijl  men  door  5 
hoofden  de  havenwijdte  beperkte.  Een  groote  vermeerdering  van 
diepte  was  hiervan  het  gevolg,  zoodat  in  den  winter  van  1788  —  89 
de   haven   reeds   voor   zeer  diep  gaande  schepen  toegankelijk  was. 

1)  Tegenw.  Staat  XVII I,  pag.  376. 

2)  De  Jonge.  Geschiedenis  van  het  Nederl.  Zeewezen.  V,  pag.  547;  VI,  pag. 
288  enz. 


Digitized  by 


Google 


163 

In  1792  werd  de  oostelijke  leidam  voorbij  het  punt  van  aanslui- 
ting van  den  vangdam  tot  tegenover  het  zoogenaamde  Nieuwe 
Werk  naar  het  zuiden  verlengd,  opdat  de  ebbestroom  ook  dit  ge- 
deelte zou  uitdiepen.  De  oostelijke  leidam,  die  aanvankelijk  de 
hoogte  van  den  dagelijkschen  vloed  verkregen  had,  is  in  1829  ver- 
hoogd tot  2,56  M.  +  A,  P.  (De  vloedhoogte  is  gemiddeld  0,23  M. 
+  A.  P).  De  kruinsbreedte  is  1,5  M.  Aan  het  noordeinde  daalt 
de  dam  over  100  M.  tot  de  hoogte  van  den  dagelijkschen  vloed. 

De  vangdam  is  thans  in  't  geheel  3360  M.  lang;  de  breedte 
tusschen  de  kieltuinen  is  8,5  M.  en  de  hoogte  van  de  westelijke 
1200  M.  in  het  midden  0,56  M.  +  A.  P.,  van  de  overige  2160  M^ 
in  het  midden,  0,26  M.  +  A.  P. 

Reeds  in  de  vorige  eeuw  was  de  aandacht  op  het  Nieuwe  diep  ge- 
vestigd als  oorlogshaven.  Evenwel  waren  er  hiervoor  inrichtingen 
noodig,  om  schepen  te  herstellen  enz.  Eene  commissie  in  1783 
door  Hunne  Hoogmogenden  met  dit  doel  benoemd,  onderzocht  deze 
zaak,  en  in  1789  stelde  zij  aan  Prins  Willem  V  voor  om' aan  het 
Nieuwe  diep  eene  kielplaats  te  maken.  Om  geen  tegenwerking  van 
de  zijde  van  Amsterdam,  alwaar  groote  werven  waren,  te  onder- 
vinden, voegde  zij  er  bij,  dat  zij  daarmede  geenszins  bedoelde  eene 
werf  om  schepen  te  bouwen  of  te  repareeren,  maar  eene  plaats  om 
de  schepen  schoon  te  maken,  te  kielen,  en  daaraan  slechts  die  her- 
stellingen te  doen,  welke  bij  het  kielen  werden  noodig  geacht,  en  om 
ze  verder  op  en  af  te  tuigen.  De  slag  bij  Doggersbank  strekte  hun 
tot  een  middel,  om  het  voordeel  hiervan  aan  te  toonen;  had  er  te 
Nieuwediep  destijds  een  dergelijke  kielplaats  bestaan,  dan  hadden 
de  schepen  reeds  na  enkele  weken  weder  in  zee  kunnen  stekt^. 

Dergelijke  kielplaats  met  de  noodige  sluis  werd  in  1790  aanbe- 
steed. Het  was  een  ruitvormige,  door  dijken  afgesloten  oppervlakte, 
gelegen  aan  de  westzijde  en  aan  het  einde  van  het  Nieuwe  diep,  op 
de  plaats,  waar  thans  de  kanaalforten  zijn  gelegen.  De  sluis,  thans 
inundatiesluis,  gaf  aan  de  schepen  toegang  uit  het  Nieuwe  diep. 

Tijdens  de  vereeniging  van  Nederland  met  Frankrijk  van  181 2 
tot  18 15  werden  er  plannen  ontworpen,  om  aan  deze  haven  een 
volledig   maritiem   etablissement  te  verbinden.     Langs  de  westzijde 


Digitized  by 


Google 


104 

der  haven  is  toen,  evenwijdig  met  den  oostelijken  leidam,  een  rijzen 
kade  gemaakt  met  een  havendijk  daar  achter,  die  thans  2,73  M. 
+  A.  P.  hoog  is.  En  achter  dien  havendijk  werd  een  kanaal  of 
binnenhaven  gegraven,  de  Kaapvaarders  hinnenJiaven  genoemd,  die 
ook  de  specie  voor  den  dijk  leverde. 

Verder  werden  het  natte  en  het  droge  dok  gegraven.  Het 
natte  dak  of  bassin  verkreeg  den  vorm  van  een  rechthoek  met  eene 
diepte  van  7  M.  onder  volzee,  terwijl  het  terrein  daaromheen  werd 
opgehoogd  tot  i  M.  boven  volzee. 

De  Zeedokstuis  dient  tot  gemeenschap  van  het  Nieuwediep  met 
het  bassin;  de  Maritieme  sluis  geeft  toegang  uit  het  Nieuwe  diep 
naar  de  Maritieme-  en  Koopvaarders  binnenhaven,  en  verder  naar 
het  groot  Noord-Hollandsch  kanaal,  terwijl  een  keersluis  in  de 
zuidzijde  van  het  bassin  gelegen,  gemeenschap  geeft  tusschen  het 
bassin  en  de  Maritieme  binnenhaven.  Verder  geven  de  Koopvaar- 
ders schutsluis  en  de  sluis  in  het  Nieuwe  Werk  onmiddellijk  toegang 
uit  de  haven  tot  het  Groot  Noord-Hollandsch  kanaal. 

Tegenover  de  Zeedoksluis  ligt  een  droog  dok-,  in  1858 — 1866  is 
in  den  zuidwestelijken  hoek  van  het  bassin  een  tweede  droog  dok 
gebouwd.  Beide  dokken  worden  door  een  vast  stoomwerktuig  droog 
gepompt  i). 

§    13.      HET    GROOT   NOORD-HOLLANDSCH   KANAAL. 

Voor  den  handel  van  Amsterdam  was  de  ondiepte  tusschen  de 
Zuiderzee  en  het  IJ,  de  Pampus^  altijd  een  blijvende  en  steeds  toe- 
nemende hindernis.  Diepgaande  schepen  konden  deze  stad  niet 
bereiken,   en    maakten    het    gebruik   van    lichters  noodig,   wat  het 


I)  Zie:  J.  P.  de  Bordes,  De  haven  het  Nieuwediep.  (Tijdschr.  der  Ned, 
MaaUch.  v.  Nijverheid.     1860,  pag.  131). 

Geschiedenis  van  de  dok  werken  op  het  marine  établissement  Willemsoord  en 
Nieuwediep.     (Verh.  Kon.  Inst.  v.  Ing.    1864 — 65,  1866—67.) 

Keek.  Der  Bau  des  ncuen  Trockendocks  im  Hafen  WiUemsortzu  Nieuwediep. 
(Zeitschr.    des    Archit.    und    Ingenieurs-Verein  zu  Hannover.     1869,  pag,  371). 


Digitized  by 


Google 


i65 

vervoer  kostbaar  en  langdurig  deed  worden.  Voor  *s  Lands  zeewezen 
leverde  genoemde  ondiepte  zulke  groote  bezwaren  op,  dat  men  zich 
verwonderen  mocht,  de  grootste  werf  des  lands  en  het  kostbaarste 
tuighuis  te  Amsterdam  geplaatst  te  zien,  en  de  vaart  op  de  Zuiderzee 
kon  door  hare  ondiepten  en  slechte  bevaarbaarheid  veel  moeiten 
veroorzaken  voor  het  spoedig  gereed  maken  van  oorlogsschepen  in 
tijden  van  dringenden  nood.  Dit  laatste  vooral  maakte  het  denk- 
beeld, om  eene  vaart  voor  lichtere  schepen  tusschen  Amsterdam  en 
het  Nieuwediep  aan  te  leggen,  zeer  aannemelijk.  Doch  Amsterdam, 
vreezende  dat  groote  koopvaardijbodems  zich  aan  het  Nieuwediep 
zouden  ontladen,  en  gewoon  aan  de  vaart  op  de  Zuiderzee,  ver- 
zette zich  hiertegen.  De  stedelijke  regeering  wenschte,  indien 
er  ten  dienste  der  zeemacht  een  kanaal  moest  gegraven  worden, 
het  op  die  afmetingen  gebracht  te  zien,  dat  ook  de  grootste  koop- 
vaardijschepen door  dit  kanaal  Amsterdam  konden  bereiken.  Zij 
gaf  aan  Koning  Willem  I  deze  meening  te  kennen,  met  het  aanbod, 
daartoe  i  mill.  gulden  in  de  kosten  te  zullen  bijdragen.  De  Vorst 
was  dadelijk  met  dit  plan  ingenomen,  deed  de  mogelijkheid  er  van 
onderzoeken,  en  droeg,  op  het  gunstig  bericht  van  den  heer  J. 
Blanken  Jzn.,  Inspecteur-Generaal  van  den  Waterstaat,  aan  dezen 
de  uitvoering  op  i).  Een  wetsontwerp  tot  het  graven  van  dit  kanaal 
en  de  bedijking  van  het  Koegras  door  den  Koning  ingediend  bij 
de  Staten-Generaal,  werd  met  eenparige  stemmen  aangenomen  2). 
In  18 19  werd  met  den  aanleg  van  het  kanaal  begonnen,  en  in  1825 
was  het  voltooid.  De  kosten  van  den  aanleg  hebben  in  het  geheel 
12,5  raill.  bedragen. 

Het  kanaal  was  gegraven  met  het  oog  op  de  toenmalige  behoeften. 
Er  waren  5  schutsluizen  in  het  kanaal  (de  Willemsluis  aan  den 
mond,  de  Buikslootersluis,  de  schutsluis  tePurmerend,  de  schutsluis 
aan  het  noordeinde  der  Zijpe  en  de  schutsluis  te  Nieuwediep)  die 
een  diepgang  van  5,2  M.  toelieten.  De  vooruitgang  van  den  scheeps- 


1)  A.   J.    Lastdrager.     Proeve   eener   geschiedenis    van   het    Konirkrijk    der 
Nederlanden.   1832  I,  pag.  288. 

2)  Staatscourant  181 7.  N.  14,  15    17,  22,  28  of  29. 


Digitized  by 


Google 


i66 

bouw  stelde  weldra  hooger  eischen,  en  spoedig  bleek  het,  dat  de 
afmetingen  van  het  kanaal  te  gering  waren  i).  Daarom  heeft  het 
van  tijd  tot  tijd  verschillende  verbeteringen  ondergaan. 

De  lengte  van  het  kanaal  bedraagt  80,410  K.  M.  tusschen  het 
Noordzee-Kanaal  bij  Amsterdam  en  de  Rijkszeehaven  het  Nieuwe- 
diep.  Het  bestaat  uit  2  voorhavens,  3  panden  (gewoonlijk  2)  en 
de   met  het  3de  pand  gemeen  liggende  Koopvaarders  binnenhaven. 

Het  Groot  Noord-Hollandsch  kanaal  staat  in  gemeenschap  met: 
het  kanaal  van  't  Schouw  naar  Monnikendam  en  Edam,  het  ka- 
naal van  £dam  naar  Purmerend,  de  vaart  van  Purmerend  naar 
Oudendijk,  het  Heldersch  kanaal,  de  Markervaart  en  het  Kooger 
polderkanaal,  de  vaart  van  Westgraftdijk  naar  Ursem,  de  Knollen- 
dammervaart  en  de  vaart  naar  Avenhorn,  en  de  Hoornsche  trek- 
vaart. 

Het  eerste  pand  van  de  schutsluis  Willem  III  te  Amsterdam  tot 
de  schutsluis  te  Purmerend  is  15,170  K.  M.  lang.  Het  heeft  een 
kanaalpeil  van  1,30  M.  —  A.  P.  d.  i.  =  Nieuw  Waterlands  zoraer- 
peil,  waarmede  het  gemeen  ligt.  De  diepte  is  5,5  M.  onder  kanaalpeil 
en  de  breedte  +  37  M.  Dit  pand  loost  met  Walerland  het  water 
op  het  Noordzee-Kanaal  en  de  Zuiderzee  door  opmaling. 

Het  tweede  pand  van  de  schutsluis  te  Purmerend  tot  de  Zijper 
schutsluis  is  51,425  K.M.  lang,  en  ongeveer  van  gelijke  breedte  en 
diepte  als  het  eerste  pand.  Het  derde  pand  van  de  Zijper  schut- 
sluis tot  de  Koopvaarder  schutsluis  is  12,035  K.  M.  lang  2).  De 
laatstgenoemde  twee  gedeelten,  als  behoorende  tot  den  Schermer- 
boezem, bespraken  wij  reeds  (Zie  II  pag.  131  §  5)' 


I)  D.  J.  Storm  Buysing,  J.  G.  v.  Gendt  en  J.  Ortt.  Memorie  aangaande  de 
verbetering  van  het  Noord- HoUandsch  Kanaal.  Verslagen  der  Openb.  werken 
1855-56. 

3)  Overzicht  der  Scheepvaartkanalen.     1888,  pag.  115. 


Digitized  by 


Google 


XIII.    DE  HOLLANDSCHE  DUINEN. 


LITTERATUUR. 

1.  Jan  Kops.  Tegenwoordige  staat  der  duinen  van  het  voormalig  gewest 
Holland  (zijnde  het  eerste  deel  van  het  algemeen  rapport  der  commissie 
van  superintendentie  over  het  onderzoek  der  Duinen.     1798). 

2.  D.  F.  Gevers.  Verhandeling  over  het  toegangbaar  maken  van  de  duin- 
valleien langs  de  kust  van  Holland.  1826.  (Verhandelingen  der  Maatsch. 
tot  bevordering  van  Landbouw  te  Amsterdam.    XVHI). 

3.  W.  van  den  Huil.     Over  den  oorsprong  en  geschiedenis  der  duinen.  1838. 

4.  Friedr.  Arends.  Geschiedenis  der  kusten  van  de  Noordzee.  (Vert.  door 
AVesterhoff.)  1835,  ^-  P^*  47-   Aantcekeningen  v.  Westerhoff.  II,  pag.  430. 

5.  Ackcr  Stratingh.     Aloude  staat.     1847,  !•  P^-  '4- 

6.  Conrad.     Over  de  duinen  en  stranden.    (Vriend  d.  Vaderlands.  1832). 

7.  Van  den  Bergh.     Middel-Nederl.  Geographie.     1872,  pag.  28. 

8.  T.  C.  Winkler.    Zand  en  duinen.     1865. 

9.  T.  C.  Winkler.  Considérations  géologiques  sur  TOrigine  du  Zand-diluvium, 
du  sable  Campinien  et  des  Dunes  maritimes  des  Pays-Bas.  (Archives  du 
Musée  Teyler.  V,  1878). 

10.  F.  W.  van  Eeden.  Duinen  en  duinbeplanting.  (Volks-Almanak  van  het 
Nut.  1875). 

11.  W.  C.  H.  Staring.     De  bodem  van  Nederland.     1856,  I.  pag.  310. 

12.  Algemeene  statistiek  van  Nederland.  I,  hoofdst.  V;  bewerkt  door  Hartogh 
Heys  van  Zoute  veen.     1870, 

13.  J.  F.  Niermeyer.     De  duinen.     (De  Natuur  1887). 

14.  J.  Lorié.  Les  dunes  intérieures,  les  tourbières  basses  et  les  oscillations  du 
sol.^  (Archives  du  Musée  Teyler,  serie  II,  T.  III,  1890).  Dit  werk  is 
verschenen,  nadat  het  onze  reeds  eenige  maanden  geschreven  was. 


Digitized  by 


Google 


i68 


§    I.      OROGRAPHISCHE  BESCHRIJVING   DER    DUINEN. 

Reeds  hebben  wij  terloops  gedeelten  der  duinen  van  ons  va- 
derland genoemd  en  eenige  gegevens  dienaangaande  medegedeeld. 
Thans  willen  wij  de  duinen  als  een  geheel  behandelen,  en  aan- 
vangen met  haar  verticalen  en  horizontalen  vorm  te  beschrijven. 
Onder  duinen  verstaat  men  in  het  algemeen  zandheuvels.  Het 
woord  duin  (Eng.  down^  Duitsch  Düne^  Fr.  dune^  It.  en  Sp.  duncy 
Friesch  duné)  is  van  Keltischen  oorsprong  en  luidt  in  het  oud-Iersch 
dun  —  burg  en  in  het  Welsch  din  =  versterkte  heuvel,  in  welke 
beteekenis  het  nog  in  plaatsnamen  als  Lugdunum  e.  a.  is  overge- 
bleven i). 

Meer  bepaald  worden  met  duinen  thans  de  heuvels  aangeduid, 
die  door  den  wind  gevormd  zijn  uit  fijn  zand.  Wanneer  deze  langs 
het  strand  liggen,  noemt  men  ze  zeeduinen ;  liggen  ze  dieper  land- 
waarts, geheel  buiten  het  bereik  der  zee,  dan  spreekt  men  van 
landduinen. 

Tot  de  duinformatie  worden  ook  gerekend  de  vlakke  zandgronden, 
welke  zich  midden  in  de  duinen,  en  dus  zoo  goed  als  aan  alle  zijden 
door  deze  omringd,  of  aan  delandzijde  langs  de  duinen  uitstrekken. 
De  lang  uitgestrekte  vlakten  van  aanzienlijken  omvang  meest  parallel 
met  de  hoofdrichting  midden  in  de  duinen  loopend,  heeten  duinvalleien^ 
bekkenvormige  vlakten  van  geringen  omvang  en  van  alle  zijden  door 
duinen  omsloten  heeten  duinpannen.  De  lagere,  vlakke  zandgronden 
aan  den  binnenkant  der  duinen,  die  gedeeltelijk  door  de  natuur, 
gedeeltelijk  door  kunst  van  de  duinen  gevormd  zijn,  heeten  geest- 
gronden. Niet  zelden  zijn  de  laatste  eene  vermenging  van  zand, 
veen,  humus  enz. 

De  zeeduinen  hebben  het  eigenaardige  voorkomen,  dat  zij  in 
eenige  meer  of  minder  regelmatige  rijen  liggen  en  gezamenlijk  als 
een  zoom  het  land  langs  de  zee  omsluiten.  Alleen  langs  den 
zeekant  is  die  heuvelreeks  gewoonlijk  goed  aaneengesloten ;  aan  den 

l)  Zie  Franck,  Etymologisch  woordenboek;  eveneens  Kluge,  Etymologisches 
Wörterbuch. 


Digitized  by 


Google 


169 

landkant  is  de  grens  der  duinen  minder  regelmatig.  De  rij  der 
duinheuvels  langs  de  zee  noemt  men  zeelooper  oï strandrecp.  Wan- 
neer dieper  landwaarts  ook  regelmatige  rijen  gevonden  worden,  dan 
heeten  die  middenlooper  en  voorlooper,  (deze  laatste,  welke  het  diepst 
landwaarts  ligt).  Doch  over  't  geheel  valt  het  dikwijls  moeielijk  ach- 
ter den  zeelooper  nog  regelmatige  rijen  te  vinden,  en  liggen  de 
heuvels  zonder  orde  door  elkander. 

De  Nederlandsche  duinenrij  bestaat  uit  een  S-vormig  gebogen 
lijn,  die  zich  van  Rottum  met  kleine  tusschenruimten  tot  in  Zeeuwsch 
Vlaanderen  voortzet.  De  duinen  beslaan  in  Nederland  eene  lengte 
van  276  K.  M.  (de  zeegaten  en  tusschenruimten  er  afgerekend)  en 
hunne  oppervlakte  wordt  op  43000  H.  A.,  met  de  geestgronden 
er  bij  op  93580  H.  A.  gerekend. 

De  breedte  der  duinen  is  zeer  afwisselend.  Bepalen  wij  ons  alleen 
tot  die  op  het  vasteland  van  Holland.  Van  .Huisduinen  lot  Kal- 
lantsoog  is  de  duinbreedte  gemiddeld  420  meter,  en  van  Kallantsoog 
tot  Petten  1000  meter. 

Ten  zuiden  van  de  Hondsbossche  zeewering  dringt  bij  Schoorl 
en  Bergen  het  duin  met  aanzienlijke  breedte  naar  het  land  in.  Bij 
Schoorl  bedraagt  de  duinbreedte  4000  M.  en  bij  Bergen  3000  M. 
Ten  zuiden  van  Bergen  heeft  weder  eene  versmalling  plaats,  zoodat 
te  Ëgmond  aan  Zee  de  breedte  slechts  1500  M.  is.  Ten  zuiden 
van  Egmond  Binnen  verbreeden  de  duinen  weder;  te  Kastrikum 
zijn  ze  +  3000  M.  breed  en  te  Wijk  aan  Zee  1800  M.  Met  eene 
vrij  aanzienlijke  breedte  zetten  zij  zich  vervolgens  naar  de  grens 
van  Zuid-Holland  voort.  Te  Haarlem  bedraagt  de  breedte  3000  M. 
Doch  in  Zuid- Holland  vindt  men  langzaam  toenemende  versmalling 
van  de  duinen,  zoodat  ze  bij  Noordwijk  niet  meer  dan  700  M. 
breed  zijn.  Ten  zuiden  van  Katwijk  neemt  de  breedte  weer  toe,  eerst 
tot  gemiddeld  1500  M.  en  bij  Wassenaar  tot  3000  M.  om  vervolgens 
weder  langzaam  te  versmallen  tot  2500  M.  breedte  bij  Scheveningen,  en 
tot  1800  M.  bij  Eik-en-Duinen.  Ten  zuiden  van  Eik-en  Duinen  neemt 
de  duinzoom  zeer  snel  af  in  breedte,  zoodat  zij  bij  Loosduinen  slechts 
40  M.  en  te  'sGravezande  niet  meer  dan  14  M.  breedte  heeft. 
Bij    den    Hoek  van  Holland  beslaan  zij  nog  weder  een  groote  op- 


Digitized  by 


Google 


pervlakte  bij  het  Spanjaardsduin.  Doch  de  Rotterdamsche  waterweg 
snijdt  hier  het  zuidelijk  gedeelte  der  duinen  af  i). 

In  horizontalen  vorm  zijn  dus  de  duinen  een  strook  van  afwis- 
selende breedte,  doch  die  op  zijn  hoogst  3000  k  4000  meter  be- 
draagt. Die  onregelmatige  uitbreiding  der  duinen  vindt  men  hoofd- 
zakelijk aan  de  landzijde.  Langs  de  zee  vormt  de  duingrens  in 
het  strand  een  zacht  gebogen  lijn  zonder  onregelmatigheden  van 
eenige  beteekenis.  Het  is  de  zee  met  hare  vrij  regelmatige  eb-  en 
vloedstroomen  langs  de  kust,  die  in  verband  met  den  heerschen- 
den  wind  de  onregelmatigheden  van  de  duinen  als  het  ware  heeft 
afgeschaafd  Doch  aan  de  landzijde  is  de  uitbreiding  der  duinen, 
voor  zoover  de  mensch  hierop  geen  invloed  heeft  uitgeoefend,  een 
produkt  van  locale  invloeden  op  den  wind.  Aan  de  vrije,  effene 
zee  zijn  die  locaal  afwisselende  invloeden  op  den  wind  gering. 

De  invloed  van  den  mensch  op  de  uitbreiding  der  duinen  be- 
paalt zich  hoofdzakelijk  hiertoe,  dat  hij  door  het  planten  van  helm- 
gras verplaatsing  en  verstuiving  tracht  tegen  te  gaan  en  door  het 
stellen  van  schermen  nieuwe  duinen  doet  bijeenstuiven.  Verder  heeft  hij 
door  afzanderijen  op  vele  plaatsen  de  duinen  weggenomen  aan  deland- 
zijde.  Men  heeft  door  afkarringen  van  de  binnen  gelegen  duin- 
heuvels veel  zand  vervoerd  tot  ophooging  van  bouwterrein,  tot  het 
vormen  van  spoorwegdammen  enz.  Hierdoor  is  de  uitgebreidheid 
van  het  duin  verminderd  en  de  strook  geestgronden,  welke  het 
duin  landwaarts  in  vergezelt,  verbreed. 

De  binnenkant  van  de  duinen  vertoont  nog  het  eigenaardig  ver- 
schijnsel, dat  op  verschillende  plaatsen  een  hoog  binnenduin  breede 
duinvlakten  afsluit,  zooals  tusschen  Noorddorp  en  Egmond,  of  dat  een 
binnen  duin  meer  of  minder  geïsoleerd,  parallel  met  de  hoofdduinen 
loopt,  en  er  gewoonlijk  op  een  enkele  plaats  mede  verbonden  is. 
Op  eenige  plaatsen  bestaan  deze  strooken  zandgrond  uit  vlakke 
terreinen,  zooals  van  Alkmaar  tot  Limmen,  van  Schoten  langs 
Haarlem  tot  Heemstede  en  van  Voorschoten  tot  Rijswijk,  die  dan 
door   diepere   geulen,    dikwijls   eveneens   uit   zandgrond  bestaande, 

i)  Deze  cijfers  der  breedte  zijn  volgens  de  Waterstaat skaart. 


Digitized  by 


Google 


171 

van  de  hoofdduinen  zijn  afgescheiden.  Elders  bestaan  zij  uit  wer- 
kelijk heuvelachtige  duinen,  zooals  bij  Bennebroek  en  Hillegom, 
bij  Noordwijkerhout  en  elders.  Het  is,  of  de  duinen  met  eenige 
lange  bogen  in  de  hoofdrichting  der  duinen  zich  uitstrekkend,  aan 
den  oostkant  smalle  strooken  laag  land  hebben  afgesneden.  Bij  de 
bijzondere  beschrijving  zien  wij  dit  alles  nader  i). 

Aan  den  zeekant  gaan  de  duinen  met  tamelijk  steile  helling  over 
in  het  vlakke  naar  zee  zacht  afloopende  strand.  Dit  strand  heeft 
in  Noord- Holland  (1887)  eene  gemiddelde  breedte  van  115,37  M. 
bij  laagwater  en  van  51  M.  bij  hoogwater  2). 

De  hoogte  der  duinen  is  zeer  afwisselend,  en  daar  er  weinig 
hoogtemetingen  verricht  zijn,  ook  niet  met  juistheid  bekend.  Zelden 
bereiken  zij  eene  hoogte  van  meer  dan  60  M.  +  A.  P.  De  Blinkerd 
bij  Haarlem  is  =tz  60  M.  hoog,  doch  het  grootste  gedeelte  der  duinen 
ligt  veel  lager.  Langs  het  kanaal  van  IJmuiden  is  de  grootste 
hoogte  ongeveer  10  M.  -h  A.  P.  Bij  Katwijk  zijn  zij  8  tot  11  M., 
bij  Wassenaar  8  tot  13  M.  hoog  en  van  hier  dalen  zij  naar  den 
Haag  af  tot  6  M.,  5  en  4  M.  om  ten  zuiden  van  den  Haag 
nog  meer  te  dalen.  De  gemiddelde  hoogte  blijft  beneden  10 
M.  +  A.  P. 

Reeds  hebben  wij  opgemerkt,  dat  men  bij  de  duinen  de  steilste 
hellingen  van  onzen  bodem  vindt.  Gewoonlijk  hebben  de  duinglooi- 
ingen eene  helling  van  1V2  op  i,  zelden  is  het  beloop  aan  zeezijde 
flauwer  dan  2  op  i.  Het  lage  strand  helt  gewoonlijk  onder  40 
op  I.  Na  stormvloeden  is  de  gemiddelde  helling  van  het  strand 
meestal  31  op  i,  waarvan  het  lage  gedeelte  beneden  laagwater  eene 
gemiddelde  helling  van  ongeveer  40  op  i  aanneemt  en  het  hoogere 
gedeelte  tot  den  duinvoet  van  ongeveer  22  op  i  3). 

Gaan  wij  thans  tot  de  meer  bijzondere  beschrijving  der  duinen 
over  en  vangen  wij  daartoe  aan  in  het  noorden. 


i)  Op  de  kaart  bij  Lorié's  studie:  Les  dunes  inlérieures  etc.  (Teylers Archief 
1890)  wordt  die  liggiiig  der  binnenduincn  zeer  duidelijk  aangetoond. 

2)  Prov.  Verslag,  1887  pag.  41. 

3)  Verwey.     Waterbouwkunde.  I,  1887,  pag.  63. 


Digitized  by 


Google 


172 

De  noordelijke  spits  van  het  tej?en woord ige  Noord-Holland  wordt 
door  dijken  beschermd,  die  te  Huisduinen  zich  bij  de  duinen  aan- 
sluiten. Tusschen  Huisduinen  en  het  begin  van  den  Zanddijk  (zie 
II,  pag.  i6o)  ligt  eene  breedere  duin  massa,  op  welks  grootste  hoogte 
in  181 1 — 1813  het  fort  Kijkduin  gebouwd  is.  Het  dorp  Huisduinen 
ligt  hier  aan  den  voet  van  het  duin. 

Ten  zuiden  van  de  hier  besproken  gedeelten  vindt  men  een  regel- 
matige duinmassa  tot  nabij  Kallantsoog^  welke  gemiddeld  420  M. 
breed  is.  Aan  den  landkant  is  hier  het  duin  volgens  eene  rechte  lijn 
zeer  steil  afgesneden,  zoodat  het  eenigszins  aan  een  dijk  doet  denken^ 

Werkelijk  vindt  men  hier  een  ouden  dijk,  die  aanleiding  gegeven 
heeft  tot  de  duinvorming.  Dit  is  de  zoogenaamde  Zanddijk  of  de 
Dijk  van  Oldenbarneveld^  ook  wel  Statendijk  genoemd. 

Het  is  bekend,  dat  tusschen  Huisduinen  en  Kallantsoog  bij  hooge 
vloeden  het  water  der  Noordzee  over  het  vlakke  strand  heenliep, 
de  slijkgronden  van  het  Koegras  binnenstroomde  en  zich  ver- 
volgens in  de  Zuiderzee  stortte.  Om  dit  te  verhinderen  werd 
in  1610  door  de  Staten  van  Holland  en  West-Friesland  het  besluit 
genomen,  om  langs  dit  strand  een  dijk  te  leggen  tot  aan  de  woning 
de  Groote  Keet  (ten  W.  van  Zijpersluis)  i).  Deze  dijk  was  binnen 
twee  maanden  voltooid,  en  werd  de  oorzaak  dat  het  zand  van  het 
strand  hier  samenstoof,  en  ten  westen  van  den  dijk  een  duin  deed 
ontstaan.  Aan  den  kant  van  het  Koegras,  waar  de  Zanddijk  door 
overstuiving  werd  opgehoogd,  is  dit  duin  het  hoogst,  en  naar  zee 
toe  loopt  het  langzaam  af. 

Ten  zuiden  van  Kallantsoog  neemt  de  breedte  der  duinen  toe  tot 
gemiddeld  1000  M.  Midden  in  het  duin  vindt  men  hier  een  lang- 
werpig van  het  noorden  naar  het  zuiden  zich  uitstrekkend  meer, 
van  20  H.  A.  grootte  met  zoet  water,  het  Zwanenivater  geheeten. 
Wilgenstruiken,  biezen  en  grassen  langs  den  oever  maken  dit 
water  tot  eene  geliefde  verblijfplaats  van  duizenden  watervogels.  De 
plannen,  die  van  tijd  tot  tijd  ontworpen  werden  om  het  droog 
te  maken,  kwamen  nimmer  tot  uitvoering. 

1)  Velius.  Chroniek  van  Hoorn,  pag.  539, 


Digitized  by 


Google 


173 

De  opening  in  de  duinen  tusschen  Petten  en  Kamp  wordt  aan- 
gevuld door  de  Pettemer  en  Hondsbossche  zeewering,  die  wij  op 
pag.  124  en  154  van  dit  deel  reeds  beschreven. 

Ten  zuiden  van  Kamperduin  en  Hargen  begint  de  duinenrij 
weder,  en  heeft  er  spoedig  de  aanzienlijke  breedte  van  4000  M. 
Het  Kamperduin^  dat  ten  zuiden  van  den  Hondsbosschen  zeedijk 
ligt,  verheft  zich  door  het  verschil  met  genoemden  dijk  als  een  uit 
zee  gemakkelijk  op  te  merken  baak  tot  eene  aanzienlijke  hoogte. 
In  't  gezicht  van  dit  duin  had  in  1797  de  zeeslag  plaats,  waarbij 
de  admiraal  de  Winter  zich  aan  den  Engelschen  vlootvoogd  Duncan 
moest  overgeven. 

Tusschen  Schoorl  en  Bergen  beslaan  de  duinen  niet  alleen  de 
grootste  breedte,  doch  hebben  zij  ook  de  aanzienlijkste  hoogte. 
Aan  den  landkant  rijzen  zij  dikwijls  tot  50  è  60  M.  hoogte  vrij 
steil  op  uit  de  vlakte.  Het  prachtige  houtgewas,  dat  men  hier  lan^s 
de  duinen  vindt,  houdt  het  zand  vast  en  bewaart  het  voorliggende 
land  voor  overstuiving.  Het  zand,  waaruit  hier  de  duinen  opge- 
bouwd zijn,  is  reeds  sedert  lang  bekend  door  zijne  bijzondere  fijnheid 
en  witheid,  zoodat  het  in  de  vorige  eeuw  zelfs  naar  Engeland  ver- 
voerd werd  tot  gebruik  in  glasblazerijen  en  als  schuurzand.  Het 
Continentaal-stelsel  maakte  ook  hieraan  het  eerst  een  einde. 

De  breede  duinstreek  is  overigens  een  slecht  toegankelijke  woestenij, 
waar  kleine,  meest  afgezonderd  liggende  duinpannen,  duinvalleien 
en  duintoppen  in  grillige  orde  elkander  afwisselen.  De  duinvalleien 
zijn  meestal  bijzonder  droog,  zoodat  men  er  geen  of  weinig  water 
aan  de  oppervlakte  in  aantreft. 

Ten  zuiden  van  de  Berger  duinen  wordt  de  rij  in  de  Wimme- 
nummer  duinen  weer  smaller,  totdat  bij  Egmond  de  rij  tot  minder 
dan  1500  M.  breedte  is  ingekrompen.  In  de  Wimmenummer  duinen 
liggen    in   het  midden  nog  vlakten,  die  met  hakhout  begroeid  zijn. 

De  duinen  ten  zuiden  van  Egmond  zijn  smal,  zonder  duinvalleien 
van  ecnige  beteekenis.  Door  helmbeplanting  worden  ze  zooveel 
mogelijk  tegen  verplaatsing  en  afstuiving  bewaard. 

Ten  zuiden  van  Egmond  Binnen  vindt  men  weder  verbreeding 
der   duinen   naar   de    landzijde.     Hier   vangt   ook  de  eigenaardige 


Digitized  by 


Google 


174 

formatie  der  duinvalleien  aan,  welke  zich  bijna  onafgebroken  tot 
de  Breesaap  bij  het  Noordzee-Kanaal  voortzetten.  Slechts  een  smal 
binnenduin  scheidt  het  vlakke  land  der  geestgronden  van  de  val- 
leien. Midden  door  het  duin,  in  het  westen  door  de  naakte,  blin- 
kende duinketens,  in  het  oosten  door  de  meest  met  bosschen 
begroeide  duinen  langs  de  geestgronden,  als  door  randgeberg- 
ten  begrensd,  strekt  zich  hier  een  rij  van  eenzame  vlakten 
in  de  duinen  uit,  meestal  langwerpig  van  gedaante.  Aan  den 
landkant  rijzen  deze  vlakten  langzaam  en  eenigszins  golvend  tot 
het  boschrijke  duin  op,  over  welks  kruinen  op  meer  of  minder  ver- 
ren afstand  eenige  torenspitsen  de  aanwezigheid  der  dorpen  op  den 
rand  der  geestgronden  verraden  Op  vele  plaatsen  zijn  deze  duinval- 
leien wel  een  kwartier  uur  gaans  breed  (van  oost  naar  west). 

Onder  Egmond  vangen  de  duinvalleien  aan  met  de  valleien 
van  Groot'  en  Klein  Vogelwater  en  het  Galgevlak,  Ten  westen  van 
Bakkum  sluiten  zij  zich  aan  bij  de  valleien  langs  de  zoogenaamde 
floepbeek^  welke  zich  uitstrekken  tot  nabij  Noorddorp.  Te  zamen 
vormen  zij  een  langwerpig  dal  midden  in  het  duin,  dat  in  het  Vo- 
gelwater ±  5  M.  -I-  A.  P.,  in  het  midden  3,5  M.  +  A.  P.  en  in 
het  zuiden  ±  4  M.  -r  A.  P.  hoog  is  i). 

Met  de  valleien  aan  de  Hoepbeek  ten  westen  van  Noorddorp 
eindigt  de  aaneengesloten  rij  duinvalleien.  Hier  verheft  zich  een 
smal  duin  tot  een  hooge  scheidingswand,  en  de  valleien,  welke  men 
verder  naar  het  zuiden  vindt  tot  aan  Wijk  aan  Zee,  liggen  geheel 
door  hooge  duinen  ingesloten.  Doch  van  het  duin  aan  den  zuidkant 
van  de  Hoepbeek-valleiën  kan  het  oog  bijna  ongestoord  degeheele 
langwerpige  vlakte  in  de  lengte  door  de  duinen  tot  voorbij  Groot 
Vogelwater  overzien.  Heel  in  de  verte  verheft  de  toren  van  Egmond 
zijn  spits  boven  die  golvende  vlakte. 

De  Hoepbeek  was  vroeger  een  watertje,  dat  ten  westen  van 
Noorddorp   in   de   duinen  ontstond,   een  rij  valleien  doorsneed  en 

1)  Deze  cijfers  zijn  te  danken  aan  waterpassingen,  door  den  heer  Kempees 
verricht  op  verzoek  van  Dr.  Lorié,  die  ze  ons  welwillend  afstond.  Thans  zijn 
ze  ook  in  genoemd  werk  van  Lorié  verechenen. 


Digitized  by 


Google 


175 

met  een  half  cirkel vormigen  loop  dwars  door  de  duinen  zich  naar 
Bakkum  richtte,  waar  het  zich  in  de  Schulpvaart  uitstortte.  Of  zij 
oorspronkelijk  door  de  natuur  ontstond  of  door  menschen  gegraven 
werd,  is  niet  te  zeggen.  Door  de  ontginningen  van  den  heer 
Gevers  in  de  duinen  is  deze  beek  zeer  veel  vergraven.  Den  be- 
woners dezer  streken  is  zelfs  de  naam  Hoepbeek  niet  bekend,  doch 
zij  spreken  eenvoudig  van  het  Kanaal^  door  den  heer  Gevers  laten 
graven  tot  afvoer  van  het  water.  Ook  op  de  topographische-  en 
de  waterstaatskaart  vinden  wij  den  naam  Hoepheek  niet,  doch  slechts 
dien  van  Kanaal.  Vóór  eene  eeuw  toch  waren  de  duinvalleien 
veel  meer  met  water  bezwaard  dan  thans.  De  heer  Gevers  schreef 
in  1823:  tHet  Watervlak,  het  Groot  Vogel  water  het  Halve  Galge- 
vlak,  vele  gedeelten  van  de  vallei  aan  de  Hoepbeek  en  van  het 
Klein  Vogelwater  leveren  doorgaans  in  den  winter  even  zooveel, 
meren  op;  inzonderheid  beide  eerstgenoemde  plaatsen.  Niettegen- 
staande de  droogte  van  den  afgeloopen  winter  en  van  dit  voorjaar 
(1823)  stonden  zij  in  het  laatst  van  Mei  nog  voor  een  gedeelte 
blank  en  meermalen  gebeurt  het,  dat  ze  den  geheelen  zomer  haar 
water  niet  kwijt  raken.  Dit  is  aan  het  slecht  onderhoud  der  beken 
toe  te  schrijven.  €  Zelfs  was  het  toen  noodig  enkele  gedeelten  door 
bemaling  droog  te  houden. 

Om  dien  toestand  te  verbeteren  en  de  duinvalleien  voor  ontgin- 
ning geschikt  te  maken  werd  o.  a.  de  Hoepbeek  in  haar  beneden 
gedeelte  dwars  door  het  Koningsduin  verbreed. 

Doch  geheel  anders  is  thans  de  toestand.  In  den  natten  zomer 
van  1888  bevonden  wij  ons  in  het  midden  dier  valleien  van  de  Hoep- 
beek, doch  nergens  was  er  overlast  van  vochtigheid.  De  Hoepbeek, 
niets  meer  dan  een  sloot,  lag  daar  zoo  goed  als  droog,  en  de  enkele 
bewoners  klaagden  over  gebrek  aan  drinkwater.  De  bewoner  van 
den  iBrabantschen  Landbouw*  (een  boerderij  aan  de  Hoepbeek  in 
de  vorige  eeuw  gebouwd,  de  eerste  in  deze  vallei)  die  hier  meer 
dan  40  jaren  woonde,  verzekerde  ons,  dat  de  duinen  hoe  langer 
hoe  droger  worden,  en  dat  men  nooit  meer  last  had  van  het 
water.  Daarom  was  dan  ook  de  Hoepbeek  op  verschillende  plaatsen 
afgedamd,  zoodat  zij  geen  doorstroomend  water  meer  vormt. 


Digitized  by 


Google 


176 

De  duinvalleien  langs  de  Hoepbeek  zijn  het  best  te  bereiken  van 
den  straatweg  bij  Bakkum,  waar  de  sloot  van  de  Hoepbeek  dwars 
uit  het  duin  naar  het  oosten  loopt,  en  de  valleien  zich  naar  den 
landkant  openen.  Ook  van  den  straatweg  bij  Noorddorp,  waar  de 
valleien  slechts  door  een  smal  duin  van  den  hoofdweg  gescheiden 
zijn,  is  de  toegang  gemakkelijk.  Doch  daar  de  moeielijk  door  te 
komen  landduinen  (het  binnenduin  aan  de  landzijde)  ze  van  het 
overige  land  afscheiden,  liggen  deze  vlakten  er  eenzaam  en  verlaten. 
Eenige  boerderijen  zijn  er  in  deze  eeuw  gebouwd,  doch  de  ont- 
ginningen  dragen  in  de  droge  gronden  niet  de  gewenschte  vrucht. 

Ten  zuiden  der  Hoepbeekvalleiën  liggen  eenige  afgesloten  pannen 
midden  in  het  duin,  zooals  wij  zeiden.  Doch  tusschen  Beverwijk 
en  Wijk  aan  Zee  vindt  men  weer  een  uitgestrekter  lage  duinstreek, 
welke  van  Beverwijk,  waar  zij  een  aanzienlijke  breedte  heeft,  spits 
in  het  duin  doordringt  naar  Wijk  aan  Zee.  Dit  zijn  de  zoogenaamde 
Vlakke-  of  Lage  Kr  o  f  ten  ^  waarmede  de  Kaag  éen  geheel  uitmaakt. 
Verschillende  wegen  van  Wijk  aan  Zee  naar  Beverwijk,  naar  de 
Breesaap  en  naar  Heemskerk,  loopen  door  de  Lage  Kroften.  Deze 
landen  zijn  meest  alle  ontgonnen  en  worden  gedeeltelijk  tot  bouw- 
en weiland,  gedeeltelijk  tot  boschgrond  gebruikt. 

In  de  Lage  Kroften  ligt  ook  Wijk  aan  Zee.  Het  dorp  ligt  schil- 
derachtig in  een  kom  achter  een  groep  der  hoogste  duinen  van  de 
geheele  kust,  die  niet  meer  dan  10  minuten  breed  is.  Het  water 
uit  de  Vlakke  Kroften  vloeit  grootendeels  langs  een  beekje,  de  Rel 
genaamd,  af  naar  de  Noordzee.  Langs  dit  beekje  heeft  ook  Wijk 
aan  Zee  door  een  gleuf  in  het  duin  den  weg  naar  het  strand. 
Somtijds  kan  het  gebeuren,  dat  deze  beek  dicht  stuift,  zoodat  men 
het  water  te  hulp  moet  komen.  Het  oostelijk  gedeelte  der  Lage 
Kroften  watert  af  op  Noord-HoUandsche  wateren. 

Nadat  ten  zuiden  van  den  weg  van  Beverwijk  tot  Wijk  aan  Zee 
het  duin  zich  weder  voor  een  kleine  lengte  aanzienlijk  verbreed 
heeft,  vindt  men  vervolgens  een  vrij  uitgebreide  vlakte  in  het  duin 
vooruitgeschoven.  Dit  is  de  Breesaap^  een  duin  vlakte  van  niet 
minder  dan  243  H.  A.  oppervlakte  en  ±  2  M.  hoog.  De  Breesaap 
is    door    een  golvend  duinland  van  het  achterland  gescheiden,  doch 


Digitized  by 


Google 


177 

aan  den  zeekant  zijn  de  duinen  hooger.  Langen  tijd  lag  deze 
duinvallei  woest,  doch  bedekt  met  een  tal  van  zeldzame  planten- 
soorten, zooals  reeds  door  Gorter  in  zijn  Flora  (1767)  wordt  op- 
gemerkt i).  In  het  midden  der  vorige  eeuw  is  men  met  goed 
gevolg  aangevangen,  de  Breesaap  te  ontginnen,  wat  in  deze  eeuw 
werd  voortgezet.  Vroeger  had  de  Breesaap  eene  afwatering  door 
de  verdere  duinen  naar  zee  langs  een  duinbeek,  welke  evenwel 
veelvuldig  aan  dichtstuiving  was  blootgesteld  2).  Sedert  het  kanaal 
van  Velzen  hier  de  Breesaap  doorsnijdt  vindt  zij  gedeeltelijk  in  dit 
kanaal  hare  afwatering,  terwijl  de  hoogere  gronden  verder  oostelijk 
gelegen  naar  het  oosten  afwateren. 

Ten  zuiden  van  het  kanaal  van  Velzen  tot  nabij  Vogelenzang 
hebben  de  duinen  de  aanzienlijke  breedte  van  =t  3000  M.  De  binnen- 
kant van  de  duinen  is  er  met  bosschen  begroeid,  waardoor  dit  gebied 
wegens  natuurschoon  beroemd  is,  en  tot  het  aanleggen  van  tal  van 
schoone  buitenplaatsen  aanleiding  gegeven  heeft. 

Van  Alkmaar  tot  den  Haag  strekt  zich  die  boschzoom  langs  de 
duinen  uit,  hoewel  zij  hier  en  daar  door  open  plekken  wordt  afge- 
broken. De  streek  van  Velzen  naar  Vogelenzang  en  Hillegom  maakt 
wel  het  schoonste  gedeelte  daarvan  uit.  Misschien  is  diewoudzoom 
der  duinen  nog  eene  herinnering  aan  het  oude  Schakerbosch,  het 
Woud  zonder  Genade  en  andere  bosschen. 

Ook  hier  waren  de  duinen  niet  in  rust,  en  vooral  nabij  Velzen 
hebben  zij  door  o  verstuiving  aan  het  achterliggende  land  veel  ver- 
woesting aangericht.  De  heer  Kops  vermeldt,  dat  volgens  over- 
levering 40  morgen  van  den  Kruitberg  (een  aanzienlijk  buiten 
aldaar)  onder  het  hooge  duin  zoude  liggen.  Men  vindt  in  dit 
gebied  tot  Vogelenzang  den  meest  lypischen  bouw  der  duinen.  Zij 
bestaan  hier  uit  eenige  achter  elkander  liggende  ketenen  van  hooge 


i)  Zie  ook  F.  W.  van  Eed  en,  De  bosschen  in  Kennemerland.  (Alb.  dei  Natuur, 
1867,  pag.  204.) 

2)  Sommige  schrijvers  spreken  zelfs  van  eene  uitmonding  des  Rijns  op  deze 
plaats,  o.  a.  de  heer  St.  Simon.  Dat  wij  hiermede  niet  instemmen,  behoeven  wij 
na  het  geschrevene  op  pag.  97  niet  te  zeggen. 

II.  12 


Digitized  by 


Google 


,78 

duinen,  waardoor  zij  in  roor-,  Midden-  en  Zeeduinen  onderscheiden 
worden.  Voorbij  Zandpoort  langs  de  ruïne  Brederode  en  Meerenberg 
naar  Duinendaal  en  Zomerlust  dringt  hier  een  duinvallei  met  de 
opening  naar  het  noorden  in  het  duin  door.  Bij  Bloemendaal  vindt 
men  het  duin  de  Blauwe  trappen  en  achter  Overveen  verheft  zich 
de  60  M.  hooge  Blinkerd^  een  der  hoogste  naakte  duintoppen.  In 
het  algemeen  worden  de  naakte  witte  duintopi^en  wel  met  den  naam 
>  blinkerd «    aangedu id . 

Tusschen  deze  duinketens  in  de  Middenduinen  liggen  verschillende 
pannen  en  valleien,  evenwel  niet  van  groote  uitgestrektheid.  Door 
de  verstuiving  van  de  omliggende  hooge  blinkerds  zijn  deze  pannen 
in  hun  bestaan  ook  geenszins  standvastig,  zoodat  sommige  duin- 
pannen op  oudere  kaarten  worden  aangegeven,  welke  thans  niet 
meer  te  vinden  zijn.  Zoo  zal  men  ten  zuiden  van  Kraantje  Lek 
(achter  Overveen)  te  vergeefs  het  Volmeer  zoeken,  een  vlakte  met 
een  meer,  op  Rijnlands  oude  kaarten  afgebeeld,  doch  die  in  1739 
geheel  onder  gestoven  werd,  en  thans  onder  hooge  duinen,  welke 
zelfs  begroeid  zijn,  begraven  ligt. 

Van  de  vlakten  in  deze  duinen  noemen  wij  de  Soersaap  dicht 
bij  Velzen,  het  MolenveldtnYittGijzenveld.  De  rijweg  door  het  duin 
naar  Zandvoort  loopt  door  de  boschrijke  duinvlakte  van  het  Befi*- 
veld.  Evenwel  hebben  de  meeste  valleien  en  pannen  in  dit  duin 
weinig  uitgestrektheid. 

De  duinvalleien  achter  Velzen  en  Bloemendaal  zijn  voor  een  deel 
begroeid  met  boschjes,  wier  witte  berkenstammen  reeds  in  de  verte 
zichtbaar  zijn  i). 

Achter  Overveen  vindt  men  in  de  duinen  een  ronde  kolk,  welke 
gegraven  werd  om  den  bierbrouwers  in  Haarlem  van  goed  water, 
dat  uit  de  duinen  hierin  sijpelt,  te  voorzien.  Daarnaar  heet  die 
kolk  de  Brouwerskolk,  Dcor  een  kanaal,  de  Brouwersvaart^  is 
genoemde  kolk  met  Haarlem  verbonden. 

De  bekende  herberg  Kraantje  Lek  aan  den  voet  van  den  Blinkerd 
heeft   zijn    naam   waarschijnlijk    te  danken  aan  het  uitsijpelen  van 


i)  Van   Eeden.     De  duinen  en  bosschen  van  Kennemerland.     1868,  pag.  13. 


Digitized  by 


Google 


179 

het  water  uit  den  bodem  op  deze  plaats  i).  Sommigen  meenen, 
dat  vroeger  hier  een  dorp  moet  gelegen  hebben,  waarvan  nog  sporen 
bij  gravingen  in  het  duin  zouden  gevonden  zijn  2).  Hier  lag 
vroeger  een  uitgestrekte  duin  vlakte,  waartoe  ook  het  bovengenoemde 
Volmeer  behoorde,  doch  die  allengs  voor  een  groot  gedeelte  onder 
het  voortstuivende  duin  begraven  is. 

Ten  zuiden  van  den  rijweg  door  het  duin  naar  Zandvoort  vindt 
men  de  duinvalleien  of  pannen  van  de  Renbaan^  die  herinnert  aan 
de  Engelsche  spelen,  welke  hier  ingevoerd  zouden  worden,  en  het 
Rozenwater.  De  vlakte  van  het  Rozenwater  wordt  gedeeltelijk 
tot  bouwland  (aardappelen),  gedeeltelijk  als  weideland  gebruikt. 
Hoewel  schraal  van  bodem  is  toch  het  Rozenwater  de  groeiplaats 
van  vele  zeldzame  planten  3). 

De  waterontlasting  der  duinen  en  duinpannen  ten  zuiden  van 
Zandvoort  heeft  plaats  in  de  kanalen,  die  door  de  Amsterdamsche 
duinwaterleiding  in  het  duin  gegraven  zijn.  Hierdoor  zijn  de 
duinvalleien  veel  droger  geworden,  dan  ze  vroeger  waren,  zoodat 
er  thans  nimmer  overlast  van  water  bestaat,  wat  vroeger  wel  het 
geval  was.  Het  water,  dat  op  de  droge  duinen  valt,  zinkt  meest 
als  grondwater  in  den  bodem,  en  wordt  dus  voor  ondergrondschen 
regelmatigen  afvoer  naar  die  kanalen  bewaard.  Hierdoor  is  de 
watertoevoer  zeer  aanzienlijk  doch  regelmatig  over  het  geheele  jaar 
verdeeld,  zoodat  de  maxima-  en  minima-afvoeren  weinig  van 
elkander  verschillen.  De  ervaring  heeft  geleerd,  dat  van  de  duinen 
onder  Zandvoort  5,5  M».  water  per  minuut  en  per  1000  H.  A., 
overeenkomende  met  eene  waterhoogte  van  ongeveer  290  mM.  ])er 
jaar,  wordt  opgevangen  als  minimum,  wat  een  zeer  gering  verschil 
met  de  minimum-regenhoogte  oplevert. 

De  waterspiegel  in  deze  waterleidingskanalen  heefl  eene  hoogte 
van  =t  2  M.  boven  Rijnlands  boezemwater. 

Ten  zuiden  van  Haarlem  tot  Warmond  vindt  men  een  zeer  eigen- 
aardige duinformatie.     Hier  ligt  een  onafgebroken  reeks  van  geest. 

i)  Le  Francq  van  Berkhcy.  Natuurlijke  historie  van  Holland.  1769, 1,  pag.  243. 
2}  Van  den  Bergh.     Nederlandschc  volksopvoeding  en  godenleer,  pag.  68. 
3)  Van  Eeden.     De  duinen  en  bosschen  van  Kennemerlaud.     pag.  54. 


Digitized  by 


Google 


i8o 

gronden,  die  onder  Heemstede,  Bennebroek  en  Hillegom  met  hooger 
duinen  bezet  is,  geheel  afzonderlijk  ten  oosten  van  de  zeeduinen, 
en  is  van  deze  gescheiden  door  een  strook  lage  veengronden.  Alleen 
bij  het  station  Vogelenzang  vormt  eenige  duingrond  eene  korte 
verbinding  tusschen  genoemde  binnenduinen  met  de  zeeduinen. 

Wanneer  men  met  het  spoor  van  Haarlem  naar  Leiden  rijdt, 
valt  deze  formatie  gemakkelijk  waar  te  nemen.  Het  spoor  loopt 
gedeeltelijk  tusschen  deze  beide  gescheiden  duinrijen  door,  endoor- 
snijdt  bij  Vogelenzang  het  kleine  verbindingsduin. 

Op  kleiner  schaal  vindt  men  dezelfde  gesteldheid  bij  Noordwijker- 
hout  en  Noordwijk.  Een  weinig  ten  noorden  van  Noordwijk  zijn 
de  duinen  als  het  ware  in  twee  ketens  gescheiden.  De  eene,  de 
Zeeduinen^  vormt  de  hoogste  keten  terwijl  de  oostelijke,  de  Ooster- 
duinen genaamd,  uit  een  strook  lage  duinen  of  geestgronden  bestaat. 
De  laatste  neemt  bij  Noordwijk  in  het  zuiden  een  aanvang  en 
vereenigt  zich  ±  V4  uur  ten  noorden  van  Noordwijkerhout  weder 
met  de  hoofdduinen.  Het  is  een  tong  van  het  duin,  die  zich  naar 
het  Z.W.  tot  Noordwijk  in  den  lagen  grond  uitstrekt.  Tusschen  deze 
beide  evenwijdig  loopende  duinstreken  ligt  een  lage  strook  weiland, 
de  Noordzij  de  rpolder^  met  verschillende  wateren  doorsneden.  Deze 
polder  heeft  een  zomerpeil  van  0,20  tot  0.25  M.  —  A.  P.,  terwijl  de 
bodem  ongeveer  0,15  —  o,4oM-l- A.P.  ligt.  Door  de  Schipper ssloot^ 
die  dwars  door  de  Oosterduinen  loopt,  wordt  het  overtollige  water 
van  hier  afgevoerd  op  de  Haarlemmer  trekvaart  en  dus  op  Rijn- 
lands  boezem. 

Het  ontstaan  van  bovengenoemde  geheel  afzonderlijk  liggende 
duinen  te  midden  van  lage  venen  was  lang  moeielijk  te  verklaren. 
De  meening,  dat  door  een  voormalige  Rijnarm  het  duinzand  in  het 
midden  zou  weggespoeld  zijn,  wordt  door  Staring  onzes  inziens 
terecht  verworpen,  i)  Zeer  waarschijnlijk  moet  het  binnenduin  als 
een  voormalig  zeeduin  beschouwd  worden.  Op  eenigen  afstand 
daarbuiten  werd  later  een  nieuw  zeeduin  gevormd,  dat  zich  op 
enkele  plaatsen  bij  het  vroegere  aansloot. 

i)  Staring.     De  bodem  van  Nederland.     J,  pag.  314. 


Digitized  by 


Google 


i8i 

De  meening  van  Staring  alsmede  de  beschouwingen  van  Dr. 
Lorié  over  dit  onderwerp,  behandelen  wij  laler  bij  het  bespreken 
der  geologische  gesteldheid  van  ons  land. 

Ten  zuiden  van  Noordwijk  tot  Katwijk  l)estaan  de  duinen  uit 
eene  eenvoudige  formatie ;  zij  vormen  een  smalle  heuvelrij  zonder  duin- 
])annen  of  valleien  van  eenige  beteekenis.  Bij  Katwijk  vindt  men 
de  duinen  doorsneden  door  het  Kanaal  van  Katwijk,  het  kanaal 
dat  gegraven  is  om  Rijnlands  boezem  een  betere  afwatering  te 
geven.  (Zie  II  pag.  59).  Ten  zuiden  van  het  Kanaal  van  Katwijk 
vindt  men  nog  de  overblijfselen  van  het  vroeger  met  hetzelfde  doel 
gegraven  kanaal,  het  Mallegat^  in  het  duin. 

Tusschen  Katwijk  en  den  Haag  verbreeden  de  duinen  weder  tot 
ongeveer  3000  M.  bij  Wassenaar.  Over  *t  geheel  nemen  ze  naar 
het  zuiden  in  hoogte  af;  bij  Katwijk  zijn  ze  meestal  9  k  11  M. 
hoog  en  nabij  den  Haag  ongeveer  4  M.  +  A.  P. 

Ten  noorden  van  den  weg,  die  van  Wassenaar  dwars  door  de 
duinen  naar  het  strand  voert,  liggen  eenige  duinpannen,  o.  a.  die 
van  Groot-Berkhey\  waar  genoemde  weg  in  het  zuiden  doorloopt, 
die  van  Kletn-Berk/iey,  de  pan  van  Fersijn^  de  Bruinspan^  de 
Driepiassen  e.  a.  Gedeeltelijk  zijn  deze  pannen  bebouwd,  gedeel- 
telijk liggen  ze  woest  of  zijn  met  hakhout  begroeid.  De  Berkheysche 
l)annen  hebben  hun  naam  te  danken  aan  het  voormalige  dorp 
Berkhey,  dat  hier  aan  zee  lag  en  vermoedelijk  door  overstrooming 
en  afslag  van  het  strand  in  de  ly^^e  eeuw  verdwenen  is.  In  het 
laatst  der  vorige  eeuw  werden  in  het  strand  nog  overblijfselen  der 
fondamenten  gevonden. 

Ten  noorden  van  het  dorp  Waalsdarp  (bij  den  Haag)  vindt  men 
aan  den  landkant  in  de  duinen  de  Vlakte  van  Waalsdorp^  die  eene 
oppervlakte  van  ±  25  H.  A.  beslaat.  Het  is  een  duinvallei  groo- 
tendeels met  gras  begroeid,  die  lot  exercitieveld  dient  voor  de 
artillerie  in  den  Haag.  Een  weg  van  den  Haag  naar  het  noorden 
geeft  toegang  tot  deze  vallei.  In  het  oosten  ligt  het  terrein 
=t:  3  M.  +  A.  P. 

Ten  westen  van  den  Haag  worden  de  duinen  beter  toegankelijk. 

Van  den  Haag  naar  Scheveningen   is  een  kanaal  dwars  door  de 


Digitized  by 


Google 


l82 

duinen  gegraven  met  nog  een  zijkanaaltje  naar  het  noorden  in  het 
duin.  De  bekende  Scheveningsche  weg  werd  in  1664  volgens  het 
plan  van  Constantun  Huygens  dwars  door  het  dorre  duin  aan- 
gelegd. (Zie  Huygens.  Korenbloemen).  Van  deze  wegen  af  zijn  ver- 
schillende tot  bouwland  gebezigde  duinpannen,  ten  noorden  er  van 
gelegen,  te  genaken.  Om  de  Haagsche  waterleiding  van  water  te 
voorzien  is  een  kanaal  midden  in  het  duin  door  verschillende 
duinvalleien  en  pannen  naar  het  noorden  lot  bij  den  Wassenaar- 
schen  zeeweg  gegraven.  De  duinen  bij  den  Haag  zijn  met  prachtige 
bosschen  bedekt. 

Ten  zuiden  van  den  Haag  versmalt  het  duin  snel.  Bij  Zegbroek 
is  het  nog  ±  1800  M.  breed  en  bij  Loosduinen  niet  meer  dan  40  M. 
Langs  den  binnenkant  der  duinen  loopt  van  Loosduinen  af  een 
stroompje  naar  het  noorden,  //<f  j5^^^  genoemd,  hetwelk  hoofdzakelijk 
door  het  wegvloeiende  duinwater  en  dat  van  het  Zegbroek  gevoed 
wordt.  De  Beek  stroomt  over  het  landgoed  Zorgvlied  en  door 
Buitenrust  naar  den  Haag,  waar  het  water  gebezigd  wordt  tot 
waterverversching  van  den  stadsvijver  en  van  enkele  grachten. 

Als  de  Beek  geen  voldoende  waterhoeveelheid  hiervoor  bezit,  wordt 
bij  Hanenburg  door  een  stoomgemaal  uit  Delflandsboezem  water  op 
de  Beek  gemalen.  Van  i  Oct.  tot  i  April  mag  het  water  der 
Beek,  dat  zonder  opmaling  er  op  afvloeit,  niet  worden  opgehouden. 

Ten  zuidwesten  van  het  dorp  Scheveningen,  niet  ver  van  den 
Scheveningschen  weg,  vindt  men  hier  nog  eenige  duinpannen,  als 
de  Danièlspan^  de  Vuurbaakspan^  de  Watcrdel  en  het  Hooiveld. 
Ta]  zijn  voor  een  klein  gedeelte  bebouwd  en  liggen  vrij  hoog. 

Het  smalle  duin  ten  zuiden  van  Loosduinen  was  niet  meer  als 
uitsluitende  zeewering  te  vertrouwen.  Daarom  zijn  er  langs  het 
strand  een  aantal  dwarshoofden  in  zee  gemaakt,  om  den  golfslag  te 
breken  en  vloed-  en  ebstroom  van  den  duin  voet  af  te  houden. 

Tusschen  Monster  en  Terheide  ligt  het  Copierduin^  eene  duin- 
vallei met  eene  oppervlakte  van  ±  20  H.  A.,  die  sedert  de  vorige 
eeuw  bebouwd  wordt.  Langs  den  binnenkant  der  duinen  van  Loos- 
duinen tot  Monster  ligt  een  vlakke,  vrij  hooge  streek,  welke  aan  den 
landkant   langzaam    in    de   kleilanden  overgaat.     Hierdoor  is  deze 


Digitized  by 


Google 


i83 

Strook^  die  niet  door  duinen  omsloten  is,  geen  eigenlijke  duinvallei, 
maar  komt  meer  met  de  geestgronden  overeen.  Ten  zuiden  van 
Terheide  neemt  de  beteekenis  van  het  duin  nog  af,  en  zelfs  moet 
een  slaperdij  k  als  zeewering  de  vrees  voor  een  doorbraak  van  het 
duin  wegnemen. 

In  het  Westland  is  de  binnenkant  van  het  over  't  geheel  vlakke 
duin  meestal  in  cultuur  genomen.  Te  midden  van  den  duingrond 
heeft  men  hier  enkele  gedeelten  lands  met  een  aarden  wal  afgesloten 
en  tot  den  aardappelbouw  of  tuinbouw  gecultiveerd. 

De  mensch  heeft  veel  invloed  uitgeoefend  op  de  uitbreiding  van 
het  duin  landwaarts.  Niet  alleen  heeft  hij  het  voor  den  westen- 
wind landwaarts  waaiende  duinzand  door  beplanting  en  andere 
middelen  trachten  vast  te  leggen,  doch  ook  heeft  hij  door  afzanding  en 
wegkarring  hier  en  daar  gedeelten  van  het  duin  afgegraven.  Bij  Hargen 
werd  vroeger  het  duinzand  afgekard,  zooals  wij  op  pag.  173  zeiden. 
Te  Kastrikum  heeft  de  heer  Gevers  duinen  doen  afzanden  voor 
de  aardappelteelt.  Ook  bij  Bloemendaal  en  Overveen  is  er  veel 
duin  afgezand,  dat  wel  meest  in  Haarlem  zal  gebruikt  zijn.  De 
afzandingen  van  Ben  nebroek,  Vogelenzang,  Hillegom  en  Lisse 
hebben  vroeger  veel  zand  geleverd  voor  het  vastleggen  der  oevers 
van    het   Haarlemmermeer  en  later  voor  het  aanleggen  der  dijken. 

Te  Lisse  wordt  elk  jaar  ±  0,50  H.  A  duinen  afgekard;  ook  te 
Hillegom  geschiedt  dit  nog.  i)  • 

§   2.      HYDROGRAPHISCHE   GESTELDHEID  VAN  DE  DUINEN. 

De  duingronden  verkeeren  in  zulk  een  physischen  toestand,  dat 
het  regenwater,  hetwelk  niet  direct  verdampt,  door  ondergrondsche 
afstrooming  zich  een  weg  baant.  De  helling  des  terreins  aan  de 
oppervlakte  zou  op  de  meeste  plaatsen  een  sterke  bovengrondsche 
afstrooming  bevorderen,  doch  de  poriën  van  het  duinzand  geven 
het  water  gelegenheid,  om  meer  direct  en  langs  korteren  weg  aan 
den  invloed  van  de  aantrekkingskracht  gevolg  te  geven.   Het  duin- 


i;  Verslagen  van  den  Landbouw. 


Digitized  by 


Google 


t84 

zand,  dat  uit  korreltjes  bestaat,  laat  bij  ophooping  holten  achter, 
en  deze  dienen  in  de  eerste  plaats  tot  directe  berging  van  het  ge- 
vallen regenwater.  Doch  door  deze  holten,  welke  met  elkander 
correspondeeren,  zinkt  het  dieper  weg  in  het  duin.  Hier  blijft  het 
op  dichtere  aardlagen,  zooals  bijv.  oerbanken  in  de  duinpannen, 
op  veenlagen,  of  op  het  grondwater  van  de  duinen  rusten.  Ook  vindt 
men  op  enkele  plaatsen  onder  de  duinen  dichte  kleilagen,  zooals  o.  a. 
bij  het  graven  van  het  Kanaal  van  Katwijk  ontdekt  werd. 

Dicht  samengeperste  veenlagen  of  derrie  zijn  ook  geenszins  zeld- 
zaam onder  de  duinen.  Men  vond  ze  bij  het  doorgraven  van  den 
Hoek  van  Holland  en  men  vindt  ze  nog  op  verschillende  plaatsen 
aan  den  zeekant  der  duinen  te  voorschijn  komen.  Bij  eene  zanderij 
achter  Overveen  zagen  wij,  hoe  het  water  op  veenlagen  in  de 
duinen  bleef  staan  en  er  over  geleid  werd. 

Het  doorlatend  vermogen  van  zand  is  grooter,  naarmate  de  korrels, 
waaruit  het  bestaat,  grooter  omvang  hebben.  (Zie  over  een  en  ander 
de  algemeene  beschouwingen  op  I  pag.  251  enz.)  Hierdoor  zal  de 
snelheid  van  waterbezinking  ook  verschillen  in  de  onderscheidene 
deelen  der  duinen.  Het  fijne  duinzand  bij  Hargen  zal  bijv.  minder 
waterdoorlatend  zijn  dan  het  grovere,  dat  men  elders  vindt.  Slechts 
enkele  methodische  zandanalyses  naar  de  grootte  zijn  ons  bekend.  Het 
zijn  die,  welke  verricht  zijn  door  Dr.  J.  Bosscha.  Met  een  zandbuiler 
van  prof.  Harting,  waarbij  het  zand  door  zes  zeven  met  mazen  van  ver- 
schillende wijdte  ging,  werden  zandsoorten  van  verschillende  afkomst 
onderzocht.  De  wijdte  der  mazen  in  die  zes  zeven  was  als  volgt: 

N.  I  =  1,52  mM.         I        N.  4  =  0,249  ™M- 
N.  2  =  1,03      >  I        N.  5  =  0,188      > 

N.  3  ~  0,64      >  ;        N.  6  =  0,116      » 

Met  dezen  toestel  werd  het  zand  onderzocht  dat  wij  naar  den 
oorsprong  aldus  aanduiden: 

A.  Zand  verzameld  bij  Nunspeet. 

B.  Zand  van  de  Hilversumsche  heide. 

C.  Zand  van  den  top  van  een  stuivend  duin  uit  de  duinen  ten 
noorden  van  den  Haag. 


Digitized  by 


Google 


i8s 

D.  Zand  van  den  zuidwest  voet  van  hetzelfde  duin. 

E.  Zand  van  een  in  rust  zijnd  duin  aan  de  noordzijde  van  den 
Haag.  (Het  was  genomen  van  den  boven  rand  van  de  steile 
helling  van  de  laatste  rij  duinen  landwaarts). 

F.  Zand  van  het  strand  te  Scheveningen  bij  eb. 

De  uitkomsten  van  dit  onderzoek  waren  de  volgende : 


Nummer 
der  Zeef. 

A. 

B. 

i  '■ 

D. 

E. 

F. 

I. 

0,4 

2,1 

0        1 

0 

0 

0 

II. 

0,1 

0^3 

1      0       ; 

0 

0 

0 

III. 

1,9 

2,4 

Sporen. 

0,1 

0,2 

0,28 

IV. 

9,0 

19^9 

3.7 

6,5 

19,0 

8,5 

V. 

",5 

32.3 

41,4     , 

50,5 

32.1 

72,9 

VI. 

56,2 

31,2 

1    49'0 

42,1 

31,1 

i    18,3 

VIL 

20,8 

11,9 

;   6,2 

0,8 

17,6 

,     0,02 1) 

Bovenstaande  cijfers  wijzen  in  procenten  aan,  hoeveel  zand  van 
de  verschillende  soorten  op  elke  zeef  bleef  liggen.  De  mazen  der 
zeven  nemen  van  I  tot  VI  in  wijdte  af.  Zoo  blijkt  dan,  dat  zan- 
den der  Hilversumsche  heide  en  van  Nunspeet  0,4  en  2,1  pCt.  op 
de  eerste,  wijdste  zeef  achterlieten,  doch  van  het  duinzand  bleef 
niets.  Zand  van  den  top  van  een  stuivend  duin  bij  den  Haag  was 
zoo  fijn,  dat  er  slechts  sporen  van  bleven  liggen  op  zeef  III  met 
mazen  van  0,64  mM.  wijd,  terwijl  het  zand  van  het  strand  en  van 
een  in  rust  zijnd  duin  hier  0,28  en  0,2  pCt.  lieten  liggen.  De  cijfers 
duiden  verder  aan,  dat  de  top  van  een  stuivend  duin  het  fijnste 
zand  bevat.  Voor  eene  vergelijking  van  de  verschillende  deelen 
der  duinen  hebben  wij  hierdoor  echter  nog  niets.  Evenwel  blijkt  er  uit, 
datduinzand  fijner  is  dan  dat  der  andere  zandgronden, 
en  bovenal  aan  de  toppen  het  fijnst  is.  Hieruit  kunnen 
wij   afleiden,   dat   het   waterdoorlatend    vermogen   in   de 

I)  Dr.  J.  Bosscha.  Beschouwingen  over  het  /and-diluvium  in  Nederland. 
1879.  pag-  47. 


Digitized  by 


Google 


i86 

duingronden  minder  groot  is  dan  bij  genoemde  an- 
dere gronden,  en  dat  het  beneden  in  het  duin,  onder  anders  ge- 
lijke omstandigheden,  grooter  is  in  het  vaste  duin  dan  van  de 
blinkerds. 

Evenwel  kan  in  de  diepte  ook  het  duin  uit  fijne  zandkorrels 
bestaan  of  door  andere  oorzaken  in  een  toestand  van  waterdichtheid 
komen.  Bij  de  doorgraving  van  het  kanaal  van  IJmuiden  toch  lag 
de  sluisput  dicht  bij  de  Noordzee  op  een  diepte  van  1 1  M.  —  A.  P., 
zonder  dat  het  zeewater  hierin  doordrong,  zoodat  men  er  volkomen 
zoetwater  vond  i). 

Door  deze  gesteldheid  des  bodems  zal  in  het  duin  meer  een  zelf- 
standige waterstand  bestaan  dan  in  de  grint- en  zandheuvels  van  de 
Velu  we,  welke  het  water  beter  doorlaten.  In  de  laatste  is,  tenzij  leemlagen 
enz.  het  beletten,  eenigen  tijd  na  den  regen  de  waterstand  weinig  hooger 
dan  aan  den  voet,  doordien  als  gevolg  van  het  sterk  doorlatend  vermo- 
gen des  bodems  het  water  spoedig  nivelleert.  In  de  duinen  met  minder 
doorlatend  vermogen  zal  dat  nivelleeren  langer  aanhouden  en  het 
komt  er  zelfs  niet  of  bijna  nooit  tot  stand.  Ook  de  groote  opper- 
vlakte der  duinen  werkt  hiertoe  mede.  Zoo  is  er  altijd  een  aan- 
zienlijke watervoorraad  in  de  duinen  aanwezig,  die  bij  veelvuldige 
regens  sterk  vermeerdert,  en  die  langzaam  doch  regelmatig  onder- 
gronds afvloeit.  Het  niveau  van  het  grondwater  in  de  duinen  zal 
daardoor  hooger  staan  dan  aan  beide  zijden  van  de  duinen. 

In  de  duinen  bij  Zandvoort  is  de  waterspiegel  in  de  kanalen  der 
duin  waterleiding  ongeveer  2  M.  boven  Rijnlands  boezemwater. 
Het  niveau  van  het  grondwater  aan  den  voet  der  duinen  wordt 
hierdoor  bepaald,  en  men  kan  aannemen,  dat  uit  het  midden  der 
duinen  naar  den  voet  er  aldus  een  verval  van  ruim  2  M.  in  het 
grondwater-niveau  plaats  heeft.  Wij  zeggen  ruim  2  M.,  omdat  in 
genoemde  kanalen  het  water. natuurlijk  lager  staat  dan  in  het  hart 
der  'duinen.  Van  deze  kanalen  zal  de  grondwaterspiegel  in  de 
duinen  naar  beide  zijden  langzaam  rijzen. 

De  hoogleeraar  Henket  verrichtte  in  Juli  en  in  Nov.  1866  waier- 


I)  Vcrsl.  en  Med.  der  Kon.  Akad.  v.  Wet.  Nat.  1878,  pag.  224. 


Digitized  by 


Google 


i87 

passingen  in  de  duinpannen  tusschen  Scheveningen  en  Wassenaar, 
en  liet  daarbij  onderzoekingen  naar  den  stand  van  het  grondwater 
doen  (met  het  oog  op  de  Haagsche  waterleiding),  iets  wat  in  1868 
werd  herhaald.  In  het  natte  jaar  1866  en  in  het  droge  jaar  1868 
werd  een  nagenoeg  gelijke  grondwaterstand  gevonden.  Men  vond 
het  hier  van  i  tot  7  M.  onder  de  golvende  oppervlakte  en  van  2**^ 
tot  8,5  M.  boven  den  stand  van  Rijnlands  boezem,  al  naar  de 
hoogte  des  terreins  en  naar  den  afstand  i). 

Zelfs  in  de  droogste  tijden  van  1876  daalde  de  waterstand  inde 
Haagsche  duinwaterleidingkanalen  niet  lager  dan  i  M.  +  A.  P., 
terwijl  Delflands  boezempeil  tegelijkertijd  0,40  k  0,50  M.  —  A.  P. 
stond.     Dit  leverde  aldus  een  verval  van  1,40  k  1,50  M. 

Gemakkelijk  valt  uit  een  en  ander  af  te  leiden^  dat  het  niveau 
van  het  grondwater  in  de  duinen  op  zijn  minst  1  ^  3  M.  boven 
dat  der  boezems  van  Holland  zal  liggen,  terwijl  het  op  vele  plaatsen 
locaal  hooger  ligt  door  oer-  en  veenlagen.  Uit  het  midden  van  de 
duinen  moet  dit  niveau  noodwendig  hellen  naar  beide  zijden ;  naar 
de  zee  zoowel  als  naar  het  land.  Werkelijk  werd  dit  waargenomen 
bij  het  onderzoek  der  duinen  voor  de  Amsterdamsche  duinwater- 
leiding. Men  vond  toen  eene  scheiding  of  rug  van  hoogsten  water- 
stand in  de  duinen;  ten  oosten  van  dien  rug  vloeide  het  water 
naar  Holland  en  ten  westen  er  van  naar  de  Noordzee.  Aan  dit 
laatste  is  het  zoete  water  in  de  duinen  nabij  de  zee  te  danken. 

Het  naar  het  oosten  ondergronds  afvloeiende  water  komt  door 
diepere  zandlagen  niet  zelden  op  verren  afstand  als  w^/  weder  aan 
de  oppervlakte.  Zoo  vindt  men  o.  a.  in  de  Haarlemmermeer  wellen 
of  bronnen,  die  blijkbaar  met  het  duin  water  in  verbinding  staan. 
Een  geruimen  tijd  na  veel  regens  beginnen  de  wellen  in  den  polder 
heviger  te  werken  2),  wat  aan  den  langzamen  ondergrondschen 
afvoer  in  de  duinen  moet  worden  toegeschreven. 


i)  Verwey.     Waterbouwkunde,  pag.  267. 

Ort.     Iets   over   kwel   en  verdamping.     (Versl.  en  Med.  der  Kon.  Akad,  van 
Wet.  Nat.  18781. 

2)  Ort.    Iets  over  kwel  en  verdamping,  (t.  a.  p.  pag.  7). 


Digitized  by 


Google 


iS8 

De  afvoer  van  het  water  in  de  duinen  heeft  ook  plaats  op  de 
duinenpannen  en  valleien.  In  de  vorige  eeuw  waren  deze  over 
't  geheel  veel  moerassiger  dan  thans.  Reeds  zegt  Kops  i),  dat  bij 
zijn  toenmalige  inspectie  door  ervaren  lieden  algemeen  verzekerd 
was,  dat  de  duinen  van  jaar  tot  jaar  droger  werden.  De  oorzaak 
'er  van  weet  hij  niet  op  te  geven;  daar  het  peil  der  rivieren  ver- 
hoogde, scheen  het  hem  te  meer  vreemd.  Door  den  heer  Twent 
van  Raaphorst,  die  in  1805  de  duinen  tusschen  Wassenaar  en 
Scheveningen  bezocht,  wordt  iets  dergelijks  verzekerd  2).  Zoo  is 
het  opmerkelijk,  wat  de  heer  Gevers  bericht,  dat  na  den  drogen 
zomer  en  herfst  van  1822,  waardoor  de  boezemstanden  buitengewoon 
laag  waren,  vele  duinvalleien  blank  stonden,  o.  a.  de  vlakte  van 
Waalsdorp  (zie  pag.  181),  het  Watervlak  aan  het  begin  der  Hoepbeek, 
het  Vogelenveld  enz.  3).  De  heer  Gevers  laat  er  op  volgen,  dat 
dit  was  vóór  den  hevigen  regen  van  het  voorjaar  1823,  als  wilde  hij 
verband  hiertusschen  zoeken.  Ons  komt  het  waarschijnlijker  voor, 
dat  de  droge  zomer  en  herfst  invloed  op  het  doorlatend  vermogen 
van  de  zandgronden  zullen  gehad  hebben,  waardoor  het  water  uit 
het  duin  naar  genoemde  vlakten  wegvloeide. 

Toch  was  de  vochtigheid  in  de  duinvalleien  nog  nadeelig  voor 
de  ontginning,  toen  de  heer  Gevers  de  duinen  onderzocht.  En  wij 
zeiden  reeds  vroeger,  dat  thans  de  droogte  er  algemeen  hinderlijk 
is  voor  den  landbouw. 

Waaraan  dat  verminderen  van  den  watervoorraad  der  duinen 
moet  worden  toegeschreven,  is  moeielijk  te  zeggen.  Tegenwoordig 
moeten  de  verschillende  duinwaterleidingen  er  invloed  op  uitoefe- 
nen. Ook  de  betere  waterlossing  van  Rijnlands  boezem  en  andere 
boezems  door  de  stoomgemalen  in  deze  eeuw  zal  niet  zonder  invloed 
daarop  geweest  zijn. 

i)  J.  Kops.     Tegenwoordige  staat  der  duinen.     1798,  pag.  114. 

2)  Twent  van  Raaphorst.     Wandeling  door  de  duinen.     1805. 

3)  Mr.  D.  T,  Gevers.  Verhandeling  over  het  toegangbaar  maken  van  de 
duinvalleien.     1826,  pag.  21. 


Digitized  by 


Google 


XIV.     HET  LAND  TUSSCHEN  DEN  IJSEL,  DEN  RIJN, 
DEN  KROMMEN  RIJN,  DE  VECHT 
EN  DE  ZUIDERZEE. 


§    I.      OVERZICHT. 

Tusschen  den  Gelderschen  IJsel,  den  Rijn,  den  Krommen  Rijn, 
de  Vecht  en  de  Zuiderzee  ligt  een  groolendeels  hoog  terrein,  waarop 
in  het  oosten  en  in  het  westen  zich  heuvelrijen,  de  hoogere  Vduwe 
heuvelrij  en  de  lagere  Ütrechtsch-Gooische  heuvels^  in  een  noordelijke 
en  noord-westelijke  richting  als  randheuvelketens  uitstrekken,  en  dat  in 
het  midden  (hoewel  dichter  naar  den  westkant)  door  eene  vallei,  de 
Gelder sche  z'^e/Z^t/,  doorsneden  wordt.  Het  is  als  een  diluviale  delta,  welke 
hier  voor  den  Rijn  is  gevormd,  en  waarom  deze  rivier  zich  uitwegen 
moest  zoeken.  In  het  oosten  en  westen  daalt  dit  plateau  met  steiler 
randen  af  en  helt  in  het  midden  zacht  naar  de  Vallei.  Zeer  zeker 
hebben  de  wateren  des  Rijns  de  Geldersche  Vallei  eenmaal  door- 
stroomd, en  zelfs  gedeeltelijk  de  vallei  gevormd.  De  genoemde 
rivieren  omsluiten  dit  gebied  met  zoomen  van  jongere  rivier 
afzettingen,  waar  de  oudere  en  hoogere  formaties  zich  scherp  van 
de  lagere,  jongere  vormingen  onderscheiden,  en  de  schoonheid  der 
heuvelachtige  terreinen  van  vruchtbare  landouwen  vergezeld  gaat. 

Dadelijk  blijkt,  dat  wij  thans  het  polderland  verlaten  hebben. 
De  hydrographische  gesteldheid  kent  hierdoor  in  dit  land  over 
't  geheel   niet   die  scherp  begrensde  indeelingen  in  boezemgebieden 


Digitized  by 


Google 


190 

of  afwateringsterreinen,  welke  in  het  polderland  door  wetten,  reg- 
lementen en  contracten  zijn  omschreven,  en  door  kunst  tot  stand 
worden  gebracht.  Hoewel  veel  geleid  door  den  mensch,  heeft  toch  de 
natuur  de  afwatering  des  lands  meest  bepaald  door  de  orographische 
gesteldheid  van  de  terreinen.  Daarom  verbinden  wij  thans  de 
beschrijving  der  afwatering  aan  laatstgenoemde,  en  niet,  analoog 
aan  het  polderland,  aan  die  van  rivieren  of  boezems. 

Wij    zullen   dit   gebied  oro-hydrographisch  in  de  drie  deelen  be- 
handelen, waarin  de  natuur  het  verdeeld  heeft,  nl. : 

A.  Het  Utrechtsch-Gooische  heuvelgebied. 

B.  De  Geldersche  vallei. 

C.  Het  Veluwe  gebied. 

Hiernevens  geven  wij  een  tweetal  doorsneden  van  dit  terrein,  welke 
deze  indeeling  en  orographische  gesteldheid  duidelijk  doen  uitkomen. 


SOM^AÏ. 


AP£ 


Lengteschaal  der  beide  figuren  i  :  600.000.  —  Hoogteschaal  i  :  5000. 

Verklaring:  De  figuur  geeft  eene  doorsnede  van  den  IJseloever  bij  Deventer  A, 
over  den  Aardmansberg  B,  langs  het  Uddelermeer  C,  doos  het  Eemdal  nabij 
den  mond  D,  over  de  hoogte  tusschen  Laren  en  Hilversu  m  E,  naar  V  GravelandY, 


50M*4E 


AP 


Verklaring :  De  figuur  geeft  eene  doorsnede  evenwijdig  aan  de  eerste  figuur  en 
eveneens  in  rechte  lijn  van  het  oosten  naar  het  westen  genomen,  van  den  lysehever 
hl]  Doesburg  D f  over  den  Tonberg  H,  door  de  Geldersche  Vallei  h\]  Venendaal  C. 
over  den  Darthuizerberg  A,  en  naar  de  landen  aan  den  Krommen  Rijn  E. 


Digitized  by 


Google 


191 


§    2.      HET    UTRECHTSCH-GOOISCHE    HEUVELLAND. 

Het  Utrechtsch-Gooische  heuvelland  wordt  in  het  westen  begrensd 
door  de  kleilanden  ten  oosten  van  den  Krommen  Rijn  en  de  lage- 
venen  (ten  noorden  van  Weesp  de  kleilanden)  ten  oosten  van  de 
Vecht,  en  in  het  oosten  door  de  inzinking  der  Geldersche  Vallei. 

Van  den  Heimenberg  bij  Renen  aan  den  Rijn  tot  Naarden  en 
Huizen  aan  de  Zuiderzee  strekt  zich  door  die  streek  een  heuvelrij 
in  een  noord- westelijke  en  vervolgens  meer  noordelijke  richting  uit 
over  eene  lengte  van  ±  44  K.M.,  die  in  het  zuiden  het  meest 
aaneengesloten  is,  terwijl  in  het  noorden  de  heuvels  meer  geïsoleerd 
op  den  hoogen  zandgrond  voorkomen.  In  het  Z.-O.  begint  de  heuvelrij 
met  den  Heimenberg  of  Grebbenberg^  die  met  eene  hoogte  van  40  M. 
steil  uit  de  Geldersche  Vallei  verrijst,  terwijl  de  Rijn  bijna  onmiddellijk 
den  voet  van  den  heuvel  bespoelt.  Daarop  volgen  de  hoogten  Z//V/<?/^- 
Ing  bij  Renen  52  M.,  de  BuurdscJuberg  67  M.,  de  Elsierberg  66  M., 
hoogten  ten  noorden  van  Amerongen  66  M.,  de  Dar thuizer berg  ^^  M., 
en  noordelijk  van  deze  hoogten  bij  Maarsbergcn  49  M.  Verder 
vindt  men  minder  regelmatig  de  geïsoleerde  hoogten  als  de  Pyramide 
van  Austerlitz  65  M.  (deze  is  kunstmatig  gevormd),  ^t  Zeis  ter  berg 
42  M.,  het  hoogste  der  Soe%terbergen  64  M.,  de  Galgenher g  bij 
Amersfoort  40  M.,  de  Lazarusberg  bij  Soestdijk  20  M  ,  de  Boomberg 
bij  Hilversum  26  M..  het  Larenschebosch  en  de  Steenberg  bij  Laren 
32  M.,  de  Leeuwenberg  bij  Huizen  18  M.  +  A.  P. 

In  het  zuiden  tot  de  Bilt  daalt  van  de  hoogste  heuvelrij  het 
terrein  aan  beide  zijden  af  tot  een  smalle  zoom  van  10 — 25  M. 
+  A.  P.,  en  dit  terrein  wordt  weder  omringd  door  een  zoom  van 
5 — 10  M.  +  A.  P.,  welke  hoogte  ook  in  het  zuidelijk  deel  der 
Geldersche  Vallei  tot  Scherpenzeel  gevonden  wordt. 

In  het  N.  daalt  het  terrein  van  genoemd  gebied  successievelijk  eerst 
tot  5  è.  10  M.  +  A.  P.  en  daarna  tot  eene  hoogte  van  i  ^  5  M. 
+  A.  P.  Langs  de  zee  vindt  men  hier  bij  Oud-Naarden  en  Huizen 
geen  dijken.  Uit  dat  laatste  gebied  verheffen  zich  de  geïsoleerde 
heuvels  of  hoogere  gedeelten,  o.  a.  ten  Z.  van  Hilversum,  waar  op 
een   eiland vormige   plek  van    10  tot  25  M.  hoogte  enkele  grootere 


Digitized  by 


Google 


192 

hoogten  verrijzen.  De  Trompenberg  en  de  Eoomberg  zijn  26  M.  hoog. 
De  Steenberg  32  en  de  Leeuwenberg  18  M..  liggen  in  het  terrein 
van  1  k  5  M.  +   A.  P. 

In  het  zuidelijk  gedeelte  van  dit  terrein,  ongeveer  tot  Driebergen, 
vormt  de  heuvelrij  de  waterscheiding  tusschen  het  gebied  der  Gel- 
dersche  Vallei  met  de  Luntersche  beek  en  den  Krommen  Rijn. 
Die  waterscheiding  ligt  het  dichtst  naar  den  kant  van  den  Krommen 
Rijn,  aan  welken  kant  ook  de  helling  des  terreins  het  steilst  is. 
In  het  midden  ligt  een  terrein,  omstreeks  bij  het  Kamp  van  Zeist, 
waar  de  afwatering  niet  duidelijk  is  aangewezen  en  hoofdzakelijk 
ondergronds  plaats  heeft.  Evenwel  ook  hier  en  verder  naar  het 
noorden  ligt  de  waterscheiding  het  dichtst  naar  den  westkant,  in 
overeenstemming  met  de  terreinshelling.  In  het  noorden  vindt 
men  een  terrein,  dat  op  de  Zuiderzee  afwatert.  Ook  hier  is  niet 
altijd  de  afwatering  zichtbaar. 

Een  gedeelte  van  deze  laatste  landen  loost  mede  het  water  op 
den  boezem  van  de  Naarder  vaart^  die  van  Naarden  naar  Muiden 
loopt,  en  zich  hier  op  de  Buiten  Vecht-ontlast  door  de  Oostsluis 
en  door  de  kokers  in  de  steenen  beer  ten  noorden  van  het  Muiderslot. 

De  zandheuvels  van  Muider ber^  vormen  eene  geïsoleerde  hoogte 
van  1,20  k  1,60  M.  4-  A.  P.  te  midden  van  terreinen  van  — 0,20 
k  0,60  M.  —  A.  P..    De   zeedijk  is  hier  op   korten    afstand  afge 
broken  door  een  stellen  oever  met  smal  strand. 

§   3.      DE   GELDERSCHE   VALLEI. 

De  Geldersche  Vallei  is  het  breede  in  het  noorden  trechtervormig 
verwijdende  dal,  dat  van  den  Rijn  tot  de  Zuiderzee  zich  tusschen 
de  Utrechtsche  heuvels  en  de  westelijke  Velu  we  van  het  zuid- 
oosten naar  het  noord-westen  uitstrekt.  Sommigen  rekenen  alleen 
het  gedeelte  ten  zuiden  van  de  lijn  van  Lunteren  naar  Amersfoort 
tot  de  Geldersche  Vallei ;  doch  uit  een  oro-hydrographisch  oogpunt 
valt  deze  indeeling  niet  te  verdedigen.  Ook  de  heer  Hartog  be- 
schouwt in  eene  landhuishoudkundige  beschrijving  dit  dal  als  één 
geheel,  hetwelk  in  het  oosten  begrensd  wordt  door  eene  lijn,  die  van 
Wageningen   langs   den   voet   der  heuvelen  tot  Bennekom,  Ede  en 


Digitized  by 


Google 


193 

Lun leren,  vervolgens  om  den  I^unterschen  berg  loopt  en  verder  de 
grens  der  Wekeromsche  en  Otterloosche,  Hartskamper,  Kootwijksche 
en  Garderensche  zandverstuivingen  volgt  tot  de  heuvelreeks  van 
Garderen  naar  Putten  en  van  hier  naar  de  Zuiderzee. 

De  westelijke  grens  bestaat  uit  eene  lijn,  getrokken  langs  de 
Utrechtsche  heuvelen,  over  de  Grebsche,  Renensche,  Amerongsche, 
I^ersumsche,  Darthuizer  en  Doornsche  bergen,  door  Maarn  en 
Leusden  tot  xAmersfoort,  alwaar  de  rivier  de  Eem  de  verdere 
westelijke  grens  tot  de  Zuiderzee  uitmaakt  i).  Binnen  deze  grenzen 
heeft   de  Geldersche  Vallei  eene  oppervlakte  van  i  80,000  H.  A. 

In  het  zuiden,  aan  den  Rijnkant,  wordt  de  toegang  tot  de  Vallei 
verleend  door  eene  laagte  van  7  ^  8  M.  -I-  A.  P.,  die  tusschen  de 
Wageningsche  hoogten  van  35  è.  40  M.  +  A.  P.  en  den  Heitnenberg 
bij  Renen  van  40  M.  4-  A.  P.  een  sterk  in  het  oogspringende  poort 
vormt.  Deze  zuidelijke  mond  heeft  eene  breedte  van  ruim  5  K.M. 
Daar  te  Wageningen  de  gemiddelde  waterstand  in  den  Rijn  reeds 
7,38  M.  +  A.  P.  bedraagt,  doch  bij  hoogen  stand  tot  ruim  11  M.  + 
A.  P.  kan  stijgen,  blijkt  hieruit  de  noodzakelijkheid  van  de  bedijking 
des  Rijns  langs  de  Vallei.  Een  hooge  dijk,  de  Grebbedijk,  12,80  M, 
4-  A.  P.  te  Wageningen  en  12,10  M.  +  A.  P.  op  de  Utrechtsche 
grens  aan  de  Grebbe  hoog,  sluit  de  Vallei  naar  het  zuiden  af. 

De  Geldersche  Vallei  daalt  naar  het  noorden  langzaam  hellende. 
Reeds  in  de  Bennekommermeente  vindt  men  eene  hoogte  ongeveer 
van  5,65  M.  4-  A.  P.  Bij  Venendaal  ligt  het  terrein  nog  6  è.  7  M. 
hoog,  doch  is  ook  hier  nabij  de  Grift  ongeveer  1/2  è.  i  M.  lager. 
Tusschen  Venendaal  en  Renswoude  ligt  midden  in  de  Vallei  de 
Emmikhuizer  berg^  een  geheel  alleenstaande  diluviale  heuvel,  die 
een  ruim  vergezicht  biedt.  Verder  is  de  hoogte  bij  Scherpenzeel  5, 
bij  Hoevelaken  4,  bij  Amersfoort  2  è,  3  M.  en  bij  den  Ham,  (ongeveer 
73  uur  beneden  Amersfoort,)  2  M.  4-  A.  P.  Naar  het  noorden 
daalt  vervolgens  de  bodem  snel  tot  0,5  M.  4-  A.  P.  è.o,2M.  —  A.  P. 


l)  H.  M.  Hartog.  Landhuishoudkundige  beschrijving  der  Geldersche  Vallei, 
bekroond  prijsschrift .  (Tijdschrift  van  de  Maatschappij  van  Nijverheid.  1866, 
pag.  76.)  —  H.  W.  Groeneveld.  De  Geldersche  Vallei.  (Vragen  van  den  Dag 
III,  pag.  44S^. 

II.  13 


Digitized  by 


Google 


194 

Hoewel  de  helling  des  terreins  vrij  regelmatig  is,  vindt  men  er 
toch  enkele  kommen,  waarin  het  water,  toen  het  uit  den  Rijn  hier 
nog  van  tijd  tot  tijd  vrij  een  weg  naar  het  noorden  koos,  moest 
blijven  staan.  Hier  zijn  in  den  loop  der  tijden  venen  ontstaan, 
die  in  de  Vallei  veelvuldig  werden  aangetroffen.  Nabij  Venendaal 
vindt  men  een  dergelijke  kom,  waarin  het  water  bleef  staan,  zooals 
dat  ook  bij  de  overstrooming  in  1855  het  geval  was.  Daar  lag 
in  ouden  tijd  waarschijnlijk  een  groot  meer,  het  Agilmare^  dat  in 
950  genoemd  wordt,  en  waaraan  misschien  het  in  die  streken  nog 
bestaande  Egelmeertje  zijn  naam  heeft  ontleend.  Op  de  plaats 
van  dit  meer  vond  men  later  de  Manensche,  Renensche,  Amerong- 
sche,  Ginkelsche  en  andere  venen. 

Verder  vindt  men  een  groot  meer  beschreven,  dat  zich  bij  de 
abdij  van  St.  Paulus  (nabij  Amersfoort)  zou  bevonden  hebben  i). 
Ook  wordt  gewag  gemaakt  van  een  meer,  dat  na  777  in  een 
moeras  overging,  en  de  Grauwe  venen  genaamd  was.  Hiermede 
wordt  waarschijnlijk  de  hooge  veenstreek  tusschen  Hoevelaken,  het 
Zwartebroek,  Nijkerk  en  Hoogland  bedoeld  2). 

Ten  oosten  van  de  Eem  liggen  de  gronden,  noordelijk  van  de 
lijn  van  Soest  naar  de  Nijkerker  haven,  heneden  A.  P.  En  ten 
westen  van  de  Eem  naderen  de  hoogere  gronden  van  Soest  en 
Baam  dit  water  op  korten  afstand.  Doch  ten  noorden  van 
Baarn  verkrijgt  het  gebied  der  lage  gronden  van.  ongeveer  =  A.  P. 
ook  hier  een  grooter  breedte,  en  strekt  zich  uit  tot  aan  de  grens 
van  Noord-Holland,  waar  zij  eindigen  bij  de  hoogere  gronden  van 
Laren,  Blarikum  en  Huizen. 

De  Geldersche  Vallei  vangt  in  het  zuiden  aan,  zooals  wij  reeds 
zeiden,  met  een  smalle  opening  tusschen  vrij  steile  hoogten.  Verder 
noordelijk,  vooral  ten  noorden  van  Lun teren,  verbreedt  zij  zich 
naar  het  oosten.  Het  land  van  de  Midden  Velu  we  ten  westen  van 
de  hooge  waterscheiding  der  Veluwe  heuvels,  behoort  in  hydrogra- 
phisch   opzicht   nog   tot   de  Vallei,    Verschillende  beken  stroomen 


i)  Bondam.   Charterboek  van  Gelderland.   2de  st.  pag.   180. 
2)  Martog.  t.   a.   p.  pag.   86. 


Digitized  by 


Google 


195 

van  hier  langs  de  naar  het  westen  zacht  dalende  helling  to^  in  de 
Vallei,  waar  zich  de  meeste  bij  Amersfoort  vereenigen  en  de 
Rem  voeden.  De  voornaamste  van  deze  zijn  de  Groote  beek^  de 
Esveldsche  beek^  de   Barneveldsche  beek  en  de  Luntersche  beek. 

De  Geldersche  Vallei  is  in  geologisch  opzicht  een  diluviale  Rijnarm, 
welke  riviertak  hx*t  land  erodeerde,  en  die  te  gronde  ging  na  het  tijdperk 
der  zandafzetting.  Nog  zou  een  aanzienlijk  gedeelte  der  Vallei 
gemakkelijk  weder  door  Rijnwater  bevloeid  kunnen  worden,  wat 
bij  goede  waterloozing  van  veel  economisch  belang  zou  zijn.  Daar 
de  oostelijke  afhelling  van  den  Utrechtschen  heuvelrug  vrij  steil  is, 
kunnen  zich  aan  dien  kant  geene  belangrijke  stroompjes  ontwikkelen. 

§  4.   DE  AFWATERING  VAN  HET  ZUIDELIJK  DEEL  DER  GELDERSCHE  VALLEI. 

Eene  voldoende  afwatering  van  de  Geldersche  Vallei  zelf  is  nog 
altijd  een  open  vraagstuk.  Wel  blijkt  uit  de  helling  des  terreins 
naar  het  noorden,  (tot  Amersfoort  =t  0,2  M.  per  K.  M.),  dat  in  die 
richting  de  afwatering  moet  plaats  hebben.  De  waterstand  op  den 
Rijn  is  gewoonlijk  hooger  dan  het  lage  terrein  van  de  Vallei.  Doch 
verschillende  bezwaren  zijn  er  nog  aan  het  tot  stand  komen  van 
eene  geregelde  afwatering  in  N.  richting  verbonden. 

De  Rijndijk  aan  de  Grebbe  is  bij  hoogen  waterstand  de  eenige 
schutsmuur  voor  de  geheele  Vallei.  Wat  er  zou  geschieden,  als 
deze  doorbreekt,  leert  niet  alleen  een  vergelijking  der  waterstanden 
door  de  theorie,  doch  ook  de  geschiedenis  door  voorbeelden.  In 
1595  bijv.  brak  de  Wageningsche  dijk  door,  waardoor  het  water 
met  zooveel  kracht  naar  Amersfoort  stroomde,  dat  het  wachthuis 
en  de  brug  aan  de  Slijkpoort  van  die  stad  instortten,  een  gedeelte 
der  poort  en  stadswallen  wegspoelde,  en  men  met  schuiten  door 
meest  alle  straten  van  Amersfoort  voer  i).  De  overstrooming  van 
1643  bij  eene  doorbraak  in  denzelfden  dijk  berokkende  eveneens 
aan  Amersfoort  groote  schade,  zoodat  o.  a.  de  Koppelpoort  bijna 
geheel  en  al  vernieuwd  moest  worden.  Ook  in  1 651  liep  Amersfoort 
door  eene  dergelijke  overstrooming  onder  water. 


i)  Abr.  V.  Bemmel.     Beschrijving  van  Amersfoort.  1760.  II,  pag.  942. 


Digitized  by 


Google 


196 

Om  het  noordelijk  gedeelte  der  Geldersche  Vallei  bij  doorbraak 
van  den  Grebbedijk  tegen  het  overstroomingswater  te  beschermen, 
werd  in  1652  den  ingezetenen  van  Eemland  en  Amersfoort  door 
de  Staten  van  Utrecht  octrooi  verleend,  om  dwars  door  de  Gel- 
dersche Vallei,  van  het  Egelmeer  tot  den  Rooden  Haan  en  van 
het  fort  aan  de  Buursteeg  tot  aan  de  hooge  gronden  achter  Rens- 
woude,  een  slaperdijk  te  leggen  i).  Hierdoor  werd  de  Vallei  in 
twee  deelen  verdeeld.  Door  dezen  dijk  moest  het  zuidelijk  gedeelte  der 
Geldersche  Vallei  voortaan  alleen  loozen  op  den  Rijn  bij  Wagenin- 
gen,  hetgeen  door  de  lage  ligging  der  Vallei  evenwel  niet  geregeld 
kon  plaats  hebben.  Dit  gaf  aanleiding  tot  tal  van  onderhandelingen. 

Na  de  doorbraak  van  den  Grebbedijk  in  171 1  werden  op  11  Jan.  1714  2) 
en  op  25  Jan.  1727  3)  conventiën  tusschen  Utrecht  en  Gelderland  gesloten, 
waarbij  getracht  werd  de  verschillende  belangen  van  de  onderscheidene  deelen 
der  Vallei  zooveel  mogelijk  in  overeenstemming  te  l)rengen.  Aan  de  eene  zijde 
werd  aan  de  landen  boven  den  genoemden  slaperdijk^  d.  i.  aan  den  Rijnkant 
er  van,  die  de  cxonorecrende  /tfWöVw  (e xonerare  =  ontlasten,  ontledigen)  genoemd 
werden,  het  recht  toegekend,  om  hun  water  door  middel  van  heulen  in  genoemden 
slaperdijk  af  te  voeren  naar  het  land  benedenwaarts,  terwijl  aan  den  anderen 
kant  de  landen  beneden  (ten  N.  van)  den  Slaperdijk  gewaarborgd  werden  tegen 
te  grooten  wateraan  voer  van  de  hooger  liggende  landen. 

Door  deze  conventiCn  wordt  nog  thans  de  rechtsbetrekking  van  den  waterafvoer 
in  de  Geldersche  Vallei  beheerscht.  Slechts  enkele  malen  is  er  van  afgeweken, 
zooals  o.  a.  in  1829,  toen  de  Gouverneur  van  Utrecht,  begaan  met  de  bewoners 
boven  den  Slaperdijk,  het  openen  van  meer  doorlatingen  in  den  Slaperdijk 
gelastte. 

Van  tijd  tot  tijd  werden  er  klachten  ingediend  over  het  niet  juist  nakomen  van 
de  bepalingen  in  genoemde  conventiën,  zoowel  door  de  belanghebbenden  boven 
als  beneden  den  Slaperdijk.  De  belanghebbenden  boven  den  Slaperdijk  beweerden  ^ 
dat  den  Slaperdijk  gelegd  is  in  het  belang  der  lager  gelegen  landen  ten  noorden 
van  den  dijk,  en  dat  deze  dus  ook  een  evenredig  grooter  aandeel  in  de  kosten 
van   eene    verbeterde    waterloozing    moesten    betalen.     Verder   bestreden  zij  de 


1)  Utrechtsch    Plakkaatboek    II,    pag.    172.     Hierin  vindt  men  verschillende 
plakkaten  omtrent  den  Slaperdijk. 

2)  Groot  Geldersch  Plakkaatboek  III,  pag.  266. 

3)  Groot  Geldersch  Plakkaatboek  III,  pag.  444. 


Digitized  by 


Google 


197 

conventiën,  die  het  natuurlijk  recht  van  waterloozing  der  hoogere  op  de  lagere 
gronden  krenken. 

Doch  de  belanghebbenden  heneden  den  Slaperdijk  beweerden,  dat  door  de 
heulen  meer  en  ander  water  geloosd  werd,  dan  bij  de  conventien  was  bepaald, 
en  dat  zij,  zoo  de  bepalingen  der  conventien  trouw  werden  nageleefd,  geen  last 
zouden  hebben  van  het  water.  Wilde  men  nu  een  betere  waterloozing  op  de 
Eem,  dan  gaf  de  conventie  den  landen  boven  den  Slaperdijk  daartoe  het  recht, 
om  de  Schoonderbeeksche  Grift,  (zie  pag.  199),  de  Broeksloot  en  de  Luntersche 
beek  naar  welgevallen  te  verwijden,  doch  op  eigen  kosten  en  zonder  nadeel 
der  landen  beneden  den  Slaperdijk  i). 

Zoo  had  een  eenvoudige  slaperdijk  de  bewoners  der  Geldersche  Vallei  in  twee 
elkander  vijandige  partijen  verdeeld. 

Verschillende  plannen  werden  er  gemaakt,  om  deze  moeielijke  quaeslie  op  te 
lossen.  Hoe  zwaar  dat  viel  blijkt  reeds  hieruit,  dat  in  en  na  1740  gedurende 
9  jaren  vruchteloos  tusschen  Gelderland  en  Utrecht  onderhandeld  werd,  om  deze 
gemeenschappelijke  waterloozing  beier  te  regelen.  Toen  in  18 16  de  ingelanden 
van  Venendaal  de  heulen  in  den  Slaperdijk  aan  den  Rooden  Haan  wederrechte- 
lijk hadden  opengebroken,  om  het  water  beter  te  kunnen  doorlaten,  en  deze  heulen 
door  de  Staten  van  Utrecht  onder  bescherming  der  gewapende  macht  waren 
hersteld  en  gedicht,  werd  de  zaak  weder  ernstig  ter  sprake  gebracht.  Zoo  werd 
in  181 7  door  gecommitteerden  van  Gelderland  en  Utrecht  op  conferentiön  be- 
sloten, dat  de  Luntersche  beek  zou  worden  uitgediept.  Evenwel  werd  dit  slechts 
ten  halve  uitgevoerd. 

In  1817  bracht  de  inspecteur  van  den  Waterstaat,  A.F.  Goüdriaan  op  last  des 
Konings  een  verslag  uit,  (No.  54)  waarin  betoogd  werd,  dat  het  wel  moeielijk  doch 
niet  onmogelijk  was  de  afwatering  van  de  Geldersche  Vallei  te  verbeteren,  en  dat 
dit  kon  samengaan  met  het  reeds  vroeger  gemaakte  plan,  om  Amsterdam  van  zoet 
water  uit  den  Rijn  te  voorzien.  In  de  Grebbe  zou  dan  het  zoet  water  van  den 
Rijn    afgetapt,    en    van  hier  door  een  kanaal  naar  Amsterdam  gevoerd  worden. 

Niet  alle  tot  verbetering  ingediende  ontwerpen  zullen  wij  nagaan.  Wij  wijzen 
alleen  nog  op  het  ontwerp  van  den  inspecteur-generaal  Blanken,  om  een  be- 
vaarbaar kanaal  van  de  Grebbe  naar  Amersfoort  te  graven,  1822,  en  op  de 
memorie  door  Mr.  H.  M.  A.  J.  Van  Asch  van  Wijck  in  1870  2)  aan  de  Staten  van 

i)  Zie:  Verslag  over  den  toestand  der  waterloozing  in  de  Geldersche  Vallei, 
opgemaakt  door  de  Afdeeling  Neder  Veluwe  der  Geldersche  Maatschappij  van 
landbouw,  1861.  (Mededeel,  en  berichten  der  Geldersche  Maatschappij  van 
landbouw  1861,  pag.  2  enz.) 

2)  Van  Asch  van  Wijck.  De  verbetering  der  waterafleiding  in  de  Geldersche 
Vallei  in  verband  met  eene  kanaal  vaart  in  deze  landstreek.     1842. 


Digitized  by 


Google 


198 

Utrecht  ingediend,  waarin  werd  voorgesteld,  om  een  kanaal  te  graven  door  de 
Vallei,  dat  behalve  voor  afwatering  ook  voor  bevloeiing  zou  dienen.  De  scheep- 
vaart maakte  in  zijn  plan  een  punt  van  ondergeschikt  belang  uit. 

Geen  van  al  die  plannen  kwam  tot  uitvoering  en  ook  door  de  in  1852  benoemde 
Staatscommissie,  die  de  verschillende  plannen  en  ontwerpen  beoordeelde,  werd  niets 
tot  stand  gebracht.  Nog- werd  voor  een  korten  tijd  de  hoop  gevestigd  op  het  door 
Amsterdam  gewenschte  kanaal  van  den  Rijn  door  de  Geldersche  Vallei.  Doch  dit 
ontwerp  moest  vallen  voor  de  heerschappij  der  politiek  (Zie  I,  pag.  399 ;  II  pag.  87). 

De  plannen  omtrent  de  oprichting  van  een  groot  waterschap  in  de  Vallei,  die 
in  1887  aanhangig  waren,  werden  uit  vrees  voor  de  kosten  door  de  ingelanden 
zelf  bestreden,  en  toen  werd  het  besluit  genomen,  de  bestaande  uitwateringen 
te  verbeteren.     Evenwel  zal  hiermede  het  vraagstuk  niet  opgelost  zijn. 

De  waterloozing  van  het  deel  der  Geldersche  Vallei  ten  zuiden 
van  genoemden  Slaperdijk  of  der  exonoreerende  landen,  geschiedt 
thans  op  de  Grift^  die  het  water  bij  den  Rooden  Haan  door  den 
Slaperdijk  op  de  Broekersloot  brengt,  en  langs  deze  wordt  het  water 
verder  naar  de  Luntersche  heek  gevoerd.  Door  de  Luntersche  beek 
komt  dit  afvoerwater  te  Amersfoort  op  de  Eem. 

Die  afwatering  is  dikwijls  in  het  voorjaar  niet  voldoende,  daar 
genoemde  beken  geen  genoegzame  diepte  en  breedte  bezitten,  en 
dikwijls  door  de  landen  onder  Ede  en  Lunteren  bij  de  uitbrei- 
ding der  ontginning  en  verdeeling  der  markegronden  meer  met 
water  belast  worden,  dan  zij  kunnen  afvoeren.  Dan  blijven  de 
exonoreerende  landen  dras  liggen.  Bij  lage  waterstanden  op  den 
Rijn  voeren  de  lage  landen  onder  Bennekom  en  W^ageningen  in 
het  zuidelijk  gedeelte  der  Valleiooknog  water  af  door  de  Z^^'^^rdrd?/, 
een  breede  sloot,  die  langs  de  grachten  van  Wageningen  op  den 
Rijn  loost. 

De  Grift  watert  thans  bijna  in  't  geheel  niet  meer  af  op  den 
Rijn,  waarmede  zij  in  het  zuiden  door  de  Grebbesluis  in  verbinding 
staat.  In  1885  geschiedde  dit  slechts  gedurende  5  dagen  (in  Jan. 
3  en  in  Febr.  2  dagen)  met  een  verval  van  0,16  en  0,24  M.  In 
1886  had  die  loozing  maar  op  2  dagen  in  October  plaats,  meteen 
verval  van  0,035  M.  i). 

i)  Prov.   Verslagen  van  Utrecht,  1885  Bijlage  B.  pag.  5,  en  1886  B,  pag.  5. 


Digitized  by 


Google 


199 

De  Grebbe  of  Grift.  Historie  en  tegenwoordige  toestand.  De 

Bisschop  Davids  Grift  of  Grebbe  is  gevormd  door  kanalisatie  van  een 
stroompje  in  de  Geldersche  Vallei.  De  venen  tusschen  de  Amerongsche 
en  Eister  bergen  tot  aan  de  Geldersche  grenzen  waren  het  eigendom 
van  de  Utrechtsche  bisschoppen.  Tot  hunne  ontginning  liet  bisschop 
David  van  Bourgondië  tusschen  de  jaren  1473 — ^4^^  ^^^^  ^^ift 
graven,  welke  nog  zijn  naam  draagt.  Zij  begint  bij  het  tegenwoordig 
Venendaal,  en  vereenigt  zich  met  de  Kromme  Eem  en  de  Grebbe^  die 
te  zamen  naar  den  Rijn  liepen.  In  het  midden  der  i6de  eeuw  verleende 
Keizer  Karel  aan  de  veengenooten  octrooi,  om  de  Grift,  die  men  ver- 
waarloosd scheen  te  hebben,  weder  op  te  maken,  en  den  28sten  Nov. 
1553  vaardigde  hij  eene  ordonnantie  op  het  gebruik  der  vaart  uit  i). 

De  meer  westelijk  gelegen  venen  werden  door  hem  voor  een 
bepaalden  tijd  afgestaan  aan  den  ondernemenden  Antwerpenaar 
Gil  bert  van  Schonerbeke.  Tothet  vervoer  van  de  turf  naar  Amersfoort 
begon  deze  een  kanaal  te  graven  van  de  Bisschop  Davids  Grift 
naar  de  Luntersche  beek.  Dit  kanaal  werd  wel  niet  door  hem 
voltooid,  maar  verkreeg  toch  den  naam  van  Sc hoonder beker  Weterinj^ 
of  Grift  Op  de  vereenigingsplaats  der  Bisschop  Davids  Grift  met  de 
Schoonderbeker  Grift  ontstonden  Geldersch  en  Stichtsch  Venendaal  2). 

De  Bisschop  Davids  Grift  is  door  eene  militaire  inundatiesluis 
aan  den  Grebbedijk  afgesloten.  Oorspronkelijk  was  hier  een  uitwate- 
ringsluis,  waarvan  de  deuren  bij  laag  Rijnwater  van  zelf  opengingen 
naar  den  Rijn  toe,  zoodat  dan  het  water  der  Vallei  uitliep  in  den 
Rijn.  Doch  bij  hoog  Rijnwater  moest  de  turf,  welke  men  afvoerde, 
hier  overgeladen  worden,  omdat  dan  het  varen  uit  de  Grift  in  den 
Rijn  niet  kon  geschieden  3). 

De  Grebbe-linie.  Toen  in  het  jaar  1629  de  Spanjaarden  in  de  Veluwe 
drongen,  gaven  de  Staten  van  Utrecht,  vermoedelijk  tengevolge  van  den  raad 
door  prins  Maurits  gegeven,  bevel  om  de  sluizen  van  de  Grebbe  te  openen  ten 
einde  het  water  naar  Amersfoort  en  Bunschoten  te  laten  loopen,  en  verder  om  eene 


i)  Groot  Geld.  Plakkaatboek  I,  pag.  141. 

2)  Sloet.    Bijdragen  tot  de  kennis  van  Gelderland,  pag.  184. 

3   Tegenw.  Staat  XII,  pag.  80. 


Digitized  by 


Google 


200 

schans  bij  Woudenberg  en  een  retranchement  te  Amersfoort  aan  te  leggen. 
Hieruit  is  waarschijnlijk  het  denkbeeld  ontstaan,  om  eene  blijvende  waterlinie 
tot   verdediging  door  de  Geldersche  Vallei  aan  te  leggen. 

In  de  jaren  1671  en  1731  werd  de  mogelijkheid  daarvan  onderzocht,  entusschen 
1750  en  1754  werd  het  werk  van  den  Rijn  tot  de  Zuiderzee  tot  stand  gebracht. 
Tot  leiding  van  het  water  werden  keerdammen  met  grachten  er  langs  aangelegd, 
op  onderscheiden  punten  verbonden  door  dammen,  met  sluizen  en  heulen  voorzien, 
waardoor  de  kommen,  door  die  keersluizen  en  de  dammen  gevormd,  onderling 
gemeenschap  konden  verkrijgen. 

Het  schijnt  dat  de  werken,  ook  na  herhaalde  veranderingen,  niet  voldeden  ; 
althans,  bij  besluit  van  Koning  Lodewijk  van  15  Febr.  1809  w^erd  de  linie 
als  verdedigingsmiddel  opgeheven. 

Door  het  slechten  der  verdedigingswerken  van  Arnhem  en  bij  Geldersoord 
achtte  de  militaire  genie  het  noodig,  dat  de  Grebbe-linie  weer  in  verdedigbaren 
toestand  gebracht  werd.  Met  dit  doel  werd  in  Febr.  1843  ^^ne  commissie  tot 
onderzoek  van  het  ontwerp  der  werken  voor  de  inundatie  der  Geldersche  Vallei 
benoemd.  Zoo  werd  deze  linie  weder  hersteld.  Om  de  inundatie  der  Vallei 
snel  te  doen  plaats  hebljen,  is  de  bodembreedte  van  de  sluis  vóór  de  Grift  in 
den  Grebbedijk  8  M.  breed  en  ligt  de  drempel  4  M.   -f   A.  P.  hoog. 

§    5.      DE  WATERAFVOER   DER   NOORDELIJKE   HELFT   VAN   DE 
GELDERSCHE    VALLEI. 

a.  De  Barneveldsche  of  Flierbeek.  De  Barneveldsche  beek 
ontstaat  uit  de  vereeniging  van  de  Groote  en  Kleine  Valksche  beken^ 
die  voortkomen  uit  verschillende  waterloopen  bij  Wekerom,  Otterloo, 
Hartskamp  (gemeente  Ede)  en  Essen  (gem.  Barneveld).  Onder 
Barneveld  wordt  deze  beek  opgestuwd  tot  het  drijven  van  2  water- 
molens. Daarna  neemt  de  Barna^eldsche  beek  achtereenvolgens  aan 
den  rechterkant  op :  de  Kleine  Barnei^eldsche  beek^  de  Esvelder  beek 
en  de  /loci^elakensche  beek^  die  aanvankelijk  Klaarwater  beek  heet. 
Aan  de  linkerzijde  ontvangt  de  Barneveldsche  beek  water  van:  de 
Modderbeek^  die  achtereenvolgens  de  Aschatter  of  Moerster  beek 
en  de  Hamersveldsche  wetering  opneemt.  Waar  de  Grebbe-linie  de 
Barneveldsche   beek,   de  Hamersveldsche  wetering  en  de  Aschatter 

I)  Sloet.     |{ij(lra;^en  t»)t  de  kennis  v.in  Geldcrl.ind.  ])nrr.  186. 


Digitized  by 


Google 


20I 

beek  snijdt,  zijn  militaire  inundatie-sluizen  aangelegd.  De  Barneveld- 
sche  beek  kan  door  een  vrije  afwatering,  benevens  na  vereeniging 
met  de  Luntersche  beek  door  sluizen,  op  de  Eem  bij  Amersfoort 
loozen. 

b.  De  Luntersche  beek.  De  Heiligenberger  oi  Luntersche  beek 
ontstaat  op  de  hooge  gronden  bij  I.unteren,  en  wordt  vervolgens 
door  een  tal  van  kleine  wateren  gevoed.  Zoo  ontvangt  zij  rechts: 
de  Overwoudsche  beeK  de  Modderbeek  (ontstaan  uit  de  samenvloeiing 
van  de  Buzensche  en  Nederwoudsche  beken),  de  Leusbroekcr  wetering 
en  de  Grift.  Aan  de  linker  zijde  ontvangt  zij:  de  Veenderbeek^ 
de  Fliertsche  beek  en  de  Munnike  beek  (welke  beide  het  water 
uit  de  Doesburger  (gem.  Ede)  en  Edér  venen  afvoeren),  de  ^r^^>^^r 
sloot  bij  de  Lambalge  brug  (die  het  water  van  de  Grift  afvoert,  dat 
hij  bij  de  Roode  Haan  ontvangt),  en  de  Leisloot^  die  water  van  de 
Laagerfsche  wetering  afvoert.  Verschillende  sluizen,  militaire  inun- 
datie-sluizen en  andere,  zijn  in  deze  beken  aangelegd. 

Boven  Amersfoort  verdeelt  zich  de  Luntersche  beek  in  drie  takken, 
waarvan  de  eerste  noordwaarts  loopt  naar  de  Barneveldsche  beek, 
en  zich  met  deze  ontlast  op  de  Eem  door  de  schotbalksluis  in  den 
mond  van  de  oostelijke  Singelgracht,  genaamd  de  Groote  Koppel. 
De  tweede  tak  loopt  door  de  stad  en  ontlast  zich  door  de  schut- 
sluis bij  de  Koppelpoort  op  de  Eem.  De  derde  tak  stroomt  ten 
zuidwesten  van  Amersfoort  en  ontlast  zich  door  de  schotbalksluis 
in  den  mond  van  de  zuid- westelijke  Singelgracht,  genaamd  de 
Kleine  Koppel  of  Geldersche  balken.,  op  de  Eem.  Bovendien  be- 
staat er  eene  kleine  vrije  uitstrooming  van  de  oostelijke  Singelgracht 
op  de  Eem. 

DE  EEM.  ^De  Eem  is  eene  vrije,  open  rivier,  die  het  water  van 
genoemde  beekjes  benevens  uit  de  landen  langs  de  rivier  zelf  van 
Amersfoort  naar  de  Zuiderzee  afvoert.  Door  die  vrije  verbinding 
met  de  Zuiderzee  is  haar  waterstand  van  de  zee  afhankelijk,  en 
hierdoor  wisselt  hij  af  met  de  getijden.  De  hoogte  van  den  water- 
stand op  de  Eem  leert  ons  de  tabel  op  pag.  204  kennen.  De  Eem 
stroomt  in  de  noordelijkste  helft  door  landen  met  een  hoogte  van 
==  A.   P.  of  daar  l^neden.     Daar  de  gemiddelde  jaarlijksche  stand 


Digitized  by 


Google 


202 

(1887)  hier  0,09  M.  +  A.  P.  bedroeg,  doch  in  genoemd  jaar  de 
hoogste  stand  1,07  M.  +  A.  P.  was,  blijkt  hieruit  de  noodzakelijk- 
heid van  bedijking  of  bekading. 

Ten  oosten  strekt  zich  in  de  geheele  lengte  van  Amersfoort  af 
een  dijk  langs  de  Eem  uit  naar  zee;  ten  westen  vangt  de  bedijking 
aan  ten  noorden  van  Baarn,  waar  tusschen  de  Eem  en  de  hooge 
gronden  van  het  Gooiland  eenige  polders,  de  Heinellen  polder^  de 
Noordpolder ^  de  Maatpolder  en  de  Zuidpolder ^  liggen. 

De  afwatering  van  deze  landen  beneden  Amersfoort  heeft  meestal 
rechtstreeks  op  het  buitenwater  plaats,  d.  i.  op  de  Eem  of  op  de 
Zuiderzee^  gedeeltelijk  door  natuurlijke  afloozing,  gedeeltelijk  door 
l^emaling.  Verder  voeren  de  Drakenburger  wetering^  de  Praam- 
gracht  en  de  Eemnesser  vaart  nog  water  af  op  de  Eem. 

Historische  opmerkingen.  De  Eem  is  eene  rivier,  die  al  vroeg  in  de 
historie  genoemd  wordt.  Reeds  in  776  is  er  sprake  van  de  „Hemus"  in  een  brief' 
waarbij  Karel  de  Groote  Lisidana  of  Leusden,  in  't  land  op  de  Eem  „aan  de 
kerk  van  ?t.  Maarten  schonk*'  i).  Reeds  vroeg  werd  deze  rivier  ook  bevaren 
en  zeer  zeker  heeft  Amersfoort  aan  deze  rivier  zijn  ontstaan  te  danken.  Door 
het  belang  van  de  Eem  voor  de  scheepvaart  van  Amersfoort  werd  zij  in  den 
loop  der  lijden  telkens  verbeterd  en  uitgediept  2).  In  1555  werd  de  Eem  bij 
Amersfoort  verlegd  en  de  Nieuwe  Eem  gegraven  van  de  Koppelpoort  bij 
Amersfoort  af  lot  de  Drie  sluizen.  Na  1613  had  er  een  aanzienlijke  verbreeding 
en  verdieping  van  de  Eem  alsmede  van  de  Oude  Eem  plaats,  en  in  161 6  werden 
de  Eem  en  de  bijslroomen,  die  haar  vormen,  aan  schouw  onderworpen  3).  De 
diepte  van  de  Eem  werd  hierbij  bepaald  op  61/2  voet. 

De  mond  van  de  Eem  loopt  als  tusschen  twee  dijken  een  eindweegs  in  zee 
vooruit.  De  reden  van  dit  uitbouwen  der  monding  is  eene  ondiepte,  w^elkezich 
in  het  midden  der  17de  eeuw  vóór  den  mond  van  de  Eem  in  zee  vastzette. 
Deze  ondiepte  belette,  dat  de  veerschepen  bij  laagwater  de  rivier  konden  binnen- 
of  uit  varen,  zoodat  zij  zelfs  somtijds  tot  14  dagen  moesten  wachten.  Na  vele 
adressen  van  de  gilden,  en  vooral  van  het  schippersgilde  in  Amersfoort,  werd 
in  1670  besloten  aan  het  eind  der  rivier,  zeewaarts  in,  eene  uitpaling  te  maken 


i)  Heda.   pag.  41.  —  Tegenw.  Staat,  van  Utrecht,  pag.  241. 

2)  Archief  van    kerkelijke   en   wereldsche   geschiedenissen    inzonderheid  van 
Utrecht,  door  J.  Dodt  van  Flensburg.  III,  1843  pag.  67. 

3)  Groot  Plakkaatlioek  van  Utrecht.  II,  papf.  178. 


Digitized  by 


Google 


203 

ter  lengte  van  80  &  90  roeden  alsmede  een  schephoofd  ter  lengte  van  27  roeden. 
Sedert  dien  tijd  is  de  monding  werkelijk  verbeterd,  hoewel  nog  altijd  op  verdere 
verbetering  der  rivier  wordt  aangedrongen,  zooals  o.  a.  blijkt  uit  dejaarlijksche 
Versl.  der  Prov.  Utrecht.  Daar  de  provincie  deze  taak  aan  Amersfoort  als 
eerste  belanghebbende  wenscht  op  te  dragen,  blijft  verbetering  tot  hiertoe 
achterwege. 

Over  den  waarschijnlijk  oudsten  loop  van  de  Eem  als  tak  van  den  Rijn  hebben 
wij  reeds  gesproken. 

Wij  geven  hierbij  een  overzicht  van  de  waterstanden  i)  in  de 
verschillende  stroompjes  over  1886,  om  hieruit  den  loop  en  betrek- 
king dezer  afwatering  tot  het  land  eenigszins  af  te  leiden. 

i)  Zie:  Verslag  der  Prov.  Utrecht  over  1886. 


Digitized  by 


Google 


o 


« 

ri 

«u 

V 

Ti 

^ 

P 

T, 

V 

^ 

O 

't: 

c  ;« 


CI4 


in 

O 


O 


bn 


c  c  c  c 


Ö    C3   C 


VO 


O    O    CO  •-" 

inoq^vo  N 

^       ^  ^  fT  cT 


c  c  c  c 

rt   S3   D    ei 


c  c  c  c 


N    o  00 
w   in  co 

M^  O     O 


c  c  c 

3    rt 


c  c  c 


o 

c 

S 

.2 


o 


o 


I 


t*»       o  00  1000 
m       co  O  fo  t^ 

VO         vovO    ^  «o 


VO  00  00  P< 

VO  00    m         o 


00 

M 

10 


00    O 


^  to  ro 
00    O  VO 


^ 

^ 


o 
o 

X 


-O     •   c 

.s    •  > 

^  BK 
g  ^  o 

>    ^ 


.   bO 

.  ^   bo    .  t^ 


w  3  g^2 fl 


bo^ 

« 'S 

■    > 

O) 

Cl    ö 
>    t^ 

C4    c« 

PQPQ 


.2  »2 


O 

■e. 


o  ö  b  '^ 


I  . 

00  o 

'^tOO^ 


co  M 

't  '^ 
o"  o 


c 
a 


o 

00^ 

o 

'S 

3 


r^  in 
N    O 


O 
co 


co 
CO 

o" 


P-I 

< 
I  " 

M    VO 

O     N 

6  d 


co  ^  in 
d  o_  .  cT 
o  ^P 


lü  3    eS 

•1  Ë^ 


bo 


<W 


S  S  S  1 


WW  c 


4)   ü  '5 


T3    OJ 
'3   ■•-» 


Digitized  by 


Google 


205 

Nog  voegen  wij  hieraan  toe  eene  opgave  van  den  waterafvoer, 
zooals  die  door  de  heeren  van  Idsinga  en  van  Rijn  wordt  mede- 
gedeeld in  hunne  nota  betreffende  de  ontwerpen  tot  verbetering  van 
den  waterafvoer  in  de  Geldersche  Vallei  i). 

Als  gevolg  van  regen  en  sneeuw  in  Januari  j88ó  was  de  water- 
afvoer de  volgende: 


Plaats  vaii  waarneming. 


Afvoer  j^er    i*    Stroomgebied 
in  M'.  in  Il.A. 


Afvoer  per  i 

en   per 

looo  H.A. 


1 .  Broekersloot      (beneden 
Roode  Haan) 

2.  Luntersche  beek  (beneden  I 
Lambalgen  brug) 

3.  Luntersche   beek   (boven 
Amersfoort) 

4.  Barneveldsche  beek  (boven 
Modderbeek) 

5.  Modderbeek 


6,135(2  ijan.) 
ii,356(2oJan.) 
14,535(2  ijan.) 


12,430 

2J(,l8o 

32,275 


10,781  (2oJan.)  32,460 
2,539(1 2jan.),   4,325 


29% 
32 

27 

20 
35 


§    5.      DE  VELUWE.      OROGRAPHISCHE  GESTELDHEID. 
ALGEMEEN   OVERZICHT. 

De  Veluwe  neemt  het  oostelijk  deel  van  het  thans  te  bespreken 
gebied  in.  Hier  bereikt  het  terrein  zijne  grootste  verheffing,  onge- 
veer in  eene  naar  het  westen  gebogen  lijn  van  Arnhem  naar  HaUum» 
Eene  heuvelrij  strekt  zich  hier  van  het  zuiden  naar  het  noorden 
uit.  In  die  heuvelrij  bereikt  de  bodem  eene  hoogte  van  50  tot 
100  M.  +  A.  P.,  hoewel  enkele  gedeelten  hiervan  een  grootere 
hoogte  bereiken.  De  voornaamste  afzonderlijke  verheffingen  in  die 
heuvelrij  zijn  van  het  zuiden  af  de  volgende: 

De  Galgenberg  bij  Arnhem  ruim  80  M.,  de  Tonberg\l\)  Beekhuizen 
86  M.,  de  Zijpenherg  100  M.,  het  Imbosch  1 10  M.,  de  Prins  Willems- 


i)   Ontleend    aan    Vcrvvey,    Waterstaatsbeschrijving,     die    haar    in    een    noot 
mededeelt. 


Digitized  by 


Google 


2o6 

bers^  ten  oosten  van  het  Imbosch  70  M.,  de  Postberg  104  M.,  de 
Philipsbcrg  107  M.,  het  GrooU  Engelander  zand%o  M.,  de  IVaterberg 
bij  Ikekbergen  70  M ,  in  het  Soerenschebosch  hoogten  van  107  M., 
en  de  Aardmansber^  107  M.  Ten  noorden  van  de  Soerensche 
bosschen  daalt  deze  heuvelrij  naar  het  noorden  af  tot  minder  dan 
50  M.  +  A.  P.  In  de  lijn  der  hoogste  verheffingen  ligt  de  water- 
scheiding tusschen  het  Eemgebied  en  Zuiderzee  gebied  aan  den 
eenen,  en  het  IJsclgebied  aan  den  anderen  kant.  In  het  zuiden 
strekt  zich  in  aansluiting  bij  genoemde  rij  een  heuvelreeks  van 
Dieren  naar  Wageningen  langs  den  IJsel  en  den  Rijn  uit.  Deze 
heuvels  vormen  den  schoonen  Veluwenzoom,  die  met  een  steilen  rand 
van  zand-  en  grintdiluvium  de  rivierkleilanden  begrenst.  De  hoogte 
van  deze  heuvels  is  bij  Dieren  70  M.  +  A.  P.  (de  Prins  Willems- 
berg),  ten  noorden  van  Arnhem  d-  70  M,  de  Zilverberg  bij  Doren- 
werd  60  M.  en  de  Wageningsche  berg  op  het  hoogste  punt  46  M. 

Ten  W.  van  het  Uddeler  meer  strekt  zich  nog  een  heuveltak 
in  N.-W.  richting  naar  Harderwijk  uit.  De  hoogste  punten  hiervan 
zijn:  de  ZoUenberg  47  M.,  ten  O.  van  Putten  46  M.  en  de  Galgen- 
berg  37  M.  4-  A.  P.  Ten  oosten  van  deze  heuvelrij  loopt  de 
Hierdensche  beek  van  het  Uddeler  meer  naar  het  noorden. 

In  zijn  geheel  vormt  de  Veluwe  aldus  een  plateau,  dat  van  den 
voet  der  hoogste  heuvelrij  zacht  naar  het  westen  afhelt,  terwijl  in 
het  oosten  de  heuvels  na  een  smalle  overgangsstrook  op  het  effene 
terrein  ten  oosten  van  het  Apeldoornsche  kanaal  rusten. 

De  westelijke  helling  vormt  in  het  midden  een  komvormige  depressie, 
welke  naar  den  kant  van  de  Geldersche  Vallei  geopend  is,  en  hierop 
door  de  Groote  beek  en  de  Barneveldsche  beek  afwatert.  Hier 
bedraagt  de  terreinshelling  op  30  K.  M.  van  Kootwijk  naar  Amers- 
foort ±  23  M.,  d.  i.  0,76  M.  per  K.  M.  Van  Hoenderloo  (ten 
zuiden  van  het  dorp)  in  een  westelijke  richting  naar  Scherpenzeel 
daalt  het  terrein  op  30  K.  M.  db  30  M.,  d.  i.  i  M.  per  K.  M. 
Doch  aan  den  oostkant  der  hoogste  heuvelrij  vindt  men  terreins- 
hellingen als  van  2  ^  4  M.  per  K.  M.  en  meer,  deze  hellingen 
sluiten  zich  hier  dus  spoedig  aan  bij  het  vlakke  terrein. 

De  afwatering  van  het  Veluwe-plateau  geschiedt  naar  alle  kanten. 


Digitized  by 


Google 


207 

Het  zuidelijk  gedeelte  heeft  afwatering  op  den  Rijn,  liet  oostelijk 
gedeelte  op  den  IJsel,  het  noord-westelijk  gedeelte  op  de  Zuiderzee 
en  de  westelijke  af  helling  op  de  bij  stroompjes,  welke  de  Eera  voeden. 
In  het  midden  van  de  Veluwe  vormen  de  uitgestrekte  zandgronden 
een  groot  gebied,  waar  de  afwatering  niet  op  zichtbare  wijze  plaats 
heeft.  De  poreuse  zandgrond  laat  het  regenwater  spoedig  door  en 
van  een  bovengrondschen  afvoer  is  hier  bijna  geen  sprake.  Daardoor 
wordt  hier  de  bodem  gevoed  niet  grondwater,  dat  op  de  leemlagen 
in  den  bodem  dikwijls  blijft  rusten.  Ondergrondsche  bekkens  van  het 
water  niet  doorlatende  leemlagen  zijnhier  reservoirs  van  grondwater. 
Waar  deze  van  een  afvoerkanaal  voorzien  worden,  heeft  men  beken 
of  sprengen^  gelijk  ze  hier  genoemd  worden,  die  rijk  zijn  aan  zuiver 
water.  Het  Apeldoornsch  kanaal  wordt  door  dergelijke  sprengen 
gevoed. 

De  beekjes,  door  sprengen  gevoed,  leverden  vroeger  vooral  de 
beweegkracht  der  talrijke  papiermolens  op  de  Veluwe.  Ook  het 
levende  water  in  de  beekjes  aan  den  Veluwenzoom  is  hieraan  te  danken. 

Wij  zullen  de  verschillende  afwateringen  van  het  Veluwe-plateau 
afzonderlijk  beschouwen. 

§   6.       DE    AFWATERING   VAN    DEN   VELUWENZOOM. 

De  hooge  steile  rand  der  Veluwe-hoogten  naar  het  dal  van  den 
Rijn  en  den  IJsel  van  Wageningen  tot  Doesburg  wordt  de  Veluwen- 
zoom  genaamd.  Door  de  afwisseling  van  laag  en  hoog  is  het  een 
schilderachtig  gebied. 

De  Veluwenzoom  behoort  tot  het  afwateringsgebied  van  den 
Rijn  en  den  IJsel.  Belangrijke  riviertjes  kunnen  zich  evenwel  hier 
niet  ontwikkelen.  De  waterscheiding  van  het  Eemgebied  loopt  op 
niet  verren  afstand  ten  noorden  van  den  Rijn,  ongeveer  langs  de 
lijn  Ede— Dieren  naar  het  oosten  tot  aan  de  waterscheiding  der 
Veluwe  heuvels,  en  van  Ede  naar  Wageningen  naar  het  zuiden. 
De  meeste  der  stroompjes,  welke  hier  op  den  Rijn  afwateren,  dienen 
tot  het  drijven  van  molens.  Zij  zijn,  van  het  westen  af  te  beginnen : 

A.    De   Molenbeek   en  Kortenburgsche  beek  vormen  beide 


Digitized  by 


Google 


2o8 

de  natuurlijke  afwatering  der  hooge  gronden  ten  N.  van  Renkum, 
en  looiden  evenwijdig  op  korten  afstand  van  elkander  naar  het  zuiden, 
waar  zij  zich  te  W.  van  Renkum  in  den  Rijn  storten.  Een  drietal 
watermolens  worden  door  hunne  wateren  gedreven. 

B.  De  Heelsummer-  of  Papiermolenbeek.  Zij  ontstaat  in 
de  hooge  gronden  bij  Hoog  Wolfhezen,  wordt  op  onderscheidene 
plaatsen  tot  het  drijven  van  watermolens  opgestuwd  en  stort  zich 
tusschen  Renkum  en  Dorenwerd  in  den  Rijn. 

C.  De  Sonsbeek.  Deze  beek  ontspringt  bij  Zijpendaal  (ge- 
meente Arnhem)  en  stort  zich  over  eenige  stuwen  op  de  buiten- 
plaatsen Zijpendaal  en  Sonsbeek.  Bij  laatstgenoemd  buiten  drijft 
zij  achtereenvolgens  drie  korenmolens,  en  vloeit  door  een  duiker 
onder  den  vereenigden  Staats-  en  vroegeren  Rijnspoorweg.  Daarna 
ontvangt  zij  den  naam  Stadsbeek^  en  ontlast  zich  door  de  riolen 
van  Arnhem  bij  het  Eusebius-plein  in  den  Rijn.  Bij  hoogen  water- 
stand op  den  Rijn  en  bij  grooten  toevoer  van  water  stroomt  zij 
ook  langs  den  kortsten  weg  naar  het  loozingspunt. 

D.  De  Riete  of  Molenbeek.  Aan  den  voet  van  den  Paasch- 
bcr^  loopen  eenige  kleine  beekjes  samen,  die  op  de  buitengoederen 
Angerenstein  en  Klarenheek  (bij  Arnhem)  hoofdzakelijk  door  bronnen 
ontspringen.  Uit  deze  vereenigde  beekjes  ontstaat  de  Riete-  of 
Molenbeek,  Zij  kruist  verder  den  Rijksweg  van  Arnhem  naar  Velp, 
loopt  aan  de  oostzijde  langs  dien  weg  naar  den  kant  van  Arnhem, 
en  vormt  op  de  buitenplaats  Molenbeke  een  kunstmatigen  waterval 
van  3  M.  hoogte.  Vervolgens  stroomt  zij  door  een  duiker  onder  den 
vereenigden  Staats-  en  (vroegeren)  Rijnspoorweg  door,  en  bereikt  over 
het  voormalig  landgoed  Geldersch  Spijker  de  riolen  van  Arnhem,  waar- 
door zij  zich  aan  de  Oosterstraat  in  den  Rijn  stort.  Bij  hooge 
rivierstanden  ontlast  zich  de  beek  beneden  Molenbeke  rechtstreeks 
op  het  door  Rijnwater  geïnundeerde  Velpsche  Broek  en  worden  de 
riolen  afgesloten.  In  Arnhem  dient  een  stoomgemaal  om  bij  hooge 
waterstanden  het  water  uit  de  stad  af  te  voeren  op  den  Rijn,  en 
verder  om  de  Lauwersgracht,  die  vroeger  uit  de  Rietebeek  gevoed 
werd,  van  versch  water  te  voorzien. 

De  Rozendaalsche  en  Beekhuizer  beek.    De  Rozendaalschc 


Digitized  by 


Google 


209 

beek  ontspringt  op  den  Tonberg  en  stort  zich  over  eenige  stuwen 
op  de  buitenplaats  Rozen  daal.  Zij  wordt  gebruikt  om  een  vijftal 
watermolens  te  drijven.  Bij  het  vroegere  kasteel  Bilioen  vereenigt 
zij  zich  met  de  Beekhuizcr  beek^  die  bij  Kerkhuizen  ontspringt 
en  een  paar  molens  drijft.  De  vereenigde  beken  storten  haar  water 
uit  in  den  IJsel,  na  vooraf  nog  het  water,  dat  van  het  Arnhemsche 
en  Velpsche  broek  door  de  Velpsche  sluis  loost,  te  hebben  opge- 
nomen. 

§    7.      HET   OOSTELIJKE   VELUWE  TERREIN. 

Ten  oosten  van  de  hoogste  heuvelrij  over  de  Veluwe  ligt  een  effen 
terrein,  enkel  met  lichte  golvingen,  dat  zich  tusschen  het  kanaal 
Dieren — Apeldoorn — Hattem  en  den  IJsel  uitstrekt.  Eigenlijk  be- 
hoort dit  terrein  niet  tot  de  Veluwe,  maar  orographisch  vormt  het 
éen  geheel  met  de  terreinen  ten  oosten  van  den  IJsel.  Over  dit 
gebied,  ongeveer  tot  de  lijn  Doetinchem — Lochem  in  het  oosten,  heeft 
in  de  laatste  tijden  van  het  diluvium  de  destijds  breede,  erodeerende 
en  zandafzettende  (geen  klei)  Rijntak  gestroomd.  Daardoor  is  dit 
effene  terrein  gevormd.  Van  die  breede  rivier  is  enkel  de  smalle  vallei 
van  het  tegenwoordige  IJselbed  overgebleven.  (Zie  verder  pag.  243.) 

Met  een  steile  helling  gaat  de  heuvelrij  der  Veluwe  in  dit  vlakke 
terrein  over.  Opmerkelijk  is  het,  dat  op  de  helling  der  Veluwe- 
heuvels  een  rij  van  dorpen  gevonden  wordt,  als  lagen  zij  langs  den 
oever  eener  rivier.  Toch  is  de  rivier  reeds  vóór  den  historischen 
tijd  tot  haar  engere  bedding  ingekrompen. 

Het  terrein,  dat  wij  thans  bespreken,  heeft  in  hét  zuiden  eene 
hoogte  van  it  10  M.  +  A.  P.  Hier  helt  het  land  zacht  af  naar  den 
IJsel,  en  de  stroompjes  hebben  in  het  zuidelijk  gedeelte,  tot  de  lijn 
Apeldoorn— Gorsel,  een  oostelijke  richting.  Ten  noorden  van  deze 
lijn  helt  het  terrein  tevens  naar  het  noorden.  Van  8  ^  9  M.  4-  A.  P. 
ten  oosten  van  Apeldoorn  daalt  de  oppervlakte  des  lands  tot  ±  2 
è.  3  M.  ten  zuiden  van  Hattem. 

Voor  de  kennis  van  den  hydrographischen  toestand  van  dit  terrein 
is   het   belangrijk   te   weten,  dat  de  meeste  beekjes  gevoed  worden 

II.  14 


Digitized  by 


Google 


2IO 

door  sprengen  of  bronnen  op  de  oostelijke  helling  der  Veliiwe- 
heuvels.  Die  bronnen  onstaan  door  het  atmospherisch  water,  het- 
welk voor  een  groot  gedeelte  spoedig  in  den  poreuzen  zandgrond 
wegzinkt  (vergel.  deel  I  pag.  256)  en  op  voor  het  water  ondoordringbare 
leemlagen  blijft  staan.  Door  ondergrondsche  afvloeiing  komt  het 
als  bronnen  aan  de  oppervlakte.  De  eigenlijke  ondergrondsche 
waterscheiding  in  de  Veluwe-heuvels  is  niet  nauwkeurig  aan  te  geven. 
De  afwatering  van  het  boven  omschreven  terrein  geschiedt  in 
het  zuiden  door: 

A.  De  Soerensche  beek.  Dit  watertje  ontstaat  uit  eenige 
sprengen  onder  Laag  Soeren^  welke  het  water  door  een  grondduiker 
onder  het  Apeldoornsch  kanaal  door  voeren.  Bij  Brummen  stort 
de  Soerensche  beek  zich  in  den  IJsel,  terwijl  ook  een  gedeelte  van 
haar  water  wordt  afgevoerd  naar  de  Leuvenheimsche  beek.  Op 
verschillende  plaatsen  wordt  deze  beek  opgestuwd  tot  het  drijven 
van  watermolens. 

B.  De  Leuvenheimsche  beek  voert  het  water  van  een  groot 
gedeelte  der  gemeente  Brummen,  benevens  een  deel  van  het  water 
der  Soerensche  beek  af.  Door  een  sluis,  de  Koppelbrug  geheeten, 
stort  zij  zich  in  een  buitendijkschen  polder. 

C.  De  Riendersche  en  Oekensche  beken.  Deze  beide 
beken  voeren  een  gedeelte  van  het  water  der  gemeente  Brummen 
af  en  storten  het  langs  sluizen  door  den  straatweg  Arnhem — Zutfen  in 
den  Oekenveldschen  polder.  Deze  sluizen  dienen,  om  bij  over- 
strooming het  water  te  keeren. 

D.  De  Voorstondensche  beek.  De  Voorstondensche  beek 
(naar  het  huis  te  Voorstonden),  heet  in  het  begin  Eerheeksche  heek 
(naar  het  huis  te  Eerbeek),  Zij  ontstaat  uit  sprengen  bij  Kolden- 
have  (gem.  Brummen)  en  wordt  op  onderscheidene  (6)  plaatsen  tot 
het  drijven  van  watermolens  opgestuwd.  De  verst  naar  beneden 
gelegen  watermolen,  de  Haar,^  heeft  een  stuwpeil  van  10,85  M.  -I- 
A.  P.  Door  een  grondduiker  loopt  de  beek  onder  het  Apeldoom- 
sche  kanaal  door  en  valt  in  den  polder  de  (^z'^rwörjr^,  welke  door 
den  Hoendernestersluis  op  den  IJsel  loost. 

E.  De  Boven  Voorsterbeek.  Uit  de  samenvloeiing  van  de  Beek- 


Digitized  by 


Google 


2ii 

bergsche  beek^  die  bij  Beekbergen^  en  van  de  Loenensche  beek^  die 
bij  Loenen  ontspringt,  ontstaat  de  Boven  Voorsterbeek.  Door  een 
grondduiker  loopt  deze  beek  onder  het  Apeldoornsche  kanaal  door. 
Bij  het  kasteel  Nieuwenbeek  stort  zij  haar  water  in  den  IJsel  uit. 
Op  verschillende  plaatsen  wordt  het  water  dezer  beken  opgestuwd 
tot  het  drijven  van  molens.  Te  Voorst  worden  o.  a.  twee  achter 
elkander  gelegen  onderslagradmolens  door  dit  water  bewogen.  Het 
stuwpeil  bedraagt  hier  6,20  M.  4-  A.  P. 

—  De  Oude  beek  valt  in  het  Apeldoornsche  kanaal  en  voert  het 
water  van  230  H.  A.  hooge  gronden  af.  —  De  Veldhuizer- 
spreng  is,  evenals  de  Vrljenberger  sprengt  gegraven  tot  voeding 
van  het  Apeldoornsche  kanaal.  De  gezamenlijke  lengte  dezer  spren- 
gen bedraagt  6,238  K.  M.  Het  water  loopt  over  vijf  gedeeltelijk 
gekoppelde  vervallen  in  de  beek,  terwijl  tevens  nog  op  enkele  plaatsen 
het  water  kan  worden  opgestuwd. 

—  Het  noordelijk  gedeelte  der  oostelijke  Veluwe  wordt  in  het  westen 
begrensd  door  de  heuvelhellingen,  hoewel  de  waterscheiding  verder 
in  het  land  ligt.  In  het  oosten  wordt  het  bepaald  door  den  linker 
IJseldijk,  met  eene  hoogte  van  7  M.  in  het  zuiden  bij  Voorst  en 
2  M.  +  A.  P.  in  het  noorden.  Door  de  helling  des  terreins  naar  het 
noorden  wordt  de  richting  aangewezen,  in  welke  het  water  afstroomt. 
Langs  nagenoeg  evenwijdige  geulen  stroomt  het  water  naar  het  noorden, 
waar  zij,  als  gevolg  van  het  smaller  worden  des  terreins,  in  elkander 
vloeien  tot  ééne  uitmonding.  De  Grift  is  de  westelijkste  dier 
beekjes,  en  stroomt  in  de  lengte  langs  den  voet  van  de  heuvelreeks 
naar  het  noorden.  De  heuvels  zenden  haar  van  den  westkant 
een  tal  van  kleine,  doorloopende  afwateringssprenkjes  toe,  welke 
alle  onder  rechte  hoeken  zich  in  de  Grift  storten.  Zij  toch  stroomen 
snel  van  de  heuvels  naar  het  oosten,  terwijl  de  Grift  aan  den  voet 
dier  heuvels  de  algemeene  helling  naar  het  noorden  volgt. 

De  Grift  ontleent  zijn  oorsprong  aan  de  samenvloeiing  van  ver- 
schillende sprengen  en  beekjes  tusschen  Apeldoorn  en  Beekbergen. 
Zij  stroomt  langs  den  voet  van  de  Veluwe  heuvelrij,  zooals  wij 
reeds  opmerkten,  en  ontvangt  hiervan  onderscheidene  beekjes. 
Doordien    deze  watertjes,  dwars  van  de  heuvelrij  afvloeien,  hebben 


Digitized  by 


Google 


212 

zij  een  aanzienlijk  verval.  Hiervan  is  partij  getrokken  door  de 
bewoners.  Tal  van  papiermolens  zijn  er  gebouwd,  die  hunne  be- 
weegkracht  aan  het  vallende  water  ontkenen.  Ook  de  Grift  wordt 
op  verschillende  plaatsen  tot  het  drijven  van  watermolens  opgestuwd. 

De  Grift  staat  door  sluizen  met  het  derde  en  vierde  pand  van 
het  Apeldoornsche  kanaal  in  verbinding,  dat  door  haar  gevoed 
wordt.  Doch  het  overtollige  water  kan  van  het  4de  pand  door  een 
sluis  lager  op  de  Grift  terug  worden  gebracht.  Nabij  Heerde  ver- 
eenigt  zich  het  Apeldoornsche  kanaal  met  de  Grift  en  volgt  deze 
tot  bij  Hattem  in  den  IJsel.  Bij  de  Hezenherqer  schutsluis  echter 
wordt  het  overtollige  water  van  het  bovenpand  nog  door  de  bed- 
ding der  Oude  Grift  geleid,  en  dient  er  tot  het  drijven  van  een 
watermolen.  Beneden  de  sluis  vereenigt  zich  dit  water  weder  met 
het  benedenpand. 

Ten  oosten  van  de  Grift  stroomen  de  Nieuwe  Wetering^  de 
Grooie  Wetering  en  de  Terwoldsche  Wetering  daarmede  evenwij- 
dig naar  het  noorden.  Naar  het  oosten  toe  ligt  het  stroomgebied 
van  elke  volgende  beek  lager  dan  dat  van  de  voorgaande.  Nemen 
wij  tot  voorbeeld  eene  doorsnede  van  Vaassen  naar  Terwolde  (ten 
noorden  van  Deventer  aan  den  IJsel)  dan  vinden  wij,  dat  ten 
westen  van  de  Grift  en  het  Apeldoornsch  kanaal  de  bodem  on- 
geveer 12  k  14  M.  hoog  is.  Dit  gebied  behoort  hier  tot  de 
Grift.  Ten  oosten  van  het  kanaal,  waar  tot  de  Nieuwe  Wetering 
het  land  op  dit  riviertje  afstroomt,  is  de  bodemhoogte  ongeveer 
8  M.  +  A.  P.  en  daalt  naar  de  Nieuwe  Wetering  tot  4,30  a 
4,50  M.  +  A.  P.  Ten  oosten  van  de  Nieuwe  Wetering  begint  het 
land,  dat  afwatert  naar  de  Groote  Wetering.  Dit  land  heeft  eene 
hoogte  van  ongeveer  3,80  è.  3,90  M.  -f  A.  P.,  terwijl  ten  westen 
van  Terwolde  de  bodem  ongeveer  3,70  tot  3,10  M.  -i-  A.  P.  hoog 
is.  Nabij  den  IJsel  neemt  die  hoogte,  zooals  gewoonlijk  bij  rivieren 
het  geval  is,  weder  iets  toe.  Doch  uit  een  en  ander  blijkt  duidelijk, 
hoe  het  land,  ook  in  het  meer  effene  terrein,  in  trappen  afdaalt 
naar  den  IJsel. 

De  Nieuwe  Wetering  is  een  boezem,  die  door  de  Evergeune- 
sluis  op  de  Groote   Wetering  buiten  de  sluizen  loost,  en  langs  dezen 


Digitized  by 


Google 


213 

weg  zich  verder  in  het  Apeldoornsche  kanaal  en  den  IJsel  uitstort. 
Ongeveer  3455  H.A.  hooge  gronden  wateren  hierop  af.  De  water- 
standen waren  gemiddeld  bij  Kapel  in  den  bovenloop  4  M.  -f-  A.  P. 
en  binnen  de  Evergeunesluis  1,89  M.  +  A.  P.  De  hoogste  stan- 
den waren  hier  4,74  en  3,69  M.  +  A.  P. 

De  Groote  Wetering.  De  Groote  betering  loost  door  de 
Groote  sluis  op  den  IJsel.  Ongeveer  16070  H.A.  polderland  en 
hooge  gronden  wateren  hierop  af  en  ook  de  boezems^  de  Kromme 
beek  en  de  Blinde  beek  storten  op  haar  hun  wateren  uit.  De 
Kromme  heek  stort  het  afstroomingswater  van  680  H.A.  polderland 
en  hooge  gronden  bij  Adelaarshof  op  de  Groote  Wetering.  De 
Blinde  beek  loost  op  de  Terwoldsche  beek  en  gezamenlijk  storten 
zij  het  water  in  de  Groote  Wetering  uit.  De  gemiddelde  water- 
stand bij  Adelaarshof  bedraagt  2,78  M.  +  A.  P.  en  binnen  de 
Groote  sluis  1,37  +  A.  P. 

Het  land,  waarvan  deze  beekjes  de  afleiding  vormen,  is  voor 
een  gedeelte  bedijkt  en  maakt  het  polderdistrict  Veluwe  uit. 

§    8.      HET   APELDOORNSCHE  EN   DIERENSCHE   KANAAL. 

Van  Dieren  strekt  zich  een  kanaal  uit  naar  4^<f///(7^r«,  dat  zich  verder 
voortzet  naar  Hattem  en  den  IJsel.  Dit  is  het  Dierensche  en  Apeldoorn- 
sche kanaal^  dat  geheel  den  oostelijken  voet  der  Veluwe-heuvelrij 
volgt.  Te  Dieren  staat  het  met  den  IJsel  in  verbinding  en  te 
Hattem  mondt  het  weder  in  den  IJsel  uit.  Het  Apeldoornsche 
kanaal  heeft  met  de  voorhaven  van  Dieren  eene  lengte  van  54,630 
K.  M.  Het  is  in  één  voorhaven  en  zes  panden  verdeeld,  welke 
door  schutsluizen  van  elkander  gescheiden  zijn. 

Bij  Dieren  is  de  voorhaven  van  44  M.  lengte,  waarin  de  water- 
stand met  den  IJsel  op  en  neder  gaat.  De  middelbare  rivierstand 
op  den  IJsel  bedraagt  hier  6,31  M.  -f  A.  P.  Het  eerste  pand  van 
het  Apeldoornsche  kanaal  strekt  zich  uit  tusschen  de  schutsluis 
van  Dieren  en  die  van  Apeldoorn.  Dit  pand  heeft  eene  lengte 
van  23,214  K.  M.  *)  en  kanaalpeil  van  13,42  M.  +  A.  P.  Hieruit 


i)  Zie  het :  Overyicht  der  Scheepvaartkanalen  in  Nederland,  1888. 


Digitized  by 


Google 


214 

blijkt,  dat  dit  pand  geen  voeding  kan  ontvangen  uit  den  IJsel  bij 
Dieren.  De  voeding  van  dit  pand  geschiedt  door  de  Oude  heek^ 
de  Veldhuizer-  en  Vrijenberger  sprengen^  de  Oosierhuizer  sprengen^ 
de  Zwaansprengen  en  de  Kraijers-  of  Keizerssprengen^  die  een 
tak  van  de  Apeldoornsche  dorpsbeek  opnemen. 

In  de  Verslagen  der  Openbare  werken  wordt  jaarlijks  opgegeven, 
hoeveel  water  deze  verschillende  beekjes  en  sprengen  aan  het 
Apeldoornsche  kanaal  toevoeren. 

In  1883  vinden  wij  daarvoor  gemiddeld  in  M»  per  etmaal. 

Watervoeding  van  het  Apeldoornsche  kanaal  door 

verschillende    sprengen   en   beken   in   M*  per 

etmaal  in  1883. 


i 

1^ 

erhuizer 
reiig. 

nspreng. 

1 

■j 

E 

's,.. 

> 

l^ 

1  '^ 

3 

1 

e2^ 

Zes  zomermaanden 

(Mei— Nov.) 

506 

6168 

5486 

939 

7871 

5248,26218 

Zes  wintermaanden. 

2698 

3901 

4023 

1458 

8247 

3476 

23830 

Gemiddeld  over  het  jaar. 

1602 

5034 

4754 

1212 

8059 

4362 

25024 

Het  tweede  pand^  van  de  Apeldoornsche  tot  de  Koudhoornsche 
sluis,  lang  2,524  K.  M.  met  een  kanaalpeil  van  11  M.  4-  A.  P., 
wordt  gevoed  uit  het  eerste  pand  door  de  sluis  bij  Apeldoorn. 

Het  derde  pand^  van  de  Koudhoornsche  tot  de  Vaassensche  sluis, 
6,322  K.  M.  lang  met  een  kanaalpeil  van  8,45  M.  4-  A.  P.,  en 
het  vierde  pand  van  de  Vaassensche  tot  de  Bonenberger  sluis,  lang 
10,141  K.  M.  met  een  kanaalpeil  van  5,75  M.  +  A.  P.,  worden 
gevoed  uit  de  Grift,  die  ten  westen  langs  het  kanaal  loopt. 

In  het  vijfde  pand^  van  de  Bonenberger  tot  de  Hezenberger  sluis 
lang  9,134  K.  M.  met  een  kanaalpeil  van  4,30  tot  4, 12  M.  -f  A.  P., 
mondt  de  Grift  uit  beneden  de  Bonenberger  sluis,  en  dus  is  dit 
gedeeltelijk  een  stroomend  water.  Daardoor  is  het  kanaalpeil  aan 
het   boven-   en   benedeneind  niet  gelijk,    doch  vindt  men  er  eenig 


Digitized  by 


Google 


215 

verval,  zooals  de  cijfers  aanwijzen.  Ook  de  Vosberger  beek  watert 
op  dit  pand  af. 

Het  zesde  pand  bij  Hattem  ligt  gemeen  met  den  IJsel.  Het  heeft 
eene  lengte  van  3,246  K.  M.  terwijl  de  gemiddelde  rivierstand 
1,04  M.  +  A.  P.  bedraagt.  (Gemiddeld  aan  de  Hattemsche  brug 
gedurende  de  zomermanden  1875 — ^4)  ^P  ^^^  pand  watert  ook 
de  Groote  Veluwsche  Wetering  af. 

Om  het  overtollig  kanaalwater  af  te  leiden  is  er  onder  Oosterhuizen 
een  duiker  gelegd,  teneinde  uit  het  eerste  pand  het  water  op  de 
Beekbergensche  beek  en  Blinde  beek  af  te  voeren,  terwijl  het  ver- 
volgens in  de  Grift  komt.  Ook  in  andere  panden  heeft  men  voor 
waterafvoer  werken  aangelegd. 

De  breedte  van  het  kanaal  loopt  van  10,50  tot  12,90  M.  en  de 
diepte  van  2  tot  1,61  M.  onder  kanaalpeil. 

Historische  opmerkingen  over  het  Apeldoomsche  kanaal.    Het 

Apeldoornsche  kanaal  wordt  ook  wel  het  Griftkanaal  genoemd  naar  het  riviertje 
de  Grift,  dat  het  van  Apeldoorn  naar  het  noorden  nagenoeg  geheel  volgt.  Reeds 
sedert  overoude  tijden  was  de  aandacht  van  velen  op  dat  riviertje  de  Grift  ge- 
vestigd geworden.  De  milde  en  zuivere  bronnen  maakten  het  zeer  geschikt, 
om  er  fabrieken  en  bovenal  papiermolens  langs  te  plaatsen.  Hierdoor  werden 
er  reeds  vroeg  vele  aanzienlijke  fabrieken  gebouwd.  Vooral  in  den  tijd,  toen 
de  sloom  nog  niet  als  be weegkracht  gebezigd  werd,  had  die  van  het  stroomende 
water  veel  waarde. 

Doch  ook  uit  een  ander  oogpunt  werd  hierop  de  aandacht  gevestigd.  Men 
hield  de  Grift  voor  een  watertje,  dat  aangewezen  was  om  bij  den  aanleg  van 
een  kanaal  door  de  Veluwe  te  gebruiken. 

In  een  streek,  waar  zoovele  fabrieken  bloeiden,  moest  eene  goede  kanaalvaart 
van  groot  belang  geacht  worden.  Vooral  was  dit  het  geval  in  den  tijd,  toen 
de  overige  middelen  van  verkeer  nog  veel  te  wenschen  overlieten. 

Zoo  vindt  men  aangeteekend,  dat  reeds  in  het  midden  der  1 7de  eeuw  ernstig 
over  de  kanalisatie  van  dit  watertje  gedacht  werd.  Bij  Landschaps  besluit  van 
den  I5den  Aug.  1640  werd  het  Hof  van  Gelderland  hiertoe  gemachtigd  i). 
Evenwel  kwam  het  niet  tot  eene  uitvoering.  Tal  van  bezwaren  waren  toch 
aan  de  uitvoering  van  dit  plan  verbonden.  De  talrijke  papiermolens,  welke 
door  het   water  van  de  Grift  gedreven  werden,  hoeveel  belang  zij  ook  bij  een 


i)  Sloet.  Bijdragen  tot  de  kennis  van  Gelderland  1852 — 55  pag.  177. 


Digitized  by 


Google 


2l6 

kanaal  hadden,  wilden  geen  droppel  water  missen.  De  stuwen  bij  lederen 
muien  waren  zoovele  hinderpalen  voor  de  scheepvaart.  Er  bestond  bezorgdheid, 
of  er,  naast  het  benoodigde  voor  de  fabrieken,  nog  genoegzaam  water  voor  een 
ten  allen  tijde  bevaarbaar  kanaal  overbleef. 

Toen  Koning  Lodewijk  Napoleon,  die  soms  het  Loo  bewoonde,  op  het  be- 
lang van  dergelijk  kanaal  opmerkzaam  gemaakt  werd,  gelastte  hij  eene  opne- 
ming en  het  indienen  van  een  rapport.  De  Heer  Daendels,  destijds  baljuw 
van  de  Velu  we,  vervulde  deze  opdracht.  Evenwel  bleef  de  zaak  onuitgevoerd, 
misschien  doordien  de  staatkundige  toestand  weldra  veranderde.  Koning  Wil- 
lem I,  onder  wiens  regeering  zoo  vele  belangrijke  kanaalwerken  tot  stand 
kwamen,  was  het  weggelegd  ook  dezen  arbeid  te  voltooien.  Op  nieuw  werd 
een  nauwkeurig  onderzoek  ingesteld,  en  in  een  rapport  werden  als  nieuwe 
plannen  nu  voorgesteld  : 

1.  Om  een  nieuw  kanaal  van  Apeldoorn  ten  oosten  langs  de  Grift  te  laten 
graven  tot  beneden  de  laatste  fabriek  onder  Heerde,  en  verder  de  Grift  te  volgen. 

2.  Om  dit  kanaal  te  voeden  met  nieuwe  bronnen  nabij  Beekbergen,  welke 
in  een  beekje  onder  de  Grift  door  geleid  konden  worden,  en  verder  met  over- 
tollig water  van  de  Grift  zelve. 

Deze  plannen  werden  nader  onderzocht  en  uitgewerkt,  en  in  1824  werd  bij 
Koninklijk  besluit  van  i  October  bepaald,  dat  de  Grift  van  Apeldoorn  tot  bij 
Hattem  in  den  IJsel  bevaarbaar  zou  worden  gemaakt.  In  het  voorjaar  van 
1829  was  dit  allerbelangrijkst  werk  voltooid,  en  op  den  lyden  April  van  dat 
jaar  begroetten  de  hooggelegen  dorpen  op  de  Velu  we  met  vreugde  voor  het 
eerst  de  Nederlandsche  vlag  op  den  mast  van  een  schip  te  midden  van  hunne 
heuvelen  i). 

Evenwel  liep  het  Griftkanaal  te  Apeldoorn  dood  midden  op  de  V'eluwe. 
Dat  was  maar  half  werk,  en  daarom  werd  er  van  vele  zijden  op  aangedrongen, 
dit  kanaal  ook  aan  het  andere  eind  met  den  IJsel  te  verbinden,  bijv.  tusschen 
Brummen  en  Dieren.  Hierdoor  zou  het  kanaal,  vroeger  van  plaatselijk  nut, 
meer  van  algemeen  belang  worden.  Het  zou  een  spoediger  en  zekerder  water- 
verbinding geven  van  Zwolle  met  den  Rijn  enz. 

Met  dit  doel  deed  de  heer  Sloct,  Districts-commiss.aris  van  de  Vel  uwe,  in 
1846  reeds  een  voorstel  dienaangaande  2).  Voor  de  voeding  zou  men  het  water 
uit  de  kanaalbeek    van   hel   Grift-kanaal,  die  te  overvloedig  water  gaf  voor  dat 

i)  Zie  Memorie  van  den  Districtscommissaris  van  de  Veluwe  J.  A.  J,  Sloet, 
wegens  eene  voorgestelde  verlenging  van  het  Grift-kanaal  van  Apeldoorn  tot 
in  den  IJsel  tusschen  Dieren  en  Brummen.  (In  Sloet's  Tijdschrift  voor  Staat- 
huishoudkunde V,  1850  pag.  429). 

2)  Sloet,  1.  c.  pag.  432. 


Digitized  by 


Google 


217 

kanaal,  gebruiken,  terwijl  men  tevens  gebruik  zou  kunnen  maken  van  de  sprengen 
bij  Oosterhuizen  in  het  Soerensche  en  Dierensche  veld  aanwezig.  Ook  het  belang 
van  dit  gedeelte  werd  erkend,  en  in  1869  werd  het  Dierensche  kanaal,  zooals 
men  dit  gedeelte  wel  noemt,  voltooid. 

§   9.      DE  NOORD-WESTELIJKE    AFHELLING   VAN   DE   VELÜWE. 

De  noord-westelijke  af  helling  van  de  Veluwe  is  naar  de  Zuiderzee 
gericht  en  vindt  hier  ook  hare  afwatering.  Bij  de  meestal  hooge 
gronden,  die  geen  dijken  behoeven  legen  overstrooming,  heeft  die 
afwatering  direct  op  zee  plaats. 

Ook  vindt  men  op  deze  af  helling  nog  eenige  kleine,  weinig  be- 
teekenende  watertjes,  die  in  de  zee  uitmonden.  Ten  oosten  van 
de  Eem  vindt  men  als  zoodanig  in  de  eerste  plaats  de  T^aak  een 
afwateringskanaal,  dat  het  water  van  630  H.  A.  lage  gronden  onder 
Nijkerk  en  Hoevelaken  door  den  Laakschen  duiker  in  den  Zuiderzee- 
dijk loost. 

Een  weinig  verder  oostelijk  ligt  de  Nijkerksche  haven,  een 
boezem,  die  het  water  van  1270  H.  A.  hooge  gronden  ontvangt. 
Dit  water  heeft  zich  eerst  in  de  Breede  heek  verzameld,  welke  te 
Nijkerk,  na  nog  door  twee  stuwsluisjes  te  zijn  opgehouden,  in  de 
Haven  loost.  De  boezem  van  den  Nijkerkschen  haven  loost  verder 
door  een  schutsluis  op  de  Zuiderzee. 

Ten  oosten  van  Nijkerk  loopt  van  het  midden  der  Veluwe  nog 
een  heuvelrij  in  de  richting  van  Harderwijk  naar  het  N.-W.  Tusschen 
deze  heuvelrij  en  de  westelijke  helling  der  reeds  vroeger  genoemde 
Veluwe  heuvels  ligt  eene  vallei,  die  ongeveei  van  het  Uddelermeer 
zich  uitstrekt  naar  het  N.-W.,  een  weinig  ten  oosten  van  Harderwijk. 
Deze  vallei  was  door  de  natuur  aangewezen  om  het  afvloeiings- 
water van  het  Uddeler  meer  en  het  verdere  gebied  naar  zee  te 
voeren.    Hierdoor  is  de  Hierdensche  beek  ontstaan. 

De  Hierdensche  beek  wordt  gevoed  door  het  overtollige  water 
van  het  Uddeler  tneer^  waarbij  zich  dat  van  eenige  hooge  gronden 
voegt.  Te  Sta  verden  wordt  deze  beek  tot  het  drijven  van  een 
bovenslagrad  water  molen  opgestuwd.  Het  stuwpeil  ligt  19,70  M. 
-f   A.  P.     Nog    op    verschillende   andere  plaatsen  wordt  deze  beek 


Digitized  by 


Google 


2l8 

opgestuwd.  Dit  heeft  plaats  te  Leuvenum  tot  12,24  M.  -f  A.  P., 
bij  den  Hulshorst  tot  5,68  M.  +  A.  P.  en  bij  denEssenburg  tot 
3,23  M.  -f  A.  P.     Van  hier  loopt  zij  vrij  in  de  Zuiderzee  uit. 

De  PüTTEMERBEEK  wordt  gevoed  door  verschillende  kleine  beekjes 
en  weteringen,  die  het  water  van  de  lage  gronden  der  Veluwe  ten 
Z.  en  O.  van  Elburg,  van  de  broeklanden  van  Oldebroek  en  van 
een  paar  polders  ten  N.  van  Elburg  afvoeren.  Zij  ontlast  zich 
onder   den   naam  van  El  door  een  sluis  in  de  haven  van  Elburg, 

Ten  noorden  van  de  Veluwe  in  Overijsel  loost  het  land  op  den 
Boezem  van  de  Geldersche  gracht,  die  door  verschillende  wete- 
ringen gevoed  wordt,  en  die  door  de  Drontensche-  of  Geldersche- 
sluis  (ten  Z.  W.  van  Kampen)  in  de  Zuiderzee  afwatert.  De  Gelder- 
sche gracht  is  waarschijnlijk  in  1377  gegraven,  i) 


i)     Bijdragen  tot  de  Gesch.  van  Overijssel  VII,  1883  pag.  259. 


Digitized  by 


Google 


XV.    DE  RIVIER  DE  IJSEL  EN  HET  OOSTELIJK 
IJSELGEBIED. 


LITTERATUUR. 

1.  De  rivierkaart  van  den  Gelderschen  IJsel,  schaal  i :  10,000.     1888. 

2.  Verder:     De  Topographische  kaart  en  de  Waterstaatskaart. 

3.  J.   A.    V.  DooRNiNCK.    Welke  zou   de   hoofdoorzaak   van   het   verval  der 
bevaarbaarheid  van  den  IJsel  zijn.    (Overijselsche  Almanak.  1839). 

4.  J.    A.    V.    DoORNiNCK.     Iets   over  het  verbeteren  der  handelscommunicatie 
van  Overijsel  met  Duitschland.    (Overijs.  Almanak.  1841). 

5.  E.  A.  JORDENS.     De  IJsel  als  handelsweg.    (Overijselsche  Almanak.  1852). 

6.  R.  W.  Tadema.    Over  den  ouden  loop  van  den  IJsel  tusschen  Westervoort 
en  Deventer.  (Overijs.  Almanak.  1852). 

7.  F.  W.  VAN  Ma  RLE.     Welsum  en  Marie.    (Overijs.  Almanak.  1841). 

8.  R.  P.  J.  Tütein  Nolthenius.   Onderzoek   naar   de  bruikbaarheid  der  oude 
stroommetingen.     (Tijdschr.  Inst.  v.  Ing.  1885—86). 

9.  Tienjarig  overzicht  der  waterstanden.     (1871 — 1880). 

10.  Tegenwoordige  staat  van  Overijsel  (1790)  en  van  Gelderland  (1741). 

11.  C.  Lely.     Rivieren  en  rivierwerken.     (Waterbouwkunde)  1885. 

12.  C.    R.    F.    Kraijenhoff.    Proeve   van   een  ontwerp   tot  sluiting  van  den 
Neder- ^hijn  en  de  Lek  en  tot  het  storten  van  derzelver  water  op  den  IJsel.  1822. 

13.  M.  V.  DoORNiNCK.     Aanmerkingen    op  het  ontwerp  van  afleiding  van  den 
Rijn  langs  den  IJsel.     1828. 

14.  J.   G.   W.    FijNjE.     Beschouwingen    over   eenige    rivieren,  waaronder    ook 
Nederlandsche.     1888. 

15.  Register   VIII  bevattende  de  beschrijving  der  peilschalen,  hakkelbouten  en 
verdere  verken  werken  langs  den  IJsel.     1852. 

16.  J.    H.   Frrrand.     De    Lijmersche   Overlaat.    (Verh.    Inst.  van  Ingenieurs. 
1853—54). 


Digitized  by 


Google 


17.  P.  J.  W.  Teding  van  Berkhout.  Aanmerkingen  op  de  wijze  van  ten 
uitvoerlegging  van  het  decreet  van  Lodewijk  Napoleon  van  i8  Juli  1809 
met  betrekking  tot  de  Snippelings  Overlaat.     1849. 

18.  Nota  van  den  ingenieur  Ferrand  over  den  Snippelings  dijk.  (Versl.  der 
Opcnb.  Werken.     1854). 

19.  De  Overlaten  in  Nederland.    (Versl.  d.  Openb.  Werken.     1865). 

20.  J,  II.  Ferrand.  Over  de  verdeeling  der  wateren  van  den  Boven-Rijn 
tusschen  de  Waal,  den  Neder-Rijn  en  den  IJsel.     1847. 

21.  Toelichting  van  de  vergelijking  der  uitkomsten  van  de  peilingen  in  1844 — 
1847  in  den  Gelderschen  IJsel  verricht,  met  die  van  1874.  (Versl.  v.  d. 
Openb.  Werken.     1874). 

22.  Lengteprofiel  en  breedten  der  rivier  de  Geldersche  IJsel,  1844  en  1874. 
(Versl.  V.  d.  Openb.  Werken.     1874). 

23.  L.  A.  J.  W.  Sloet.     Bijdragen  lot  de  kennis  van  Gelderland.     1855. 

24.  W.  Staring.  Verslag  over  den  toestand  der  rivieren  en  der  afwatering  in 
het  Zutfensche.     1847. 

25.  F.  E.  L.  Veeren.  De  invloed  van  het  grondwater  op  den  waterstand  der 
Boven-Slingebeken.    (Tijdschr.  Kon.  Ned.  Aardr.  Gen.     1888). 

26.  F.  E.  L.  Veeren.  Het  waterschap  van  de  Berkel  en  Wehmerbeek.  (Win- 
terwijksche  Courant  17—20  Jan.   1888). 

§    I.      DE  NATUURKUNDIGE   TOESTAND   VAN   DEN   IJSEL. 

(Verhouding  tot  het  land^  waterstand^  horizontale  uitbreiding^ 
bedijking ^    verhang^    stroomsnelheid^    waterafvoer^  diepte). 

De  rivier  de  IJsel  is  als  een  tak  van  den  Rijn  te  beschouwen, 
die  ongeveer  Vo  van  het  water  uit  het  Pannerdensche  kanaal  van 
Westervoort  naar  Kampen  voert,  en  het  voorbij  deze  stad  in  zee 
uitstort  (Zie  I.  pag.  345).  Aan  den  mond  heeft  de  IJsel  eene 
delta  gebouwd  van  typischen  vorm 

Het  land,  dat  de  IJsel  doorstroomt,  heeft  in  het  zuiden  eene 
hoogte  van  10  è,  25  meter  +  A.  P.  en  daalt  vervolgens  trapswijze 
tot  hoogten  van  5  ^  10  M.  en  i  ^  5  M.  af.  Nabij  de  monding 
beneden  Hattem  heeft  het  land  eene  hoogte  =  A.  P.  Wanneer 
men  van  den  IJsel  naar  het  oosten  gaat,  vindt  men,  dat  de  bodem 
slechts  langzaam  rijst.  Ten  westen  van  de  rivier  zet  zich  aanvan- 
kelijk hetzelfde  terrein  voort  en  wordt  eindelijk  begrensd  door  de 
Veluwe-heuvels. 


Digitized  by 


Google 


221 

Behalve  als  tak  van  den  Rijn  is  de  IJsel vallei  ook  te  beschou- 
wen als  een  door  de  natuur  aangewezen  geul  voor  het  afvloeiïngs- 
water,  dat  hoofdzakelijk  van  het  oostelijke  gebied  komt.  Als  een 
naar  het  westen  zacht  afbellend  vlak  daalt  de  Geldersche  Achter- 
hoek naar  den  IJsel  af,  en  de  rivieren,  welke  de  IJsel  hier  op- 
neemt, staan  in  den  benedenloop  dan  ook  bijna  rechthoekig  op 
de  hoofdrichting  van  den  IJsel.  De  Oude  Ifsel,  de  Vordensche 
beek,  de  Berkel  en  de  Schipbeek  zijn  in  haar  benedenloop  vol- 
komen de  uitdrukking  van  dien  vorm  des  terreins.  Ten  noorden 
van  de  Schipbeek  is  de  algemeene  af  helling  des  terreins  meer  naar 
het  noordwesten  gericht,  en  daardoor  loopen  hier  de  afwaterings- 
beken ten  O.  der  rivier  meer  evenwijdig  met  den  IJsel,  zoodat  zij 
niet  in  den  IJsel  uitmonden,  doch,  na  bij  Zwolle  zich  vereenigd  te 
hebben,  een  zelfstandige  uitmonding  vormen  in  het  Zwarte  Water, 
Wij    zullen   ons   thans   evenwel  alleen  met  den  IJsel  bezighouden. 

De  rivier  de  IJsel  heeft  in  tweeërlei  opzicht  hydrographische  be- 
teekenis  voor  het  gebied,  dat  zij  doorstroomt.  In  de  eerste  plaats 
is  zij  als  een  tak  van  den  Rijn  te  beschouwen,  die  een  gedeelte 
van  het  Rijnwater  afvoert,  en  in  de  tweede  plaats  neemt  zij  het 
afvoerwater  op  van  de  genoemde  stroompjes  uit  het  oosten  en  van 
de  Veluwe.  Door  deze  laatste  komen  hare  waterverhoudingen  dan 
ook  niet  altijd  met  den  Beneden  Rijn  overeen,  die  bijna  uitsluitend 
met  water  van  den  Boven  Rijn  gevoed  wordt. 

De  gemiddelde  breedte  van  den  IJsel  bedraagt  volgens  metingen 
in  1874  in  het  vak  Wester voort— Doesburg  109  M.  bij  2,84  M. 
diepte,  in  het  vak  Doesburg— Dieren  120  M.  bij  2,74  M.  diepte, 
in  het  vak  Dieren— Zutfen  106  M.  bij  2,66  M.  diepte,  in  het  vak 
Zutfen — Deventer  116  M.  bij  2,75  M.  diepte,  in  het  vak  Deventer 
— Wijhe  135  M.  bij  2,73  M.  diepte  i). 

De  rivier  heeft  deze  geul  te  midden  van  hare  kleiafzettingen 
open  i)  gehouden.  De  rivierklei  weggedacht  zou  het  IJseldal  eene 
vallei  vormen  van  gemiddeld  4  K.  M.  breedte. 


1)   Tutein   Nolthenius.    Oudere  stroommetingen   op  den  Boven  Rijn  en  zijne 
takken  (Tijdschr.  Kon.  Inst.  v.  Ing.  1885 — 86  pag.  302.) 
I)  Zie  deel  I  pag.  309. 


Digitized  by 


Google 


(» 

• 

»-^ 

ü 

HH 

etf 

a 

S 

0^ 

^ 

n3 

S 

£ 

CS 

4^ 

bn 

•Ö 

u 

fl 

a> 

S 

Ü 

ë 

fl 

0) 

e 

•d 

;jj» 

^ 

§• 

s 

a 

'S 

1 

> 

iS 

tn 

c 

u 

0) 

Q) 

^3 

'*^ 

C 

Ctf 

CA 

^ 

Urn 

4> 

CÖ 

•O 

^ 

a 

Ë 

? 

TS 

•♦-» 

a 

^ 

(u 

o 

o^ 

g 

o 

4^ 

43 

> 

a 

o 

T3 

fi 

o; 

-fl 

g 

a> 

> 

a> 

Q 

a 


wp  9)3ooi{ 


•3881  «ï 


3pU9J99J)Sl39J 


s   -1 


O 

00 

00 


o 

o 

00 

00 

00 

00 

lo   o 

in  ocT 


o    o 

vo  00  vd  vcT  vcT 


o    o    o 

ro    O^  00 


^  Os  t^ 
00^  VO  m 
fO    m"    cT 


o   00 


M      00 


t^OO      «^      Onvom      OnvO 

o^ocrt^^fir^cofTcr 


t-^t^iovo^i-oo    N    «o 


N      o 

(>  OO" 


%0      M      M      o^    fO    ro 
N     fO    t^    <o  ^O     Os 


+  -f  +  + 


p^ 
N 


>  JJ  i=l 


-}-    +   4- 


?:    CS    q 


P  Q  Q  c3  Q  O  ^ 


o 

in 

e« 

in 

lO 

«O 

M 

O 

N 

N 

Tf 

w 

'6 

+ 

f- 

is 

—  . 

-3 

NO 

t^ 

U 

►H 

ro 

M 

O 

CL, 

H- 

4- 

(4 

> 

ON 

t^ 

w, 

N 

in 

!•« 

O 

« 

-f 

-f- 

Ö 

—     — 

— 

\n 

t^ 

G 

Tf 

«O 

O 

M 

o 

2 

+ 

+ 

S 

00 

to 

g 

ir> 

vo 

> 

c 

»-« 

O 

s 

+ 

4- 

,a 

t^ 

o 

5" 

00 

00 

t<^ 

o 

0 

1 

+ 

■f 

1 

-    - 

— 

00 

o 

M 

^ 

in 
d 

1 

+ 

r 

g 

- 

> 
c 

Pi 

P4 

tUD 

tsi 

N 

ü  s 

CU      c« 

Ui  Ui 


Digitized  by 


Google 


223 

Bij  Westervoort  heeft  de  IJsel  aanvankelijk  geheel  een  kanaal- 
vormig  uiterlijk,  en  zooals  wij  reeds  zagen,  is  dit  eerste  gedeelte 
ook  ten  deele  door  kunst  gevormd  i).  De  rivier,  welke  gemiddeld 
niet  breeder  is  dan  109  M.,  loopt  in  het  eerste  gedeelte  door  oever- 
landen met  eene  hoogte  van  meestal  9  tot  12  M.  +  A.  P.  Daar 
de  gemiddelde  waterstand  gedurende  de  zomermaanden  -f  9,42  M. 
te  Westervoort  bedraagt  en  te  de  Steeg  8,20  M.  -f  A.  P.,  blijkt  hier- 
uit de  noodzakelijkheid  van  bedijking. 

Op  den  rechter  oever  sluit  de  IJseldijk  te  Westervoort  zich  bij 
den.  oostenHjken  Rijndijk  aan,  en  loopt  onafgebroken  door  tot 
Doesburg,  waar  hij  door  den  Ouden  IJsel  wordt  afgebroken.  Na 
nog  een  kleine  voortzetting  tot  Dieren  vindt  men  vervolgens  aan 
dien  kant  bijna  geene  hooge  dijken  (alleen  tusschen  Zutfen  en 
Deventer  vier  kleine  afgebroken  gedeelten)  tot  een  weinig  ten  noorden 
van  Deventer.  Langs  den  westelijken  oever  vindt  men  aanvankelijk 
bedijking  tot  Velp.  Vervolgens  vangt  ze,  na  een  lange  tusschenruimte, 
weder  aan  bij  Brummen,  welke  dijk  zich  met  een  kleine  onderbre- 
king bij  Zutfen  voortzet  tot  Voorst,  waar  het  dal  der  Molenbeek 
den  dijk  afbreekt.  Ten  noorden  van  Voorst  vangt  de  Veluwsche 
bandijk  aan,  die  onafgebroken  voortloopt  tot  bij  Werven  ten  Z. 
van  Hattem.  Hier  stroomen  de  Veluwe-weteringen  de  uiterwaarden 
van  den  IJsel  binnen  Ten  N.  van  Hattem  zetten  de  dijken  zich 
op  korten  afstand  van  de  rivier  voort. 

Beneden  Deventer  heeft  de  IJsel  dus  bijna  vrij  regelmatig  bedijking 
aan  beide  oevers.  De  hooge  bandijken  omsluiten  aan  den  mond  de  ge- 
heele  delta  van  het  Kampereiland^  die  zich  tusschen  en  langs  verschil- 
lende IJselmonden  gevormd  heeft.  Vroeger  stortte  zich  de  IJsel  hier 
door  5  monden  in  de  Zuiderzee.  Zij  waren :  het  Keieldiep^  het  Rech- 
terdiep^  het  Noorderdiepy  het  Ganzediep  en  de  Goot.  Thans  is  het 
J^ oor  der  diep  afgesloten  tot  2,20  M.  +  A.  P.  en  \i<ti  Rechter  diep  tn 
het  Ganzediep  zijn  in  den  bovenmond  beteugeld,  (zie  II  pag.  238). 
Het  Keteldiep  is  tegenwoordig  als  de  eigenlijke  mond  van  den 
IJsel  te  beschouwen.  Tusschen  twee  leidammen  van  ongeveer  4100  M. 


i)  Zie  deel  I  pag.  309. 


Digitized  by 


Google 


224 

engte  en  op  een  onderlingen  afstand  van  aanvankelijk  158  M., 
doch  naar  den  mond  vernauwend  tot  100  M.  wordt  het  Keteldiep 
bijna  een  uur  in  zee  gevoerd.  De  hoogte  van  den  Noorderleidara 
bedraagt  om  het  landeinde  3,10  M.  +  A.  P.  en  verder  2,00  en 
1,30  M.  -f  A.  P.,  terwijl  de  kop  1.50  M.  -f  A.  P.  ligt.  De  Zui- 
derleidam  is  aan  het  landeinde  2  M.  +  A.  P.  hoog,  wordt  verder 
2,10  M.  en  ligt  met  den  kop  2,50  M.  +  A.  P.  hoog.  De  gemid- 
delde waterstand  was  te  Dronten  aan  de  Zuiderzee  bij  vloed 
0,32  M.  +  A.  P.  en  bij  ebbe  0,14  M.  +  A.  P.  Hieruit  blijkt, 
dat  genoemde  leidammen  bij  gewonen  waterstand  boven  water 
uitsteken.  Doch  bij  hooge  waterstanden,  als  van  31  Jan.  1877, 
toen  het  water  hier  3,70  M.  +  A.  P.  stond,  werden  zij  er  door  bedekt. 

Verhang,  stroomsnelheid,  waterafvoer  en  diepte  zijn  vervolgens 
belangrijke  elementen  voor  de  kennis  van  den  natuurkundigen  toe- 
stand eener  rivier.     Wij  zullen  deze  achtereenvolgens  behandelen. 

Verhang  van  den  IJseh 


Bij  een  lagen 
rivierstand. 


Bij  een  middelbaren 
rivierstand.  ; 


Bij  een  hoogen 
rivierstand. 


Plaatsen. 


Im. 


+A.P, 


I  U) 


I 


vO 


^  «  c 

iigS  ïr>.  :5  i  o  g 

,  N  V    ^    4> 


vO 


2   C   es 

•.'S  ö°2<»^ 

IM.  +  A.P 


g  ^ 

«u's. 


I 


Pannerden . 
Westervoort 
Doesburg    . 

Dieren 

Zutfen 

Deventer  .  . 

Wijhe 

Katerveer.  L, 
Kampen.  L. 


W.j 

w. 


8,35 
7,49 
5,26 
4,11 
2,67 

1,44 
0,70 

0,54 
0,39 


0,000091 
099 
128 
089 
072 
037 

OIIi 

0091 


10,46 

9,49 
7i30  ! 
6,39  I 
4,73  , 
3,44  I 


1,93 
0,79 
0,37 


o,cx>oi03 

1  098 

III 

'  102 

076 
076 

077 
027 

I 


14,60 

ï3,34 

ïo,43 

9,92 

8,62 

6,97 
5,92 

3,90 
2,11 


0,000133 
I  129 

057 

080 
097 
072 

ÏOI 

i  "3 


Uit   die   verhangcijfers    blijkt,   dat  bij   een  lagen  rivierstand  het 
verhang  in  den  bovenmond  van  den  IJsel  (Westervoort — Doesburg) 


Digitized  by 


Google 


kleiner  is  dan  in  het  volgende  pand,  en  dat  hetzelfde  bij  een  mid- 
delbaren rivierstand  het  geval  is,  terwijl  bij  een  hoogen  rivierstand 
integendeel  hier  het  verhang  het  grootst  is.  Reeds  hebben  wij  er 
vroeger  op  gewezen  i),  dat  bij  hoogen  rivierstand  de  IJsel  een 
evenredig  grooter  aandeel  van  de  waterverdeeling  bij  Wesiervoort 
van  den  Rijn  ontvangt  dan  bij  lagen  en  middelbaren  rivierstand, 
iets  wat  overeenkomt  met  hetgeen  wij  hier  opmerken. 

Het  verhang  van  den  IJsel  neemt  naar  beneden  af  en  eveneens 
hiermede  de  stroomsnelheid.  De  grootste  oppervlakte-snelheid  van 
den  IJsel  werd  waargenomen  den  17  Juli  1875  bij  een  waterstand 
van  10,05  M.  +  A.  P.  te  Westervoort.  Boven  eene  diepte  van 
2,75  M.  bedroeg  hier  de  oppervlakte-snelheid  1,55  M.  in  de  seconde. 

De  waterafvoer  van  den  IJsel  vinden  wij  in  het  volgende  over- 
zicht, bij  verschillende  rivierstanden  gerekend. 


Hoogte    van   den 

waterstand 
te  Westervoort. 

Afvoer  per  sec. 
in  M8 

I    M. 

M.  R. 
boven       » 

1871- 

-1880 

9,42 
10,42 

210 
360 

3  M. 

»           * 

* 

> 

11,42 

520 

3   M. 
I   M. 

beneden     » 

12,42 
8,42 

700 
IOC 

De  slibafvoer  van  den  IJsel  is  reeds  besproken  in  verband  met 
den  Rijn  I,  pag.  338.  Zij  bedraagt  per  jaar  gemiddeld  470  mill. 
K.G.  (N.B.  In  de  tabel  op  pag.  338  deel  I  moet  toegevoegd 
worden :  millioetun). 


i)  Zie  deel  I  pag.  346. 

II. 


15 


Digitized  by 


Google 


226 

Omtrent   de   afwisseling   van    de   diepte    der   rivier   vindt    men 
belangrijke  opgaven  in  onderstaande  tabel. 


Plants  der  ondiepte. 


Diepten  in  M.  beneden  M.  R.  i86i — 1870. 
1875 '1876 


1873I1874 


1877 


1878 


187911880  1881 


1882 


Schommel, 
in  diepte. 


1863— 1882 


Bovenmond 

Westervoortsche  spoorwegbrug 

Grooten  Durk 

Aan  de  Steeg 

Doesburg 

Dierensche  Hank 

Geldersche  toren 

Bronkhorster  veer 

Groene  jager 

Bronsbergen 

Zutfen 

Zaagmolen  beneden  Zutfen 
Voliehand  beneden  Deventer 

Blokhuis 

Doornewaard 

Veer  te  Olst 

Bij  het  Veersener  rak 


1,65  i,96;2,09' 1,77 
2,101,94 


1,92  2,06' 


i,82|i,9i 
2,04  2,06 
2,10 


1^94 


1 
2,32 


i,96]2,32 

—  2,67 
2,02  2,47 
2,032,17 
1.77  1.87 
1,95:^97 

—  2.06 

—  2,09 

—  2,17 

—  '2,12 

—  ii,86 


1,82 
1,62 


1^53 


1,86 
1.73 


2,00  2,oiji,8o  1,921, 80 

2,092,232,182,052,13 

—  1,881,891,76  1,89 
1,902,152,152,002,14 

2.19  2,09'2,I2  2,32  2,23 

—  —  I    —  12,252,42 
2,252,331,912,121,98 

2.20  2,16  2,00  2,07  2,06 
2,091,851,801,701,76 
1,89  2,08  1,98  1,82  1,87 

2.02  i,9i'i,9oi,86'i,87 

2.03  2,11  2,001,96  1,96 
2,11  2,08  1,94  i,96|i,95 
2,08  2,04  —  2,06  2,05 
1,87  2,ooli,77  2,02  1,90 


i»94|i,72 
M5|i.72 


1,78 
2,38 
2,05 
2,11 
2,22 
2,26 

2,18 
1,722,02 

1.93   — 
1,92  1,80 

2,09  1,95 

2.151.90 
2,021,85 

-11,85 


1.74 

1,88 
2,24 


2,06 
2.22 


2,07 
1,72 
i.76| 
1.74 
1,76 
2,06 


2,27 

2,23 
1,92 

1,80 

1.95 
1,78 

1,84 


0.44 
0.57 
0,27 
0,64 

0.34 
0,42 

0.36 
0,42 

0.56 
0.23 
0.39 
0,16 
0,26 
0,16 
0.39 

0,2« 
0.25 


De  bovenstaande  tabel  geeft  ons  een  overzicht  van  de  ondiepten 
in  den  IJsel  en  van  de  veranderingen,  welke  deze  in  eenige  jaren 
ondergaan  hebben.  (In  de  Versl.  der  Openbare  Werken  vindt  men 
voor  elk  jaar  de  opgaven  van  die  ondiepten.)  Over  't  geheel  vinden 
wij  hierin  de  grootste  schommelingen  nabij  den  bovenmond,  verder 
aan  de  Steeg  en  bij  den  Groenen  Jager.  Deze  ondiepten  in  den  IJsel 
worden  ook  reeds  genoemd  door  Huvgens  en  Hudde  na  hun  on- 
derzoek van  den  Rijn  en  van  deze  rivier  in  1671.  Zij  schrijven 
hierover:  tVorders  aengaende  dese  ondieptens  van  den  IJsel,  die 
vallen  meest  alle  seer  cort  en  dikwijls  geen  steenwurp  langh;  haar 
grond  is  meest  wit  sand  en  daerom  verloopen  ze  ook  gedurich. 
Die  in  de  mond  van  den  IJsel  is  wel  de  slimste,  soo  ten  aanzien  van 
de  meeste  ondiepte  als  ten  aensien  van  haar  grond,  die  grindigh  is  2)." 

i)  Deze  tabel  is  ontleend  aan  Tutein  Noltheniiis. 

2)  Geciteerd  bij  Tutein  Nolthenius.  —  Zie  Deel  I.  Ned.en  zijn  Bew.  pag.315. 


I) 


Digitized  by 


Google 


d 
•d 

p< 

o 

a 
a> 
•d 
d 
ctf 

co 

<u 

bo 
<u 

O 

> 


& 


SuiUIdUJCBAX    UTSA 


00* 


00  ir>  »o  in 

M  OO  vo    t^ 

M  OO  00 

'Sc.. 

gOS 

r}^  c3  a  o 

^      •— » 

>■->»—> 

t^ 

00    w 

00     N    lO 

M     co  W    W^ 

lo  r«-  '«t 

00    o    o  N 

•H    VO      o 

•^  O^  fO  'T 

»^  ï^vo 

t^  r^  t>»  r^ 

OO      M 

tO  O     M     t^ 

vo    t-^vO 

t^  lo  «oin 

o^  o^  ^ 

OOs  o  O 

00  00     M 

^VO    N    to 

00  00    o^ 

Ov  Ttvo    t^ 

0^  o  o 

o^  c»  o^  o^ 

fO  m  o^  M 
tn  in  o^  "^ 


^  Ó^  C^        O^  O^OO    o^ 


co 


o  ?      00 


«**     .   ►H 


-    "    IS 


e 


O  00. 


00  O  § 
i-l  00  "^ 


in 


cd   c 

^ « s 


(ü     OO ;? 

M     Qv         vO     "^  M  vO 

M     iH     Ï^M___^    tnrr)i^ 

Tf  M  r^\o  O.  t^  O  >0 
VO.  ^  cj^  rO<J  00^  O  fO 
fó  to  fO  co        to  T?  có 


O    O    O    O         OOG 
N    co  ^  in      vo   r^oo 

00  00  00  00         00  OO  00 


— Il 


I  I 


Tf    M      «      »M 

M    N    co  -^ 

00  00  00  00 


invo  t^ 

00  00  00 


•4iOOAi9ÏS3^V\ 


in    « 

TfOO 

•^ 

•^ 

00 

in 

in  in 

M 

00  \o 

r^ 

M 

00  00 

u 

M 

>H 

JU 

h. 

S 

§ 

►— »h-» 

t^ 

M 

N 

N 

^ 

V— ' 

S—^ 

Vw/ 

Tf  o  o 

M 

O^  in  O 

■^ 

■^  Tf  in  in 


O   "^  Tj-  co  in  invo   O   ro  N 
00^  00^  inq^ONO^N   w   H*   Tf 

vcTvcTvo  t^vcT  r^  tC  tC  t^  r^ 


t-*  M   N  t-*  O    N   i^vo  inoo 
*^   O   t^TfcO"T^M   «^in 


c<  i^f>»0  O^O^ininOvo 
T-^  covq^  ^^^  O  N  00  M 
vo  vo  vd  vcTvd  vcT  rC  tCvcT  r^ 


'^oo  52.  o>  r^  co  Tl-  w->^  00 
«^  «^  2^-S  92  00  00  00  °2  ^ 


oi  cj 


Im    ■<-*     4-*    4^     I*      Im 

.   ft   »2   »M   H   b   eö 


*^  t^  in  ^vo 

N    co  N    «-1    «    "^vC  \0    -    M 


vO    co  covo    r^  t^  N    O  CO  vO 
^  *^  ^  "^  'Tt  "^  r»vO   w   -^ 

o^  M  o^  I-T  O  cT  d^  cT  cT  ö 


OOOOinooOOO 

00    On  o     «-**.«    ^  invo    t*-00 
«^  r^oo  00  00  00  00  00  00  00 

»H.-l«M,HI-ll-l»-l-,M 

I  I  I  I  I  I  I  I  I  I 

r*oo   O^  o   M   co  ^  invo   r-» 
*^  «^  r-oo  oo  co  00  OO  OO  00 


'SinqssoQ 


Digitized  by 


Google 


CS 
CIS 


'O 

c 


73 

i 

o» 

o 


S 


O 
O 


H 

SuiUldUJBCAV    UCA 


.  to  ^:  oo"  ^ 

o  -f^  -00  tl 

ON  ro  o  A. 

N   ^   N     fO  ^  Jy 

00  «o  N  o  o  ^ 

\0    vooO    N    N  vO 
e»r  cT  cT  w    cT  N 


■^  N    co  "^  w  00    On  lOOO    r-  «^   lO 
tT  ro  co  H*   in  Tj-  co  tJ-oO    r^vO    On 


t^  Tl-   ^   ^   On  '«*•   \OVO  VO  00     •"•     ON 

Tf  vo^  iO  Tt^  Onoo  NO^OO    i-   r^  o    M 


o 

00 

M 

>■ 

o 


^  00    o-^.2>     . 

?  S      .^00      •  S 


On  o 


O.M..,,         ^ 

O   mr^"«tONM    ONW 

O^OO    W  VO    tn  On  M    Tl- 
OQmmmOmm 


m  M 


N    o 


I    ro  mvO    "^  l"  ONNO 
'  CO    O    M    M    O   iD  r- 


O    ONVO 
ON  On  •-• 


ON    ON    t^    N      M 


?^  ^  S  ^  2"'^oo''^'ï}^'^ 

-  «^  iTrS  'S  ^  <»  12  <»  ^ 


«5  (>:.«*  bT  ^.  .eö  r?:  «ir^  T 


I  ^  PiH  ACx,  12;  «  px,  j|  f£, 
I         W  00  vo   o    ^   o 

I      Tl-h-       l-H      M       (««lOl-lVO 


o   lo 

-  .    ^  ^  ,    j:^^ 

oc  oó  ÖN  ön  ó^  Ónoc  oo^od^oo'  ocTocT 


MVO     N     •-•     N     MVOVONO 


OnOOOOOOOOOOO 
NOooONO'-'wtO'<i'  lONO  r»co 

r^  r^  r-00  oooooooocooooooo 


I I  I  I  I  I  I  I  II  I  I 

vO  1--00  ON  o  M  e<  ro  "^  mvO  «^ 
t^  t^  r»  r^oo  00  00  00  00  00  00  00 


•uajmz 


N    N    rorororO«OcO 


fO  rO  "^  m  t-  rO  r^OO 


>0  CO  O  N  NOO  TfON 
"^nO  O^OO^  '^^  ^9  ^  '^ 
cT  cT  eT  rT  fó  CO  w*  co 


co   2"<^ 

.       00  "^     - 


O 


;<S"2'^~' 


O^    M 

O  00    >u. 

00   ^   o   »-• 
»^         Z  'T 

4Si,px,  y  j|  pl,  ^  fiH  S 

00  *^  o        M        t^oo 

l-lMCIVOl-"*^'-''-' 


M  00  VO  •"<  ^00  VO  O 
\oMvo  O  o  *^»7;*^ 
r^oo  vo   «^  r^  r^o   r* 

oooooooo 

M  M  «o  ^  tr>^  r^oo 
oooooooocooooooo 


I  I  II  II  I  I 

MH4MMMMIHM 
o     M     «M     «o  -t  lOVO     «^ 

oooooooocooooooo 


•J95U9A9Q 


Digitized  by 


Google 


229 

Wat  de  laatste  ondiepte  nu  betreft,  deze  is  sedert  veel  verbeterd, 
aangezien  de  vaardiepte  bijna  verdubbelde.  Wenden  wij  thans  een 
blik  op  de  vroegere  waterstanden. 

Uit  de  bovenstaande  tabellen  blijkt,  dat  op  de  rivier  de  IJsel  de  ^ 
gemiddelde  waterstand  verhoogd  is  gedurende  den  tijd  van  geregelde 
waarnemingen.   Evenwel  is  die  verhooging  niet  regelmatig  geschied, 
zooals  men  ziet  uit  eene  vergelijking  van  het  verval  van  peilschaal 
tot  peilschaal  in  verschillende  perioden. 

Terwijl  toch  in  de  periode  18  ii — 1820  (de  waarnemingen  liepen 
hier  helaas  maar  van  18 14  tot  1820;  ook  bij  andere  hadden  wij 
niet  de  volledige  waarnemingen)  van  Westervoort  tot  Doesburg  een 
gemiddeld  jaarlijksch  verval  bestond  van  9,69  —  6,95  =■  2,74  M.,  vindt 
men  tusschen  beide  plaatsen  in  de  periode  187 1  —1880  een  verval  van 
9,57  —  7,42  =  2,15  M.  Aldus  was  het  verval  tusschen  beide  plaatsen 
afgenomen^  m.  a.  w. :  te  Doesburg  was  de  waterstand  meer 
verhoogd  dan  te  Westervoort  gedurende  dien  tijd. 

Van  Doesburg  naar  Zutfen  bedroeg  het  verval  in  de  periode 
181 1 — 1820  over  het  jaar  gerekend  gemiddeld  6,95  —  4,48  =  2,47  M., 
en  in  de  periode  187 1 — 1880  was  het  verval  er  7,42  —  4,95  =  2,47  M. 
Tusschen  deze  beide  plaatsen  bleef  dus  het  gemiddeld  verval  het- 
zelfde. Voor  den  afstand  Zutfen — Deventer  was  in  de  periode 
1811 — 1821  het  verval  4,48  —  2,99  —  1,49  M.  en  in  de  periode 
1871 — 1880  4,95  —  3,62  =  1,33  M.,  zoodat  hier  weer  eene  afneming 
van  verval  is  te  bespeuren. 

Terwijl  dus  van  Westervoort  naar  Doesburg  het  verval  afnam, 
bleef  het  van  Doesburg  tot  Zutfen  stationnair,  en  nam  het  van  Zutfen 
tot  Deventer  weder  af.  De  perioden,  welke  wij  namen,  liepen  niet 
over  een  gelijk  aantal  jaren,  zoodat  de  cijfers  geenszins  absoluut 
juist  zijn,  doch  zij  geven  eene  algemeene  waarheid  aan.  Deze 
waarheid  is,  dat  de  waterstanden  op  den  Midden-IJsel 
sterker  gestegen  zijn  dan  die  bij  Westervoort.  In 
het  vak  van  Doesburg  naar  Zutfen  had  eene  vrij  regelmatige 
rijzing  der  waterstanden  plaats,  terwijl  blijkbaar  te  Deventer  de 
waterstand  weer  sterker  steeg  dan  te  Zutfen,  waardoor  het  verhang 
afnam  tusschen  deze  beide  plaatsen. 


Digitized  by 


Google 


230 

Op  dit  verschijnsel  werd  reeds  in  1847  de  aandacht  gevestigd 
door  Ferrand,  en  ook  Tutein  Nolthenius  maakte  het  tot  een 
onderwerp  van  eenige  beschouwingen  i).  Deze  vond  eene  ver- 
hooging van  Doesburg  tot  bij  Katerveer. 

Uit  verschillende  oorzaken  kan  het  ontstaan  van  dit  verschijnsel 
verklaard  worden,  zonder  dat  men  tegelijk  daarmede  nog  tot  de 
ware  oorzaak  mag  besluiten. 

De  vrij  evenredige  rijzing  van  den  waterspiegel  tusschen  Doesburg 
en  Deventer  kan  het  gevolg  zijn  van  eene  gelijke  regelmatige  ver- 
hooging der  bedding  over  deze  lengte. 

Raadplegen  wij  nu  de  peilingen  en  metingen  dezer  rivier,  zooals 
die  in  1844  en  in  1874  plaats  hadden.  In  het  Verslag  der  Openb. 
Werken  van  1874  2)  vinden  wij  eene  opgave  van  de  profiels- inhouden 
des  IJsels  in  genoemde  jaren  bij  eiken  kilometerraai.  Hieruit  zien  wg, 
dat  de  3 1  dwarsprofielen  van  Westervoort  tot  het  Veer  bij  Dieren  bij  een 
waterstand  van  9,54  M.  +  A.  P.  te  Westervoort  in  1844  te  zamen 
een  inhoud  hadden  van  8,89061  Al^.  en  in  1874  van  10034,30  M*. 
zoodat  deze  31  dwarsprofielen  in  dat  tijdperk  1143,69  M*.  vergroot 
waren.     Voor  elk  dwarsprofiel  geeft  dit  in  dien  tijd  eene  gemiddelde 

vergrooting  van  — 1?!-?-  M^.  =  bijna  37  M*. 

In  het  gedeelte  van  Dieren  tot  de  Schipbrug  te  Deventer  was  in 
dienzelfden  tijd  van  1844  tot  1874  de  gezamenlijke  inhoud  van  35 
dwarsprofielen  op  elke  kilometerraai  van  10895  M^.  tot  9403  M*. 
verminderd  en  dus  met  1492  M^.  afgenomen.  Dit  geeft  voor  elk 
dier   dwarsprofielen  gemiddeld  eene  vermindering  van  inhoud  van 

-^5_-=  niim  42  M«. 
35 
Hoewel  men  hieruit  nog  geenszins  met  volstrekte  zekerheid  tot  «ene 

verdieping  van  den  bovenmond  des  IJsels  en  eene  veron  dieping  in  den 
Midden-IJsel  kan  besluiten,  daar  de  normalisatie  misschien  ook  door 


i)  Tutein  Nolthenius.     Onderzoek  naar  de  bruikbaarheid  der  oude  stroomme- 
tingen.   (Tijdschrift  Inst.  v.  Ing.  1885—86,   pag.  289.) 
2)  Vcrsl.  der  Openb.  Werken.     1874,  pag.  207. 


Digitized  by 


Google 


231 

wijzigingen  in  breedte  veranderingen  in  de  inhouden  der  profielen 
gebracht  heeft,  geeft  toch  het  gelijktijdig  voorkomen  van  het  ver- 
schijnsel der  verhooging  van  den  waterstand  op  den  Midden-I /sel 
en  de  vermindering  van  het  verval  in  den  bovenmond,  aanleiding, 
om  het  verhoogen  der  bedding  van  den  Midden-IJsel 
met   zeer   veel   grond    te   vermoeden. 

Wat  de  omstandigheden  van  hoog  en  laag  water  betreft,  deze 
komen  met  die  bij  den  Rijn  overeen.  Ook  hier  zien  wij  de  hoogste 
standen  en  de  laagste  waterstanden  bij  ijs  en  door  dezelfde  oorzaken? 
als  wij  op  pag.  324  van  deel  I  leerden  kennen. 

§     2.        GESCHIEDENIS    VAN    DEN     IJSEL. 

A.   De  Midden-I/sel. 

De  vraag,  of  de  IJsel  een  tak  van  den  Rijn  is,  hebben  wij  reeds 
vroeger  besproken  in  verband  met  den  Rijn.  (Deel  I.  pag.  373). 
Thans  wenschen  wij  ons  te  bepalen  tot  de  hoofdzaken  van  de  ge- 
schiedenis dezer  rivier  in  lateren  tijd. 

Hoewel  niet  door  verplaatsingen  buiten  de  IJsel-vallei  (zie  pag. 
209,  II)  heeft  toch  de  rivier  binnen  deze  grenzen  in  historischen  tijd 
vele  veranderingen  ondergaan,  zooals  uit  tal  van  verlamde  rivier- 
gedeelten of  armen  blijkt.  Gedeeltelijk  zijn  deze  met  laagveen 
gevuld,  zooals  bijv.  het  Velperbroek  bij  Arnhem,  de  moerassen  aan 
den  voormaligen  IJselarm  bij  Ëmpe  tegenover  Zutfen  en  elders, 
gedeeltelijk  met  klei.  Waar  de  mensch  den  bodem  niet  geëffend 
heeft  zijn  die  oude  rivierbedden  nog  te  herkennen  aan  de  laagten 
en  sluiken,  welke  vooral  in  de  weidelanden  worden  aangetroffen. 
Tegenover  Zutfen  en  de  Bronsbergen,  zegt  Staring,  kon  men  dui- 
delijk 3^5  oude  rivierbedden  onderscheiden  i).  De  rivier  ver- 
plaatst zich  ook  bij  Zutfen  door  oorzaken,  als  wij  in  deel  I  pag.  23 1 
§  II  leerden  kennen.  Zoo  werden  zelfs  de  St.  Walburgskerk  en 
het   slot  bedreigd,  en  om  dit  tegen  te  gaan  werd  een  andere  loop 


i)  De  bodem  van  Nederland  I,  pag.  374. 


Digitized  by 


Google 


232 

van  den  IJsel  door  het  Helbergen  heen  noodzakelijk  geacht.  Tot 
dit  doel  verkochten  de  gebroeders  van  Helbergen  hun  goed  van 
dien  naam  aan  Zutfen  in  1356.  Spoedig  daarna  ving  de  verlegging 
der  rivier  aan  i). 

Tusschen  Zutfen  en  Deventer  heeft  de  IJsel  vóór  de  15de  eeuw, 
wel  niet  regelmatig  maar  toch  dikwijls,  over  groote  gedeelten  door 
twee  beddingen  gestroomd.  De  westelijke  van  deze  takken  heette 
de  Oude  IJsel  en  de  oostelijke  werd  de  Nieuwe  I/sel  genoemd. 
Beide  takken  waren  bevaarbaar.  De  Oude  IJsel  echter,  welke  thans 
nog  een  gedeelte  der  stadslanden  van  Zutfen  omringt,  onder  de 
Empersche  brug  doorstroomt  en  daarna  even  beneden  Zutfen  in 
den  Nieuwen  of  tegenwoordigen  IJsel  valt,  was  reeds  in  het  laatst 
der  i4cle  eeuw  aan  het  verlanden,  en  men  kan  zijne  bevaarbaarheid 
moeielijk  verder  aanwijzen  dan  tot  1456.  Vóór  dien  tijd  heeft  zich 
de  Oude  IJsel  waarschijnlijk  tusschen  de  Emperbrug  en  zijne  ver- 
eeniging  met  den  tegenwoordigen  IJsel  beneden  Zutfen  weder  in 
tweeën  gespHtst,  waarvan  de  eene  tak,  na  de  Voorster  beek  door- 
sneden te  hebben,  langs  het  huis  te  Wilp  en  achter  de  Stads  Marsch 
van  Deventer  om,  zich  naar  deze  laatste  stad  heeft  gericht.  Hij  kon 
door  schepen  van  beide  steden  bevaren  worden.  Van  Deventer  af 
loopt  een  sloot,  die  tegenwoordig  nog  den  naam  van  Ouden  IJsel 
draagt  2). 

Ook  beneden  Deventer  schijnen  de  thans  nog  aanwezige  menig- 
vuldige hankefiy  d.  i.  lange,  smalle  en  diepe  kolken  of  geulen 
(waarvan  er  o.  a.  bij  het  dorp  Welsum  op  den  linker  IJseloever 
eene  van  minstens  V4  uur  gaans  lang  bestaat),  die  dan  eens  aan 
den  Gelderschen,  dan  weder  aan  den  Overijselschen  kant  aanwezig 
zijn,  het  bestaan  van  twee  of  meer  beddingen  aan  te  toonen  3).  Het 


i)  R.  \V.  Tadama.    Gesch.  v.  Zutfen,  pag.  92. 

2)  J.  A.  van  Doorninck.  Welke  zou  de  hoofdoorzaak  van  het  verval  der 
bevaarbaarheid  van  den  IJsel  zijn?  (Overijselsche  Almanak  voor  oudheid  en 
letteren.     1839,  pag.  65). 

3)  L.  A.J.W.  Sloet  van  den  Beele.  De  hof  te  Voorst.  (Verh.  der  Kon.  Akademie 
van  Wetensch.     1865,  pag.  28). 


Digitized  by 


Google 


233 

is  evenwel  mogelijk,  dat  die  verschillende  beddingen  een  gevolg  waren 
van  het  oorspronkelijk  gemis  van  dijken,  zoodat  spoedig  na  den 
aanleg  der  bedijkingen  het  water  in  een  bedding  samenliep  i). 

Vóór  den  tijd  der  bedijking  heeft  aldus  de  loop  des  IJsels  ver- 
schillende veranderingen  ondergaan.  Bovenal  het  winterwater  der 
rivier,  dat  met  groot  vermogen  werkte,  groef  niet  zelden  op  enkele 
plaatsen  eene  nieuwe  bedding  uit.  Nijhoff  zegt,  dat  >tot  het  gees- 
telijk gebied  van  den  Bisschop  van  Munster  alles  behoorde,  wat 
aan  de  overzijde  van  den  IJsel  lag  (de  oostzijde)  benevens  dat  ge- 
deelte van  de  Veluwe,  hetwelk  tengevolge  van  str oomveranderingen 
in  den  loop  der  eeuwen  voorgevalleny  van  den  rechter  naar  den 
linker  oever  der  rivier  verplaatst  was  2)."  Hierdoor  is  het  ook  te 
verklaren,  dat  nog  in  den  tegenwoordigen  tijd  de  kerkdorpen  fFelsum 
en  Marie,  hoewel  aan  de  Veluwsche  IJselzijde  gelegen,  toch  tot 
de  provincie  Overijsel  behooren  3). 

Kampen  lag  vroeger  aan  den  rechter  oever  van  een  IJseltak  4). 
Sedert  deze  arm  der  rivier,  die  ten  zuiden  langs  de  stad  liep,  verland  is, 
kwam  het  op  den  linker  oever  des  IJsels  te  liggen.  Die  oude,  ten 
zuiden  langs  Kampen  loopende  rivierarm,  is  nog  geteekend,  hoewel 
verland,  op  de  kaart  van  de  Veluwe  in  de  Geldersche  geschiedenis 
van  Slichtenhorst. 

Behalve  bovengenoemde  veranderingen  wijst  ook  het  riviervak 
bij  Doesburg,  waar  onderscheidene  beddingen  voorkomen,  op  ver- 
leggingen des  strooms  5). 

De  bedijking  van  den  IJsel  werd  door  de  natuur  vergemakkelijkt 
door  de  hoogten,  die  op  sommige  plaatsen  langs  de  oevers  gevonden 
worden.  Zoo  vindt  men  tusschen  Zutfen  en  Deventer  op  den  rechter 
IJseloever  een  hoog  zandterrein  zonder  veel  kleigronden.     Hierdoor 

i)  Zie:  Mr.  E.  A.  Jordens.  De  IJsel  als  handelsweg.  (Overijselsche  Almanak 
voor  oudheid  en  letteren.     1852,  pag.  133). 

2)  Nijhoff.     Gedenkwaardigheden  uit  de  Geld.  Gesch.  I,  pag.  61. 

3)  F.  \V.  V.  Marie.  Welsum  en  Marie.  (Overijselsche  Volksalmanak.  1841, 
pag'  134). 

4)  Nanninga  Uitterdijk.    Kampen,  Geschiedkundig  overzicht.  1878,  pag.  2. 

5)  V.  Marie.  T.  a.  p.  pag.  135.  — -  Staring.  De  bodem  van  Ned.  I,  pag.  374, 


Digitized  by 


Google 


234 

waren  in  dit  gedeelte  ook  weinig  kunstmatige  dijken  noodig.  Ook 
de  Sallandsche  dijken  in  Overijsel  werden  aanvankelijk  aaneen 
verbonden  door  eene  reeks  van  natuurlijke  hoogten.  Daardoor 
bracht  men  in  Overijsel  in  1308  reeds  de  algemeene  bedijking  des 
IJsels  tot  stand,  ruim  60  jaren  vroeger  dan  aan  de  Veluwsche  zijde. 
Door  Bisschop  Guido  werd  in  1308  bij  den  landdag  op  Spoolderberg 
bij  Zwolle  een  dijkrecht  verleend,  nog  thans  onder  den  naam  van 
»Guijendijkbrier*  bekend,  om  de  schade  te  verhoeden,  die  uithoofde 
van  de  slechte  dijken  door  het  overloopende  IJselwater  tin  onsen 
lande  plach  gescien,  dat  gheleghen  is  tusschen  der  Honnepe  (bij 
Deventer)  en  der  zee  uppe  der  side  van  der  IJsele  daer  Deventer 
uppe  steet." 

Wij  zien  dus,  dat  de  dijk,  eerst  bekend  onder  den  naam  van 
Douvelder  of  Douweler  dijk,  later  onder  dien  van  Snippelings  dijk 
en  sedert  1809  als  Snippelings  overlaat^  reeds  zeer  vroeg  bestond. 
Daar  de  dijk  loodrecht  op  de  stroomrichting  stond,  werd  door  dien  dijk 
het  water  boven  Deventer  sterk  tegengehouden  en  opgestuwd.  Deventer 
had  hierdoor  veel  te  vreezen  en  wilde  steeds  den  dijk  verlagen, 
om  het  water  hierover  te  doen  wegloopen,  doch  dewijl  Salland 
daardoor  met  het  overloopende  water  zoude  bezwaard  worden, 
waren  de  Staten  van  Overijsel,  integendeel  vóór  verhooging  van 
dien  dijk.  Dit  gaf  aanleiding  tot  langdurige  twisten,  waarin  Deventer 
de  overhand  behield. 

Toen  nu  na  1308  aan  de  Zutfensche  zijde  door  natuurlijke 
hoogten  en  aan  de  Overijselsche  zijde  door  de  Sallandsche  bedij- 
king het  water  werd  tegengehouden,  moest  het  met  des  te  meer 
kracht,  wanneer  het  Rijnwater  in  groote  hoeveelheid  afkwam,  de 
slechts  partieel  bedijkte  Velu  we  instroomen.  Daardoor  gingdeijsel 
voort  tot  het  jaar  1370,  (toen  de  Veluwsche  bedijking  tot  stand 
kwam,)  het  overstroomde  dal  met  vruchtbare  klei  op  te  hoogen.  Zoo 
werd  aan  den  Veluwschen  kant  aldus  van  Voorst  tot  Hattem  en 
de  buurtschap  Wapenveld  onder  Heerde  toe,  een  uitmuntende  streek 
vruchtbare  grond  gevormd. 

Van  tijd  tot  tijd  werd  de  bedijking  des  IJsels  voor  kleine 
gedeelten   voortgezet.    In    13 14    werd    op   den    IJseloever   bij    het 


Digitized  by 


Google 


235 

kasteel  Nijenbeek,  niet  ver  van  het  dorp  Voorst,  een  dijk  of  water- 
keering  aangelegd.  De  Dremptsche  IJseldijk  bij  Doesburg  bestond 
stellig  reeds  in  13 14,  ten  minste  hij  brak  toen  reeds  door.  In 
1340  g^^  Reinold,  destijds  hertog,  een  dijkbrief  aan  de  gemeene 
erfgenamen  van  Hattem,  die  zich  verbonden  een  dijk  te  onderhouden 
van  den  nieuwen  Gravendijk  bij  Hattem  tot  den  Bukhorster  dijk. 
Met  1366  kan  men  de  bedijking  van  het  Arnhemmer  broek 
vaststellen.  Eerst  nadat  op  31  Oct.  1370  Hertog  Eduard  een  alge- 
meenen  dijkbrief  aan  de  Veluwe  langs  den  IJsel  gegeven  had,  ver- 
kreeg de  geheele  bedijking  haar  beslag.  Aldus  was  met  het  begin 
der  15de  eeuw  de  bedijking  van  den  IJsel  voltooid. 

De  IJsel  schijnt  aanvankelijk  een  goed  bevaarbare  stroom  ge- 
weest te  zijn,  zooals  blijkt  uit  de  geschiedenis  van  den  vroegeren 
handel  op  deze  rivier.  Drie  belangrijke  handelssteden,  Zutfen, 
Deventer  en  Kampen,  ontstonden  aan  dezen  verkeersweg.  Doch 
sedert  de  i5<le  eeuw  nam  de  IJsel  belangrijk  in  vermogen  af. 

De  oorzaak  van  deze  verandering  hangt  ontegensprekelijk  samen 
met  de  veranderingen  in  den  Rijn  boven  Westervoort.  Wij  hebben 
reeds  vroeger  gezien,  dat  de  Oude  Rijn  verzandde,  en  dat  de  Waal 
in  vermogen  toenam.  Naarmate  nu  de  Beneden  Rijn  minder  water 
ontving  en  daardoor  slechter  bevaarbaar  werd,  moest  ook  de  IJsel  in 
dien  toestand  deelen,  zooals  wij  reeds  vroeger  zagen.  Wij  kunnen  voor 
het  leeren  kennen  der  oorzaken  van  de  verslechtering  van  den  IJsel 
dus  verwijzen  naar  hetgeen  hierover  op  pag.  385  enz.  deel  I,  gezegd  is. 

B.     De  monden  van  den  IJsel. 

Wij  wenschen  de  geschiedenis  van  den  IJsel  te  vervolgen  met 
die  van  zijne  monden,  en  vangen  aan  met  de  beneden-monden. 
De  verschillende  monden  van  den  IJsel  door  en  om  het  Kamper- 
eiland zijn  zeer  waarschijnlijk  ontstaan  na  de  vorming  of  uitbreiding 
van  de  Zuiderzee,  tegelijk  met  die  delta  zelve.  In  het  jaar  1334 
vinden  wij  reeds  het  Ganzediep  vermeld.  Dat  de  Kampereilanden 
in  de  14de  eeuw  zich  nog  niet  lang  boven  het  water  hadden  ver- 
heven,   blijkt   hieruit,   dat  in  het  jaar  1364,  toen  de  Bisschop  van 


Digitized  by 


Google 


236 

Utrecht  het  recht  van  aanwas  aan  Kampen  schonk,  zij  nog  slechts 
Va  voet  boven  dagelijksch  water  lagen  i). 

De  aanslibbing  vóór  den  IJselmond,  die  de  eilanden  en  deltavor- 
mingen deed  ontstaan,  veroorzaakte  ook,  dat  de  monden,  welke  de 
IJsel  tusschen  deze  alluviên  open  hield,  verzandden.  Zoo  werd 
reeds  in  het  laatst  der  15de  eeuw  het  binnenkomen  van  den  IJsel 
door  een  zandbank  belemmerd.  Daarom  damde  men  in  1479 
het  Zuidtrdiep  achter  Brunnepe  af,  een  water  dat  23  roeden  wijd 
en  meer  dan  2  vademen  diep  was.  Een  andere  streng,  tusschen 
de  Greente  en  Zuiderweerd  naar  zee  loopende,  onderging  hetzelfde 
lot,  terwijl  men  verder  door  het  aanleggen  van  dijkwerken  den 
stroom  zocht  te  dwingen.  Maar  zware  ijsgang  en  overstroomingen 
beschadigden  dikwijls  deze  werken.  In  148 1  was  echter  het 
Dankers'  of  Rechterdiep  aan  het  einde  van  de  Ruidenhoop  tot 
eene  diepte  van  2  ellen  uitgeschuurd,  terwijl  het  kort  te  voren,  even- 
min als  het  Noorderdiep,  Rijnschepen  had  kunnen  binnenlaten.  Men 
liet  nu  7  i  8  morgen  opgewassen  buitenzanden  bepoten,  ten- 
einde ook  het  Noorderdiep  te  laten  verzanden  en  tevens  land  te 
winnen.  Dit  had  hec  gelukkig  gevolg,  dat  in  den  herfst  van  148 1 
vele  uit  de  Oostzee  te  huis  komende  schepen  geladen  binnenliepen, 
en  tot  vóór  de  stad  zeilden,  hetgeen  sedert  langen  tijd  niet  ge- 
beurd was  2). 

Dat  Kampen  vroeger  aan  den  rechter  oever  van  een  IJseltak  lag, 
doch  door  het  verlanden  van  die  riviertak  geheel  aan  den  linker 
oever  kwam  te  liggen,  zeiden  wij  reeds  boven. 

Hoewel  er  tijdelijk  eenige  verbeteringen  in  de  diepte  van  den  IJsel- 
mond werd  opgemerkt,  ging  toch  de  diepte  aan  den  mond  van  deze  rivier 
naar  zee  gedurende  de  i6de  en  17  de  eeuw  over  't  geheel  achteruit. 
De  middelen,  welke  men  tot  verdieping  er  van  aanwendde,  werden 
niet  altijd  op  denzelfden  tak  toegepast,  en  bleven  onvoldoende.  De 
IJselsteden  hadden  alle  belang  bij  deze  zaak,  en  droegen  dan  ook 
dikwijls   gezamenlijk   iets   bij    in   de    kosten,  doch  niet  voldoende. 


i)  Hist.  Kamp.  Kron.  I  pag.  144. 
2)  Hist.  Kamp.  Kron.  I  pag.  272. 


Digitized  by 


Google 


Zelts  de  Admiraliteit  van  Arasterdam  ondersteunde  deze  zaak  soms 
geldelijk  i). 

De  hoop  op  verbetering  van  den  toestand  aan  de  beneden  IJsel- 
monden,  evenals  van  de  geheele  rivier,  was  gevestigd  op  het  Pan- 
nerdensche  Kanaal.  Evenwel,  al  werd  hierdoor  de  bevaarbaarheid 
van  den  Neder-Rijn  verbeterd,  voor  den  IJsel  baatte  dit  nog  weinig. 
De  IJselmond  bij  Westervoort  toch  was  zoo  slecht  geworden,  dat 
daardoor  de  rivier  niet  voldoende  water  uit  den  Rijn  kon  ontvangen. 
De  heer  van  Doominck  heeft  aangetoond  2)  dat  die  verzanding  van 
den  boven-IJselmond  hoofdzakelijk  na  1623  plaats  had.  » Er  vormden 
zich  zandbanken  aan  den  bovenmond  van  den  IJsel,  die  hoe  langer 
zoo  meer  <yver laten  waren  geworden,  welke  alleen  bij  middelbaar 
en  hoog  water  den  aanvoer  van  den  Neder-Rijn  toelieten." 

Het  Pannerdensch  kanaal  kon  aldus  voor  den  IJsel  niet  baten 
en  de  bevaarbaarheid  van  de  rivier  nam  nog  steeds  meer  af. 
Zoo  verklaarden  de  gecommitteerden  van  het  quartier  Zutfen  den 
3osten  Juni  1761  aan  de  overige  afgevaardigden,  ter  beneficeering 
van  Neder-Rijn  en  IJsel:  »dat  het  bekend  was,  dat  de 
mond  van  den  IJsel  hoe  langer  hoe  meer  quam  te  versanden,  dat 
daardoor  werd  veroorzaakt,  dat  die  Rivier  genoegsaam  het  grootste 
gedeelte  van  het  jaar  onbevaarbaar  was,  en  dat  geen  Schepen,  hoe 
klein  die  ook  waren,  op  en  af  konden  komen"  3). 

In  dezen  toestand  werd  eindelijk  verbetering  gebracht,  toen  in 
1771  (10  April)  door  de  afgevaardigden  van  Holland,  Gelderland 
en  Pruisen  eene  conventie  gesloten  werd,  waarbij  men  tot  het 
graven  van  een  nieuwen  IJselmond  door  de  uiterwaard  de  Pley  be- 
sloot, die  in  1775  ^^^  stand  kwam.  Tijdens  de  uitvoering  was  de 
oude  IJselmond  nagenoeg  geheel  afgesloten,  zoodat  de  IJsel  gedu- 
rende dien  tijd  van  den  Neder-Rijn  was  afgescheiden. 

Het  profiel  van  dien  nieuwen  IJselmond  werd  geheel  kunstmatig 


i)  Besognes  van  de  Admiraliteit  te  Amsterdam  19  Aug.  1670  en  12  Sept.  1687. 

2)  J.  V.  Doominck.  Iets  over  het  verbeteren  der  handelscommunicatie  van  Over- 
ijsel  met  Duitschland  (Overijselsche  Alm.  voor  Oudheid  en  Letteren  1841  pag.  258.) 

3)  Ned.  jaarboeken  voor  1767  pag.  794 — 797. 


Digitized  by 


Google 


238 

gevormd,  de  oevers  werden  door  rijsbeslag  tegen  afslag  voorzien. 
De  bodem  verkreeg  eene  breedte  van  ongeveer  57  M.  en  werd  ge- 
legd ter  hoogte  van  +  0,45  M.  Amhemsch  peil.  De  breedte  op 
het  maaiveld  was  ongeveer  iio  M.  en  de  afstand  der  wederzijdsche 
leidijken  240  M.  Evenwel  beklaagde  Overijsel  zich  nog  altijd, 
dat  de  IJsel  bij  lagen  en  gemiddelden  rivierstand  te  weinig  water 
ontving  en  bij  hoogen  rivierstand  te  veel  water. 

Keeren  wij  weder  terug  tot  de  benedenmonden.  Niet  altijd  had  men 
aan  dezelfde  benedenmonden  van  den  IJsel  gearbeid  tot  bevaar- 
baarmaking.  Zoo  o.  a.  besloot  men  in  1733,  ^^^^^  opgemerkt 
was,  dat  het  zand  vóór  dezen  mond  afnam,  het  Gatizendiep  bevaarbaar 
te  maken,  waartoe  Kampen  en  Deventer  zich  verbonden.  Echter 
bleek  spoedig,  dat  dit  niet  aan  de  verwachting  beantwoordde  en  dus 
ging  men  weder  tot  het  Keteldiep  over. 

In  deze  eeuw  drong  men  van  tijd  tot  tijd  weder  ernstig  aan 
op  verbetering  der  afwatering  van  het  IJselwater  en  verdieping  van 
den  mond  voor  de  scheepvaart.  Verschillende  werken  werden  daartoe 
verricht.  Door  normaliseering  werd  het  zomerbed  meer  bepaald^ 
en  in  1874  kon  de  ingenieur  Tutein  Nolthenius  getuigen,  >dat  de 
IJsel  van  1844,  zooals  hij  destijds  in  kaart  gebracht  was,  met  de 
tegenwoordige  weinig  meer  dan  de  lengte  gemeen  heeft*'  i). 

Met  de  verbetering  van  den  benedenmond  van  den  IJsel  is 
men  aangevangen  in  1869.  Deze  had  hoofdzakelijk  ten  doel 
Zwolle  een  beteren  waterweg  naar  de  Zuiderzee  te  schenken. 
Daartoe  moest  de  geheele  Beneden-IJsel  van  Katerveer  af,  waar 
de  Willemsvaart  met  den  IJsel  in  verbinding  staat,  tot  een  goeden 
waterweg  gemaakt  worden.  Daarvoor  wilde  men  de  rivier  alhier 
eene  vaardiepte  van  3  M.  geven,  waarvoor  de  bedding  te  Katerveer 
2,65  M.  —  A.  P.,  te  Kampen  2,75  M.  —  A.  P.  en  aan  den  mond 
van  den  Ketel  2,72  M.  —  A.  P.  diep  moest  zijn. 

Die  vereischte  diepte  is  verkregen,  gedeeltelijk  door  beperking  van 
het  dwarsprofiel,   waardoor   de   stroom   versnelde   en   dus   grooter 

i)  Tijdschr.  K.  Inst.  van  Ingenieurs,  1885 — 86  pag.  299 


Digitized  by 


Google 


239 

erosievermogen  verkreeg,  gedeeltelijk  door  uitbaggering.  De  normaal- 
breedte,  waartoe  de  rivier  beperkt  is,  bedroeg  155  M.  teKaterveer, 
verwijdende  tot  170  M.  te  Kampen.  Beneden  Kampen  tot  aan  den 
benedenmond  van  het  Rechterdiep  is  eene  normaalbreedte  van 
150  M.  bewaard,  terwijl  aan  het  KeUldiep  eene  breedte  is  gegeven 
van  150  M.  bij  het  begin,  en  van  100  M.  aan  het  zeeeinde. 

De  geschiedenis  van  den  IJselmond  is  dezelfde  als  van  vele 
Nederlandsche  rivieren;  een  stelsel  van  proefnemingen,  zonder  dat 
vooraf  met  wiskundige  zekerheid  het  resultaat  kon  worden  aangegeven. 

Toen  in  1869  de  leidammen  in  het  Keteldiep  op  onderlingen 
afstand  van  100  M.  gelegd  werden  was  het  overige  gedeelte  van 
het  Keteldiep  slechts  40  tot  100  M.  wijd.  Toch  ontstond  hierin 
nog  herhaaldelijk  verondieping.,  Vooral  was  dit  het  geval  in  het 
voorjaar  van  1873,  toen  van  het  zeeeinde  der  dammen  de  in  1872 
gebaggerde  geul  over  eene  lengte  van  1600  M.  weer  geheel  verzandde. 

Door  versterking  van  den  stroom  alleen  kon  dit  gebrek  verholpen 
worden,  en  om  deze  te  verkrijgen  moest  een  der  andere  IJselmonden 
meer  afgesloten  of  beteugeld  worden.  Reeds  was  in  187 1  van  het  Gan- 
zendiep  aan  den  boven  mond  het  dwarsprofiel  beneden  A.  P.  van 
270  M*^.  tot  212  M*.  verkleind,  zoodat  deze  arm  reeds  minder  water 
ontving.  Daar  dit  diep  voor  de  kleine  scheepvaart  behouden  moest 
blijven,  was  verdere  vernauwing  niet  wenschelijk. 

Dewijl  het  Rechterdiep  onmiddellijk  boven  het  Keteldiep  ligt,  was 
de  vernauwing  van  dezen  arm  het  meest  vruchtbaar  voor  het  doel. 
In  1873—74  werd  die  beteugeling  uitgevoerd  en  het  dwarsprofiel  in 
den  bovenmond  van  het  Rechterdiep  door  afdamming  van  330  M*. 
tot  57  M".  beneden  A.  P.  verminderd.  Het  water,  dat  vroeger  door 
het  Rechterdiep  naar  zee  stroomde,  moest  nu  bijna  geheel  door  het 
Keteldiep,  Daardoor  ontstond  in  het  laatste  een  grooter  stroomsnelheid, 
en  het  Keteldiep  zelf  kon  nu  ook  vrij  verwijd  worden,  zoodat  het  eene 
breedte  van  150  M.  verkreeg,  terwijl  aan  het  zeeeinde  de  dammen  een 
wijdte  van  100  M.  behielden.  Verder  werd  in  1870  beneden  den 
mond  van  het  Rechterdiep  eene  afsnijding  door  den  Kattenwaard 
gemaakt,  om  de  richting  van  den  IJselmond  te  verbeteren.  Zoo  werd 
deze,  aanvankelijk  60  M.  thans  94  M.  wijd.  Thans  houdt  de  sterkere 


Digitized  by 


Google 


±4^ 

stroom  door  verhoogde  erosie  het  Keteldiep  op  voldoende  diepte; 
zelfs  wordt  het  bij  hooge  rivierstanden  dieper.  Zoo  verkreeg  het 
in  Dec.  1882  en  Jan.  1883  over  eene  lengte  van  400  M.  in  het 
benedengedeelte  zelfs  diepten  van  7,60  tot  17  M.  onder  A.  P., 
waardoor  de  zuidelijke  leidam  verzakte  i). 

Aldus  is  voor  de  scheepvaart  zoowel  als  voor  den  waterafvoer 
het    KeUtdiep   of  de  Ketel  de  hoofdmond  van  den  IJsel  geworden. 

C.     Geschiedenis  van  den  I Jsel  in  betrekking  tot  den  waterafvoer 
bij  hoogen  waterstand  op  den  Rijn, 

Na  het  tot  stand  komen  van  het  Pannerdensche  kanaal  werd  de 
Beneden  Rijn  meer  met  water  bezwaard,  en  het  gevolg  hiervan 
was,  dat  de  Lekdijken,  die  hiertegen  niet  waren  gebouwd,  aan  groot 
gevaar  voor  doorbraak  blootstonden,  waardoor  een  aanzienlijk  gedeelte 
van  Utrecht  en  Holland  bij  hoog  water  voortdurend  in  gevaar 
verkeerde.  (Zie  deel  I  Ned.  en  zijn  Bew.  pag.  347).  Verschillende 
plannen  werden  tot  verbetering  van  dien  toestand  ontworpen,  en 
bij  eenige  ontwerpen  werd  het  oog  gevestigd  op  den  IJsel.  Generaal 
Krayenhoff  ging  in  dit  opzicht  zeker  het  verst,  toen  hij  eene 
geheele  afsluiting  van  den  Neder  Rijn  en  Lek  voorstelde  en  het 
plan  ontwierp,  om  een  nieuwen  IJselmond  te  maken,  die  in  staat 
was  evenveel  water  af  te  voeren  als  Neder  Rijn  en  IJsel  gezamen- 
lijk 2).  Anderen  gingen  niet  zoo  ver.  Brunings  sprak  alleen  van 
een  grooter  aandeel,  dat  de  IJsel  van  het  Rijnwater  moest  afvoeren, 
en  in  denzelfden  zin  luidden  de  Rapporten  der  Inspecteurs  van 
1861  en  de  nota  der  Hoofdingenieurs  van  den  Waterstaat  van 
Noord-  en  Zuid-Holland  en  Utrecht  van  1877. 

Eene  poging  om  den  IJsel  zwaarder  te  belasten,  werd  in  1809 
aangewend,  door  het  leggen  van  de  Lijmersche  en  andere  overlaten, 
op   voorstel   van    het   Comité    Central   van    den    Waterstaat.     De 


i)  Lely.  Rivieren  en  Rivierwerken.  1885,  pag.  361.  Aan  dit  werk  is  de 
jongste  geschiedenis  ontleend. 

2)  Krayenhoff.  Proeve  van  een  ontwerp  lot  sluiting  van  de  rivier  den  Neder- 
Rhijn  en  Leek  en  het  storten  van  derzelven  water  op  den  IJsel.     1822. 


Digitized  by 


Google 


24t 

Lijmersche  overlaat  moest  dienen,  om  het  hooge  water  van  den 
Rijn  noordwaarts  op  den  IJsel  te  leiden.  In  1852  werd  deze  opge- 
heven, zoodat  tegenwoordig  alleen  door  de  werking  van  den  Ouden 
Rijnmond  een  dergelijke  verbinding  plaats  heeft.  (Zie  Ned.  en  zijn 
Bew.  I,  pag.  273).  De  Bingerdsche  overlaat  bevorderde  hetzelfde 
doel.  De  Ellekomsche  overlaat  en  die  van  den  Kanon sdijk  moesten 
de  rivier  de  IJsel  zelve  ontlasten  door  afstrooming  van  het  water 
op  het  land.  De  Snippelings  overlaat  bij  Deventer,  eveneens  in 
1809  verlaagd,  voerde  het  hooge  IJsel  water  Salland  binnen,  waar 
het  door  de  verschillende  weteringen  een  weg  moest  vinden  naar 
Zwolle,  zoodat  dit  water  niet  weer  op  den  IJsel  terugkwam.  Waar 
aldus  uitgestrekte  landstreken  aan  het  water  werden  prijs  gegeven, 
is  het  geen  wonder,  dat  de  ontevredenheid  hierover  zich  telkens 
uitte.  Zoo  zijn  dan  ook  deze  overlaten  alle  in  ^^ut  eeuw  weder 
opgeheven,  het  laatst  die  van  den  Snippelingsdijk  in  1865  i). 

Toch  werd  ook  in  deze  eeuw  nog  telkens  eene  poging  door  de 
regeering  aangewend,  om  den  IJsel  bij  hoogen  waterstand  meer  tot 
afvoer  van  het  Rijnwater  te  doen  dienen.  Doch  de  voorstellen 
dienaangaande  in  1851  en  in  1877  gedaan,  stuitten  af  op  den  tegen- 
stand der  afgevaardigden  van  dit  gewest.  En  toen  in  1879  ^^"^ 
verbetering  van  het  vaarwater  van  den  IJsel  door  de  regeering  werd 
voorgesteld,    vond    zij    het   zelfs    noodig   plechtig  te  verklaren,  dat 


1}  Zie  over  deze  overlaten  aan  den  IJsel: 

1.  Verslag  der  openb.  werken  aan  den  Koning.     1865,  pag.  278. 

2.  Register  VIII  bevattende  de  beschrijving  der  peilschalen,  hakkelbouten 
en  verdere  verkenwerken  langs  den  IJsel,  verzameld  door  de  Inspecteurs 
van  den  Waterstaat.     1852. 

3.  Ferrand.     De  Lijmersche  overlaat.  (Verh,  Inst.  v.  Ing.  1853 — 54»  P^g-  **)• 

4.  Teding  v.  Berkhout.  Aanmerkingen  op  de  wijze  van  ten  uitvoerlegging 
van  het  decreet  van  Lod.  Nap.  van  18  Juli  1809  met  betrekking  tot  den 
Snippelings  overlaat.     1849. 

5.  Nota  van  den  Ingenieur  Ferrand  over  den  Snippelings  dijk.  (Versl.  der 
Op.  Werken.     1854,  pag.  159.) 

6.  C.  Lely.     Rivieren  en  rivierwerken.  pag.  332. 

7.  J.  G.  W.  Fijnje.  Beschouwingen  over  eenige  rivieren  waaronder  ook 
Nederlandsche.     1888. 

II.  16 


Digitized  by 


Google 


^4^ 

geene  verruiming  van  den  boven-IJselmond  bedoeld  werd,  die  invloed 
op  den  afvoer  van  Rijnwater  langs  den  IJsel  zou  hebben  2). 

§    3.      HET  OOSTELIJKE   IJSELGEBIED. 

Wij  hebben  het  terrein  tusschen  de  Veluwe-heuvels  en  den  IJsel 
reeds  beschreven,  en  er  de  aandacht  op  gevestigd,  dat  dit  orogra- 
phisch  met  de  terreinen  ten  oosten  van  den  IJsel  één  geheel  uit- 
maakt. De  rivier  de  IJsel  snijdt  in  het  westen  door  haar  tegen- 
woordig dal  het  Veluwe-gedeelte  van  dit  terrein  af,  dat  blijkens  de 
hoogte  er  een  geheel  mede  uitmaakt. 

Ten  O.  van  de  Velu  we  heuvels,  ongeveer  met  het  kanaal  van 
Dieren  over  Apeldoorn  naar  Hattem  als  grens,  strekt  zich  tot  de 
oostelijke  grens  van  ons  vaderland  een  hoofdzakelijk  vlak  terrein 
uit  met  lichte  golvingen.  Dit  terrein  daalt  van  het  oosten  naar 
het  westen  en  van  het  zuiden  naar  het  noorden.  Evenwel  is  de 
eerstgenoemde  helling  iets  sterker  dan  de  laatstgenoemde.  Langs 
den  IJsel  van  Doesburg  (op  ±  lo  M.  +  A.  P.)  naar  het  noorden 
daalt  het  terrein  op  een  afstand  van  50  K.  M.  rechts  van  den 
IJsel  slechts  8,5  M.,  d.  i.  0,17  M.  per  K.  M.  Van  Doesburg 
tot  de  grens  ten  oosten  van  Winterswijk  rijst  de  bodem  op  45  K.  M. 
met  minder  dan  30  M.,  d.  i.  0,66  M.  per  K.  M. 

Het  terrein  van  Varseveld  naar  Markeloo  heeft  in  noordelijke 
richting  op  een  afstand  van  32  K.  M.  een  verschil  in  hoogte  van 
8  M.,  d.  i.  eene  helling  van  0,25  M.  per  K.  M.  Van  Roerdink 
(ten  Z.  van  Winterswijk  op  de  grens)  daalt  het  terrein  tot  Haaks- 
bergen over  een  afstand  van  26  K.  M.  naar  het  N.  16  M.,  d.  i. 
0,61  M.  per  K.  M. 

Uit  deze  cijfers  blijkt,  dat  de  helling  des  terreins  in  het  algemeen 
aanzienlijker  is  naar  het  westen  dan  naar  het  noorden,  doch 
dat  in  het  oosten  ook  de  helling  naar  het  noorden  toeneemt,  voor 
zoover  dit  het  Geldersche  land  betreft,  en  ongeveer  aan  die  naar 
het  westen  gelijk  komt.  Deze  gesteldheid  zet  zich  in  Overijsel  aanvan- 


2)  Tutein  Nolthenius.     Watervrede.     1880,  pag.  11. 


Digitized  by 


Google 


keiijk  tot  nabij  de  Vecht  voort  in  het  oosten,  echter  niet  in  het 
westen.  De  grens,  waar  die  helling  van  het  oostelijk  deel  naar  het 
noorden  sterker  wordt,  ligt  ongeveer  in  de  lijn  van  den  Hetten-heuvel 
over  den  Lochemschen  berg,  den  Markelooschen  berg,  den  Holten- 
berg,  den  Haarler  berg  en  den  Leraelerberg.  Ten  oosten  van  deze 
lijn  hebben  de  riviertjes  meest  een  sterk  uitkomende  N.W.  richting, 
terwijl  zij  in  deze  lijn  een  kniebocht  vormen,  om  in  meer  weste- 
lijke richting  den  IJsel  te  naderen.  Men  ziet  dit  verschijnsel  bij 
de  Vordensche  beek,  de  Berkel  en  de  Slink  en  de  Schipbeek.  In 
Overijsel  herhaalt  het  zich  bij  de  Regge  en  de  Vecht  met  de  Dinkel. 

Het  terrein  tusschen  genoemde  lijn  Hettenheuvel,  Lochemschen 
berg  enz.  en  het  kanaal  Dieren — Apeldoorn,  Hattem  wordt  door 
Dr.  Lorié  beschouwd  als  het  breede  dal  van  den  IJsel  uit  het 
diluviale  tijdvak,  een  tegenhanger  van  de  Geldersche  Vallei  i). 
Wij  kunnen  ons  na  onze  nadere  onderzoekingen  der  terreinshoogten 
en  der  gesteldheid  des  lands  hiermede  volkomen  vereenigen.  IJseldal 
(in  den  zin  als  boven  opgevat)  en  Geldersche  Vallei  zijn  de  breede 
stroomdalen  van  krachtig  stroomend  water.  Beide  zijn  gevormd  in 
den  tijd,  toen  het  water  genoeg  vermogen  bezat  om  te  erodeeren  en 
zand  af  te  zetten,  en  toen  het  te  sterk  stroomde  om  klei  te  doen  bezin- 
ken. Toen  de  periode  der  kleiafzetting  aanbrak  had  de  Geldersche 
Vallei  reeds  opgehouden  een  tak  van  den  Rijn  te  zijn.  In  het  breede 
IJseldal  hield  de  stroom  nog  een  geul  in  het  midden  open  en  deze 
werd  later  met  kleibezinking  aangevuld^  terwijl  er  voor  den  stroom 
zelf  slechts  een  smal  bed  overbleef  (zie  II  pag.  221). 

Thans  bepalen  wij  ons  alleen  tot  het  terrein,  dat  tot  het  stroom- 
gebied van  den  IJsel  behoort.  Over  't  geheel  vormt  dit  een  zacht 
golvend  land,  hetwelk  in  het  oosten  ongeveer  40  M.  +  A.  P.  (bij 
Winterswijk)  hoog  is,  en  langs  den  IJsel  tot  10  ^  8  M.  4-  A.  P.  daalt. 

Enkele  hoogten  verheffen  zich  uit  dat  gebied  nog  tot  aanzienlijker 
afmetingen.     Dit    zijn    de    Elienber^^    de  Montferlandsche  heuvels 


1)  Lorié.  Beschouwingen  over  het  diluvium  in  Nederland  (Tijdschr.  v.  h. 
K.  Ned.  A.  Cïen.  1887  pag.  445.  —  Lorié,  Contributions  A  lalgeologie  des  Pays 
Bas.     (Archives  du  Musée  Teyler  1887  pag.  39.) 


Digitized  by 


Google 


H4 

en  de  Hettenheuvel  in  het  zuiden  tusschen  den  Rijn  en  den  Ouden 
IJsel,  en  de  Loc/iemsche  berg  bij  Lochem. 

De  zuidelijke  hoogten,  tusschen  den  Rijn  en  den  Ouden  IJsel, 
verheffen  zich  in  den  Hulzenbcrg  onder  de  buurtschap  Stokkum 
tot  96  M.  of  omstreeks  80  M.  boven  de  oeverlanden  van  den  Rijn. 
Zij  zijn  te  beschouwen  als  twee  groepen  van  heuvels,  die  beide  in 
gelijke  richting  van  het  N.  O.  naar  het  Z.  W.  uitgestrekt,  nevens 
elkander  liggen.  Het  Montferland,  83  M.  +  A.  P.,  bij  Zeddam  en 
'sHeerenberg  eindigende,  is  de  kleinste,  oostelijke  groep.  De  wes- 
telijke begint  met  den  Heiten  luuvel^  105  M.  -f  A.  P.,  waarop 
voor  eene  halve  eeuw  het  signaal  geplaatst  was  voor  de  trigono- 
metrische  opneming  van  het  Rijk  door  den  generaal  Krayenhoff, 
en  is,  door  den  Rijsberg,  80  M.  +  A.  P.,  en  den  Hulzenberg  met 
den  Eltenberg  vereenigd,  waar  de  heuvels  in  eene  steile  helling 
tegen  de  Rijnvlakte  eindigen. 

Wanneer  men  hier  zulk  een  steilte  door  het  Rijnwater  bij  zijne 
overstroomingen  bespoeld  ziet;  daar  tegenover,  tusschen  Nijmegen 
en  Wilderen,  bij  Kleef,  bij  Calcar  en  aan  den  voet  van  den  Fürsten- 
berg  bij  Xanten  juist  zulke  steilten  opmerkt,  ze  eveneens  Dieren 
en  aan  de  Steeg,  tusschen  Arnhem  en  Wageningen  en  aan  de 
Grebbe  terugvindt,  en  dan  bedenkt,  dat  nergens  hier  te  lande  zulk 
een  plotseling  eindigen  der  diluviale  heuvels  voorkomt  dan  alleen 
in  de  nabijheid  en  onder  het  bereik  van  het  Rijnwater,  dan  is  men 
wel  gedwongen  een  verband  tusschen  beide  aan  te  nemen.  Deze 
steile  hellingen  zijn  voorzeker  door  afspoelingen  van  den  snelstroo- 
menden diluvialen  Rijn  teweeggebracht,  die  toen  zijn  kronkelenden 
loop  langs  de  heuvels  nam.  i) 

Dr.  Staring  en  Dr.  Lorié  nemen  aan,  dat  de  heuvels  van 
Montferland  in  het  zuiden  met  die  van  Kleef  één  geheel  heb- 
ben uitgemaakt,  en  door  erosie  van  den  Rijn  er  van  geschei- 
den zijn.  Verder  veronderstelt  Dr.  Lorié,  dat  van  den  Hetten- 
heuvel  zich  in  voorhistorische  tijden  uitloopers  veel  verder  noorde- 
lijk  hebben   uitgestrekt    tot   aan  den  Lochemer  berg.     Het  terrein 


i)  Staring.  De  bodem  van  Nederland  II  pag.   39. 


Digitized  by 


Google 


245 

tusschenbeide  zou  door  denudatie  verlaagd  zijn  geworden  i)*  Het 
komt  ons  voor,  dat  wij  hier  een  diluviale  plooiïng  vinden  (zie  de  lijn 
boven  pag.  243  genoemd),  een  tegenhanger  van  de  Utrechtsche  en 
de  Veluwe  heuvels,  welke  gedeeltelijk  door  denudatie  is  weggenomen. 

Het  oostelijk  IJselgebied  is  met  tal  van  kleine  stroompjes  door- 
sneden, die,  de  algemeene  helling  des  terreins  volgende,  tot  water- 
loopen  dienen,  waarop  het  omringende  land  afwatert.  Die  afwate- 
ring hefft,  als  gevolg  van  de  hooge  ligging,  op  natuurlijke  wijze 
plaats  en  wordt  bevorderd  door  greppels  en  slooten,  welke  met  de 
stroompjes  in  verbinding  staan. 

De  stroompjes  vloeien  door  lange  smalle  dalen,  welke  hoofdzakelijk 
van  diluvialen  oorsprong  zijn,  en  misschien  voor  een  gedeelte  gevormd 
werden  door  de  sterke  erosie  van  het  afsmelteiide  landijs  tijdens  en 
aan  het  einde  van  het  ijstijdperk.  Die  dalen  werden  later  door  het 
afvloeiende  regenwater  tot  weg  gekozen  en  langs  de  laagste  punten 
vormde  de  verdere  erosie  de  beddingen  der  beken.  Dat  de  erosie 
hier  gearbeid  heeft  valt  op  sommige  plaatsen  nog  duidelijk  te  zien. 

Verder  voerde  het  afstrooraende  water  van  dit  land  van  de 
hoogere  gedeelten  de  gemakkelijkst  oplosbare  stoffen  mede,  om  ze 
in  de  dalen  te  laten  bezinken.  Op  die  wijze  werden  de  diluviale 
dalen  aangevuld  met  jongere  vormingen,  met  alluviën  van  verschil- 
lende samenstelling,  die  men  beekbezinking  noemt. 

De  beekbezinkingen  liggen  meestal  betrekkelijk  laag,  waardoor  zij  in 
den  winter  en  bij  hoog  water  des  zomers  overstroomd  worden.  Zij  vor- 
men meer  of  minder  breede  effene  zoomen  langs  de  stroompjes,  en 
gaan  verder  van  de  beek  in  het  diluviale  terrein,  dat  zich  hier  naar 
boven  buigt,  over.  Het  zijn  als  het  ware  alluviale  terrassen  in  de 
diluviale  dalen.  De  invloed  van  het  grondwater  op  den  waterstand 
dezer  rivieren  alhier  werd  door  den  heer  Veeren  aangetoond  en 
wordt  nader  door  dezen  onderzocht  2). 

Gaan  wij  thans  over  tot  de  beschrijving  der  rivieren. 

i)  Lorié,  Beschouwingen  over  het  diluvinm  van  Nederland.  (Tijdschr.  Ned. 
Aardr.  Gen.  1887  N  2  pag.  411.) 

2)  F.  E.  L.  Veeren.  De  invloed  van  het  grondwater  op  den  waterstand  der 
Boven-Slingebeken.  (Tijdschr.  Ned.  A.  Gen.  1888). 


Digitized  by 


Google 


246 


§  4*      I>K  OUDE   IJS  EL. 

De  rivier  de  Oude  Ifsel  vangt  aan  bij  het  dorp  Raesfeld  in  de 
kreis  Berken  in  Pruisen,  loopteerst  in  Z.W.  daarna  in  N.W.  richting, 
en  komt,  na  een  korten  afstand  over  de  Rijksgrens  geloopen  te 
hebben,  een  weinig  beneden  het  dorp  Gendringen  geheel  opNeder- 
landsch  staatsgebied.  Zij  stroomt  daarna,  met  een  kronkelenden  loop 
de  algemeene  helling  des  terreins  volgend,  naar  het  N.W.  Bij  Laag 
Keppel  splitst  zij  zich  in  twee  takken,  die  later  weer  samenvloeien, 
en  te  Doesburg  mondt  zij  in  den  Gelderschen  IJsel  uit.  Het 
stroomgebied  van  den  Ouden  IJsel  is  1 15000  H.  A.  waarvan  Ys 
in  Pruisen  ligt. 

Van  Gendringen  tot  Doesburg  heeft  de  Oude  IJsel  eene  lengte 
van  36295  K.  M.  Waar  hij  in  ons  land  komt  ligt  de  bedding 
13,70  M.  -f  A.  P.,  en  bij  Doesburg  5,10  M.  -h  A.  P.  Bij 
gewonen  waterstand  is  de  breedte  te  Gendringen  9,  te  Ulft  17, 
te  Terborg  19,  te  Doetinchem  80,  te  Keppel  28  en  bij  Doesburg 
80  M.  i). 

De  Oude  IJsel  is  in  Gelderland  vooral  aan  de  zuidzijde  door  een 
breede  zoom  van  alluviale  gronden  en  wel  van  rivierklei  omgeven, 
die  op  de  oostelijke  grens  in  beekklei  overgaat.  Wij  wezen  er  reeds 
vroeger  op,  dat  daaruit,  in  verband  met  andere  gronden,  het  besluit 
getrokken  wordt,  dat  de  Oude  IJsel  in  Gelderland  grootendeels  als 
een  oude  tak  des  Rijns  beschouwd  moet  worden,  en  dat  aan  het  Rijn- 
water die  kleilagen  te  danken  zijn.  In  dien  Rijntak  heeft  zeer  zeker 
het  genoemde  riviertje  de  Oude  IJsel  op  Pruisisch  gebied  uitgemond. 

De  voornaamste  zijtakken  op  Nederlandsch  gebied  zijn:  links: 
de  Kleef sche  graven^  Riezc  graven  en  het  Waalsche  water  (hooger 
op  Vethuizer  en  Gr 00 te  wetering  geheeten),  rechts :  de  Regenieter 
of  Hardenbcrgsche  beek^  de  Deurvorstcr  beek^  de  Aa  of  Priester- 
beek   (die   boven  Ramsdorp  in  Pruisen  ontspringend,  langs  Borken 

i)  Deze  opgaven  zijn  ontleend  aan  Sloet,  Bijdragen  tot  de  kennis  van 
Gelderland. 


Digitized  by 


Google 


247 

en  Bocholt  loopt,  de  Keizersbeek  opneemt,  en  op  onderscheiden 
plaatsen  tot  het  drijven  van  watermolens  wordt  opgestuwd)  de 
Levinkbeek^  de  Bielheimer  beek  en  de  Slinge, 

De  Aaliensche  Slinge^  zooals  het  laatstgenoemd  riviertje  in  haar 
geheel  dikwijls  genoemd  wordt,  ontstaat  bij  Siidlohn  in  Pruisen,  komt 
in  de  gemeente  Winterswijk  op  Nederlandsch  grondgebied,  loopt 
eerst  onder  den  naam  van  Oedingsche  beek  of  Groote  beek  en  vervol- 
gens onder  dien  van  Slingerbeek  ten  zuiden  langs  Winterswijk  en  naar 
Aalten.  Niet  ver  van  Varseveld  verdeelt  zij  zich  in  twee  armen.  De 
noordelijke  loopt  onder  den  naam  van  Slinge  naar  Doetinchem, 
waar  zij  in  den  Ouden  IJsel  mondt.  De  zuidelijke,  de  Bielheimer 
beek^  mondt  verder  oostelijk  boven  de  Pol  in  den  IJsel  uit. 

De  Oude  IJsel  wordt  tusschen  Doesburg  en  UI  ft  (op  de  Prui- 
sische grens)  met  aken  bevaren;  bij  hoogen  waterstand  wordt  ook 
de  Aa  tot  Bocholt  bevaren. 

Op  vijf  plaatsen  op  Pruisisch  gebied,  verder  te  Ulft,  Terborg,  Laag 
Keppel  en  te  Doesburg,  wordt  de  Oude  IJsel  tot  het  drijven  van 
watermolens  opgestuwd.  Het  stuwpeil  bedraagt  te  Terborg  12,49 
M.  +  A.  P.  (twee  onderslagraderen  der  ijzerfabriek  Vulkaansoord 
worden  hier  door  het  water  gedreven)  te  Laag  Keppel  van  i  Febr. 
tot  I  Dec.  10,27  M.  -f  A.  P.  en  overigens  10,35  M.  +  A.  P.  en 
te  Doesburg  8,62  M.  +  A.  P.  i). 

Na  een  regenval  van  ii,i  m.M.  per  etmaal  werd  bij  het  binnen- 
stroomen van  Nederlandsch  grondgebied  een  gemiddelde  waterafvoer 
van  33  M»  per  minuut  en  per  1000  H.  A.  stroomgebied  gevonden, 
en  de  afvloeiïngscoefficient  werd  op  55  pet  bepaald  2). 


i)  De  molen  Ie  Doesburg  staat  stil,  sedert  het  sluisje,  door  de  gemeente 
Doesburg  gebouwd  om  het  water  op  te  stuwen  ten  behoeve  van  den  molen  en 
tot  verversching  van  de  grachten,  in  den  winter  van  1881 — 82  bezweken  is,  en 
in  afwachting  der  aanhangige  plannen  tot  verbetering  van  den  IJsel  niet  weder 
werd  opgebouwd.  (De  Ingenieur  1888  N.  4.) 

2)  Verwey.  Waterstaatkundige  beschrijving  van  Nederland  1887,  pag.  318. 
In  het  artikel:  „de  Oude  IJsel  en  zijne  plannen  tot  verbetering",  (De  Inge- 
nieur 1888  N.  5)  noemt  men  een  afvoervermogen  van  36  M'  per  minuut  en 
per  1000  H.  A, 


Digitized  by 


Google 


248 

Iets  ttit  de  geschiedenis  van  den  Ouden  IJsel.  Al  langen  tijd 
maakt  het  een  punt  van  ernstige  overwegingen  uit,  om  den  Ouden  IJsel  beter 
bevaarbaar  te  maken,  en  zelfs  werd  hiertoe  reeds  in  1593  octrooi  verleend. 
Ook  in  de  jaren  1752  en  1786  werd  hierover  in  de  vergaderingen  van  het 
kwartier  Zutfen  beraadslaagd.  Koning  Lodewijk  wilde  in  1809  aan  het  gemis 
van  doorschutting  tegemoet  komen.  Willem  I  gelastte  in  1823  het  maken  van 
een  bruikbare  schutsluis,  door  welke  de  vaartuigen  bij  Doesburg  van  den  eenen 
IJsel  op  den  anderen  konden  komen,  i) 

Hoewel  algemeen  erkend  wordt,  dat  verbetering  van  den  IJsel  dringend 
noodzakelijk  is,  bleef  het  tot  nog  toe  altijd  bij  plannen.  Wel  is  door  den 
aanleg  van  den  Geldersch-Overijselschen  locaalspoorweg  en  den  tramweg  Ter- 
borg- Dieren  de  behoefte  aan  een  scheepvaartkanaal  door  den  Achterhoek  zeer 
verminderd,  maar  toch  eischen  landbouwbelangen  dringend  verbetering  van  deze 
rivier.  Telkens  hebben  overstroomingen  in  den  zomer  het  mislukken  van  den 
hooioogst  tengevolge  en  dikwijls  gaan  er  maanden  in  het  voorjaar  voorbij,  waarin 
de  hooge  rivierstanden  de  bewerking  des  lands  aan  de  oevers  niet  toelaten. 

De  eerste  plannen  tot  aanzienlijke  verbetering  van  den  IJsel  in  deze  eeuw 
dagteekenen  van  1835,  ^^^  ^^^^  ^^^  ingenieur  Van  Loon  op  last  der  regeering 
een  ontwerp  werd  gemaakt,  dat  hoofdzakelijk  de  belangen  der  scheepvaart  op 
het  oog  had.  Aanvankelijk  vond  dergelijk  plan  instemming  bij  de  betrokken 
gemeenten,  doch  weldra  zagen  zij  de  zaak  anders  in.  Doesburg  vreesde  de 
voordeelen  als  stapelplaats  van  het  IJselgebied  te  zullen  verliezen;  de  landbou- 
wers van  Hummeloo  en  Keppel  zagen  er  gevaar  in,  met  bovenwater  overstelpt 
te  worden,  terwijl  de  ijzergieterij  te  Keppel  vreesde,  door  gebrek  aan  water  als 
beweegkracht  te  niet  te  zullen  gaan.  Zoo  kwam  er  niets  van  eene  verbetering 
van  eenig  belang. 

In  1840  werd  door  de  heeren  Willink  Ketjen  en  drie  anderen  concessie 
gevraagd,  om  op  hunne  kosten  de  rivier  van  Doesburg  tot  Doetinchem  voor 
de  vaart  van  gewone  beurtschepen  geschikt  te  maken.  Wel  werden  de  plannen 
opgemaakt,  doch  tot  uitvoering  kwam  het  niet. 

Inmiddels  werd  de  toestand  steeds  ongunstiger,  de  verwildering  der  rivier 
nam  steeds  toe,  en  het  regenwater  werd,  door  het  in  cultuur  brengen  van  nieuwe 
terreinen  en  de  verdeeling  der  markegronden,  door  het  verbeteren  der  afwatering 
des  lands  enz.,  steeds  sneller  naar  het  stroomdal  gevoerd.  Bij  hevige  regens 
werd  de  rivier  spoedig  daarop  over-vervuld  met  water.  Daar  behalve  de  Oude 
IJsel  in  het  oosten  des  lands  nog  een  aantal  andere  kleine  rivieren  onder  der- 
gelijke ongunstige  omstandigheden  waren,  werd  door  Gedcp.  Staten  van  Gel- 
derland   in    1843    aan  den  isten  Luitenant  der  Artillerie  W.  A.  C.  Staring  op- 


1}  Sloet,  1,  c. 


Digitized  by 


Google 


249 

gedragen,  een  onderzoek  in  te  stellen  naar  alle  rivieren  en  afftrateringen  in  het 
Zutfensche,  om  plannen  tot  verbetering  te  beramen.  Hieraan  hebben  wij  een 
belangrijk  rapport  over  deze  rivieren  te  danken,  i) 

Een  plan  tot  verbetering  van  den  Ouden  IJsel  was  ook  in  dit  rapport  be- 
grepen. Nog  andere  plannen  werden  er  vervolgens  opgemaakt,  die  wel  geen  van 
alle  tot  uitvoering  kwamen,  doch  welke  de  rivier  beter  leerden  kennen.  Een  plan 
tot  verbetering  werd  in  1883  door  de  Ingenieurs  de  Koning  en  van  Hasselt 
ontworpen,  dat  in  hoofdzaak  werd  goedgekeurd,  doch  daar  de  kosten  hooger 
liepen  dan  men  aanvankelijk  verwacht  had,  kon  het  waterschapsbestnur  van 
den  Ouden  IJsel,  (welk  waterschap  in  1882  was  opgericht)  aan  wien  de  uit- 
voering was  opgedragen,  daartoe  niet  overgaan.  Terwijl  over  hooger  subsidie 
met  de  Regeering  onderhandeld  werd,  kwamen  de  Geldersche  stoomtram  en 
de  Geldersch-Overijselsche  locaalspoorweg  tot  stand,  wat  de  behoefte  aan  een 
scheepvaartkanaal  verminderde.  Het  vroeger  hier  steeds  geliefkoosde  denk- 
beeld, om  door  deze  streken  een  scheepvaartkanaal  tot  den  Rijn  bij  Rees  of 
bij  Wezel  door  te  trekken,  kwam  op  den  achtergrond,  dewijl  vele  ingelanden 
protesteerden  tegen  de  groote  kosten  van  dergelijk  plan.  Evenwel  gaf  de  on- 
houdbare toestand  der  rivier  in  het  voorjaar  van  1887  aanleiding  tot  eene 
nieuwe  poging  van  verbetering,  door  het  waterschapsbestnur  aangewend.  Er 
werd  onderzocht,  welke  vei beteringen  in  den  waterafvoer  met  de  aanwezige 
middelen  waren  aan  te  b  engen.  Een  nieuw  plan  werd  ontworpen,  wijzigingen 
werden  hierin  aangebracht,  doch  over  de  uitvoering  kunnen  wij  nog  niets 
zeggen.  2) 

§   5.   VERDERE   BIJSTROOMEN   VAN   DEN   GELDERSCHKN   IJSEL. 

De  Groote  beek.  In  de  gemeente  Zelheim  vangt  een  watertje  aan,  dat 
de  Vloedbeek  heet.  Vervolgens  krijgt  het  de  namen  :  Witter burgsche-t  ffumme- 
loosche  en  Groote  beek.  De  zijwatertjes  der  Groote  beek  zijn:  de  Letniet- 
water leiding^  het  Middelbeekje  en  de  Luursche  laaky  terwijl  de  Kleine  beek  en 
de  Heeckeren  laak  er  door  middel  van  sluizen  op  afwateren. 

De  Groote  beek  (onder  dien  naam  zullen  wij  haar  geheel  aanduiden)  staat 
reeds  in  het  bovengedeelte  (in  de  Hummeloosche  beek)  in  vrije  verbinding 
met  de  Hengeloosche  beek,  een  bijstroompje  van  de  Hackfortsche  beek.  Aldus 
loost  het  water,  dat  de  Groote  beek  afvoert,  gedeeltelijk  door  hare  uitmonding 
bij  het  kasteel  Ikonkhorst  op  den  IJsel,  gedeeltelijk  door  de  Hengeloosche  en 
Hackfortsche  beek. 

i)  W.  Staring.  Verslag  over  den  toestand  der  rivieren  in  het  Zutfensche  1847. 
2)  De   Oude    IJsel    en   de  plannen  tot  zijne  verbetering.  (De  Ingenieur  1888 
N.  4  en  5,  pag.  25  en  33.) 


Digitized  by 


Google 


25© 

De  Hackfortsche  beek.  De  afwatering  der  landen  onder  Lichtenvoorde 
heeft  plaats  in  de  richting  der  algemeene  terreinhelling :  das  eerst  naar  het  N.W.  en 
vervolgens  meer  W.  Die  afwatering  geschiedt  op  een  beekje,  dat  bij  Vragender 
(gem.  Lichtenvoorde)  ontstaat  onder  den  naam  van  Vragender  beek,  In  haar 
verderen  loop  neemt  het  de  namen  Nieuwe  beek.  Molenbeek^  Ruurlooscke  beek 
Vordensche  beek  en  Hackfartsche  beek  aan,  en  stort  zich  onder  den  naam  Zwarte- 
tvater  in  den  IJsel,  niet  ver  van  de  Baaksche  brug  (Baak  een  kasteel).  Op  de 
meeste  kleine  kaarten  vinden  wij  dit  watertje  als  Vordensche  en  Hackfortsche 
beek  aangegeven. 

De  beek  wordt  door  stuwen  op  het  peil  der  grachten  van  de  huizen 
Ruurloo  en  Wierse  gehouden,  en  wordt  bij  Vorden  en  Hackfort  tot  het  drijven 
van  watermolens  respectievelijk  tot  ii,8S  M.  en  10,13  M.  +  A.  P.  opgestuwd. 

De  voornaamste  beekjes,  die  erop  uitwa teren,  zijn ;  rechts :  de  Oude  beek, 
en  de  Windenbergsche  laak\  links:  de  LUhtenvoordescke  beek^  de  Harveldscke 
beek,  de  Hissink  beek  (die  de  V eengoot  opneemt),  de  Lindensche  laak  (die  de 
Holler  laak  en  de  Deldensche  broeklaak  opneemt),  de  Baaksche  beek^  de  Hen- 
geloosche  beek,  (die,  zooals  wij  boven  zagen,  een  deel  van  het  water  der  Hum-, 
meloosche  beek  afvoert)  en  de  Leigraaf. 

De  Vierakkersche  en  Onderlaatsche  beek.  Deze  beken  voeren  het 
water  van  een  groot  gedeelte  der  gemeenten  Vorden  en  Warnsveld  af,  en 
storten  zich  vereenigd  ten  zuiden  der  stad  Zutfen  vrij  in  den  IJsel. 

De  Berkel.  De  Berkel  ontstaat  bij  Osterwick  in  de  Kreis 
Koesfdd  (Pruisen),  komt  bij  Oldenkotte  op  Nederlandsch  grondge- 
bied en  vereenigt  zich  te  Zutfen  met  den  IfseL  Op  Nederlandsch 
gebied  wordt  zij  achtereenvolgens  opgestuwd  tot  het  drijven  van  den 
stadsmolen  te  Zutfen  (stuwpeil  7,19  M.  -I-  A.  P.),  den  LocJiemschen 
molen  (stuwpeil  12,13  M.  +  A.  P.),  den  Borkulooschenvao^itXil^Xyx^f' 
peil  16,29  M.  -f  A.  P.),  den  Nieuwen  molen  (stuwpeil  19,36 
M.  +  A.  P.),  en  den  Mallemschen  molen  boven  Eibergen,  terwijl  te 
Velhorst^  gem.  Laren,  en  te  Rekken  stuwen  ten  behoeve  van  de 
scheepvaart  bestaan. 

De  Berkel  heeft  op  Nederlandsch  gebied  een  lengte  van  61700 
K.  M.  en  een  stroomgebied  van  24940  H.  A.  Tot  ontlasting  van 
den  Berkel  kan  het  water  door  de  Avinksluis  zijdelings  worden 
afgeleid  naar  de  Bolksbeek^  die  het  verder  naar  de  Schipbeek  af- 
voert. Behalve  door  de  Avinksluis  heeft  het  Berkelwater  bij  hoogen 
waterstand  nog  eene  afleiding  door  het  overloopen  van  den  rechter- 


Digitized  by 


Google 


251 

oever  naar  de  Bolksbeek,  Het  water  overstroomt  dan  de  lage  lan- 
den onder  Neede,  het  zoogenaamde  Spilbroek^  en  komt  door  de 
Ruskemorsgoot  bij  de  Nieuwe  brug  in  den  grintweg  Neede-Borkuloo, 
in  de  Bolksbeek,  De  hoogte,  waartoe  het  water  uit  de  Berkel  door 
de  Avinksluis  kan  worden  afgetapt,  wordt  geregeld  door  eene  com- 
missie uit  de  besturen  der  waterschappen  van  de  Berkel,  de  Schip- 
beek en  de  Dortherbeek.  Te  Lochem  en  te  Borkuloo^  bij  den 
Nieuwen  molen  en  bij  den  Mallemschen  molen  bestaan  schutsluizen 
op  de  Berkel.  De  rivier  is  tusschen  Zutfen  en  Vreden  (Pruisen) 
bevaarbaar  voor  zompen  van  op  zijn  hoogst  lo  ton. 

De  voornaamste  beken,  welke  op  Nederlandsch  gebied  in  de  Berkel 
uitmonden,  zijn:  de  Ramsbeek,  de  Leerinkbeek^  de  Lebbinkbeek 
(meer  bovenwaarts  Groenloosche  Slinge  genoemd),  de  Kaüebeek,  de 
Oude  beek^  de  Tenkhorster  beek^  de  Aalsvoord  en  de  Nieuwe  beek 
met  de  Veengooi, 

De  Groenloosche  Slinge  ontstaat  bij  Winterswijk,  neemt  aan  den 
rechteroever  eenige  beken  op,  welke  van  de  Pruisische  grens  komen 
(de  Henxelsche  beek  met  de  Ratumsche  beek  en  de  Eerdensch^  beek\  en 
valt  onder  den  naam  van  Lebbinkbeek  beneden  Borkuloo  in  de  Berkel. 

De  gemiddelde  waterstanden  op  de  Berkel  waren  boven  de  stuwen  in 
1881  als  volgt:  te  Rekken  24,28,  te  Mallem  22,59,bij  den  Nieuwen 
molen  19,04,  te  Borkuloo  16,25,  *^  Lochem  12,9  en  te  Velhorst 
9,55  M.  +  A.  P.  De  hoogste  standen  waren  hier  respectievelijk : 
25»39  —  22.75  —  19^14  —  16,39  —  12,38  en  10,52  M.  +  A.  P. 

Bij  regenrijke  zomers  hebben  de  Berkellanden  wegens  onvoldoend 
afvoervermogen  der  rivier  veel  van  het  water  te  lijden,  zoodat  er 
dringend  naar  verbetering  gevraagd  wordt. 

De  Eefsche  beek.  De  Ee/sche  en  Jfarfsensche  öeek  ontstaat  onder  den 
naam  Ve;  woldsche  molenbeek  bij  de  hofstede  DamshuUe,  gemeente  Laren,  neemt 
de  Huurnerbeek  met  de  Haarbroeksgoot^  en  dicht  bij  den  mond  de  Polbeek  op, 
valt  vervolgens  bij  het  fort  de  Pol  in  den  IJsel,  Het  gebied  der  Eefsche  beek 
is  van  dat  der  Berkel  gescheiden  door  eene  kade,  de  Dochterensche  waterkee- 
ring  genoemd.  Wanneer  deze  doorbreekt  of  overloopt  ontlast  zich  een  ge- 
deelte van  het  Berkelwater  op  de  Haarbroeksgooi  en  verder  wordt  het  door  dg 
Harfsensche  beek  afgevoerd. 


Digitized  by 


Google 


252 

De  Dorther  beek.  In  het  Ampsensche  broek^  gemeente  Laren,  ontstaat  de 
Oortherbeek.  Aanvankelijk  heet  zij  Voorste  Broekbeek  en  Voorste  beek,  loopt 
vervolgens  langs  het  kasteel  Dorth^  neemt  rechts  de  Zaalbeek  en  links  de 
Il  aar  beek  op,  en  vereenigt  zich  met  de  Koerhuisbeek^  die  bij  het  verlaat  van 
de  Schipbeek  begint,  terwijl  zij  even  boven  Deventer  in  den  IJsel  uitmondt. 

De  Boven-Schipbeek  of  Buurser  beek.  De  Butirserbeek 
of  Bovcn-Schipheek  begint  in  het  Almsieckcrbroek  een  uur  boven 
Ahaus,  loopt  onder  den  naam  van  Aa  langs  Alstatte,  en  komt  bij 
de  Haarmolenbrug  (gem.  Haaksbergen)  op  Nederlandsch  grondge- 
bied. Hier  stroomt  zij  vervolgens  langs  Buurse^  Haaksbergen 
en  Markvelde.  Zij  wordt  op  Nederlandsch  gebied  opgestuwd  tot 
het  drijven  van  den  Oostendorpschen  molen  onder  Haaksbergen,  en 
van  den  Markveldschen  molen  onder  Diepenheim  (stuwpeil  17,18 
M.  -h  A.  P.)  Beneden  den  Markveldschen  molen  verdeelt  de  Schip- 
beek zich  in  twee  armen;  de  rechterarm  stroomt  onder  den  naam 
van  Molenbeek  naar  den  Diepenheimschcn  watermolen  (stuwpeil 
14,38  M  +  A.  P.),  en  vereenigt  zich  benedenwaarts  met  é^  Boven 
Regge,  De  linkerarm  ontlast  zich  door  de  Niewve  sluis^  welke 
het  water  tot  14,90  M.  4-  A.  P.  kan  opstuwen,  in  de  Beneden 
Schipbeek, 

Bij  hoogen  waterstand  heeft  de  Buurserbeek  nog  eene  zijde- 
lingsche  afleiding  bij  de  Oortjesbrug  onder  Buurse  (gem.  Haaks- 
bergen.) Het  water  vloeit  daar  over  'den  rechteroever  heen  naar  de 
Ruibeek  en  de  Hagmolenbeek^  die  het  op  de  Regge  loozen. 

De  Buurserbeek  heeft  van  de  Nieuwe  Sluis  tot  de  grens  een  lengte 
van  ±-  27,8  K.  M.  Het  gebied,  dat  op  deze  beek  afwatert,  beslaat 
in  Pruisen  eene  oppervlakte  van  13770  H.A.  en  in  Nederland 
5390  H.  A. 

De  Beneden-Schipbeek.  Het  benedenste  gedeelte  van  de  boven 
beschreven  rivier  wordt  dikwijls  meer  speciaal  met  den  naam  5<:^/^- 
beck  aangeduid.  Meer  juist  is  het  evenwel  dit  gedeelte  Beneden- 
Schipbeek  te  noemen. 

De  Beneden- Schipbeek  loopt  van  de  Nieuwe  Sluis  (beneden 
Diepenheim)  door  de  gemeenten  Diepenheim,  Markeloo,  Holten, 
Batmen   en  Diepenveen   naar  Deventer,  waar  zij  in  den  IJsel  valt. 


Digitized  by 


Google 


^53 

Die  loozing  geschiedt  door  verscheidene  monden,  welke  alle  kun- 
nen afgesloten  worden.  De  voornaamste  arm  loopt  te  Deventer 
in  de  Vetkolk  en  drijft  een  watermolen  (stuwpeil  5,50  M.  +  A.  P.), 
waarnaast  een  ^floozingsluis  ligt.  De  tweede  arm  loopt  door  de 
hoofdgracht  ten  noorden  van  Deventer,  en  kan  zich  ontlasten  óf  op 
den  IJsel  door  een  sluis  bij  het  bastion  Graaf  van  Buren^öïóooT 
een  tweede  sluis  op  de  binnengracht,  die  door  stuwen  in  verband 
kan  gebracht  worden  met  de  haven  en  met  de  kolk  boven  den 
watermolen. 

Verder  kan  het  water  van  de  Schipbeek  door  de  hulpsluis 
M  Verlaat  op  de  Koerhuisbeek^  en  daardoor  op  den  IJsel  gebracht 
worden,  terwijl  eindelijk  de  schutsluis  aan  het  Pothoofd  ook  tot 
uit  watering  kan  gebruikt  worden. 

Het  beneden  gedeelte  van  de  Schipbeek,  van  de  Snippelingsluis 
tot  de  Pothoofdsltiis  (±  2,4  K.  M.  lang),  is  gekanaliseerd  en  maakt 
deel  uit  van  het  Overijseisch  kanaal  van  Deventer  en  van  Zwolle 
naar  Almeloo.  In  het  belang  van  dit  kanaal  moet  de  beek  hier 
op  een  peil  van  minstens  5,50  M.  -f  A.  P.  gehouden  worden.  Als 
het  water  beneden  dat  peil  komt,  moet  de  sluis  aan  den  bovenmond 
van  de  Koerhuisbeek  gesloten  worden. 

De  lengte  van  de  Beneden  Schipbeek  bedraagt  35,3  K.  M.  Onge- 
veer 12550  H.  A.  lands  wateren  er  op  af.  Die  afwatering  geschiedt 
gedeeltelijk  direct,  gedeeltelijk  door  bijstroompjes,  waarvan  de  vol- 
gende de  voornaamste  zijn  \  links :  het  Noor  dijker  kanaal  en  de 
Bolksbeek  ^  en  rechts:  de  Bensberger  ivaterleiding^  de  Boter  beek 
(die  het  water  van  het  Holterbroek  afvoert),  de  Spildijks  waterleiding 
en  de  waterleiding  van  Kolmschate.  Het  Noordijker  kanaal  voert 
het  water  van  de  hooge  gronden  onder  Neede  en  Gelselaar  af  en 
heeft  geen  geregelden  beneden  mond,  zoodat  het  water  zich  groolen- 
deels  over  de  lage  gronden  van  het  Gelselaarsche  en  Stokkummer 
broek  verbreidt.  De  Bolksbeek  begint  bij  de  Avinksluis  onder  de 
gemeente  Neede,  en  valt  door  twee  armen,  (waarvan  de  oostelijkste 
den  naam  draagt  van  Lindemans  beek),  in  de  Schipbeek.  Daar  de 
Bolksbeek  aan  beide  oevers  bekaad  is,  voert  zij  gewoonlijk  weinig 
water  af.    Bij  hoogen  waterstand  op  de  Berkel  wordt  evenwel  een 


Digitized  by 


Google 


2^4 

gedeelte  van  het  Berkelwater  door  de  Avinksluis  op  de  Bolksbeek 
gebracht,  zooals  wij  zeiden.     (Zie  boven  pag.  250). 

In  de  kaden  langs  de  Bolksbeek  liggen  een  aantal  inlaatsluisjes, 
die  dienen  om  de  achterliggende  landen  met  Berkelwater  te  be- 
vloeien.  Tusschen  de  Berkel  en  de  Schipbeek  zijn  vele  lage  landen 
gelegen,  als  het  Gelselaarsche  broek^  het  Stokkummer  broek^  en  het 
Markeloosche  broek^  welke  bij  eenigszins  hooge  waterstanden  op  de 
Schipbeek  (12  M.  4-  A.  P.  aan  de  Rozendamsbrug)  en  bij  de  veel- 
vuldige doorbraken  der  kaden  van  de  Bolksbeek,  onder  water  wor- 
den gezet.  In  1870  was  de  hoogste  waterstand  op  de  Bolksbeek 
bij  de  brug  in  den  grintweg  van  Lochem  naar  Diepenheim  13,57 
M.  +  A.  P.  en  de  laagste  12,33  M.  +  A.  P.  Het  Gelselaarsche 
broek,  dat  er  aan  grenst,  is  op  vele  plaatsen  niet  hoogerdan  13,20 
\  13,45  M.  -f  A;  P.  (men  vindt  er  ook  grooler  hoogten)  en  het 
Stokkummerbroek  (dat  ten  noorden  van  den  grintweg  Lochem-Die- 
penheim  ligt)  met  het  Voorster  broek,  11,90  ^  12,30  M.  +  A.  P., 
zoodat  het  ontstaan  van  overstroomingen  bij  hoogen  waterstand 
hieruit  blijkt. 

De  scheepvaart  op  de  Schipbeek,  die  vroeger  vrij  belangrijk  was, 
bepaalt  zich  slechts  tot  enkele  zompen.  De  beek  stond  vroeger  met 
de  Boven  Regge  in  verbinding  door  een  schutsluis  te  Wesiervlier, 
Deze  is  thans  opgenrimd  en  vervangen  door  een  sluisje,  waardoor 
de  lage  landen  langs  den  rechter  oever  van  de  Schipbeek  op  de  Regge 
af  wateren. 

De  waterafvoeren  van  de  Schipbeek  werden  in  Jan.  1884  door  den 
Ingenieur  Lely  onderzocht.  Volgens  dezen  had  de  Boven  Schipbeek 
onder  Buurse  van  een  afwateringsgebied  van  14000  H.  A.  een 
maximum  waterafvoer  van  16  M'  per  i''  of  ongeveer  68  M*  per 
i'  en  per  1000  H.  A.,  welke  een  gevolg  was  van  een  regenval  van 
ii,i  \  11,3  mM.  per  etmaal  gedurende  4  è.  5  dagen. 

Op  de  Beneden  Schipbeek  bedroeg  de  maximum-afvoer  te  Batmen 
ruim  13  M*  per  i',  derhalve  minder  dan  bovenwaarts,  zooals  ook 
elders  werd  waargenomen  en  overeenkomende  met  27  M*  per  i' 
en  per  1000  H.  A.  Als  de  afvloeiingscoëfficient  dezelfde  geble- 
ven  was,   zou   de   grootste   afvoer   hier   ter  plaatse  op  Tfo  M»  per 


Digitizèd  by 


Google 


^55 

i'  en  over  looo  H.  A.  berekend  moeten  zijn.  Aldus  is  het  karakter 
der  Schipbeek  geheel  veranderd  in  haar  loop,  en  het  verschijnsel 
der  vermindering  in  vermogen  is  voorzeker  belangrijk. 

Waaraan  dit  is  toe  te  schrijven  ? 

De  heer  Verwey  deelt  nog  een  dergelijk  geval  mede  bij  de  Dender 
in  België  waargenomen.  Dit  riviertje,  dat  in  den  bovenloop  door 
weinig  croordringbare  en  hooge  terreinen  stroomt,  doch  in  den 
benedenloop  in  het  zanddiluvium  is  ingesneden,  had  eveneens  in 
Dec.  1880  eene  sterke  vermindering  in  de  absolute  afvoercijfers 
naar  beneden,  trots  de  toeneming  van  zijn  afwateringsgebied  in 
oppervlakte. 

Of  wij  hier  dus  met  een  ondergrondsche  ontlasting  der  rivier  te 
maken  hebben  ?  Of  dat  de  overstroomingen  der  rivier  in  den  mid- 
denloop eene  groote  hoeveelheid  water  bergen?  Wij  durven  hier- 
omtrent niet  te  beslissen,  daar  wij  den  toestand  gedurende  de  waar- 
nemingen niet  kennen.  De  heer  Verwey,  aan  wien  wij  bovenge- 
noemde opgave  ontleenen,  zegt  er  niets  van.  Het  laatste  komt  ons 
waarschijnlijk  voor. 

De  Schipbeek  is  reeds  vroeg  gekanaliseerd  om  eene  verbinding 
tusschen  den  IJsel  en  de  Regge  tot  stand  te  brengen.  In  eene  re- 
kening van  1353  wordt  er  reeds  melding  van  gemaakt,  en  in  1366 
en  1368  wordt  er  van  geschreven  als  van  »die  Weteringhe  die 
naar  ter  Honnepe  graven  solde."  In  1399  maakte  Deventer  het 
plan,  de  vaart  van  Ter  Honnepe  tot  Arkelstein  en  van  hier  tot  de 
Regge  voort  te  zetten.  In  1404  schijnt  zij  van  Deventer  tot  Die- 
penheim  voltooid  te  zijn.  i)  Het  komt  ons  voor,  dat  hierbij  aan 
eene  kanalisatie  van  het  stroompje  moet  gedacht  worden,  dat  later 
Schipbeek  heette.  De  beekbezinking  langs  de  oevers  wijst  er  toch 
op,  dat  hier  een  natuurlijke  waterafvoeringsvallei  in  de  richting 
van  den  IJsel  bestond.  Evenwel  van  de  Boven  Schipbeek  loopt 
ook  naar  het  noorden  in  vereeniging  met  de  Regge  een  derge- 
lijke vallei,  terwijl  ook  hier  de  waterverbinding  nog  bestaat. 

l)  Van  der  Aa.  —  Dumbar,  Kerlcelijk  en  wereldlijk  Deventer. 


Digitized  by 


Google 


XVI.    HET  LAND  TEN  NOORDEN  VAN  DEN  IJSEL, 
ORO-HYDROGRAPHISCH  BESCHOUWD. 


§    I.      ALGEMEEN   OVERZICHT   EN   INDEELING. 

Het  land  ten  noorden  van  den  IJsel  tot  de  kusten  wordt  oro- 
hydrographisch  door  de  natuur  in  twee  deelen  ingedeeld,  ieder  met 
eigenaardige  hydrographische  toestanden.  Het  zuidelijkste  gedeelte 
strekt  zich  uit  van  de  Schipbeek  in  het  zuiden,  tot  de  lijn  der  rivier 
de  Linde  en  hare  voortzetting  ongeveer  over  Appelscha,  Hooger- 
Smilde  naar  het  noordoosten.  Deze  lijn,  voortgezet  langs  het  Oranje- 
kanaal tot  nabij  de  oostelijke  grens  van  ons  vaderland,  vormt  de 
natuurlijke  scheiding  tusschen  beide  deelen. 

Het  gebied  ten  zuiden  dezer  lijn  Linde- Appelscha-Oranje-kanaal 
tot  de  Schipbeek  in  het  Z.  watert  af  op  de  kom  van  de  Zuiderzee, 
en  de  rivieren  vloeien  alle  in  d\Q  nchiing  cofiv^r^^erémf  ssLtnen.  Het 
terrein  ten  noorden  van  genoemde  lijn,  Friesland,  Groningen  en  het 
noordelijk  deel  van  Drente  omvattend,  watert  af  op  de  omringende 
zeëen:  de  Zuiderzee  en  de  Wadden,  en  de  afwateringen  loopen  hier 
uit  het  middengedeelte,  ongeveer  het  noordelijk  Drente  beslaande, 
divergeerend  naar  alle  kanten. 

Wij  zullen  het  eerste  gedeelte  het  Overijselsch-Drenische  Zuider- 
zeegebied  noemen,  en  het  laatste  het  Friesche  en  Groninger  zee- 
gebied. Tot  dit  laatste  behoort  ook  het  noordelijk  gedeelte  van 
Drente,  zooals  wij  zeiden. 

Wij  willen  trachten  vooraf  een  algemeen  beeld  van  de  oro-hydro- 
graphische  gesteldheid  dezer  beide  deelen  te  geven. 


Digitized  by 


Google 


257 

Van  de  rfselmonden  tot  de  Linde  in  Friesland,  met  de  Zuiderzee 
als  westelijke  grens,  vindt  men,  naar  het  oosten  gaande,  eene  vrij 
regelmatige  verheffing  der  terreinen:  Terwijl  een  smalle  strook  langs 
de  kust  hier  een  gemiddelde  hoogte  van  =  A.  P.  of  daar  beneden 
heeft,  ziet  men  verder  landwaarts  in  eenige  boogvormige  strooken 
van  eenigszins  grootere  hoogte  daarop  volgen  De  terreinen  van 
o  è  I  M.  +  A.  P.,  van  I  è  5  M.  +  A.  R,  van  5  ^  lo  M.  +  A.  P. 
en  van  10  ^  24  M.  4-  A.  P.  vormen  als  het  ware  concentrische 
bogen,  die  in  het  zuiden  door  den  IJsel  en  de  Schipbeek  en  in  het 
noorden  door  de  lijn  der  Linde  en  de  voortzetting  van  deze  lijn 
over  Assen  enz.  begrensd  worden.  De  hoogten  door  het  oosten  van 
Drente  vormen  de  oostelijke  grens.  Het  middelpunt  dier  cirkel- 
bogen  zal  ongeveer  bij  Urk  in  de  Zuiderzee  liggen.  Van  dit  punt 
uitgaande  heeft  dit  geheele  gebied  den  horizontalen  vorm  van  een 
cirkelsector. 

Men  kan  aldus  dit  geheele  terrein  des  lands  als  een  van  de  kust 
der  Zuiderzee,  tusschen  de  IJselmonden  en  de  Tjonger  aanvan- 
gend, en  naar  het  oosten,  noordoosten  en  zuidoosten  amphithea- 
ters-gewijze  zacht  oploopend  land  voorstellen.  De  afzonderlijke 
hoogten  en  kommen,  welke  zich  op  en  in  dit  terrein  bevinden,  zijn 
hierbij  natuurlijk  buiten  beschouwing  gelaten.  Uit  de  hiermede 
aangeduide  orographische  gesteldheid  volgt,  dat  het  afstroomende 
water  van  dit  gebied  in  zijne  geulen  als  zoovele  stralen  naar  één 
middelpunt  moet  vloeien.  Werkelijk  zien  wij  op  eene  gewone 
kaart  reeds,  dat  dit  het  geval  is. 

De  Weteringen^  die  bij  Zwolle  in  het  Zwartewater  samenkomen, 
hebben  over  't  geheel  eene  N.  W.  richting,  en  de  Regge  eveneens. 
De  verder  noordelijk  stroomende  Vecht  loopt  naar  het  W.  De  Reest 
stroomt  eveneens  hoofdzakelijk  in  westelijke  richting.  DocK  de 
Drentsche  wateren,  die  ten  westen  van  den  Hondsrug  stroomen,  vloeien 
hoofdzakelijk  in  Z.  W.  richting.  Het  Echtensche  diep  en  zijne 
voortzetting,  de  tegenwoordige  Hoogeveensche  vaart^  de  Koekanger 
Aa,  de  Ruineruwldsche  Aa  en  de  Beilerstroom^  die  bij  Meppel  in 
het  Meppe  Ier  diep  samenloopen,  de  Steenwijker  Aa  en  verder  de 
Linde   (in    Friesland),    zij    alle    hebben,   als  gevolg  der  beschreven 

IL  17 


Digitized  by 


Google 


2S8 

terreinshelling,  eene  richting  naar  het  Z.  W.  Het  Zwartewater  van 
Zwartsluis  naar  zee  is  als  het  ware  de  trechterpijp,  waardoor  het 
meeste  van  het  overvloedige  en  afstroomende  water  van  ditgeheele 
gebied  naar  zee  stroomt.  De  Steenwijker  Aa  en  de  Linde  alleen 
monden  noordelijker  uit,  de  Beilerstroom  vroeger  ook.  (Zie  pag.  278). 

Het  terrein  in  Friesland  en  Groningen  met  Noordelijk  Drente, 
ten  noorden  van  het  hier  beschrevene,  vormt  een  tegenhanger  van 
het  Overijselsche-Drentsche-Zuiderzeegebied.  Terwijl  in  het  laatste 
de  wateren  naar  een  middelpunt  samenloopen,  verwijderen  zij  zich  in 
Friesland  en  Groningen  naar  hunne  monding  meer  en  meer  van 
elkander. 

Van  de  zeekust,  die  een  boog  vormt  van  Stavoren  tot  den 
Dollart,  rijst  het  terrein  over  't  geheel  naar  het  binnenland.  Langs 
de  Zuiderzee  en  de  Wadden  heeft  het  terrein  over  een  breede  strook 
een  hoogte  van  o  ^  i  M.  -f  A.  P.  Naar  het  binnenland  gaat  dat 
terrein  in  een  strook  van  i  k  5  M.  +  A.  P.  over,  en  verder  in  een 
smalle  strook  van  5  ^  10  M.  +  A.  P.  In  Drente  rijst  daarna  het 
land  nog  tot  10  k  24  M.  -h  A.  P. 

Het  gedeelte  van  Drente  ten  noorden  van  de  boven  op  pag.  256 
aangewezen  grens  (de  lijn  over  Emmen — Assen  naar  de  Linde), 
vormt  als  het  ware  het  centrale  gebied,  vanwaar  in  alle  richtingen 
het  water  wegstroomt  naar  de  omringende  buitenwateren,  Dollart^ 
Eems^  Wadden  en  Zuiderzee,  Van  het  oosten  af  te  beginnen  stroo- 
men of  stroomden  hier:  de  Rutien  Aa  en  Mussei  Aa  (vereenigd 
heeten  zij  Wesierwoldsche  Aa)  in  noordelijke  richting,  de  Ooster- 
moersche  vaart  en  de  Drentsche  Aa  in  N.  W.  richting,  het  Eelder- 
en  Peizerdiep  in  N.  richting,  de  Boorn  en  de  Tjonger  in  Z.  W. 
richting.  Wij  noemen  hierbij  de  richting  van  deze  rivieren  hoofd- 
zakelijk in  het  diluvium,  omdat  zij  in  het  lage  polderland  langs 
de  kust  geheel  door  kunst  geregeld  wordt. 

Ook  dit  laatste  gebied  maakt  aldus  orographisch  een  geheel  uit. 
Men  kan  dit  in  oro-hydrographisch  opzicht  het  Friesche-Gronin^- 
sche  Zeegebied  noemen.  Dat  een  gedeelte  van  Drente  er  ook  toe 
behoort,  zagen  wij  boven. 

Bij  beide  gedeelten,  het  Overijselsche-Drentsche  Zuiderzeegebied  en 


Digitized  by 


Google 


259 

het  Groningsche-Friesche  Zeegebied  kunnen  wij  weder  onderschei- 
den het  land  met  natuurlijke  afwatering  en  dat  met  kunstmatige 
afwatering.  Bij  het  eerste  gebied,  waar  de  afwatering  naar  een 
centrum  plaats  heeft,  is  de  opi^ervlakte  met  kunstmatige  afwatering 
of  het  laagste  gedeelte  natuurlijk  klein  in  verhouding  tot  de  hooge 
terreinen.  Bij  het  laatste  gedeelte  vormt  het  hooge  land 'een  cen- 
traal gebied,  en  neemt  dus  het  omringende  land  met  kunstmatige 
afwatering  het  grootste  gedeelte  in  beslag. 

A.    Het   Overijselsche-Drentsche  Zuiderzeégebied.' 

§  2.    NADERE   BESCHRIJVING   DER   ORO-HYDROGRAPHISCHE  GESTELDHEID. 

Onder  het  Overijselsche-Drentsche  Zuiderzeegebied  verstaat  men  in 
hydrographischen  zin  het  land,  dat  hier  langs  convergeerende  lijnen 
direct  of  indirect  op  de  Zuiderzee  afwatert.  Het  omvat  bijna  de  ge- 
heeleprovincie Overijsel  en  een  groot  gedeelte  der  provincie  Drente. 

De  algemeene  helling  des  terreins  gaven  wij  reeds  aan  in  de 
vorige  §.  In  verband  hiermede  kan  men  in  de  details  nog  eenige 
eigenaardigheden  onderscheiden,  welke  het  overzicht  van  de  hydro- 
graphische  gesteldheid  gemakkelijk  maken. 

Hoewel  toch  de  algemeene  helling  en  afwatering  naar  de  kom 
der  Zuiderzee  wijst,  vindt  men  in  dit  gebied  eenige  natuurlijke 
kommen,  die  wel  niet  door  groote  niveauverschillen,  maar  bovenal 
door  het  samenvloeien  der  afwateringsbeken  in  eenige  centrale  pun- 
ten in  't  oog  springen.  Als  zoodanig  vinden  wij,  van  het  Z.  W. 
aanvangende : 

I.     De  kom  van  de  Sallandsche  weteringen, 
n.     De  kom  van  het  Reggedal. 

III.  De  kom  van  Alraeloo. 

IV.  De  Dinkelvallei. 

V.  De  kom  van  Koevorden. 

VI.  De  Vechtvallei  met  het  Zwartewater. 
VIL     De  kom  van  Meppel. 

De  Vechtvallei  vormt  geen  eigenlijke  kom  doch  een  vallei,  welke  de 


Digitized  by 


Google 


200 

centrale    Hjn   is,    waarop  verschillende    kommen   uitwateren.     Al 
deze  kommen  enz   zullen  wij  achtereenvolgens  behandelen. 

I.     De  kom  der  Sallandsche  weteringen, 

Tusschen  de  Schipbeek,  den  IJsel,  de  Vecht  en  de  Holter-,  Haarler- 
en  Hellendoornsche  heuvelrij  ligt  een  effen,  licht  golvend  terrein, 
dat  zacht  naar  het  westen  en  noorden  afhelt.  Zeer  waarschijnlijk 
behoort  dit  nog  tot  het  gebied  van  de  quatemaire  IJsel-vallei. 
De  hoogte  in  het  zuiden,  iets  ten  N.  van  Deventer,  bedraagt  .-t  12 
M  +  A,  P.  in  het  O.,  en  7  M.  4-  A.  P.  in  het  W.  aan  den  IJsel, 
d.i.  eene  helling  van  0,31  M.  per  K.  M.  Tegenover  Wijhe  is  de 
hoogte  in  het  O.  10  M.  +  A.  P.  en  in  het  W.  4  M.  f-  A.  P.  wat 
een  helling  geeft  van  0,5  M.  per  K.  M.  Tegenover  Hattem  is  in 
het  O.  aan  den  voet  van  den  Lemeler  berg  de  hoogte  6  M.  en  in 
het  W.  I  è  2  M.  +  A.  P. ,  d.  i.  een  helling  van  0,3  M.  per  K.  M. 
Door  deze  helling  der  terreins  heeft  de  afwatering  eerst  in  een  W. 
richting  plaats,  terwijl  de  stroompjes  zich  vervolgens  met  een  kniebocht 
naar  het  noorden  wenden,  en  in  naar  het  noorden  convergeerende 
lijnen  ten  zuiden  van  Zwolle  samenloopen.  Het  terrein  is  zoowel 
in  hydrographisch  opzicht,  als  wat  de  hoogte  en  geologische  vorming 
betreft,  een  tegenhanger  van  dat  ten  W.  van  den  IJsel. 

De  afwatering  van  dit  terrein  geschiedt  door  verschillende  weterin- 
gen, die  naar  het  land  Sallandsche  weteringen  genoemd  worden  en 
in  het  Zwartewater  uitloozen.  Zij  hebben  een  afwateringsgebied 
in  het  geheel  182 17  H.  A.  groot.  Het  zijn  ondiepe  waterloopen, 
welke  hoofdzakelijk  door  het  bovengrondsche  afvloeiingswater  ge- 
voed worden.  Hierdoor  onderscheiden  zij  zich  kenmerkend  van 
de  beekjes  aan  den  linker  IJseloever  op  de  Velu  we.  Terwijl  deze 
veel  door  sprengen  gevoed  worden  en  bijna  nooit  droog  zijn,  is  dat 
met  de  Sallandsche  weteringen  wel  het  geval. 

Van  de  Sallandsche  weteringen  is  de  JNieuwe  Wetering  de  voor- 
naamste, omdat  gerekend  wordt,  dat  in  deze  de  overige  uitloopen. 
Zij  ontstaat  onder  Wezepe  in  de  gemeente  Olst  en  loopt  eerst  langs 
de  grens  tusschen  Wijhe  en  Heinoo^  verder  door  Zwoller ker spel  ^n 


Digitized  by 


Google 


201 

ZwolUj  waar  zij  zich  door  de  stadsgrachten  in  het  Zwartewater 
stort.  De  voornaamste  bijstroomen  zijn:  rechts:  de  Rechtersche 
waterleiding^  de  Rammeler  vloedgraven^  de  Stobbebroeks  waterlei- 
ding^ de  Raalter  wetering^  welke  er  vrij  in  vallen,  en  de  Kolkwete- 
ring^  de  Nieuwe  Kolkwetering^  het  2e  pand  van  het  kanaal  ^/m^- 
loo-Zwolle^  de  waterleiding  ten  noorden  van  dit  kanaal^  en  de 
Mars  Wetering^  die  door  sluizen  er  van  zijn  afgescheiden.  Links 
ontvangt  de  Nieuwe  Wetering  vrij :  de  Oude  Wetering^  de  Zeegraven 
(door  eene  sluis  er  van  gescheiden)  en  de  Soest  Wetering. 

Het  beneden-gedeelte  van  de  Nieuwe  Wetering  is  gekanaliseerd 
en  vormt  mede  het  i^^e  pand  van  het  kanaal  Zwolle- Almelco.  Beneden 
de  Linthorsterbrug  is  de  Nieuwe  Wetering  geregeld  bedijkt,  terwijl 
verder  naar  boven  nog  kaden  bestaan  tot  aan  de  hooge  gronden 
bij  Heinoo. 

De  Oude  Wetering  ontstaat  bij  Middeloo,  gem.  Olst,  loopt  over  Wijhe,  Heinoo 
ZwoUerkerspel  en  valt  bij  Laag-Zutem  in  de  Nieuwe  Wetering.  De  Soest  Wete- 
ring is  de  voornaamste  der  genoemde  bijstroompjes.  Zij  bestaat  thans  uit  twee 
deelen.  Het  bovenste  gedeelte  ontstaat  bij  Holten,  loopt  door  Diepenveen,  waar 
het  zich  vrij  in  het  kanaal  naar  Deventer  stort.  Tegenover  dezen  mond  wordt 
het  overtollige  kanaalwater  door  eene  overlaatsluis  in  het  beneden  gedeelte  van  de 
Soest  Wetering  geleid.  (Vroeger  was  zij  een  geheel.)  Dit  laatste  gedeelte  loopt 
door  Diepenveen,  Olst,  Wijhe,  Heinoo  en  ZwoUerkerspel  en  valt  onder  Zwolle 
in  de  Nieuwe  Wetering.  De  voornaamste  bijstroompjes,  die  zich  in  de  Soest- 
Wetering  uitstorten,  zijn:  de  Averloosche  Groote  Leide,  benevens  een  paar  water- 
leidingen, die  zich  beneden  de  Soestbnig  door  sluizen  er  in  ontlasten,  en  verder 
de  Zand  Wetering.  Tieneden  de  buitenplaats  Zandkoven  is  deze  wetering  bedijkt; 
verder  naar  boven  vindt  men  er  nog  kaden  langs  tot  aan  de  Soestbrug. 

De  Zand  Wetering  ontstaat  onder  de  gemeente  Diepenveen,  loopt  verder  door 
de  gemeente  Olst,  Wijhe  en  ZwoUerkerspel,  ec  valt  bij  Hoog  Zutem  in  de 
Soest  Wetering.  De  Nieuwe  Kolkwetering  ontlast  door  een  sluis  nabij  sluis  i 
van  het  kanaal  Zwolle — Almeloo  op  de  Nieuwe  Wetering  het  afvloeiingswater 
van  1335  H.  A.  hooge  gronden.  De  Waterleiding  ten  noorden  van  het  kanaal 
van  Almeloo  naar  Zwolle  ontlast  zich  ook  nabij  sluis  i  op  de  Nieuwe  Wete- 
ring, en  verder  door  een  sluisje  nabij  de  Kluizenaarsbrug  op  het  2de  pand  van 
bovengenoemd  kanaal.  De  Mars  Wetering  brengt  door  de  Linker  Zijl  het 
overtollige  water  van  1335  H.  A.  hooge  landen  op  de  Nieuwe  Wetering. 


Digitized  by 


Google 


202 


II.     De  kom  van  het  Reggedal. 

Het  gebied  der  Sallandsche  weteringen  wordt  in  het  oosten  be- 
grensd door  een  heuvelrij,  welke  zich  van  het  zuiden  naar  het 
noorden  uitstrekt.  Ten  noorden  van  de  Schipbeek  liggen  eerst  de 
Markeloosche^  Hulpe^  Heumel  en  H er iker bergen^  en  iets  noordelijker 
de  41  M.  hooge  Triezenberg^  welke  zich  in  de  Rijsensche  hoogten 
voortzet.  Naar  het  N.  W  sluit  de  Friezenberg  zich  met  een  rij 
hoogten  aan  bij  de  reeks  der  Holterbergen  (hoogste  68  M.  +  A.  P ) 
die  zich  noordwaarts  voortzet  als  Haarlerberg^  (76  M.  +  A.  P.)  en 
Hellendoornsche  bergen^  met  hoogten  van  50  en  66  M.  +  A.  P. 
Na  een  korte  onderbreking  der  rij,  waarvan  partij  getrokken  is  om 
hier  het  Overijselsche  kanaal  dwars  door  te  graven,  verheft  de 
heuvelreeks  zich  noorderlijker  nog  weder  in  den  Lemelerben^  tot 
80  M  +  A.  P. 

Deze  heuvelrij  is  misschien  eene  voortzetting  van  den  diluvialen- 
rug,  die  zich  in  de  Lochemsche  en  Montferlandsche  bergen  doet 
kennen,  en  die  ook  in  de  Kleefsche  hoogten  zich  openbaart.  Het 
dal  van  de  Regge  wordt  door  genoemde  heuvelrij  naar  het  westen 
afgesloten.  In  het  oosten  mist  het  Reggedal  dergelijke  afsluitingen 
loopt  langzaam  op. 

Het  dal  van  de  Regge  is  eene  voortzetting  van  het  type  der 
N.  W.  loopende  rivierdalen,  dat  wij  in  den  bovenloop  van  de 
Groenloosche  Slinge  enz.  (zie  II  pag.  243)  leerden  kennen.  Naar  het 
uiterlijk  heeft  het  het  voorkomen  van  eene  vallei,  door  het  smelt- 
water van  het  oostwaarts  terugtrekkende  landijs  gevormd,  en  dat 
ten  oosten  langs  de  heuvelrij  naar  het  noorden  afliep,  om  zich  ver- 
volgens met  de  grootere  watermassa  van  het  Vechtdal  te  vereenigen.  In 
het  zuiden  vormt  het  Reggedal  een  kleine  ondiepe  kom  ten  O.  van 
Rijsen,  waar  verschillende  bijstroompjes  samenloojDen  en  rivierklei  heb- 
ben afgezet.  De  hoogte  van  het  rivierdal  is  in  het  Z.  i  16  M.  +  A.  P., 
bij   Rijsen    ±10  M.,  bij  Lemele  8  M.  en  aan  den  mond  ^  6  M. 

De  Regge.  De  Regge  begint  bij  het  huis  Westervlier  in  de 
gemeente  Diepenheim^  en  neemt  meer  benedenwaarts  aan  den  rechter- 
oever de  Diepenheimsche  molenbeek  op,  die  een  deel  van  het  water 


Digitized  by 


Google 


203 

der  Boven  Schipbeek  of  Buur ser beek  afvoert  (zie  II  pag.  252).  De 
rivier  stroomt  verder  langs  Goor,  waar  zij  ten  behoeve  van  eene 
stoombleekerij  wordt  opgestuwd,  langs  Enter ^  en  vereenigt  zich  bij 
de  hofstede  V  Exo  met  de  Almeloosche  Aa.  De  aldus  ontstane 
rivier  behoudt  den  naam  van  Regge,  stroomt  verder  langs  Rij- 
sen^  Nijverdal^  Hellendoorn^  Egede  en  Archem,  en  vereenigt  zich 
bij  de  hofstede  Dunnewoud  beneden  Ommen  met  de  Vecht. 

Bij  Hankate  beneden  Egede  wordt  de  Regge  opgestuwd  ten 
behoeve  van  het  Overijselsche  kanaal,  (stuwpeil  5,7oM  -f  A.  P.)en 
boven  de  stuw  volgt  het  kanaal  een  korten  afstand  de  rivier,  die 
hier  gekanaliseerd  is. 

De  Regge  voert  het  afvloeiings water  af  van  ongeveer  120000 
H.  A.  lands,  meest  hooge  gronden.  Bovendien  ontvangt  de  Regge 
nog  een  deel  van  het  water  der  Boven  Schipbeek  (zie  pag.  252) 
die  een  gebied  van  -h  23000  H.A.  heeft. 

Bij  hoogwater  wordt  de  Regge,  hoewel  gebrekkig,  door  zompen 
tot  Goor  bevaren.  De  waterstanden  op  de  Regge  waren  in  1880 
de  volgende: 

Waterstanden  op  de  Regge  in  1880. 


Plaatsen. 


'S  55 

rt  4)' 

<  s 


Gemiddelde  Stand 


«'S  7 


dg 

'S  £ 

a 


Hoogste  Stand. 


Goor  (boven  de  stuwen)     57,720  +  10,14 

Rijsen 41^520  +  8,08 

Nijverdal 32,280  +  7,04 

Schuilenburg ,  24,260;+  6,58 

Hankate  (bovendestuw)     17,600+  5,85 

Nieuwe  brug  bij  Ommen  I    6,480+  3,69 


4- 
-h 
+ 
+ 
+ 
4,87.+ 


10,59 

8,95 
8,06 

7,15 
6,41 


10,86  (27  Dec.) 

9,41  (29  Dec.) 

8,70  (29  Dec.) 

7,62  (29  Dec.) 

6,80  (31  Dec.) 

5,46  (31  Dec.) 


Het  gedeelte  der  Regge  boven  de  vereeniging  met  diQAlmelosche  Aah\]'t  Exo 
wordt  gewoonlijk  de  Boven  Regge  genoeird,  en  het  gedeelte,  dat  daar  beneden 
ligt.  Beneden  Regge.  De  aanvoer  van  water  uit  de  Aa  is  zoo  aanzienlijk,  dat 
het  karakter  der  rivier  er  geheel  door  veranderd  wordt.  De  Beneden-Regge 
is  daardoor  beter  bevaarbaar. 

De    Regge  ontvangt   in    haar    loop    water   van   onderscheidene   bijstroomen, 


Digitized  by 


Google 


264 

welke  meest  van  den  rechterkant  komen.  Dit  is  een  gevolg  hiervan,  dat  aan 
dien  kant  het  terrein  zacht  oploopt,  en  aan  den  anderen  kant  de  rivier  langs 
de  heuvelrij  stroomt. 

De  voornaamste  bijstroomen  van  de  Boven-Regge  zijn: 

De  Holdijksbeek  links,  die  zich  boven  den  dam  bij  Goor  met  de  Oude  Beek 
vercenigt. 

Rechts  ontvangt  de  Regge:  de  Zeldammerbeek^  de  Hagmolenbeek  en  de 
Twikkelsche  vaart.  De  Zeldammerbeek  en  de  Hagmolenbeek  ontstaan  uit 
de  samenvloeiing  van  verschillende  waterleidingen,  die  onder  Plaaksbergen, 
dicht  bij  den  rechteroever  van  de  Buurserbeek  (zie  pag.  252),  haar  oorsprong 
nemen.  De  Twikkelsche  vaart^  ook  Schipvaart^  aan  het  benedeneinde  Nieuwe 
beek  geheeten,  is  grootendeels  een  gegraven  kanaal,  dat  in  1774  ten  behoeve 
van  de  scheepvaart  werd  aangelegd,  doch  als  zoodanig  geheel  is  vervallen.  Zij 
begint  te  Karelshaven  bij  Delden  en  loopt  tot  aan  de  Boven-Regge  tegenover 
Enter.  Slechts  een  vaste  stuw  is  er  in  dit  kanaal  aanwezig. 

De  Twikkelsche  vaart  dient  thans  tot  afwatering  van  de  belendende  gronden. 
Zij  neemt  even  beneden  Karelshaven  de  Tochtsloot  op,  die  het  water  van  het 
Deldenervlier  afvoert,  en  door  een  sluisje  met  stuwplanken  van  de  vaart  ge- 
scheiden is. 

Bij  Karelshaven  is  de  Twikkelsche  vaart  door  een  dam  van  de  Aselerbeek 
gescheiden.  Door  middel  van  een  duiker  met  een  schuif  kan  zij  evenwel 
hieruit  nog  water  ontvangen. 

III.    De  wateren  in  de  kom  van  Almeloo  en  de  Almeloosche  Aa, 

Ten  oosten  van  Almeloo  vormt  het  terrein  een  soort  van  kom, 
waarvan  de  Twentsche  heuvelrij,  van  Enschede  naar  Ootmarsum, 
den  oostelij  ken  rand  uitmaakt.  Langs  de  westelijke  helling  van  ge- 
noemde heuvelrij  loopt  van  Haaksbergen  in  het  zuiden  tot  de 
noordelijke  grens  van  Twente  toe  het  water  uit  verschillende  rich- 
tingen van  het  N.,  N.O.,  O.,  Z.O.,  en  Z.  naar  één  middelpunt 
bij  Almeloo  samen.  De  hoogte  aan  de  oostelijke  randen  dier  kom 
is  +  25  k  30  M.  H-  A.  P.  De  waterscheiding  naar  den  kant  der 
Regge  is  25  M.  -f  A.  P.  in  het  Z.  bij  Steppeloo,  en  22  M.  hoog 
op  de  Delder  esch.  Bij  Almeloo  daalt  het  terrein  tot  12  M.  +  A.P. 
De  zuidelijkste  beken  hebben  door  genoemde  helling  eene  N.W. 
en  de  noordelijkste  eene  Z.  W.  richting.  Boven  Almeloo  vereeni- 
gen  zich   die   verschillende   stroompjes   tot   een    water,   de  Loolee^ 


Digitized  by 


Google 


205 

dat  weder  onderscheidene  splitsingen  ondergaat  en  gedeeltelijk  naar 
het  W.  op  de  Regge  uit  watert.  De  kom  van  Almeloo  heeft  een 
afwateringsgebied  van  61,300  H.  A. 

De  voornaamste  van  deze  stroompjes  zijn,  van  het  zuiden  af  te 
beginnen,  de  volgende: 

De  Aselerbeek.  Dit  watertje  ontspringt  onder  den  naam  van  IJegebeek 
bij  de  Pruisische  grens  tasschen  Haaksbergen  en  Enschede  en  neemt  verder 
benedenwaarts  achtereenvolgens  de  namen  Rutheek  en  Oelerbeek  aan,  terwijl 
alleen  het  benedenste  gedeelte  den  naam  van  Aselerbeek  draagt.  Zij  stroomt 
langs  de  buurtschappen  Boekeloo  en  Oele  en  langs  het  landgoed  TwikkeL  Be- 
neden Zenderen  vcrcenigt  zij  zich  met  de  Loolee^  en  de  vereenigde  rivier 
behoudt  dezen  laatsten  naam.  Dat  zij  bij  Karelshaven  door  een  dam  van  de 
Twikkelsche  vaart  gescheiden  is,  merkten  wij  reeds  op.  Bij  Oele  en  Karelsha- 
ven wordt  de  beek  opgestuwd  tot  het  drijven  van  molens. 

Dat  de  Rutbeek  bij  hoogen  waterstand  nog  water  van  de  Buurserbeek  of 
Bovenschipbeek  door  overstrooming  der  landerijen  ontvangt,  hebben  wij  reeds 
gezien  (II,  pag.  252). 

De  Gammelkerbeek  en  de  beken  van  Borne  en  Hengeloo.  Van 
de  beken  van  Borne  en  Hengeloo  is  de  Barjloosche  beek  de  voornaamste.  Zij 
ontspringt  op  de  hoogten  benoorden  Enschede,  loopt  oisAtx  ^'tisskvasxL  Koekkoeks- 
beek en  Ehbeek  naar  Hengeloo,  en  komt  daar  samen  met  de  Drienerbeek^  die 
de  Sikbeek  en  andere  waterleidingen  heeft  opgenomen.  Te  Hengeloo  wordt  de 
Barfloosche  beek  op  twee  plaatsen  ten  behoeve  van  bleekerijen  en  de  Driener- 
beek  eenmaal  ten  behoeve  eener  fabriek  opgestuwd.  Beneden  Hengeloo  wordt 
deze  beek  nogmaals  opgestuwd  ten  behoeve  van  de  omliggende  weilanden,  en 
neemt  links  de  Woolderbeek  en  rechts  de  Bornetche  beek  op.  Boven  Borne 
verdeelt  zij  zich  in  twee  armen.  De  rechterarm  voert  het  meeste  water  af, 
stroomt  ten  oosten  van  Borne,  en  neemt  rechts  de  ffasseUrbeek  en  de  Deurnin- 
gerbeek  op.  De  linkerarm  stroomt  door  het  dorp  Borne  en  vereenigt  zich  daar 
beneden  weder  met  den  anderen  arm. 

Deze  vereenigde  beek  wordt  hier  ten  behoeve  van  de  scheepvaart  opgestuwd, 
en  neemt  daar  beneden  den  naam  aan  van  Aa  of  Oude  beek.  Deze  verdeelt 
zich  bij  het  Weleveld  weder  in  twee  armen,  de  Oude  Beek  en  de  Nieuwe  beek^ 
die  zich  verder  met  de  Loclee  en  de  Aselerbeek  vereenigen.  De  Loolee  en  de 
Oude  beek  worden  bij  hoogen  waterstand  van  Almeloo  tot  aan  het  Loo  en 
Borne  met  turfschuiten  bevaren. 

—  Ten  noorden  van  de  Aselerbeek  vindt  men  een  groep  van  beken,  welke  even- 
eens in  de  Loolee  uitmonden,  en  die  wij  onder  bovenstaanden  naam  samen- 
vatten. 


Digitized  by 


Google 


266 

De  Gammelkerbeek  ontspringt  op  de  hoogten  ten  zuiden  van  Oldenzaal  en 
vereenigt  zich  bij  het  Loo  met  de  Loolee, 

De  beken  van  Weerseloo.  Bij  de  buurtschap  het  Loo  (ten  O.  van  Al- 
loo)  komen  verschillende  beken  samen.  De  voornaamste  zijn  :  de  Spriekersbeek 
met  de  Lemseler  en  de  Saasvelderbeek^  de  Rossummerbeek,  benedenwaarts  Stou- 
webeek  en  Weerseler  Loolee  of  enkel  LooUe  geheeten,  en  de  Fleringer  Molen- 
beek, De  Molenbeek  komt  van  de  hoogten  van  Ootmsrsum  en  Tubbergen,  de 
andere  komen  van  die  bij  Oldenzaal.  Het  water  van  deze  beken  wordt  op 
verschillende  plaatsen  gebruikt  tot  bevloeiing  van  groenlanden,  en  het  is  daar- 
door somtijds  moeielijk  cene  bepaalde  bedding  te  herkennen. 

De  Loolee.  De  Loolee  wordt  aldus  gevormd  door  de  samen- 
vloeiing van  de  boven  beschreven  drie  groepen  van  beken :  de  Ase- 
lerheek,^  de  Gammelkerbeek  met  de  beken  van  Borne  en  Hengeloo 
en  de  beken  van  Weerseloo,  Bij  de  buurtschap  het  Loo  (ten  O.  van 
Almeloo)  vangt  zij  aan  uit  de  vereeniging  der  Weer  seloosche  beken,^ 
en  neemt  vervolgens  de  Gammelkerbeek,^  de  Aa  of  Oude  Beek  en 
de  Aselerbeek  op.  Boven  Almeloo  verdeelt  zich  de  Loolee  in  twee 
armen.  De  linkerarm  stroomt  met  drie  takken,  die  alle  worden  op- 
gestuwd, door  Almeloo^  en  neemt  beneden  deze  stad  de  namen  van 
Almeloosche  Aa  en  Nieuwe  graven  aan.  Vervolgens  vereenigt  zij 
zich  met  de  van  Wierden  komende  Aa  en  stort  zich  bij  V  Exo  in  de 
Bo7)en'Regge,  De  vereenigde  rivier  heet  vervolgens  Beneden-Regge. 

De  rechterarm  van  de  Loolee  blijft  dien  naam  behouden  en 
stroomt  noordwaarts.  Zij  neemt  de  van  Tubbergen  komende  ^ör/J/- 
graven  op,  vereenigt  zich  bij  Pieter-Nardus  met  de  Schipslóot  van 
Friezenveen,  en  vormt  met  deze  de  Hollander  graven.  De  Hol- 
lander graven  mondt  vrij  uit  in  het  zesde  pand  van  het  kanaal 
van  Almeloo  naar  Zwolle,  dat  hierdoor  gevoed  wordt.  Het  over- 
tollige water  wordt  door  een  ontlastsluis  op  het  benedengedeelte 
der  Hollander  graven  gebracht,  dat  beneden  Wierden  den  naam 
van  Aa   aanneemt  (zie  boven),  en  in  de  Nieuwe  graven  uitmondt. 

Verder  heeft  het  water  der  Ij>olee  nog  eene  afleiding  bezuiden 
Almeloo,  even  voor  de  Almeloosche  Aa.  Door  eene  waterleiding,  en 
bij  hoogen  waterstand  ook  over  lage  gronden  heen,  stroomt  het 
naar   de    Weesebeek,^    die  benedenwaarts  den  naam  van  Molenbeek 


Digitized  by 


Google 


267 

aanneemt,   en  zich  met  de  Almeloosche  Aa  tot  de  Nieuwe  graven 
vereenigt. 

IV.     De  Dinkelvallei  en  de  Tiventsche  heuvels, 

In  de  lijn  van  Enschede  naar  Ootmarsum  liggen  eenige  heuvel- 
groepen,  welke  een  tegenhanger  vormen  van  die  ten  westen  der 
Regge,  en  ook,  evenals  de  laatste,  aan  den  oostkant  door  een 
rivierdal  begrensd  worden.  Ten  Z.  O.  van  Enschede  bij  Esch- 
marke  vindt  men  hier  een  zacht  oploopende  hoogte  van  52  M.  4- 
A.  P.,  iets  noordelijker  ligt  de  Lonnekerberg  van  61  M.  4-  A.  P. 
en  na  een  korte  onderbreking  verrijst  ten  O.  van  Oldenzaal  de 
Tankenberg  (de  grootste  hoogte  82  M.)  als  een  eiland  met  veel 
terreinsafwisseling  en  schoone  valleien  uit  de  vlakke  velden. 
Eene  heidevlakte  breekt  de  rij  weder  af,  terwijl  zij  zich  ten  noorden 
van  Ootmarsum  weder  verheft  tot  een  heuvelland,  waarvan  enkele 
deelen  tot  75  M.  +  A.  P.  reiken. 

Deze  heuvelrij  vormt  de  waterscheiding  tusschen  de  beken  uit  de 
kom  van  Almeloo  en  de  Dinkelvallei,  welke  laatste  het  diluviale 
terrein  met  een  strook  jongere  rivierbezinksels  heeft  doorsneden. 
Bij  het  binnenloopen  van  Twente  ligt  het  Dinkeldal  40M. -f  A.P., 
en  bij  het  verlaten  van  ons  land  20  M.  4-  A.  P. 

De  Dinkel  ontspringt  in  de  buurtschap  Holtwick  ten  N.  W. 
van  de  stad  Koesfeld  in  Pruisen,  op  de  noordelijke  helling  der 
hoogten,  waarop  ook  de  Berkel  en  de  Vecht  met  de  Steinfurter  Aa 
ontstaan.  Door  vele  bronnen  gevoed  is  de  Dinkel  reeds  spoedig 
in  staat  watermolens  te  drijven.  Beneden  het  stadje  Gronau  komt 
de  Dinkel  op  Nederlandsch  gebied,  loopt  eerst  dicht  langs  de  grens 
door  de  gemeente  Losser^  vervolgens  door  de  gemeente  Denekatnp^ 
en  verlaat  bij  het  Stokkenspik,  een  vonder  in  het  voetpad  van 
Brekelenkamp  naar  Ootmarsum,  het  Nederlandsch  gebied  weder.  Zij 
loopt  verder  langs  Lage  en  Neuenhaus  en  stort  beneden  laatstge- 
noemde plaats  haar  water  in  de  Vecht.  De  Dinkel  kronkelt  met 
haar  bochtigen  loop  in  Nederland  door  vrij  hooge  groengronden, 
terwijl  zich  de  hoogere  bouwlanden  ook  hier  en  daar  tot  nabij  de 
oevers  uitstrekken. 


Digitized  by 


Google 


268 

De  Dinkel  wordt  op  Nederlandsch  gebied  opgestuwd  tot  het 
drijven  van  een  watermolen  bij  het  landgoed  Singraven  onder  De- 
nekamp  (stuwpeil  24,80  M.  +  A.  P.).  Bij  hoog  water  heeft  hier 
de  Dinkel  nog  eene  afleiding  naar  het  lager  gelegen  pand  door 
het  overloopen  van  den  linkeroever  boven  Singraven.  Het  over- 
strooraingswater  komt  dan  op  de  Voltherbeek  en  wordt  door  de 
Hollandsche  graven  even  binnen  de  grens  weer  op  de  Dinkel  ge- 
bracht. 

Op  Duitsch  gebied  wordt  de  Dinkel  verder  nog  tot  het  drijven 
van  watermolens  opgestuwd  te  Lage  (stuwpeil  18,72  M.  +  A.  P.) 
en  te  Neuenhaus  (stuwpeil  17  M.  -f  A.  P.). 

De  lengte  van  de  Dinkel  is  ongeveer  81  K.  M.,  waarvan  onge- 
veer 36  K.  M.  van  den  bovenloop  op  Duitsch  gebied,  verder  38,8 
K.  M.  op  Nederlandsch  gebied,  en  in  den  benedenloop  weer  9,3 
K.  M.  in  Duitschland  liggen.  Het  watertje  heeft  een  stroomgebied 
van  84,200  H.  A.,  waarvan  er  22,200  tot  Nederland  behooren. 

De  voornaamste  bijstroomen  van  de  Dinkel  zijn:  rechts:  de 
Ruenberger  beek  en  de  Gek  beek  en  links:  de  Glaner  beek  en  de 
Hollandsche  graven. 

De  Gele  deek,  die  in  haar  bovenloop  eerst  Puntbeek  en  later  Sombeek  heet, 
ontstaat  aan  de  Daitsche  giens  bij  den  spoorweg  Oldenzaal— Salzbergen.  Zij 
neemt  rechts  nog  de  Rammelbeek  op,  die  in  het  Bentheimer  woud  ontspringt. 
Even  beneden  de  grens  vereenigt  zij  zich  met  de  Dinkel. 

De  Glaner  beek  ontstaat  in  het  Amsveen  op  de  Rijksgrens,  dat  grootendeels 
hierop  afwatert.  Verder  neemt  zij  aan  den  linkerkant  het  water  op,  dat  door  ver- 
schillende beekjes  van  de  oostelijke  helling  der  hooge  gronden  bij  Enschede  afvloeit. 

De  Hollandsche  graven  ontstaat  uit  de  samenvloeiing  van  een  aantal  beken 
en  waterleidingen,  waarvan  de  voornaamste  de  Voltherbeek  is.  Deze  laatste 
ontstaat  onder  den  naam  van  Linderbeek  op  de  hoogte  tusschen  Oldenzaal  en 
Denekamp,  loopt  door  het  Ang;eler  broek,  neemt  links  de  Roelinkbeek  op  en 
vereenigt  zich  benedenwaarts  met  het  Vree.  De  aldus  ontstane  beek  neemt 
vervolgens  de  namen  aan  van  Tilligter  beek^  Hamburger  beek  en  Hollandsche 
graven^  en  valt  onder  den  naam  Lange  Voord  even  boven  het  Stokkenspik 
(zie  boven  pag.  267)  in  de  Dinkel. 

Boven  zagen  wij,  hoe  het  water  van  de  Dinkel  boven  den  molen  van  Sin- 
graven links  wordt   afgeleid.     Nog   eene  andere  afleiding  heeft   de  Dinkel  iets 


Digitized  by 


Google 


209 

hooger  op  aan  den  rechter  oever  boven  de  Beuninger  brug.  Het  water  over- 
stroomt hier  soms  de  lage  landen  bij  de  Mekkelhorst  en  wordt  vervolgens  door 
de  Sombeek  boven  den  molen  van  Singraven  weer  op  de  Dinkel  gebracht. 

De  hoogste  waterstand  op  de  Dinkel  is  in  de  brug  bij  Den  Vis- 
scher  (in  den  weg  van  Denekamp  naar  Oldenzaal)  ±  25,65  M.  4- 
A.  P.,  en  aan  de  Penninksbrug  (in  den  weg  van  Denekamp  naar 
Ooimarsum)  ongeveer  22,05  M.  +  A.  P. 

V.    De  Kom  van  Koevorden  en  haar  afwatering. 

Door  de  zuidelijke  afbelling  van  het  zuidelijk  deel  van  den 
Hondsrug  in  Drente  en  door  de  terreinhelling  ten  zuiden  van  het 
bovenste  gedeelte  van  het  Oranjekanaal  tot  nabij  Westerbork  in 
de  richting  van  Koevorden,  wordt  op  deze  plaats  een  trechter- 
vormige ondiepe  kom  gevormd,  waarin  verschillende  stroompjes  naar 
Koevorden  samenloopen,  en  die  gezamenlijk  loozen  door  het  Koe- 
vordensch  kanaal  op  de  Vecht.  De  randen  van  deze  vlakke  kom 
hebben  eene  hoogte  van  17  M.  +  A.  P.  bij  Zweeloo,  bij  Noordsleen 
van  16  M.  4-  A.  P.,  en  bij  Emmen  van  22  M.  4-  A.  P.  Naar 
het  zuiden  daalt  het  terrein,  dat  bij  Koevorden  9  ^  10  M.  -f  A. 
P.  hoog  is.  Hierdoor  is  de  richting  naar  Koevorden  aangewezen 
voor  afwatering  van  het  terrein,  en  daar  vloeien  ook  de  verschil- 
lende stroompjes  samen  met  het  Schoonebeeker  diep,  dat  over  de 
Rijksgrens  stroomt.  Door  kanalisatie  is  evenwel  veel  verandering 
in  de  natuurlijke  afwatering  gebracht. 

De  voornaamste  beekjes  in  de  Koevordensche  kom  zijn  de  volgende : 

Het  Loodiep.  Het  Loodiep  ontstaat  onder  Zweeloo  en  heeft  een  loop 
naar  het  zuiden  voorbij  Zwinderen  naar  Koevorden.  Door  het  verlengen  van 
de  Hoogeveensche  vaart  naar  het  oosten  is  het  Loodiep  in  twee  deelen  ver- 
deeld. Het  noordelijk  deel  loopt  door  eene  doorlaatbrug  in  den  noordelijken 
kanaaldijk  uit  in  de  Hoogeveensche  vaart.  Het  beneden  gedeelte  van  het  Loo- 
diep, ten  zuiden  van  de  Hoogeveensche  vaart,  mondt  uit  in  de  buitengracht  van 
Koevorden.  Dit  gedeelte  moet  thans  het  water  afvoeren,  dat  uit  de  Hooge- 
veensche vaart  door  het  openen  der  schutten  in  den  kanaaldijk  er  op  wordt 
geloosd.    In    het  beneden  gedeelte  van  het  Loodiep  zijn  twee  stuwen  geplaatst, 


Digitized  by 


Google 


270 

die  .in  het  voorjaar  gedurende  eenigen  tijd  gesloten  worden,  om  de  gronden 
van  het  waterschap  Zwinderen  te  bevloeien. 

Het  Drostendlep.  Tusschen  Westerbork  en  Zweeloo  ontstaat  heiDroiien- 
diep.  Het  wordt  met  een  grondduiker  onder  de  Hoogeveensche  vaart  door- 
gevoerd, neemt  links  het  Hoolslootsdièp  op,  en  mondt  thans  uit  in  het  beneden - 
pand  van  het  Stieltjes  kanaal.  Het  water  van  het  bovengedeelte  van  het 
Drostendiep  wordt  in  den  regel  door  de  waterleiding  van  de  Klenke  naar  de 
Hoogeveensche  vaart  afgevoerd.  Gedurende  het  voorjaar  wordt  het  water 
eenigen  tijd  op  het  benedengedeelte  van  het  Drostendiep  gebracht,  om  gebruikt 
te  worden  tot  bevloeitng. 

Het  Hoolslootsdiep  begint  onder  den  naam  van  SUenerstroom  ten  zuiden 
van  het  Oranjekanaal,  wordt  door  een  grondduiker  onder  de  Hoogeveensche 
vaart  door  geleid,  en  vereenigt  zich  met  het  Drostendiep.  Het  overtollige  water, 
dat  uit  het  vierde  pand  van  het  Oranjekanaal  door  den  overlaat  bij  Zuid 
Barge  en  door  de  ontlastsluis  boven  sluis  4  wordt  geloosd,  moet  dit  diep  af- 
voeren. Het  Drostendiep  en  het  Loodiep  ontvangen  het  overtollige  water,  dat 
bij  het  openen  der  schutten  uit  het  7de  pand  van  de  Hoogeveensche  vaart 
wordt  geloosd. 

Het  Schoonebeeker  diep.  Het  Schoonebeeker  diepy  dat  in  Pruisen  meer 
bekend  is  als  Aa,  begint  in  de  venen  ten  oosten  van  de  Drentsche  grenzen  en 
neemt  verschillende  afwateringen  van  de  veenkoloniën  op.  Beneden  grenspaal 
156  vormt  het  de  grensscheiding  tusschen  Nederland  en  Pruisen.  Vroeger 
mondde  dit  diep  in  de  buitengracht  van  Koevorden  uit,  doch  thans  wordt  zijn 
water  door  middel  van  een  doorlaatbrug  in  den  noordelijken  kanaaldijk  door 
het  benedenpand  van  het  kanaal  Koevorden — Picardië  opgenomen.  Het  be. 
neden  gedeelte  is  bij  den  aanleg  van  dit  kanaal  afgesloten  en  gedeeltelijk 
vergraven. 

Het  Koevorden — Vechtkanaal.  Vroeger  waterden  boven- 
genoemde stroompjes  alle  uit  op  de  gracht  te  Koevorden,  die  op  haar 
beurt  het  water  door  de  Kleine  Vecht  weder  op  de  Vecht  loosde. 
In  1860  is  door  de  Koevorder  Kanaalmaatschappij  het  kanaal  van 
Koevorden  naar  de  Vecht  voltooid.  Dit  kanaal  wordt  thans  ge- 
bruikt  zoowel  voor  de  scheepvaart  als  om  het  water  af  te  voeren. 

Het  kanaal  is  4,89  K.  M.  lang  en  wordt  door  een  keer-  en  schut- 
sluis in  twee  panden  verdeeld.  Het  bovenste  pand  van  de  gracht 
te  Koevorden  tot  de  schutsluis  is  4322  M.  lang  en  heeft  een  breedte 
van    14,40    M.     Het   ligt  op  een  kanaalpeil  van  9,30  M.  +  A*  P. 


Digitized  by 


Google 


271 

Het  benedenste  pand  is  568  M.  lang,  16,80  M.  breed  en  heefteen 
kanaalpeil  van  9,30  M.  -f  A.  P.  (Soms  voor  de  afwatering  tijdelijk  8,8.). 

De  keer-  en  schutsluis  in  dit  kanaal  staat  open,  als  de  Vecht 
aan  de  Haandrik  het  stuwjDeil  bereikt  heeft.  Bij  lagen  Vechtstand 
wordt  zij  gesloten  om  het  wegvloeien  van  het  water  te  beletten; 
bij  hoogen  waterstand  op  de  Vecht  eveneens,  om  het  binnenloopen 
van  het  Vechtwater  naar  Koevorden  tegen  te  gaan.  In  dit  geval  kan 
dus  het  water  van  Koevorden  niet  afloopen.  Om  de  opstuwing 
in  dit  geval  te  voorkomen,  is  boven  de  sluis  een  overlaat  in  den 
westelijken  kanaaldijk  gemaakt,  waarover  het  water  op  het  Afwa- 
teringskanaal stroomt,  dat  verder  boven  Ane  weder  op  de  Vecht 
loost.  Vroeger  was  er  aan  den  bovenmond  van  dit  Afwaterings- 
kanaal een  sluis,  doch  nadat  deze  bezweken  is,  werd  er  een  over- 
laat voor  in  de  plaats  gesteld,  die  een  hoogte  heeft  van  9,45  M. 
H-  A.  P.,  en  verlengd  werd  tot  400  M. 

Bij  hoogen  waterstand  op  de  Vecht  te  Ane  wordt  ook  hier  de 
afstrooming  soms  verhinderd.  In  dit  geval  worden  hier  groote 
gedeelten  lands  overstroomd.  De  overstrooming  strekt  zich  dan 
ten  noorden  van  de  Dedemsvaart  uit  tot  de  hooge  gronden  be- 
noorden Ane,  den  Stouwedijk  bij  Anerveen,  den  ouden  zandweg 
van  Ane  naar  Koevorden  en  den  verhoogden  weg  door  Steenwijks- 
moer.  Voor  het  geval  dat  deze  waterkeeringen  bezwijken,  moeten 
de  keersluizen  in  de  Dedemsvaart  en  in  de  Lutterhoofdwijk  in  ver- 
band met  den  Lutterkerkdijk  en  de  hooge  gronden  van  Lutten 
dienen,  om  het  overstroomingswater  uit  het  westelijk  deel  dier  ka- 
nalen te  weren.  Niet  zelden  wordt  dan  deReest  zwaar  met  water 
belast. 

VI.     De  Vechivalleu 

Men  kan  het  dal,  dat  de  Vecht  in  eene  richting  O. — W.  in 
Overijsel  doorstroomt,  als  de  centrale  lijn  beschouwen,  welke  het 
Overijselsche — Drentsche  Zuiderzeegebied  in  nagenoeg  gelijke  deelen 
verdeelt.  De  rivier  de  Vecht  doorstroomt  een  diluviaal  dal,  zeer 
zeker  gevormd  door  het  smeltwater  van  het  diluviale  landijs.  Doch 
de   rivier   is    sedert   dien  tijd  verzwakt  en  dit  had  tengevolge,  dat 


Digitized  by 


Google 


272 

zij  het  dal  aan  beide  oevers  met  alluviale  kleigronden  heeft  aange- 
vuld. Hierdoor  doorsnijdt  zij  het  diluvium  met  een  smalle  strook 
kleigronden  van  ±  4000  M.  breedte. 

De  Vechtvallei  was  door  die  omstandigheden  aangewezen,  om 
het  afstroomingswater  van  vele  der  kleinere  kommen  ten  noorden 
en  ten  zuiden  te  ontvangen.  Zooals  wij  reeds  zagen  voeren  de 
Regge  met  de  beken  uit  de  kom  van  Almeloo,  de  Dinkel  en  de 
stroompjes  uit  de  kom  van  Koevorden  het  water  op  de  Vecht  af. 
Hierdoor  wordt  in  tijden  van  grooten  waterafvoer  de  Vecht  een 
geduchte  rivier,  die  voor  de  afwatering  van  dit  gebied  van  veel 
belang  is. 

De  rivier  de  ^ecA/  ontspringt  ten  noorden  van  Osterwick  in  de 
Kreis  Koesfeld  in  Pruisen  uit  de  westelijke  afhelling  der  hoogten 
van  Schoppinken  en  Billerbeck^  uit  welken  bergrug  meer  zuidelijk 
de  Berkel,  en  ten  oosten  de  Steinfurter  Aa  ontstaat.  De  laatst- 
genoemde is  een  bijstroom  van  de  Vecht  en  bijna  even  belangrijk 
als  deze.  Alvorens  zij  zich  bij  Raddrup  met  den  hoofdstroom  ver- 
eenigt,  drijft  zij  zelfs  een  negental  watermolens. 

De  Vecht  stroomt  voorbij  Nordhorn^  ten  oosten  voorbij  Neuen- 
haus^  langs  Emblicheim  en  Laar^  en  komt  beneden  laatstgenoemde 
plaats  op  Nederlandsch  gebied.  Verder  stroomt  zij  langs  Grams- 
bergen^  Ommen  en  Dalfsen^  en  vereenigt  zich  tusschen  Hasselt  en 
Zwolle  met  het  Zwartewater.  De  vereenigde  stroom  behoudt  ver- 
volgens den  naam  van  Zwartewater.^  en  stroomt  voorbij  Hasselt.^ 
Zwartsluis  en  Genemuiden.^  en  mondt  onder  den  naam  van  Zwolsche 
diep  tusschen  twee  leidammen  in  de  Zuiderzee  uit.  Eigenlijk  is  het 
benedendeel  van  het  Zwartewater  de  mond  van  de  Vecht. 

In  den  bovenloop  wordt  de  Vecht  op  verschillende  plaatsen 
opgestuwd  tot  het  drijven  van  watermolens  enz.  Beneden  den  water- 
molen van  Schüttorf  wordt  de  Vecht  nog  opgestuwd  te  Nordhorn 
tot  het  drijven  van  twee  watermolens,  beneden  Yrenswegen 
door  een  stuw  ten  behoeve  van  de  scheepvaart  en  tot  bevloeiing 
der  landerijen,  bij  de  Haandrik  boven  Gramsbergen  tot  voeding 
van  het  Overijselsche  kanaal^  het  Koevordensche  kanaal  en  de 
Luttersche   hoofdwij k,   stuwpeil   9.40  M.  -f  A.  P.,  en  bij  Ane  be- 


Digitized  by 


Google 


neden  Gramsbergen  tot  voeding  van  de  Dedemsvaart^  stuwpeil 
8  M.  +  A.  P. 

Bij  hoog  water  vloeit  de  Vecht  tusschen  Ane  en  Hardenherg  o^ 
verschillende  plaatsen  over  den  rechteroever.  Het  Vechtwater  over- 
stroomt dan  de  lage  landen  ten  noorden  van  Hardenberg  en  moet 
door  de  Oeler  veerbrug  in  den  grintweg  naar  Ommen  beneden  Har- 
denberg op  de  Vecht  terug  worden  gebracht.  Wanneer  bij  zomer- 
vloed  de  rechteroever  beneden  Hardenberg  overloopt  of  de  kaden 
bezwijken,  stroomt  het  water  door  de  Oeler  veerbrug  noordwaarts, 
en  zet  eveneens  de  landen  ten  noorden  van  Hardenberg  onder. 
De  overstrooming  strekt  zich  dan  uit  tot  aan  den  zuidelijken 
kanaaldijk  van  de  Dedemsvaart^  die  als  keerkade  is  ingericht  om 
het  water  uit  dit  kanaal  te  weren. 

Eene  tweede  afleiding  heeft  links  plaats  bij  Zeeze  (boven  Ommen). 
Bij  eene  doorbraak  in  den  weg  naar  Junne  (ten  O.  van  Zeeze), 
overstroomt  het  Vechtwater  de  lage  landen  van  7  Laar  (Ambt 
Ommen)  en  vloeit  over  den  grintweg  heen  beneden  Omtnen  weder 
op  de  hoofdrivier. 

Bij  hoogen  waterstand  wordt  de  Vecht  beneden waarts  tot  bij 
Nordhom  door  kleine  schepen  bevaren.  Op  Duitsch  gebied  heeft 
deze  rivier  eene  lengte  van  95  K.  M.,  en  van  de  Rijksgrens  tot  het 
Zwartewater  87,5  K.  M.  Het  geheele  gebied,  dat  op  de  Vecht  en 
hare  bijstroomen  water  loost,  beslaat  eene  oppervlakte  van  39x500 
H.  A.  Hiervan  behooren  ±  84,200  H.  A.  tot  het  gebied  van  de 
Dinkel  en  ±l  120000  H.  A.  tot  het  afwateringsgebied  op  de  Regge. 


IL  18 


Digitized  by 


Google 


274 

De  gemiddelde   waterstanden  op   de  Vecht  voor  1880  waren  de 
volgende. 

Waterstanden  op  de  Vecht. 


Plaats  van  waarneming. 


Afstand 

tot  den 

mond  van 

de  Vecht 

in    K.    M. 


Laarwolde .  (boven  de  grens) 
Haandrik . .  (boven  de  stuw) ' 
Ane (boven  de  stuw)  ! 

Hardenberg 

I 

Ommen | 

Dalfsen 

Sluis  te  Berkum  (aan  het  eind 
van    het   Lichtmiskanaal) 

Mond  van  de  Vecht  (Zwarte- 
water)   


-f  9^25  ;  +  9.71 

+  8,07  +  9iio 

-h  6,83  +  8,25 

+  3,08  i  +  4,54 

+  0,88  j  -h  2,38 

■f  0,36  +  1,31 

.^  0,16  I  -h  0,61 


-f  11,66 
(24  Dec.) 

+  10,50 
(23  Nov.) 

+  9,83 
(27  Dec) 

+  8,87 
(27  Dec.) 

+  5»7o 
(28  Dec.) 

+  3,77 
(29  Dec.) 

H-  2,24 
(29  Dec.) 

I   +    1,76  I 
I  (26  Dec.)! 


88,650 
84,300 
79,880 
72,200 

39,950 
16,180 

6,680 


Uit  deze  opgaven  blijkt,  dat  de  Vecht  over  't  geheel  in  de 
wintermaanden  den  hoogsten  waterstand  heeft.  Dit  is  een  natuurlijk 
gevolg  hiervan,  dat  in  den  winter  er  een  grooter  hoeveelheid  water 
tot  afvloeiing  overblijft  dan  in  den  zomer.  (Zie  I.  pag.  204  enz.) 

In  het  beneden-gedeelte  van  de  Vecht  is  de  invloed  van  het 
hoogwater  in  de  zee  nog  bemerkbaar.  Vooral  wanneer  de  N.W. 
winden  het  water  van  de  Zuiderzee  naar  het  Zwolsche  diep  opdrijven, 
stuwt  het  Zwartewater,  dat  dan  niet  kan  uitloozen,  op,  en  ook  de 
Vecht  wordt  in  hare  uitloozing  belemmerd.  Tot  boven  Dalfsen  is 
deze  opstuwing  dan  somtijds  te  bemerken.  In  gewone  gevallen  doet 
de  invloed  van  den  vloed  zich  echter  niet  verder  dan  tot  de 
Berkumer  brug  (Zwollerkerspel)  gevoelen. 


Digitized  by 


Google 


275 

Van  den  mond  tot  boven  Dalfsen  is  de  rivier  bedijkt,  doch  de 
dijken  liggen  zeer  onregelmatig,  nu  eens  zeer  ver  van  de  oevers, 
dan  weer  dicht  er  bij.  Bij  den  mond  is  de  onderlinge  afstand  van 
kruin  tot  kruin  ±  looo  M.,  bij  de  Berkumerbrug  400  M.,  bij 
Vechterweerd  80  M.,  bij  Leemkule  (Dalfsen)  420  M.  Boven  Dalfsen 
bestaan  nog  wel  bedijkingen,  doch  deze  hangen  niet  geregeld  samen 
en  beschutten  alleen  de  laagste  gedeelten  der  oeverlanden. 

Omtrent  den  waterafvoer  van  de  Vecht  en  de  Regge  hebben 
wij  de  volgende  cijfers  te  danken  aan  de  onderzoekingen  van  De- 
king Dura.  i) 


Grootste  afvoer 

Grootte  van 

het 
stroomgebied 

S 

te  afvoer 

bij 

ervloed 

te  afvoer 
ld 

per  1000  H.A. 

11 

Naam  der  rivier. 

in 

?. 

8     S 

0 

duizendtallen 

'S 

0 

C 

^•2 

H  A 

u 

13   ? 

M»   per   . 

seconde. 

Boven- Vecht 

194 

1 
1^15  1     37 

145 

1 
0,190  1  0,750 

Vecht  bij  Ommen  . . 

269 

1,17       60 

140 

0,223  1  0^520 

Regge  bij  den  mond 

IOC 

0,54 '     13 

80 

0,140  ,  0,800 

Vecht  bij  Dalfsen... 

370 

^71 

.     65 

220 

0,176 

0,600 

De  afvoer-coëfficient  van  de  Vecht  te  Ommen  blijkt  bij  zomer- 
vloed  grooter  te  zijn  dan  voor  de  Boven- Vecht.  Bij  winter  vloed  is 
echter  het  omgekeerde  het  geval.  In  den  winter  is,  niettegenstaande 
den  toevoer  langs  de  Koevorder  diepen,  die  dan  ±  35  M'  per  sec. 
bedraagt,  en  die  langs  de  kleine  zijtakken,  als  de  Bruchterbeek,  de 
Bergentheimerbeek  enz.,  de  maximum-afvoer  te  Ommen  kleiner  dan 
die  te  Laarwoude,  Dit  is  een  gevolg  van  de  groote  inundatiekom 
tusschen  Laarwoud  en  Hardenberg,  die  bij  zomervloed  slechts  voor 
een  klein  gedeelte,  maar  bij  wintervloed  geheel  volloopt  en  als 
r^ulator  voor  de  beneden-rivier  werkt. 

Het  groote  maximum  van  de  Regge  bij  wintervloed  wordt  ver- 
klaard  door   den  aanvoer   uit   de   Buurserbeek,   (zie   II,  pag.  263) 

I)  Tijdschrift  v.  h.  Inst.  v.  Ingenieurs,  1889,  pag.  35   Notulen, 


Digitized  by 


Google 


2^(> 

die  bij  eiken  hoogen  winter  vloed  plaats  heeft  en  ongeveer  15  il 
16  M'  per  seconde  kan  bedragen.  Deze  watermassa  buiten  reke- 
ning gelaten  daalt  de  maximum-afvoer  voor  het  gebied  der  Regge 
zelf  tot   65*  en  de  afvloeiings-coëfficient  tot  0.65. 

Vn.     Het  zuidwe%telijke  afwateringsgebied  7'an  Drente 
of  de  Kam  van  Meppel, 

In  het  Z.  W.  van  Drente,  ten  noordoosten  ongeveer  begrensd 
door  het  Oranje  kanaal,  helt  het  terrein  zacht  af  in  de  richting  van 
Meppel,  en  de  verschillende  stroompjes  uit  dit  gebied  loopen  in  die 
richting  samen.  Hierdoor  is  ook  in  economisch  opzicht  Meppel  het 
centrale  punt  van  Z.  W.  Drente  geworden.  Wij  noemen  dit  gebied 
het  Zuidwestelijke  afwateringsgebied  van  Drente  of  de  kom  van 
Meppel.  Een  eigenlijke  kom  is  het  wel  niet;  het  vormt  meer  een 
trechter,  welks  pijp  bij  Meppel  aanvangt  en  die  door  hetMeppeler- 
diep  naar  Zwartsluis  loopt.  De  hoogste  rand  van  dit  terrein  ligt 
bij  het  Oranjekanaal  op  14  è.  17  M.  -|-  A.  P.,  en  loopt  van  Wester- 
bork,  17  M.  4-  A.  P.,  naar  Nieuweroord  aan  de  Hoogeveensche  vaart, 
waar  het  terrein  rb  15  M.  +  A.  P.  is,  en  vervolgens  naar  Slag- 
haren in  Overijsel  met  ±  10  M.  4-  A.  P.  Te  Meppel^  waarheen  de 
hellingen  van  alle  zijden  gericht  zijn,  is  de  hoogte  i  M.  +  A.  P. 

De  riviertjes,  welke  van  dit  terrein  afstroomen,  zijn:  de  Reest^  de 
Echtin^er stroom  of  het  Oude  Diep  met  de  Hoogeveensche  vaart^ 
de  Ruiner  Aa  met  de  Koekanger  Aa^  en  de  Beilerstroom  of  het 
Oude  Diep, 

De  Reest.  Vroeger  ontstond  de  Reest  in  de  venen  van  Slagharen  en  Lut- 
ten,  en  diende  om  het  water  van  genoemde  venen  en  van  die  van  Avereest 
af  te  voeren.  Door  den  aanleg  van  kanalen  is  de  hydrographische  toestand 
hier  geheel  veranderd.  Thans  begint  de  Reest  bij  de  Ongelukswij k.  Zij  loopt 
over  de  grens  tusschen  Overijsel  en  'Drente  in  eene  westelijke  richting  naar 
Meppel;  waar  zij  zich  in  het  Meppelerdiep  uitstort.  Aan  beide  oevers  is  zij 
door  strooken  veenachtige  oeverlanden  begrensd,  die  verderop  in  diluviale  gron- 
den overgaan. 

De  waterstanden  op  de  Reest  waren  in  1884  in  den  zomer  (bij  hoogen  water- 
stand)  de  volgende: 

Rij  de  Ongelukswijk.......  6,95  M.  -|-  A.  P. 


Digitized  by 


Google 


277 

Bij  de  brug  in  den  straatweg 
Zuidwolde — Dedemsvaart.  5,50  M.  -|-  A.  P. 

Bij  de  buurt  Pieperij 3fio   „      „       „ 

Op  een  paar  plaatsen,  boven  en  beneden  de  Wijk,  wordt  zij  opgestuwd,  ge 
deeltelijk  tot  bevloeiing  der  lage  oeverlanden.  Soms  voert  de  Keest  het  over- 
tollige water  van  het  5de  pand  der  Dedemsvaart  en  van  het  2de  pand  der 
Hoogeveenscbe  vaart  af. 

Oudtijds  werd  de  Reest  beneden  de  Wijk  nog  tot  scheepvaart  gebezigd,  zij  het 
ook  al  op  kleine  schaal  l).  Langs  de  Reest  werd  o.  a.  turf  afgescheept  naar 
Meppel,  om  van  hier  verder  naar  Zwartsluis  vervoerd  te  worden. 

Het  Oude  Diep  of  de  Echtlng^er  stroom.  Dit  watertje  ontstaat  in  de 
gemeente  Westerbork  in  een  terrein  dat  16  &  17  M.  +  A.  P.  hoog  ligt.  Het 
stroomt  in  eene  Z.  W.  richting  en  loopt  over  een  vasten  drempel  bij  Echten 
uit  in  het  3e  pand  van  de  Hoogeveenscbe  vaart.  Vroeger  liep  de  Echtinger 
stroom  naar  Meppel  voort ;  het  benedengedeelte  evenwel  is  tot  de  Hoogeveenscbe 
vaart  vergraven.  In  het  beneden  gedeelte  zijn  eenige  stuwschutten  geplaatst,  die 
in  het  voorjaar  worden  gesloten  om  de  aangrenzende  lage  groenlanden  te  bevloeien. 

De  Ruiner  Aa.  I^e  Ruiner  Aa,  in  het  beneden  gedeelte  fVoid  Aa  ge 
heeten,  ontstaat  uit  het  Zwartewaicr,  een  plas  of  meertje  in  de  mark  van  Drijber, 
dat  tusschen  Hoogeveen  en  Beilen  door  den  spoorweg  doorsneden  wordt.  Zij 
stroomt  in  zuidwestelijke  richting,  neemt  links  nog  de  kleine  watertjes  At  Riete 
Aa,  de  RUfe  en  de  Koekanger  Aa  op,  en  vereenigt  zich  bij  Meppel  met  de 
Oude  Smildervaart,  waarna  zij  zich  gezamenlijk  in  het  Meppeler  diep  uitstorten. 
In  den  bovenloop  ligt  het  terrein,  dat  zij  doorstroomt,  ongeveer  14  M.  -|-  A. 
P.,  in  het  benedengedeelte  i  a  2  M.  -{-  A.  P.  Zij  voert  het  water  af  van  onge- 
veer 12,390  H.  A.  lands. 

De  Beilerstroom,  Dwingelerstroom  of  Oude  Smildervaart  Deze 
rivier  ontstaat  onder  Westerbork  uit  verschillende  waterloopen,  die  het  afetroo- 
mingswater  uit  het  midden  van  Drente  van  een  terrein  dat  17  a  19  M.  +  A. 
P.  hoog  is,  afvoeren.  Ook  het  overtollige  water  van  het  2e  tot  en  met  het  4e 
pand  van  het  Oranjekanaal  voert  zij  af.  Eerst  neemt  zij  eene  meer  westelijke 
richting,  om  zich  voorbij  Dwingeloo  naar  het  zuid-zuidwesten  om  te  buigen.  Bij 
Meppel  vereenigt  zij  zich  met  de  Wold  Aa  en  stroomt  uit  in  het  Meppeler  diep. 

In  den  stroom  en  in  verschillende  neven  stroompjes  zijn  een  aantal  keerschut- 
ten  geplaatst,  die  in  het  voorjaar  gedurende  eenigen  tijd  worden  gesloten  om 
het  water  op  te  stuwen  ter  bevloeiing  der  lage  oeverlanden,  welke  genoemden  stroom 
omzoomen.  Voor  kleine  schuiten  is  de  Beilerstroom  in  het  gedeelte  beneden 
Dwingeloo  bij  hoog  water  bevaarbaar.  Daar  de  Drentsche  hoofd  vaart  op  korten 

i)  Magnin.  Kloosters  in  Drente  1846.  —  P.  A.  Derks.  Meppel  en  omstreken, 
1887  pag.  31, 


Digitized  by 


Google 


278 

afstand  hiervan  ligt,  wordt  daarvan  natuurlijk  weinig  gebruik  gemaakt.  Vroeger 
was  hierop  meer  scheepvaart,  en  ze  heeft  daarnaar  nog  den  naam  van  Oude  Vaart 
behouden. 

De  Beilerstroom  wordt  nog  gebezigd  om  de  Drentsche  hoofd  vaart  te  voeden. 
Met  dit  doel  is  te  Beilen  een  keerschut  geplaatst,  om  het  water  daar  boven  op 
te  stuwen.  Door  de  Beihrvaart^  die  in  1790  gegraven  en  in  1845  verruimd  is, 
wordt  dit  water  dan  afgeleid  op  het  bovenpand  van  de  Drentsche  hoofdvaart, 
waarmede  zij  gemeen  ligt. 

Beneden  Dwingeloo  is  een  tweede  schut  geplaatst,  het  Koningsschut,  Dit 
dient  om  het  water  op  te  stuwen  en  door  het  Van  Holthesvaartje  op  het  vierde 
pand  der  hoofd  vaart  te  voeren.  Door  een  schutsluis,  die  in  1885  aan  den  mond 
van  genoemd  vaartje  gelegd  is,  staat  dit  gedeelte  van  den  stroom,  dat  bij  hoog- 
water bevaren  wordt,  met  de  Hoofd  vaart  in  verbinding. 

Deze  stroom  heeft  een  afwateringsgebied  van  20,900  HA.  waarvan  11,100 
HA.  boven  het  Koningsschut.  (Zie  over  de  geschiedenis  dezer  rivier  lï  pag.  298.) 

Het  Meppelerdiep.  De  vereeniging  van  bovengenoemde  wate- 
ren uit  de  Meppeler  kom  met  de  Reest  vormde  vroeger  het  Mep- 
pelerdiep^ een  stroom,  die  door  lage,  moerassige  oeverlanden  van 
Meppel  naar  Zwartsluis  stroomde.  Door  den  aanleg  van  de  kanalen 
in  Drente  wordt  het  diep  ook  nog  gevoed  met  het  water,  dat  deze 
afvoeren.  Om  beter  voor  de  afwatering  en  de  scheepvaart  te  die- 
nen is  het  diep  geheel  vergraven  en  gekanaliseerd. 

Het  Meppelerdiep  strekt  zich  thans  uit  van  de  Galgenkamps- 
brug  te  Meppel,  tot  de  sluizen,  waardoor  het  diep  op  het  Zwarte- 
water loost  bij  Zwartsluis.  "" 

Het  benedenpand  van  de  Drentsche  Hoofdvaart  is  bij  Meppel 
vrij  met  het  Meppelerdiep  verbonden ;  de  Hoogeveensche  vaart 
loost  er  op  door  de  Meppelersluis,  en  de  Reest  staat  er  in  vrije 
verbinding  mede.  Enkele  kleine  watertjes,  uit  het  N.  W.  van  Over- 
ijsel,  staan  nog  met  het  Meppelerdiep  door  sluisjes  in  verbinding, 
als  de  Kolderveensche  Grift^  de  Embers-  of  Haagjesgracht  en  de 
Beukers  grift. 

Het  Meppelerdiep  vormt  één  pand,  dat  11,767  K,  M.  lang  is. 
Men  tracht  den  waterstand  te  Zwartsluis  door  uitstrooming  en  inla- 
ting op  0,15  M. -— A.  P.  te  houden.  De  geringste  diepte  onder  ka- 
naalpeil  is  1,85  M.  De  breedte  op  kanaalpeil  bedraagt  21  è  32  M. 


Digitized  by 


Google 


279 

De  waterstanden  staan  in  het  Meppelerdiep  bij  westenwind,  als 
het  opgestuwde  water  bij  Zwartsluis  de  loozing  tegengaat  en  al 
het  afgevoerde  water  der  Meppeler  kom  hier  verzameld  wordt, 
hooger  dan  het  kanaalpeil.  De  hoogste  waterstanden  van  187 1  — 
1880  waren:  aan  de  Paradijssluis  boven  Meppel,  benedenzijds  1,58 
M.  4-  A.  P.  (15  Maart  1876;,  aan  de  Kaapbrug  beneden  Meppel 
1,57  M.  +  A.  F.  (15  Maart  i876),en  te  Zwartsluis  1,28  M.  +  A.  P. 
(i  Mei  1877). 

Aan  beide  zijden  wordt  het  Meppelerdiep  op  eenigen  afstand 
door  dijken  ingesloten.  Aan  den  rechterkant  ligt  de  weg  naar  Zwart- 
sluis, de  Zomer dijk^  1,10  tot  1,50  M.  +  A.  P.  hoog.  Aan  den  linker- 
kant ligt  de  Staphorster  stouw^  eveneens  van  Meppel  naar  Zwart- 
sluis, een  kade  van  0,80  tot  1,05  M.  4-  A.  P.  hoog. 

Tusschen  beide  vindt  men  meest  aan  den  linkeroever  van  het 
kanaal  laag,  drassig  land,  door  verschillende  slooten  en  afgesneden 
gedeelten  van  het  vroegere  Meppelerdiep  doorsneden.  Het  is  gras- 
land, dat  een  groot  gedeelte  des  jaars  onder  water  staat,  en  waar- 
van men  alleen  bij  oostenwind  het  hooi  kan  winnen. 

De  verbetering  der  afwatering  van  het  Meppelerdiep  is  reeds 
langen  tijd  een  belangrijk  vraagpunt  geweest  en  heeft  aanleiding 
gegeven  tot  verschillende  plannen.  In  1774  werd  de  rivier  met  de 
daarop  uitvloeiende  Drentsche  wateren  opgenomen  door  den  Kap. 
Lt.  Ingenieur  C.  J.  KrayenhofF,  die  in  de  daaruit  voortvloeiende 
memoriën  (1775)  voorstelt .  het  Diep  een  zijdelingsche  ontlasting  te 
geven  aan  den  rechteroever,  en  door  een  kanaal  het  water  naar 
den  Vollenhovenschen  zeedijk  af  te  voeren,  waar  het  door  een 
sluis  zou  loozen.  Later  heeft  men  er  dikwijls  aan  gedacht,  om  van 
de  Drentsche  grens  recht  naar  het  westen  een  kanaal  te  graven  i). 
Doch  geen  dezer  plannen  kwam  tot  uitvoering.  Ook  het  plan,  om 
een  grooten  polder  te  vormen,  die  door  een  stoomgemaal  bemalen 
zou  worden,  dat  in  den  laatsten  tijd  aanhangig  was,  is  nog  niet 
tot  uitvoering  gekomen. 


i)  Staring  en  Stieltjes.  De  Overijselsche  wateren;  1848,  pag.  127. 


Digitized  by 


Google 


28o 


§  3.    Het  Zwartewater. 

Van  Zwolle  langs  Hasselt  tot  Zwartsluis  naar  het  noorden  en 
vervolgens  naar  het  westen,  loopt  het  Zwariewater,  Het  neemt  een 
aanvang  bij  Zwolle,  waar  de  verschillende  Sallandsche  weteringen 
(zie  II  pag.  260)  zich  tot  een  water  vereenigen.  Bij  het  gehucht  Genne 
stort  zich  het  Vechtwater  in  het  Zwartewater  uit  en  vorrat  eene 
zandafzetting,  die  steeds  moet  opgeruimd  worden  i).  Bij  Hasselt 
staat  de  Dedemsvaart  er  mede  in  verbinding  (door  een  sluis)  en 
bij  Zwartsluis  loost  het  Meppelerdiep  het  water,  dat  het  hoofd- 
zakelijk uit  Drente  en  voor  een  deel  uit  Overijsel  afvoert,  door 
sluizen  op  het  Zwartewater. 

In  den  inham  van  de  Overijselsche  kust  tusschen  Vollenhove  en 
het  Kampereiland  tot  nabij  Genemuiden  mondt  het  Zwartewater 
uit.  Dezen  inham  noemt  men  het  Zwolsche  diep.  Tusschen  twee  lei- 
dammen,  waarvan  de  zuidelijke  bijna  6000  meter  lang  is,  wordt 
hier  het  rivierwater  een  eind  in  zee  gebracht.  Beneden  bespreken 
wij  deze  uitmonding  nader. 

De  gemiddelde  waterstanden  vindt  men  in  de  volgende  tabel. 

Waterstand  op  het  Zwartewater  in  M.  ten  opzichte  A.  P. 


Hoogste 
stand. 


Gem.  stand. 


.S-S 


Laagste  stand. 


I 

ZwoUe ]2,42  (31  Jan. ' 

Mond  der  Vecht I2  43 (3 1  Jan. ' 

Hasselt  (Jaagbrug.) 2,37  (31  Jan. ' 

Zwartsluis :2,S7(3I  Jan. ' 

Genemuiden 12,75  (3*  J^"- 

Kraggenburg (bij  hgw,)  vloed.\2,$4{^ i  Jan. ' 
Kraggenbrug  (bij  /^v.)  ebbe . .  i  ,9 1  ( 1 3  üec. 


77.) 
77.) 
77.) 


0,230,510,37 
o,23|0,52;o.38 
0,2310,360,29 
77.)  0,24  0.30,0,27 
77.)o,23jo,28o,26 

77.) 
80) 


o,44|o,24jo,24 - 
0,090,430,44!— 


o,53(i3Nov.'76) 
0,49  (23  Oct.  '76.J 
o,6$(i3Nov. '76.) 
o,68{i3Nov. '76 ) 
0,58  (23  Oct. '76.)  2) 
i,o6(i7Apr.'77.) 
0,50(27  Mrt. '79.)  3) 


Deze  cijfers  van  de  waterstanden  duiden  belangrijke  verschijnselen 
aan.     Zoo  zien  wij  o.  a.  dat  te  Zwartsluis  de  gemiddelde  stand  in 


i)  Over  de  verbetering  van  het  Zwolsche  Diep  en  het  Zwarte  "Water  1843  P*g-  6* 

2)  Bovenstaande  cijfers  zijn  gemiddelden  over  1876 — 1880; 

3)  De^e  „         „  „  „      1879— 1880. 


Digitized  by 


Google 


28l 

de  6  zomermaanden  hooger  is  dan  hooger  op  bij  Zwolle.  Hieruit 
blijkt,  dat  er  gedurende  den  zomer  dikwijls  geen  sprake  is  van  een 
strooming  van  het  Zwartewater  naar  den  mond  toe,  doch  dat  in- 
tegendeel somtijds  het  water  de  rivier  oploopt.  Dit  is  ook  het  ge- 
val in  de  zee,  waar  bij  Krnggenburg  in  de  zomermaanden  de 
gemiddelde  stand  hooger  is  dan  op  het  Zwartewater.  Dat  er  hier- 
door op  het  Zwartewater  sporen  van  eb  en  vloed  zijn  waar  te 
nemen  door  opstuwing  van  het  water  is  duidelijk.  Geregelde  opgaven 
kunnen  wij  hiervan  niet  mededeelen. 

Dat  in  den  zomer  te  Zwartsluis  de  waterstand  gemiddeld  hooger 
staat  dan  te  Zwolle,  moet  zeer  zeker  ook  aan  de  uitmonding  van 
het  Meppelerdiep  worden  toegeschreven.  Wij  vermoeden,  dat  ook  de 
plaats,  waar  hier  de  peilschaal  staat,  onder  den  invloed  ligt  van  het 
afvloeiïngswater  uit  genoemd  diep,  zoodat  daardoor  de  waterstand 
hier  hooger  is  dan  aan  den  tegengestelden  oever  van  het  breede  water. 
In  dit  vermoeden  worden  wij  versterkt  door  de  waarnemingen  van 
Genemuiden,  die  een  gelijken  zomerstand  als  Zwolle  aangeven. 

Dat  de  winterwaterstand  bij  den  mond  van  de  Vecht  gemiddeld 
hooger  is  dan  te  Zwolle,  is  zeer  wel  verklaarbaar  uit  den  sterken 
afvoer  van  water,  dien  deze  rivier  des  winters  heeft.  Hierdoor,  be- 
nevens door  opwaaiïng  van  het  water  met  N.  W.  en  W.  winden, 
staan  niet  zelden  gedeelten  der  stad  Zwolle  onder  water. 

Het  land,  dat  het  Zwartewater  doorloopt,  ligt  meestal  =  A.  P. 
of  iets  daar  beneden.  Op  korten  afstand  ten  O.  van  het  Zwartewater 
ligt  een  strook  land  van  ongeveer  8  K.  M.  breedte  o  èt  i  M.  -f- 
A.  P.  hoog.  Hieruit  blijkt,  dat  bij  de  hoogste  standen,  als  van 
2,42  M.  -j-  A.  P.  te  Zwolle,  het  land  zou  overstroomen,  indien  er 
geen  bedijking  was.  Daarom  is  dan  ook  het  Zwartewater  geheel 
bedijkt 

Wij  wezen  er  reeds  op,  dat  het  grootste  gedeelte  van  het  Zwarte- 
water  eerder  als  de  monding  van  de  Vecht  dan  als  zelfstandig 
water  moet  beschouwd  worden.  Zeer  waarschijnlijk  heeft  ook  een 
IJselarm  hier  aanvankelijk  langs  gestroomd,  waardoor  de  rivierklei 
!S  afgezet. 

Boven  zeiden  wij,  dat  de  Vecht  eene  zandafzetting  aan  haar  mond 


Digitized  by 


Google 


282 

in  het  Zwarte  water  vormt.  Overigens  is  de  uitstrooming  van  het 
Vechtwater  voordeelig  voor  het  Zwartewater.  De  kaart  en  het 
register  der  peilingen  toch  bewijzen  ons,  dat  het  vaarwater  van  de 
uitstrooming  der  Vecht  af  allengs  dieper  wordt,  zoodat  zelfs  tusschen 
de  Aardenbergersluis  tot  boven  en  beneden  Genemuiden  de  gemid- 
delde diepte  tusschen  4  en  5  M.  bedraagt.  Kennelijk  wordt  dit 
door  de  erosie  van  het  water  der  Vecht,  der  Dedemsvaart  en  van 
het  Meppelerdiep  veroorzaakt.  Waar  deze  schuring  tusschen  de  groene 
boorden  ophoudt,  en  die  watermassa  zich  verspreidde  in  de  wijde 
kom  van  het  Zwolsche  Diep,  daar  vermindert  die  diepte. 

§.4.      DE  WILLEMSVAART. 

De  Willemsvaart  is  een  gegraven  kanaal  om  de  stad  Zwolle  met 
den  IJsel  te  verbinden.  Het  kanaal  is  van  den  IJsel  door  eene 
groote  en  eene  kleine  schutsluis  gescheiden,  en  ligt  in  gewone  om- 
standigheden open  naar  het  Zwartewater,  doch  kan  daarvan  worden 
gescheiden  door  een  keersluis  te  Zwolle,  die  gesloten  wordt  bij  een 
waterstand  van  1,30  M.  +  A.  P.  Het  kanaalpeil  iso,i5M. +  AP. 

De  Willemsvaart  heeft  eene  lengte  van  2,05  K.  M.  en  de  kleinste 
breedte  op  het  kanaalpeil  bedraagt  18,23  M.  De  kleinste  diepte 
onder  het  kanaalpeil  is  3,15  M. 

Op  de  Willemsvaart  wateren  nog  1000  H.  A.  polderland  af. 
Daar  de  waterstand  op  den  IJsel  (te  Katerveer  1,7  M.  -j-  A.  P.) 
gemiddeld  hooger  Ls  dan  op  het  Zwartewater,  is  het  natuurlijk,  dat 
de  afvoer  op  laatstgenoemd  water  moet  plaats  hebben. 

Historische  opmerkingen  over  de  Willemsvaart.  Dat  bij  de  uitbreiding  van 
zijn  handel  Zwolle  er  op  bedacht  moest  zijn  eene  waterverbinding  met  den 
IJsel  te  bekomen,  ligt  voor  de  hand.  Reeds  in  de  14de  eeuw  was  hier  eene 
waterleiding  gegraven,  en  in  1480  begon  men  deze  uit  te  diepen,  teneinde  baar 
voor  de  scheepvaart  geschikt  te  maken.  Doch  de  wedcrzijdsche  naijver  der 
IJseLsteden  hield  dit  plan  tegen.  Vooral  Kampen  en  Deventer  waren  bevreesd 
voor  de  benadeeling  hunner  handelsbelangen,  als  men  van  Zwolle  op  den  IJsel 
kon  varen,  en  Zwolle  dus  hun  concurrent  werd.  Zoo  duurde  het  lot  1809,  toen  Zwolle 
eerst  concessie  tot  den  aanleg  van  een  dergelijk  kanaal  mocht  erlangen.  Doch 
daar  Keizer  Napoleon  het  plan  van  zijn  broeder,  den  Koning  van  Holland,  niet 


Digitized  by 


Google 


283 

goedkeurde,  bleef  het  reeds  begonnen  werk  na  de  inlijving  van  Holland  bij 
Frankrijk  liggen,  zonder  dat  iemand  het  zich  aantrok,  terwijl  Zwolle  onvermo- 
gend scheen  het  te  voltooien.  Na  de  herstelling  van  Nederlands  onafhankelijk- 
heid werd  op  initiatief  van  den  Baron  van  Ded?m  tot  den  Berg  (den  aan- 
legger  van  de  Dedemsvaart)  de  zaak  weder  opgevat,  en  deze  mocht  den  bijval  des 
Konings  ondervinden.  Zoo  kwam  het  tot  eene  uitvoering,  en  in  1820  werd  de 
vaart  geopend,  die  naar  Neerlands  eersten  Koning  den  naam  van  WilUmsvaari 
verkreeg.  Na  de  verbetering  van  de  IJselmonden  is  de  Willemsvaart  de  hoofd- 
verkeersweg  van  Zwolle  met  de  Zuiderzee  geworden. 

§   5.    DE  UITMONDING  VAN  HET  ZWARTEWATER.  —  HET  ZWOLSCHE  DIEP. 

Het  ZwoUche  Diep  is  de  naam  van  een  ondiepen  inham  van  de 
Zuiderzee  in  de  Overijselsche  kust.  Het  wordt  ten  noorden  be- 
grensd door  de  Kaap  van  VoUenhoven,  de  Voorst  geheeten,  een 
uit  diluviaal  zand  bestaande  landpunt  van  =b  3  M.  hoog,  die  in 
het  oosten  door  Ambt-Vollenhove  zich  voortzet  als  een  weg  van  7 
k  8  M.  hoog  door  het  lagere  land.  Ten  oosten  van  Kaap  Vollen- 
hove  ligt  er  ten  zuiden  van  genoemden  weg  in  Ambt-Vollenhove  nog 
een  lager  gebied  van  weinig  uitgestrektheid,  dat  door  dijken  naar 
den  kant  van  het  Zwolsche  Diep  omringd  wordt. 

Ten  oosten  en  zuiden  vindt  het  Zwolsche  Diep  zijn  grens  in  de 
alluviale  gemeentegronden  van  Genemuiden  en  Kampen,  en  ten 
westen  grenst  het  aan  de  Zuiderzee.  Deze  inham  beslaat  een  opper- 
vlakte van  =t  3000  H.A. 

Ongetwijfeld  dankt  hij'  zijn  ontstaan  aan  de  verwijding  van  de 
zeegaten  en  het  binnenstroomen  van  de  Noordzee,  waardoor  het 
vroegere  lage  veenland  is  weggeslagen,  en  de  Zuiderzee  gevormd  werd. 
Nog  beukt  de  zee  voortdurend  met  kracht  op  Kaap  de  Voorst, 
die  door  haar  diluviale  vorming  uit  leem,  zand  en  rolsteenen,  deze 
aanvallen  slechts  gedeeltelijk  weerstand  heefl  geboden  en  met  steile 
helling,  door  den  golfslag  ontstaan,  in  zee  is  blijven  vooruitsteken. 

De  bodem  van  het  Zwolsche  Diep  bestaat  aan  de  VoUenhoofsche 
kust  meestal  uit  eene  harde  zandkorst.  Naar  het  zuiden  en  oosten 
is  de  grond  meer  zacht  en  slibberig.  In  het  midden  van  dit  water 
treft   men   twee  ondiepten  aan,  welke  bij  de  schipperij  vroeger  als 


Digitized  by 


Google 


284 

de   Binnen-   en    de  Buitendroogte   bekend  waren,  en  waar  gemid- 
deld niet  meer  dan  1,65  M.  water  gevonden  werd. 

Aanvankelijk  werd  de  naam  Zwolsche  Diep  alleen  aan  de  geul 
gegeven,  dcx)r  welke  in 'dezen  inham  het  Zwartewater  naar  zee  kron- 
kelde. Doch  sedert  lang  is  men  reeds  gewoon  den  geheelen  imham 
met  den  geenszins  eigenaardigen  naam  van  Zwolsche  Diep  te  be- 
stempelen. Dat  dit  water  den  naam  naar  Zwolle  ontving  is  een 
gevolg  van  het  overwegend  belang,  dat  Zwolle  vroeger  bij  deze 
eenige  verbindingsweg  met  de  zee  had.  Destijds  belastte  Zwolle 
zich  dan  ook  hoofdzakelijk  met  betonningen  enz. 

In  het  Zwolsche  Diep  ontlastten  zich  vroeger  drie  stroomen:  de 
Goot^  het  Ganzediep  en  het  Zwartewater,  De  Goot  en  het  Game- 
diep  zijn  takken  van  den  IJsel,  die,  zooals  wij  op  pag.  239  zagen,  be- 
teugeld of  afgedamd  zijn  aan  den  bovenraond.  Toch  hebben  beide 
gedurende  tal  van  jaren  hun  slik  in  het  Zwolsche  Diep  uitgestort 
en  langs  de  zuidelijke  kust  van  het  Zwolsche  Diep  aanslibbingen 
doen  ontstaan,  die  nog  onbedijkt,  onder  den  naam  vanger/ ^»//^;2- 
land  bekend  zijn.  Door  die  aanwassen  loopen  diepere  geulen  van 
genoemde  monden.  Deze  aanslibbing  was  eene  voortzetting  van  het 
proces,  dat  het  Kampereiland  deed  ontstaan.  Daar,  waar  het  niet 
diep  is,  en  deze  aanslibbingen  nog  onder  water  liggen,  steken 
welig  de  biezen  hare  slanke  stengels  uit  het  water.  Zij  houden  het 
slib  uit  het  water  tegen  en  bevorderen  daardoor  de  aanslibbing.  Langs 
de  kust  van  het  Zwolsche  Diep  groeien  die  biezen  welig  en  geven 
er  aanleiding  tot  tal  van  mattenmakerijeh.  Wanneer  de  biezen  den 
aanwas  zoover  bevorderd  hebben,  dat  er  geen  genoegzame  hoeveel- 
heid water  meer  is,  wordt  de  bies  vervangen  door  riet^  en  een 
biesveld  gaat  aldus  door  verdere  aanslibbing  in  een  rietveld  over. 
Op  het  rietveld  volgt  na  voortgaande  aanslibbing  de  groei  van 
waterscheren  en  hanebollen.  Dan  volgt  er  eindelijk  de  wording 
van  land,  dat  geschikt  is  om  op  greppels  gelegd  te  worden,  waarna 
het  spoedig  in  grasland  wordt  veranderd. 

Voor  de  scheepvaart  van  Drente  en  van  het  noorden  van  Overijsel 
is  het  Zwolsche  Diep  van  groote  beteekenis.  Zooals  wij  reeds  zeiden 
stroomt   het   grootste  gedeelte    van   het   Drentsche  afvloeiïngswater 


Digitized  by 


Google 


285 

door  het  Meppelerdiep  uit  op  het  Zwartewater,  en  ook  de  Drentsche 
kanalen  staan  hiermede  in  verbinding.  Doch  de  ondiepte  van  het 
Zwolsche  Diep  was  steeds  hinderlijk  voor  de  scheepvaart.  Bij  af- 
landingen  wind  toch  wordt  het  water  van  die  kust  weggedreven  en 
daalt  zeer.  (Zie  de  tabel  op  pag.  280).  Tot  verdieping  van  de  geul 
in  het  Zwolsche  Diep,  waardoor  het  Zwartewater  uitliep,  was  sedert 
eeuwen  zoo  goed  als  niets  gedaan.  Alleen  Zwolle  had  in  't  belang 
van  haar  scheepvaart  voor  betonning  gezorgd.  Maar  dagen  en  soms 
weken  moesten  de  schippers  wachten,  om  bij  O.  wind  van  de  on- 
diepten op  het  Zwolsche  diep  los  te  raken. 

>De  Overijselsche  Verecniging  tot  ontwikkeling  van  Provinciale 
welvaart"  trok  zich  deze  zaak  aan  en  er  werd  eene  Maatschappij 
opgericht  tot  verbetering  van  het  Zwolsche  Diep,  welke  mede  de 
landaanwinning  als  haar  doel  stelde,  i)  Door  deze  werden  de  beide 
leidammen  gelegd,  tusschen  welke  thans  het  Zwartewater  een  eind 
in  zee  geleid  wordt.  In  1845 — 47  werden  deze  dammen  gelegd, 
terwijl  de  zuider  leidam  in  1875 — 77  ^oor  ^^^  ï^Ü^  op  nieuw  werd 
opgemaakt  en  verbeterd.  2) 

De  zuider  leidam  is  5950  M.  lang  en  tot  2000  M.  van  de  kust, 
0,80  M.  +  A.P.  hoog,  terwijl  hij  verder  0,90  M.  +  A.P.  ligt. 
Aan  het  zeeuiteinde  van  dien  zuider  leidam  ligt  de  haven  van 
Kraggenburgy  die  zoo  goed  als  niet  in  gebruik  is. 

De  noordelijke  leidam  is  5680  M.  lang.  Deze  dam  is  thans 
grootendeels  vervallen  en  ligt  voor  het  grootste  gedeelte  onder  water, 
terwijl  alleen  bakens  hem  aanwijzen.  Zijne  hoogte  is  gemiddeld  0,56 
M.  —  A.  P.  Op  2800  M.  van  het  zeeeinde  is  eene  opening  in  dien 
dam,  waardoor  de  schepen  ook  in-  en  uitvaren  kunnen.  De  onder- 
linge afstand  dier  dammen  is  nabij  het  land  250  M.,  op  900  M. 
afstand  van  de  kust  200  M.,  en  verder  vermindert  hij  regelmatig 
tot  iio  M. 

De   haven   van  Kraggenburg  aan   den  zuidelijken  leidam  werd 


i)  Verslag  der  Staatscommissie  tot  het  instellen  van  een  onderzoek  omtrent 
de  verbetering  van  het  Zwolsche  Diep  1879. 

2)  Zie  over  de  eerste  plannen  tot  verbetering  ook,  Stieltjes:  De  Overijselsche 
waterwegen  1855. 


Digitized  by 


Google 


286 

aangelegd  om  70  schepen  te  kunnen  bevatten.  Midden  in  zee  ligt 
hier  de  woning  van  den  havenmeester.  De  naam  Kraggenhurg  is 
ontleend  aan  de  stof,  welke  men  bij  het  leggen  der  leidammen  bezigde. 
De  heer  van  Diggelen  toch  kwam  op  het  denkbeeld  om,  kraggen 
of  rietzoden  als  vullingstof  bij  de  kribwerken  te  gebruiken,  i) 

Door  de  boven  beschreven  werken  trachtte  men  den  stroom  te 
leiden  en  te  gebruiken,  om  het  vaarwater  door  erosie  te  verdiepen. 
Alleen  aan  den  stroom  kon  men  dit  niet  overlaten,  en  baggerwerken 
werden  van  tijd  tot  tijd  met  hetzelfde  doel  uitgevoerd.  Nog  voortdurend 
worden  die  baggeringen  voortgezet»  en  toch  is  het  Zwolsche  Diep 
dikwijls  nog  onderscheidene  dagen  in  't  jaar  bij  O.  wind  onbe- 
vaarbaar. In  1883  moesten  de  Meppeler  stoorabooten  op  Amster- 
dam gedurende  31  dagen  (in  Jan.,  Febr.,  Maart  en  April)  hun 
tocht  over  Zwolle  en  Kampen  maken,  daar  het  Zwolsche  Diepeen 
te  lagen  waterstand  had.  In  1884  moest  dit  19  maal  geschieden 
en  in  1885  en  in  '86  elk  jaar  gedurende  4  dagen.  2) 

§   6.      DE  POLDER  MASTENBROEK. 

Ten  westen  van  het  Zwartewater  tot  aan  het  Kampereiland  en 
den  IJsel  ligt  een  laag  terrein,  dat  in  het  midden  uit  laagveen  bestaat 
en  aan  de  kanten  met  rivierklei  omzoomd  is.  Dit  gebied  vormt 
den  polder  Mastenbroek^  met  een  oppervlakte  van  8800  H.  A.  Het 
zomerpeil  bedraagt  er  0,26  M.  —  A.  P.  Van  de  IJselklei-oevers  is 
deze  polder  gescheiden  door  den  rechter  IJseldijk,  zoodat  de  zoom 
van  rivierklei  om  den  polder  zeer  zeker  aan  deze  rivier  moet  te 
danken  zijn,  die  vóór  de  beslijking  ook  dit  land  korter  of  langer 
tijd  met  een  tak  omsloot.  In  geologisch  opzicht  behoort  Mastenbroek 
dus  mede  tot  den  IJsel-delta.  De  polder  loost  rechtstreeks  op  den 
IJsel,  het  Ganzediep,  de  Goot  en  het  Zwartewater.  Deze  loozing 
heeft  plaats  door  uitwateringssluizen,  waarvan  die  te  Kampen,  Gene- 
muiden en  Zwolle  tevens  schutsluizen  zijn.  Gedeeltelijk  wordt  het 
water  vooraf  opgemalen  met  stoomgemalen. 


i)   Zie  over  het  Zwolsche  diep:  Sloet's  Tijdschrift  voor  Staathuishoudkunde, 
1856  pag.  21,  en  verder  bovengenoemd  Verslag  van  1879. 
2)  Prov.  versl.  van  Overijsel. 


Digitized  by 


Google 


287 

In  de  14^^  eeuw  was  dit  land  nog  een  moerassig,  onbewoond 
gebied,  dat  voortdurend  voor  overstroomingen  openlag.  Doch  in 
1362  liet  Jan  van  Arkel,  bisschop  van  Utrecht,  den  ringdijk  om 
Mastenbroek  opwerpen,  en  in  1390  werd  een  dijkrecht  voor  dezen 
polder  ingesteld. 

§  7.   HET  LAND  TEN  WESTEN  VAN  DE  DRENTSCHE  HOOFDVAART 
EN  HET  MEPPELERDIEP. 

Het  land  ten  noorden  van  het  Meppelerdiep  en  de  Drentsche 
hoofdvaart  tot  de  Linde  en  hun  verlengde  naar  Assen  hebben  wij 
nog  tot  het  Overijselsche-Drentsche  Zuiderzeegebied  gebracht.  Het 
land  vormt  een  smalle  naar  het  zuiden  breeder  wordende  strook, 
die  zich  naar  het  Z.  W.  uitstrekt  en  van  het  N.  O.  naar  het  Z.  W. 
in  hoogte  afneemt.  Dit  blijkt  ook  uit  de  richting  der  beide  ri- 
viertjes uit  dit  gebied,  het  Steenwijkerdiep  en  de  Linde,  die,  door 
hooger  ruggen  gescheiden,  de  helling  des  terreins  volgen. 

In  het  midden,  ongeveer  van  Havelte  naar  Steenwijk  en  Steen- 
wijkerwold,  zet  zich  een  heuvelrij  van  op  zijn  meest  14  M.  +  A.  P. 
hoog,  dwars  door  dit  terrein.  De  hoogste  gedeelten  hiervan  zijn  de 
Havelterberg  en  de  Woldbergen  bij  Steenwijk.  Ten  zuiden  van 
genoemde  heuvelrij  daalt  de  bodem  spoedig  tot  ongeveer  i  M.  + 
A.  P.  en  lager.  Het  is  een  over  't  geheel  effen  terrein,  dat  langzaam 
afdaalt  naar  de  kust,  waar  de  hoogte  ongeveer  =  A.  P.  is  of  iets 
daar  beneden.  De  effene  ligging  van  dit  terrein  is  te  danken  aan  de 
lage-  en  moerasvenen,  welke  hier  aan  de  oppervlakte  liggen.  Met 
een  kruisnet  van  grachten  en  slooten  is  dit  lage  land  doorsneden. 
De  waterwegen  zijn  er  schier  de  eenige  verkeerswegen.  Het  uit- 
baggeren der  venen  heeft  hier  eenige  plassen  doen  ontstaan.  Men 
vindt  er  o.  a.  het  Belterwijde^  het  Beulakerwijde^  het  Grootewijde 
en  het  Giethoornsche  meer^  die  een  diepte  van  1,5  M.  è  3  M.  — 
A.  P.  hebben. 

Het  land,  waar  thans  deze  meertjes  gevonden  worden,  en  verder 
noord-oostelijk  tot  nabij  Steenwijk  en  de  landen  van  Nijeveen, 
Kolderveen,  Wanneperveen  en  Dingsterveen,  was  eertijds  geheel  met 


Digitized  by 


Google 


288 

hoogveen  bedekt.  In  'de  omstreken  van  Ruinerwold,  de  Wijk,  Stap- 
horst en  Rouveen  zette  zich  dat  veen  voort.  De  afgraving  van  hoog- 
veen had  te  Giethoorn  reeds  in  de  14de  eeuw  plaats,  i)  Toen  bleef 
er  nog  laagveen  over  en  de  uitbaggering  van  laagveen  was  de  eerste 
oorzaak  voor  het  ontstaan  van  genoemde  plassen,  die  zich  vervolgens 
door  afslag  vergrootten  tot  de  tegenwoordige  meren.  Op  de  kaart  in 
de  X Tegenwoordige  Staat"  van  1781  komen  deze  meren  nog  niet  voor. 

Bij  VoUenhove  vindt  men  de  oudere  gronden  nog  aan  de  opper- 
vlakte komen,  en  daardoor  grootere  verheffingen.  Hier  liggen  nog 
grint-  en  zandhoogien  van  6  M.  -t-  A.  P.  en  de  verst  in  zee  uit- 
stekende punt  is  5  M.   -h  A.  P.  hoog. 

De  stroompjes,  die  het  water  van  het  hoogste  gedeelte  van  dit 
terrein  afvoeren,  zijn  de  Sieenwijker  Aa  en  de  Linde,  De  laatste 
loost  haar  water  op  de  Zuiderzee;  de  eerste  stort  zich  uit  in  den 
boezem  van  het  i*'«  dijkdistrict  van  Overijsel. 

Het  geheele  lage  gedeelte  van  dit  gebied  behoort  in  hydrogra- 
phischen  zin  tot  dezen  boezem,  die  het  land  met  een  net  van  wa- 
teren doorsnijdt,  welke  alle  gemeen  liggen  en  gemeenschappelijke 
afwatering  hebben. 

De  zeekust  moet  wegens  hare  lage  ligging  door  dijken  beschermd 
worden.  Van  Ambt  \ollenhove  strekt  zich  de  hooge  zeedijk  onaf- 
gebroken naar  het  noorden  uit.  Zij  heeft  een  hoogte  ongeveer  van 
4,50  M.  +  A.  P. 

De  Steenwijker  Aa.  De  SUenwijker  Aa  wordt  gevormd  door 
de  vereeniging  van  de  Wapserveensche  Aa  met  het  Vledderdiep, 
Deze  vereeniging  heeft  dicht  bij  Wapserveen  plaats. 

In  het  voorjaar  wordt  het  Vledderdiep  op  drie  en  de  Steenwijker 
Aa  op  twee  plaatsen  opgestuwd  door  valschutten,  om  het  water  tot 
bevloeïing  van  de  laag  gelegen  oeverlanden  te  gebruiken.  De 
Steenwijker  Aa  staat  bij  Steenwijk  door  een  schutsluis  in  verbinding 
met  het  Steenwijker  diep. 


i)  Zie    hierover   Ebbinge  Wubben.  Geschiedkundige  herinneringen  van  Giet- 
hourn.  (Overijselsche  Alm.   1837,  P^-  ^)' 


Digitized  by 


Google 


2&g 

Het  Steemvijker  diep  loopt  van  Steenwijk  naar  Blokzijl  en  heeft 
eene  lengte  van  14,5  K.  M.  De  kleinste  breedte  is  op  kanaalpeil 
22  M.  en  de  waterdiepte  1,26  M.  Het  water  in  het  diep  ligt  ge- 
meen met  den  boezem  van  het  Eerste  Dijkdistrict  van  Overijsel, 
(0,20  M. — A.P.)  Hierdoor  is  dit  gedeelte  geen  afgesloten  diep,  doch 
een  water,  dat  met  vele  andere  in  verband  staat. 

De  Linde.  De  Linde  was  eertijds  eene  vrije  rivier,  die  haar 
loop  begon  bij  Trond:  in  Friesland,  een  buurt  onder  Elsloo,  en  in 
Z.  W.  richting  naar  de  Zuiderzee  stroomde,  waar  zij  zich  bij  Slij- 
kenburg  met  de  Tjonger  vereenigde.  Thans  is  zij,  door  den  af- 
sluitdam  bij  Slijkenburg,  geheel  van  de  Tjonger  gescheiden,  en  dus 
mondt  de  Linde  bij  Kuinre  zelfstandig  door  eene  sluis  in  zee  uit. 

De  Linde  is  thans  gekanaliseerd  en  door  sluizen  in  drie  panden 
verdeeld.  Het  bovenste  pand  is  dat  gedeelte,  hetwelk  boven  het 
Koniermans  verlaat  {^\i\€)  ligt.  Het  heeft  een  peil  van  1,54  M.  +  A.  P. 
en  eene  gemiddelde  diepte  van  0,90  M.  Eene  oppervlakte  van 
6395  H.  A.  lands,  polders  en  hooge  gronden,  watert  hierop  af.  Het 
bovenpand  der  Linde  staat  nog  in  verbinding  met  de  Noordwol- 
dervaart  naar  Frederiksoord,  een  kanaal  van  4  panden. 

Het  middelste  pand  strekt  zich  uit  van  het  Kontermans  verlaat 
lot  de  Litidesluis,  Hierop  wateren  6470  H.  A.  hooge  gronden 
en  polders  af     De  diepte  is  i  k  1,20  M. 

Het  benedenpand  loopt  van  de  Lindesluis  tot  de  uitmonding  bij 
Kuinre.  Nabij  Oldemarkt  heeft  dit  deel  over  een  lengte  van  17 15 
M.  eene  verbreeding,  het  Wijde  genaamd.  Dit  gedeelte  staat  met 
Frieslands  boezem  in  gemeenschap  door  een  schutsluis  aan  het 
einde  van  de  Helomavaari^  die  in  de  Tjonger  uitkomt.  Tevens 
staat  het  met  den  boezem  van  het  iste  Dijkdistrict  van  Overijsel 
in  verbinding  door  de  Ossenzijl. 

De  boezem  van  het  iste  Dijkdistrict  van  Overijsel.  Het 
gedeelte  van  de  strook  lands,  die  wij  thans  bespreken,  ongeveer 
ten  zuidwesten  van  den  spoorweg  Meppel-Steenwijk,  behoort  in 
hydrographischen  zin  tot  den  Boezem  van  het  Eerste  Dijkdistrict 
van  Overijsel,  Die  boezem  bestaat  uit  een  tal  van  grachten 
en  plassen  in  het  lage  land,  waarvan  wij  op  pag.  287  en  288 
IL  19 


Digitized  by 


Google 


290 

reeds  de  voornaamste  opnoemden.  Te  Steenwijk  loost  de  Steen- 
wijker  Aa  op  dien  boezem  door  een  schutsluis.  Ongeveer  27800 
H.  A.  lands,  gedeeltelijk  polderland,  gedeeltelijk  boezemlaftd,  loost 
op  dezen  boezem.  Hij  ontlast  zijn  water  door  de  Aremberger 
schutsluis  te  Zwartsluis  op  het  Zwartewater.  De  Aremberger  gracht 
verbindt  hier  het  Beulakerwijde  en  het  Belterwijde  met  het 
Zwartewater.  Verder  heeft  de  ontlasting  plaats  door  twee  sluizen 
op  de  Zuiderzee,  eene  te  Blokzijl  en  eene  ten  zuiden  van  die  plaats, 
en  door  de  Ossenzijl  op  de  Linde.  Enkele  kleine  schutsluizen, 
die  voor  de  afwatering  weinig  belang  hebben,  verbinden  dezen 
boezem  nog  met  het  Meppelerdiep.  De  gemiddelde  waterstand  in  dezen 
boezem  is  0,20  M.  —  A.  P.  Van  Blokzijl  loopt  een  vaart  door 
dit  gebied  naar  de  Linde  en  verder  naar  Friesland^  die  in  het 
eerste  gedeelte  gemeen  ligt  met  den  boezem  van  het  Eerste  Dijk- 
district.  Dit  vaarwater  heeft  van  het  Steenwijker  diep  tot  de  Linde 
de  volgende  namen:  Kalember^ergracht,  Heer  van  Dieren  vaart 
en  Romsloot.  De  breedte  bedraagt  24  M.  op  het  peil.  Het  Steen- 
wijker diep,  van  Steenwijk  naar  Blokzijl,  hebben  wij  reeds  als  deel 
van  den  boezem  aangewezen. 

§   8.      DE  KANALEN    IN   OVERIJSEL. 

Het  Overijselsche  Kanaal  en  zijkanalen.  Overijsel  is  in 
deze  eeuw  met  een  net  van  kanalen  doorsneden,  die  gedeeltelijk 
voor  afwatering,  doch  hoofdzakelijk  voor  het  verkeer  moesten  dienen. 
De  zich  ontwikkelende  nijverheid  in  het  oosten  van  deze  provincie 
had,  in  den  tijd  toen  spoorwegen  nog  niet  bekend  waren,  behoefte 
aan  betere  verkeersmiddelen,  en  ook  voor  de  ontginning  der  veen- 
gronden waren  kanalen  een  vereischte. 

Ten  zuiden  van  de  Vecht  ligt  het  Overijselsche  Kanaal,  dat  als 
hoofdkanaal  Almeloo  met  Zwolle  verbindt.  Dit  kanaal  heeft  eene  lengte 
van  48,060  K.M.  tusschen  genoemde  steden.  Door  5  sluizen  is  het  in 
6  panden  verdeeld.  De  hoogte  van  het  kanaalpeil  in  het  bovenste 
pand  (bij  Almeloo)  is  9,40  M.  +  A.  P.  en  daalt  in  de  volgende 
panden  successievelijk  tot  7,50  —  5,70  —  4,20  —  2,20  en  0,20  M. 


Digitized  by 


Google 


291 

+  A.  P.  Het  Kanaal  heeft  eene  breedte  van  12,60  tot  14,70  M. 
op  het  kanaalpeil  en  de  diepte  onder  kanaalpeil,  dus  de  hoogte 
van  het  water,  loopt  van  1,80  tot  2  M. 

Naar  dit  kanaal  loopt  van  het  zuiden  een  zijkanaal  van  Deventer 

voorbij  Raalté.    Dit  zijkanaal  is  27,300  K.  M.  lang  en  wordt  door 

twee   schutsluizen   in   drie   panden  verdeeld.     Het  noordelijk  pand 

'  ligt  het  hoogst  en  heeft  een  kanaalpeil  van  5,70  M.  +  A.  P.,  terwijl 

het  zuidelijkste  een  kanaalpeil  van  5,30  M.  +  A.  P.  heeft 

Het  zuidelijke  deel  van  dit  kanaal  is  het  benedenste  gedeelte  van 
de  Schipbeek.     (Zie  II  pag.  253). 

Verder  staat  het  Overijselsche  Kanaal  in  het  noorden  nog  door 
een  voedings-  en  scheepvaartkanaal  met  de  Vecht  {Froomshoop — 
Haandrik)  in  verbinding.  Dit  zijkanaal  is  aangelegd,  om  de  voe- 
ding der  andere  kanalen  uit  de  Vecht  mogelijk  te  maken,  en 
tevens  met  het  oog  op  de  vervening  van  de  veenvlakte  ten  zuiden 
van  de  Vecht.  Deze  tak  heeft  eene  lengte  van  21,350  K.  M.,  en 
bestaat  uit  één  pand,  dat  gemeen  ligt  met  het  zesde  pand  van  het 
hoofdkanaal.  Dus  is  het  kanaalpeil  op  dit  pand  9,40  M.  +  A.  P. 
Bij  de  Haandrik  y  boven  Gramsbergen,  is  het  van  de  Vecht  ge- 
scheiden door  een  keer-  of  schutsluis,  de  JJaandriksluis.  Door 
middel  van  een  stuw  wordt  het  water  in  de  Vecht  bij  de  Haan- 
drik opgestuwd,  om  het  Overijselsche  Kanaal  te  kunnen  voeden. 
Verder  wordt  het  Kanaal  nog  gevoed  door  verschillende  beken  en 
waterleidingen,  die  er  in  uitloopen. 

Het  verbindingskanaal  met  de  Vecht  heeft  nog  een  paar  zijtak- 
ken: de  Van  Royen  wijk  en  de  Bruchter  wijk.  De  eerste  is  de 
hoofdwijk  der  vervening  van  het  Bergentheimer  veen,  die  de  ver- 
vallen Bergentheimer  turfvaart  vervangt,  en  tot  de  Duitsche  grens 
is  voortgezet.  Deze  hoofdwijk  is  5,9  K.  M.  lang  en  door  3  sluizen 
in  4  panden  verdeeld.  Het  kanaalpeil  van  het  vierde  pand  (nabij 
de  grens),  ligt  15,90  M.  4-  A.  P.  en  van  het  eerste  pand,  dat  ge- 
meen   ligt   met   het   Overijselsche   kanaal,   9,40   M.    +  A.  P. 

De  Bruchterwijk  is  de  hoofdwijk  der  vervening  in  het  Bruchterveen. 
en  vormt  een  tak  van  het  Overijselsche  Kanaal. 

Beneden   sluis    4    wordt   het   Overijselsche   Kanaal   nog  gevoed 


Digitized  by 


Google 


29^ 

door  de  jRe^^€^  die  met  dit  doel  bij  Honkate  wordt  opgestuwd. 
Te  Zwolle  hebben  deze  kanalen  gemeenschap  met  het  Zwarte- 
water, te  Deventer  met  den  IJsel^  bij  de  Haandrik  met  de  Vecht, 
en  daardoor  met  de  Dedenisvaart  en  het  Koevordensche  kanaal. 
Bovendien  is  een  kanaal  in  aanleg,  dat  het  Overijselsche  kanaal 
van  Almeloo  met  de  Vecht  bij  Noordhorn  zal  verbinden,  en  verder 
zal  aansluiten  aan  het  Pruisische  kanaalnet  aan  den  linkeroever 
van  de  Eems. 

Deze  kanalen  zijn  tot  stand  gebracht  door  de  Overijselsche  Kanaliscttis' Maat- 
schappij y  volgens  concessie,  verleend  bij  Koninklijk  besluit  van  13  Oct.  1850, 
nadat  reeds  sedert  1830  verschillende  pogingen  waren  aangewend  tot  het  ver- 
krijgen eener  scheepvaartverbinding  van  Almeloo  met  Zwolle  en  met  Hengeloo 
en  de  Dinkel. 

tn  Januari  1851  werd  met  de  voorloopige  werkzaamheden  begonnen,  i)  De 
vaaxt  van  Zwolle  naar  de  Regge  werd  opengesteld  in  1853,  naar  Almeloo  in 
1855,  het  tijkanaal  naar  de  Vecht  kwam  voor  de  scheepvaart  gereed  in  1856, 
en  naar  Deventer  in  1858. 

De  Binnen  Vecht.  De  Binnen  Vecht  of  Nieuwe  Vecht  is  een 
kanaal,  dat  gegraven  is  om  Zwolle  met  de  Vecht  te  verbinden.  Het 
heeft  eene  richting  van  Zwolle  naar  het  N  O.  De  lengte  van  dit 
kanaal  'vs  3^6  K.  M.,  de  breedte  op  het  kanaalpeil  16  M.  en  de 
diepte  onder  't  kanaalpeil  1,8  M.  Het  kanaalpeil  ligt  0,18  M.  + 
A.  P.  en  het  omliggende  land  ongeveer  i  M.  +  A.  P.  hoog. 

De  Dedemsvaart.  Tusschen  de  Vecht  en  het  riviertje  de  Reest, 
nabij' de  grens' tusschen  van  Drente,  ligt  in  Overijsel  eene  naar  het 
westen  zacht  afbellende  vlakte  van  zandgronden,  die  in  het  oosten  bij 
Hardenberg  ongeveer  9  M.  +  A.  P.,  bij  Ommen  6  M.  +  A.  P., 
en  nabij  het  Zwartewater  en  het  Meppelerdiep  ongeveer  i  M.  +  A.  P. 
en  iets  lager  ligt.  Op  deze  vlakte  was  in  den  loop  der  tijden  een  zware 
laag  boogveen  gevormd,  die  in  het  westen  eerst  werd  afgegraven. 
Teneinde  de  oostelijke  venen  te  exploitèeren  en  de  woeste  landen  te 


i)    Zie:    Algemeen  Verslag  van  Commissarissen  der  Overijselsche  Kanalisatie- 
Maatschappij   1852. 


Digitized  by 


Google 


293 

ontginnen,  werd  er  in  1809  besloten  een  kanaal  te  graven  van  de  venen 
onder  Avereest  naar  het  Zwartewater.  De  man,  die  hiettoe  het 
initiatief  nam,  was  Willem  Jan  baron  van  Dkdem  tot  den  Berg 
EN  Rollecate,  en  naar  dezen  werd  ook  het  gegraven  kanaal  en 
de  hierdoor  gestichte  veenkolonie  genoemd. 

De  Dedemsvaart,  oorspronkelijk  slechts  tot  Avereest  gegraven, 
werd  in  den  loop  der  tijden  telkens  bij  de  voortgaande  verveningen 
verlengd  en  strekt  zich  thans  uit  tot  bij  Ane  aan  de  Vecht.  Bij 
dtzt  plaats  wordt  de  Vecht  opgestuwd  tot  een  stuwpeil  van  8  M. 
-f-  A.  P.  De  Vecht  boven  Ane  ligt  hier  gemeen  met  het  bovenste 
gedeelte  van  de  Dedemsvaart. 

Van  Ane  tot  Hasselt  heeft  de  Dedemsvaart  eene  lengte  van 
39,870  K.  M.  Een  6tal  sluizen  verdeelt  de  Dedemsvaart  in  7  pan- 
den. Het  bovenste  pand,  Ane  Heemse,  heeft,  zooals  wij  zeiden,  een 
kanaalpeil  van  8  M.  -^  A.  P. ;  dat  van  Heemse  naar  Rheeze  7,12 
M.  +  A.  P.,  van  Rheeze  naar  het  Veneschut  van  6,33  M.  +  A.  P. 
van  het  Veneschut  naar  het  Huizingerveld  4,54  M.  +  A.  P., 
van  het  Huizingerveld  naar  den  Hulst  3,11  M.  +  A.  P.,  van  den 
Hulst  naar  de  Lichtmis  1,61  M.  +  A.  P.  en  van  de  Lichtmis  naar 
Streukel  van  0,10  M.  H-  A.  P.  De  breedte  van  het  kanaal  is 
van  11,30  tot  13,50  M.  op  het  kanaalpeil  en  de  waterdiepte  loopt 
van  1,50  tot  1,80  M. 

Wij  zagen  boven  reeds,  dat  de  Dedemsvaart  gevoed  wordt  uit 
de  Vecht  bij  Ane.  Verder  ontvangt  zij  het  water  van  verschillende 
waterleidingen,  die  er  in  uitmonden.  Het  overtollige  water  op  de 
Dedemsvaart  kan  afgeleid  worden  van  het  zesde  pand  door  een 
Af  water  ini^skanaal  naar  de  Vecht  bij  Otnmen^  in  1866  gereed  ge- 
komen, dat  tevens  voor  de  scheepvaart  gebruikt  wordt.  Dit  kanaal 
is  10,280  K.  M.  lang,  heeft  een  kanaalpeil  van  6,33  M.  +  A.  P. 
en  loost  door  een  duikersluis  te  Ommen  op  de  Vecht.  Van  i  tot 
15  April  kan  het  6^**  pand  ook  naar  het  noorden  door  de  Spon- 
turf swijk  op  de  Reest  af  wateren.  Uit  het  tweede  pand  voert  het 
Lichtmiskanaal  nog  het  overtollige  water  op  het  Zwartewater  af. 

De  Dedemsvaart  is  in  de  venen  ten  oosten  van  de  Ommerschans 
door   gegraven   kleine    zijtakken,   wijken   genoemd,  tot  een  geheel 


Digitized  by 


Google 


294 

net  van  kanalen  uitgebreid.  Verder  is  het  .7  de  pand  van  de  De* 
demsvaart  naar  het  oosten  door  de  Lutkr-hoofdwijk  nog  verbon- 
den met  Koevorden. 

De  Lutter-hoofdwijk.  Van  Koevorden  naar  het  7de  pand  van 
de  Dedemsvaart  strekt  zich  langs  het  Anerveen  door  de  gemeente 
Luiten  de  Lutter-hoofdwijk  uit.  In  1867  kwam  deze  gereed.  Het 
kanaal  heeft  een  lengte  van  16  K.  M.  Door  drie  sluizen  wordt  het 
in  4  panden  verdeeld.  Door  middel  van  het  Koevorden-Vecht- 
kanaal  wordt  de  Lutter-hoofdwijk  uit  de  Vecht  gevoed  (zie  pag.  270). 

Het  Lichtmis-kanaal.  Van  de  Lichtmis  aan  de  Dedemsvaart 
naar  de  Vecht  bij  Berkum  is  van  1830 — 35  het  Lichtmis-kanaal 
gegraven.  De  doortrekking  van  het  hoofdkanaal  tot  in  de  Vecht 
kwam  eerst  in  1853  gereed.  Het  kanaal  heeft  eene  lengte  van  7,134 
K.  M.  en  wordt  door  de  Berkunaersluis  in  twee  panden  verdeeld. 
Het  kanaalpeil  bedraagt  bij  de  Lichtmis  0,10  M.  -f  A.  P.  en  in 
het  pand  bij  de  Vecht  0,36  M.  +  A.  P. 

Historische  opmerkingen.  Dedemsvaart.  Het  plan,  om  de  bovenge 
noemde  hooge  venen  in  Overijsel  te  cxploiteeren,  werd  het  eerst  met  eenige 
grondigheid  ontworpen  door  Gerrit  Willem  van  Marle  in  1791,  die  zelf 
eigenaar  van  de  meeste  dier  venen  was.  In  plaats  van  aanmoediging  onder- 
vond hij  hierin  tegenwerking,  zoodat  bij  zijn  dood  in  1799  te  vreezen  stond, 
dat  zijne  plannen  geheel  in  duigen  zouden  vallen.  Zijn  schoonzoon,  baron  van 
Dedem,  die  daarop  eigenaar  van  vele  dier  heiden  werd,  werkte  gelukkig  die 
plannen  verder  uit,  doch  moest  eveneens  veel  tegenstand  ondervinden.  De  stad 
Zwolle  vreesde  vooral  voor  belangrijke  handelsnadeel  en,  daar  het  nieuwe  kanaal 
te  Hasselt  in  het  Zwartewater  zou  vallen.  Evenwel  wist  de  voortvarende  en 
volhoudende  Baron  van  Dedem  te  l)ewerken,  dat  Koning  Lodewijk  in  1809  de 
concessie  tot  het  graven  van  de  vaart  verleende,  die  hij  onder  Slchimmelpenninck 
vruchteloos  gevraagd  had.  Toch  wist  bekrompen  naijver  het  nog  zoover  te 
brengen,  dat  de  heer  van  Dedem  met  Zwolle  een  contract  moest  sluiten,  waarbij 
bepaald  werd,  „</<//  de  vaart  een  turfvaart  en  geen  handelsvaari  zou  mogen 
worden^^  Deze  bepaling  werd  natuurlijk  in  latere  tijden  krachteloos. 

Na  het  verkrijgen  der  concessie  was  het  onteigenen  der  onverdeelde  markte- 
gronden  nog  eene  groote  moeielijkheid,  doch  ook  deze  kwam  hij  te  boven, 
zoodat  in  1809  de  arbeid  werd  aangevangen,  die  in  181 1  tot  5  uren  gaans  lengte 
gevorderd  was. 

De  Dedemsvaart   met   aanhooren  werd  in  1826  aan  het  Rijk  verkocht.  Later 


Digitized  by 


Google 


295 

werd  zij  weer  door  vroegere  eigenaren  teruggekocht,  totdat  zij  eindelijk  in  1845  in 
openbare  veiling  door  de  Provincie  Overijsel  werd  aangekocht,  met  verplichting 
tot  uitvoering  van  eenige  nog  onvoltooid  gebleven  werken,  als:  de  voltooiing 
van  het  Lichtmiskanaal  en  de  doortrekking  van  het  hoofdkanaal  naar  Ane. 
Het  Lichtmiskanaal  is  gegraven  van  1830  tot  35  en  voltooid  in  1853.  De 
doortrekking  van  het  hoofdkanaal  tot  de  Vecht  kwam  in  1853  gereed;  het 
Afwateringskanaal  naar  Ommen  werd  in  1866  en  de  Lutter  hoofd  wijk  werd  in 
1867  voltooid. 

Door  deze  verschillende  werken  is  een  streek  lands,  die  in  den  aanvang  onzer 
eeuw  nog  woest  lag  en  bijna  geheel  met  heide  begroeid  was,  in  eene  welva- 
rende landouw  herschapen,  i) 

§  9.  Kanalen   in  het  zuidwesten  van  Drente. 

De  Hoogeveensche  vaart.  Van  het  Barger  Oosterveen  langs 
Hoogeveen  naar  Meppel,  loopt  de  Hoogn^eensche  vaart  over  eene 
lengte  van  55,806  K.  M.  Dit  kanaal  is  door  schutsluizen  verdeeld 
in  9  panden,  die  van  boven  af  gerekend  de  volgende  waterstanden 
van  kanaalpeil  hebben:  16  —  i4>50  —  13  —  11,54  —  9,36  — 
7,18  —  5,00  —  2,90  en  0,79  M.  +  A.  P. ;  dezen  laatsten  stand 
boven  Meppel.  Het  staat  in  gemeenschap  met  het  Oranjekanaal  en  het 
Stieltjeskanaal,  en  heeft  boven  Hoogeveen  een  aanzienlijke  vertakking 
door  een  net  van  wijken  in  de  veenderijen  gegraven.  De  verbinding 
met  de  Eems,  waarop  plan  liestaat,  is  nog  niet  voltooid. 

De  breedte  bedraagt  op  kanaalpeil  12  è  13  M.  en  de  water- 
diepte  1,60  M. 

Het  kanaal  wordt  gevoed  uit  de  venen  en  door  enkele  kleine 
waterleidingen.  Het  7de  pand  ontvangt  (zie  pag.  269)  water  van 
het  bovendeel  van  het  Loodiep  en  een  deel  van  het  water  van  het 
Drostendiep,  dat  door  de  waterloop  van  de  Klenke  naar  het 
kanaal  wordt  gevoerd.  Het  3de  pand  ontvangt  het  water  van  het 
Echtinger  diep.  De  ontlasting  van  het  overtollige  water  heeft,  be- 
halve van  het  bovenliggend  op  een  benedenliggend  pand,  ook  plaats 


i)  Zie  over  de  Dedems vaart ;  v.  Senden,  Bijvoegsels  tot  de  leerrede  ter  inwij- 
ding van  het  kerkgebouw  aan  de  Dedemsvaart,  1834.  —  De  Dedemsvaart, 
Sloet's    Tijdschrift  voor  Staathuishoudkunde  1844,  pag.  308. 


Digitized  by 


Google 


296 

van  het  7de  pand  op  het  Drostendiep,  Loodiep  en  het  Hoolsloots- 
diep  naar  die  diepen  en  verder  naar  Koevorden.  Van  het  6de  en 
van  het  3e  pand  kan  het  overtollige  water  ook  door  de  Veniger 
wijk  (die  ten  zuiden  van  het  kanaal  een  eind  weegs  er  bijna  even- 
wijdig mede  loopt,)  op  het  2de  pand  afgevoerd  worden,  en  van  15 
Nov.  tot  15  April  door  deze  wijk  op  de  Reest. 

Historische  opmerkingen.  Het  beneden  gedeelte  van  de  Hoogeveensche 
vaart,  van  het  dorpje  Echten  tot  Meppel,  is,  zooals  wij  reeds  vroeger  zeiden, 
eene  vergraving  van  een  stroompje,  het  Oude  Diep  of  Echtinger  diep.  Den 
30sten  December  1625  ko9ht  heer  Roelof  van  Echten  van  de  gezamenlijke 
eigenaren  der  Marke  Steenbergen  en  Ten  Arioo  (onder  Zuidwolde)  eene  uitgestrekt- 
heid veen,  onder  verplichting  tot  het  maken  van  een  scheepvaartkanaal  naar 
Meppel.  Het  octrooi  op  dit  contract  werd  verleend  bij  besluit  van  Drost  en 
Gedeputeerden  van  30  Maart  1626. 

De  Heer  van  Echten  droeg  een  deel  der  venen  bij  contract  van  12  Maart 
1631  aan  eene  compagnie  van  Hollandsche  heeren  over  ( HoUandscheveld), 
die  tevens  de  verplichting  tot  het  maken  en  onderhouden  der  vaart  op  zich 
namen.  Het  in  orde  brengen  dier  vaart  bestond  grootendeels  in  het  plaatsen 
van  schutten  of  sluizen  in  het  diep.  In  1627  was  deze  vaart  reeds  in  orde, 
doch  eerst  in  1631  werd  zij  tot  de  venen  doorgetrokken.  Boven  Meppel 
werd  de  vaart  destijds  in  12  panden  verdeeld.  Van  tijd  tot  tijd  werden  ver- 
schillende zijkanalen  met  de  hoofdvaart  verbonden,  en  zoo  drong  men  verder 
in  de  venen  door. 

Doch  deze  vaart  was  bij  het  toenemend  verkeer  en  bij  de  behoefte  aan 
waterwegen  geenszins  meer  in  staat  aan  de  eischen  des  tijds  te  voldoen. 
En  toen  de  handelsgeest  en  ondernemingsgeest  zich  in  het  midden  dezer  eeuw 
krachtig  ontwikkelde,  toen  overal  maatschappijen  ontstonden  om  groote  werken 
uit  te  voeren,  werd  in  Drentede  DrenUche  A'auaaimaa/seAappij  opgericht  (iSso)^ 
die  zich  eene  algemeene  kolonisatie  van  Drente  ten  doel  stelde.  Het  Kon. 
Besl.  van  12  Maart  1850,  verleende  aan  eenige  personen  concessie  tot  het  verbeteren 
der  Hoogeveensche  vaart  en  het  verlengen  er  van  tot  in  de  venen  onder  Emmen, 
benevens  tot  het  maken  van  een  zijkanaal  naar  Koevorden  en  van  een  waterleiding 
naar  Beilen  tot  voeding  der  Drentsche  Hoofd  vaart.  Deze  concessie  werd  door 
concessionarissen  in  ditzelfde  jaar  aan  de  naamlooze  vennootschap  der  Drentsche 
Kanaalmaatschappij  overgedragen,  i) 


x)    Zie  L.   Üldenhuis   Gratama.    De    Drentsche    Kanaal  maatschappij  (Sloet\s 
Tljdschr.  voor  Staathuishoudkunde,  1860  pag.  142.) 


Digitized  by 


Google 


297 

De  verbetering  kwam  spoedig  tot  stand,  en  in  1852  werd  de  verbeterde  Hoo- 
geveensche  vaart,  waarin  men  het  aantal  sluizen  ook  verminderd  had,  voor  de 
scheepvaart  opengesteld.  Sedert  dien  tijd  is  de  Hoogeveensche  vaart  naar  hel 
oosten  toe  veel  verlengd,  en  door  zijtakken  omvat  zij  een  uitgebreider  gebied. 
Tbans  strekt  zij  zich  uit  tot  voorbij  Nieuw-Amsterdam  in  het  Barger  Ooster- 
veen. De  verlenging  der  Hoogeveensche  vaart  tot  de  Pruisische  grens,  volgens 
het  tractaat  van  1876  {ziepag.300)  en  waartoe  concessie  werd  verleend  in  1880,  is 
in  uitvoering. 

De  Drentsche  Hoofdvaart  of  Smildervaart.  De  Smilder- 
vaart  of  Drentscïie  Hoofdvaart  strekt  zich  uit  bijna  in  eene  rechte 
lijn  van  Assen  naar  Meppel,  en  wel  meer  speciaal  van  de  haven- 
kom te  Assen  tot  aan  de  Galgekampsbrug  te  Mej^l.  Het  kanaal 
heeft  eene  lengte  van  43,842  K.  M.  en  eene  breedte  van  11,50  tot 
16,20  M.  op  het  kanaalpeil.  De  waterdiepte  bedraagt  1,80  M. 
Door  6  sluizen  wordt  het  kanaal  in  7  panden  verdeeld,  die,  van 
Assen  te  beginnen,  de  volgende  hoogten  als  kanaalpeil  hebben: 
11,83  —  10,09  —  8,04  —  5,99  —  3,94  —  2,08  en  ongeveer  =  A.  P. 
Uit  deze  kanaalpeilen  blijkt  ook  het  verval  van  den  bodem  van 
Assen  naar  Meppel.  Bij  Assen  ligt  de  waterscheiding  tusschen 
de  Drentsche  Hoofdvaart  en  de  Noord-Willemsvaart,  die  van  Assen 
naar  Groningen  loopt.  Het  eerste  pand  van  de  Drentsche  Hoofd- 
vaart bij  Assen  ligt  gemeen  met  het  bovenpand  van  de  Noord-Wil- 
lemsvaart, met  de  Norgervaart,  de  benedenpanden  van  de  Molen- 
wijk  en  het  Oranjekanaal,  de  Beilervaart  en  vele  wijken.  Om  bij 
de  Noord- Willemsvaart  te  blijven :  in  dit  kanaal  daalt  de  waterspiegel 
van  Assen  naar  Groningen.  Dit  blijkt  uit  de  hoogte  der  kanaalpeilen 
in  de  panden  van  dit  kanaal,  die  van  Assen  naar  Groningen  achtereen- 
volgens de  volgende  zijn :  1 1,83  —  9,33  —  6,83  —  3,83  —  0,81  M.  + 
A.  P.  —  Assen  ligt  dus  op  de  waterscheiding  van  het  Overijselsche — 
Drentsche  Zuiderzeegebied  en  het  Drentsche — Groningsche  zeegebied. 

Voor  de  directe  afwatering  heeft  de  Drentsche  Hoofdvaart  weinig 
beteekenis,  doch  indirect  door  de  wijken  en  kanalen,  die  er  in  uit- 
monden. De  voeding  van  het  bovenpand  der  Drentsche  hoofdvaart  met 
hare  verbindingen  moet  plaats  hebben  op  de  hooge  rug,  die  de  water- 
scheiding tusschen  beide  gebieden  uitmaakt.     Hier  is,  uit  den  aard 


Digitized  by 


Google 


298 

der  zaak,  de  voeding  moeielijk  en  daarom  moesten  verschillende 
kunstmiddelen  gebruikt  worden,  om  deze  voeding  te  doen  plaats 
hebben.  Zoo  heeft  de  voeding  plaats  uit  het  Punterdiep  door 
opmaling  met  de  stoomgemalen  bij  de  Viersluizen  van  het  Noord- 
Willemskanaal.  Verder  kan  het  bovenpand  door  de  BeiUrvaart 
uit  den  Beiier  stroom  gevoed  worden  (zie  pag.  278).  De  lager  ge- 
legen panden  worden  gevoed  uit  het  bovenpand.  Het  4de  pand 
kan  bovendien  gevoed  worden  uit  den  Beiler-  of  DwingcUrstroom.^ 
door  middel  van  het  Koningsschut  en  het  Van  Holihesvaartje 
(zie  pag.  277). 

Historische  opmerkingen  over  den  Beilerstroom  en  de  Drent- 
Sche  Hoofdvaart.  Dè  Beüei^troom  (zie  pag.  277)  had  in  de  vroegste  tijden 
in  zijn  benedenloop,  van  dt  i  uur  boven  Meppel  af,  een  westelijker  richting. 
Hij  liep  Z.  "W.  naar  Nijeveen  en  van  hier  verder,  misschien  wel  door  de  venen 
van  Wanneperveen  naar  het  westen.  Een  tweetal  te  Nijeveen  opgegraven  kano's 
duiden  aan,  dat  dt  rivier  in*  zeer  ouden  tijd  bevaren  werd,  terwijl  hier  in  de 
landen  de  oude  kronkelende  loop  nog  sporen  heeft  achtergelaten. 

Daar  men  behoefte  had  aan  eene  verbinding  van  Dwingeloo  en  den  boven- 
loop van  den  Beilerstroom  met  Meppel,  ten  einde  turf  en  andere  produkten 
af  te  voeren,  werd  een  kanaal  van  Meppel  in  N.  W.  richting  naar  Nijentap 
(aan  den  Beilerstroom  op  zh  i  uur  boven  Meppel)  gegraven.  Dit  kanaal  kreeg 
aanvankelijk  den  naam  van  Nieuwe  vaart  en  later  van  Oude  vaarl,  en  daarnaar  werd 
de  stroom  ook  voor  grootere  gedeelten  wel  Oude  vaart  genoemd.  Hierdoor 
werd  de  benedenloop  dier  rivier  veranderd,  daar  de  oude  mond  verlandde.  De 
Oude  vaart  en  Beilerstroom  werden  inde  17de eeuw  door  een  kanaal  van  Diever- 
brug  naar  het  noorden  met  de  Leggeler  venen  verbonden.  In  welk  jaar  dit 
geschiedde  is  niet  bekend.  Dat  vaartje  geraakte  weldra  in  verval,  en  de  turf- 
afvoer  uit  deze  venen  kon  bijna  niet  plaats  hebben  i). 

WoLTER  Hendrik  Hofstede  wist  evenwel  in  1767  de  Staten  van  Drente 
te  bewegen,  een  algemeen  plan  van  vervening  der  Smilder  venen  aan  te  ne- 
men, en  tot  afvoer  van  de  turf  een  geheel  nieuw  kanaal  naar  het  Meppeler- 
diep  te  doen  graven.  Aldus  kwam  de  Smildervaart  tot  stand,  die  in  1774  lot 
Assen  werd  doorgetrokken.  De  Smildervaart,  later  Drentsche  Hoofd  vaart  ge- 
heeten,  werd  sedert  telkei.s  verbeterd.  Aanvankelijk  eigendom  van  het  land- 
schap, later  van  de  Provincie,  werd  zij  in  1876  Rijkseigendom.  Dit  kanaal  is 
van  veel  invloed  geweest  op  de  ontwikkeling  en  den  bloei  van  Drente. 

i)  P.  A.  Derks.  Meppel  en  omstreken,  pag.  25. 

A.  Kommers  Pzn.     De  ontworpen  kanalisatie  van  Drenthe  1847.  pag.  17. 


Digitized  by 


Google 


299 

Het  Oranjekanaal.  De  aanzienlijkste  tak  van  de  Drentsche 
Hoofdvaart  is  het  Oranjekanaal^  dat  Drente  in  een  richting  van 
het  N.W.  naar  het  Z.0.  in  bijna  twee  gelijke  deelen  verdeelt.  Het 
Oranjekanaal  behoort  nog  tot  het  orographische  gebied,  dat  wij 
thans  bespreken,  en  loopt  bijna  evenwijdig  met  de  waterscheidende 
grens  van  het  Drentsche  Zuiderzee-gebied  en  het  Groningsche  zee- 
gebied. 

De  aanleg  van  het  Oranjekanaal  geschiedde,  om  de  venen  in 
het  hart  van  Drente  te  kunnen  exploiteeren.  Bij  Koninklijk  Besluit 
van  den  23sten  Dec.  1852  werd  er  concessie  verleend  tot  het  graven 
van  dit  kanaal  van  de  Drentsche  Hoofdvaart  te  Smilde  naar 
het  oosten.  In  1858  werd  het  kanaal  geopend.  De  oorspronkelijke 
concessie  gold  voor  een  kanaal  door  de  venen  van  Odoorn  tot  in 
de  Noord-  en  Zuid-Barger  venen,  met  twee  zijtakken  in  de  gemeente 
Odoorn,  en  eene  wijk  naar  het  Barger  meer.  In  1880  is  aan  de 
> Drentsche  Veen-  en  Midden-Kanaalmaatschappij",  in  wiens  eigen- 
dom thans  het  Oranjekanaal  is,  concessie  verleend  tot  het  ver- 
lengen van  dit  kanaal,  en  om  het  te  verbinden  met  de  Verlengde 
Hoogeveensche  vaart,  wat  geschied  is. 

Het  Oranjekanaal  (zonder  de  verlenging)  is  48,126  K.  M.  lang. 
Vier  sluizen  verdeelen  het  kanaal  in  5  panden,  die  van  boven  af 
de  volgende  kanaalpeilen  hebben:  18,23  —  16,93  —  155I3  — 
13,48  en  11,83  M.  +  A.  P.  De  breedte  op  kanaalpeil  loopt  van 
11,45  ^o^  12,40  M.  en  de  waterdiepte  1,80  M. 

De  voeding  van  het  Oranjekanaal  geschiedt  zooveel  mogelijk  door 
water  uit  de  venen,  alsmede  door  de  stroompjes,  die  er  in  uitloopen. 
Het  4^6  pand  kan  door  vele  wellen  steeds  voldoende  op  peil  ge- 
houden worden.  Bij  het  5  «Ie  pand  heeft  nog  opmaling  met  een 
stoomgemaal  plaats. 

Het  Stieltjes  kanaal.  Aan  de  Stieltjes-kanaalmaatschappij 
werd  in  1880  concessie  verleend  om  een  kanaal  van  de  binnen- 
gracht van  Koevorden  naar  de  Verlengde  Hoogeveensche  vaart  te 
graven.  Dit  is  het  Stieltjes  Kanaal^  dat  van  Nieuw- Amsterdam  aan 
de  Verlengde  Hoogeveensche  vaart  naar  Koevorden  loopt.  In  Nov. 
1884  werd  het  voor  de  scheepvaart  geopend. 


Digitized  by 


Google 


300 

Het  kanaal  heeft  eene  lengte  van  9,8  K.  M.  en  wordt  door  twee 
schutsluizen  in  3  panden  verdeeld.  Het  bovenpand  bij  Nieuw- 
Amsterdam  heeft  een  kanaalpeil  van  13  M.  -f  A.  P.,  het  volgende 
van  11,15  M.  4-  A.  P.  en  het  laagste  bij  Koevorden  van  9,30  M. 
+  A.  P.  Het  bovengedeelte  ligt  in  een  terrein  van  ±  18  M.  +  A.  P. 
hoog',  het  benedengedeelte  van  11  M.  -f  A.  P.  De  bodembreedte 
is  7  M.  en  de  waterdiepte  2  è,  2,30  M. 

Het  kanaal  Koevorden— AltePicardië.  Bij  de  wet  van  den 
28sten  Maart  1877  (Staatsbl.  No.  34)  werd  een  tractaat  tusschen 
Nederland  en  Duitschland  door  onze  wetgevende  macht  goedge- 
keurd, dat  bepalingen  omtrent  de  verbindingen  tusschen  de  Neder- 
landsche  en  Pruisische  kanalen  aan  de  linkerzijde  van  de  Eems 
inhield.  Hierin  werd  bepaald,  dat  de  verbinding  tusschen  de 
volgende  kanalen  in  overweging  zou  worden  genomen: 

1.  tusschen  het  Groninger  Stadskanaal  bij  Ter  Apel  en  het 
Pruisisch  ZuidrNoordkanaal  in  de  richting  van  Haren  aan  de 
Eems. 

2.  tusschen  het  Almeloosche  kanaal  bij  Almeloo  en  het  Pruisische 
Eems — Vechlkanaal  boven  Nordhorn. 

3.  tusschen  de  Overijselsche  kanalen  bij  Koevorden  en  het 
Pruisische  Zuid- Noordkanaal  bij  de  kolonie  Alte  Picardië. 

4.  tusschen  de  Hoogeveensche  vaart  in  de  Nederlandsche  pro- 
vincie Drente  en  het  Zuid-Noordkanaal  in  de  richting  naarMeppel 
aan  de  Eems. 

Voor  den  aanleg  van  het  onder  3  genoemde  kanaal,  Koexwrden  — 
Alte  Picardië^  werd'  concessie  verleend  in  1878.  Dit  kanaal  ver- 
bindt de  binnengracht  te  Koevorden  met  het  Pruisische  Noord- 
Zuidkanaal  bij  Georgsdorf,  en  is  ongeveer  25  K.  M.  lang,  waarvan 
slechts  2,2  K.  M.  op  Nederlandsch  gebied  liggen.  Het  wordt  door  4 
sluizen  in  5  panden  verdeeld,  waarvan  de  peilen  zijn,  bij  Koevorden 
te  beginnen:  9,30  —  11,50  —  ^Z^^  —  5  en  16  M.  -*•  A.  P. 
Het  bovenpand  in  Pruisen  wordt  gevoed  door  de  Eems.  Van  de 
panden  boven  sluis  III  wordt  het  overtollige  water  geloosd  op  de 
Vecht  boven  Emblicheim  door  middel  van  een  afwateringskanaal, 
dat  aan  den  boven  mond  door  een  sluis  is  afgesloten.  Het  beneden - 


Digitized  by 


Google 


30I 

pand  neemt  het  Schoonebeeker  diep  op;  overigens  heeft  het  kanaal 
geene  belangrijke  afwateringen. 

Hiermede  hebben  wij  de  belangrijkste  wateren  uit  het  behandeld 
gebied  besproken. 

B.    Het  Friesche-Groningsche  zeegebied,   oro-hydrogra- 
phisch  beschouwd. 

I.    Het  Friese he  zee§^ebied. 

§    I.      DE  HOOGE  GRONDEN    IN    HET    ZUIDOOSTEN    VAN    FRIESLAND   EN 
HUNNE  AFWATERING. 

De  oro-hydrographische  gesteldheid  geeft  aanleiding  Friesland  in 
twee  gedeelten  te  verdeelen:  in  hei  hooge  gedeelte  van  het  oosten 
en  het  lagere  westelijke  en  noordelijke  gedeelte,  In  het  oosten 
vindt  men  stroomende  riviertjes^  die  uit  de  natuurlijke  afwatering 
deslands,  bier  meest  hooge  venen,  welke  gedeeltelijk  zijn  afgegraven, 
ontstaan  zijn ;  in  het  westen  en  noorden,  waar  het  land  geheel  een 
polderland  en  boezem  land  vormt,  zijn  de  wateren  boezems  ^^\t\Q!^%\. 
alle  deel  uitmaken  van  één  grooten  boezem,  Frieslands  boezem 
geheeten.  Ten  westen  van  de  lijn  Peperga — Oldeholtpade — Hee- 
renveen —  Gorredijk,  ten  noorden  van  den  Opsterlander  veenpolder 
om,  van  Oldeboorn  noordwaarts  op  tot  de  trek  vaart  van  Leeuwar- 
den naar  Dokkum,  en  vervolgens  ten  noorden  van  die  vaart  en  het 
Dokkummer  diep,  bestaat  het  land  vrijwel  uit  een  aangesloten  pol- 
derland en  boezemland.  Wel  komen  ook  ten  oosten  van  deze  lijn 
nog  enkele  polders  voor,  op  zich  zelf  staande  of  in  enkele  groepen, 
en  eveneens  vindt  men  ten  zuiden  van  de  Lauwerszee  nog  enkele  bedij- 
kingen, doch  in  hoofdzaak  kan  men  zeggen,  dat  genoemde  lijn  de 
oostelijke  en  naar  het  noorden  de  zuidelijke  grens  van  het  polder- 
land uitmaakt. 

Het  oostelijke  hoogste  gedeelte  van  Friesland,  dat  zich  bij  de  ter- 
reinen in  Drente  ten  westen  van  de  Drentsche  Hoofdvaart  aansluit, 
heeft  eene  hoogte  van  lo  è  ii  M.  +  A.  P.  in  de  venen  van  Ap- 
pelscha, en  daalt  naar  het  Z.  W.  af.     In  de  lijn  van  Drachten  tot 


Digitized  by 


Google 


302 

Oude  Horne  vinden  wij  ongeveer  2  è,  3  M.  +  A.  P.  En  verder 
naar  het  westen  daalt  de  bodem  nog  lager,  totdat  ongeveer  op  de 
lijn  Heerenveen,  Gorredijk,  Bergum  en  vervolgens  met  een  bocht 
naar  het  westen  tot  Dokkum  het  lage  westelijke  terrein  van  i  M. 
+  A.  P.  aanvangt,  dat  op  vele  plaatsen  niet  hooger  isdan  =  A.P. 
of  0.50  —  A.  P. 

De  hooge  gronden  in  het  zuidoosten  kenmerken  zich  dooreenige 
hoogere  ruggen,  door  lagere  rivierdalen  gescheiden,  welke  zich  in 
N.  O.  richting  uitstrekken.  De  ruggen  bestaan  meest  uit  zanddi- 
luvium,  terwijl  de  dalen  met  laag-  en  moerasveen  zijn  aangevuld, 
waardoor  groenlanden  gevormd  worden,  die  de  zoomen  der  kron- 
kelende beekjes  uitmaken.  Door  de  hoogere  ligging  zijn  de  dorpen 
meest  tot  genoemde  ruggen  bepaald. 

Van  het  zuiden  af  kan  men  hier  vinden: 

1.  Een   rug  met:    Appelscha,    Noordwolde,  Finkega,    Steggerda, 

Peperga  en  Blesdijke. 

2.  Een  rug  met  de  dorpen  Makkinga,  Nijeberkoop,  Oldeberkoop, 

Nije-  en  Oude  Holtpade,  Wolvega  en  Sonnega. 

3.  Een  rug  met  de  dorpen  Haule,  Donkerbroek,  Hoornsterzwaag, 

Jubbega,  Schurega,  Oude  Schoot  en  Nije  Schoot. 

4.  Een    rug  met  Duurswoude,  Wijnjeterp  en  Lippenhuizen   naar 

Gorredijk. 

5.  Een   rug   van   de   grens   met  Siegerswoude,  Ureterp  en  Beet- 

sterzwaag. 
De  stroompjes,  waarop  het  oostelijke  gedeelte  afwatert,  vloeien,  de 
helling  des  terreins  volgend,  in  het  zuidelijk  gedeelte  naar  het  Z.  W. 
Men  vindt  hier :  de  Linde  (die  wij  reeds  vroeger  beschreven)  de 
Kuinder  of  Tjonger  en  de  Boorne  of  het  Koningsdiep,  Naar  het 
noorden  stroomt  van  dit  gebied  de  Lauwer s. 

De  Kuinder  of  Tjonger.  Dit  watertje  ontstaat  in  de  hoogevenen  nabij 
de  Drentsche  grenzen  onder  Haule  en  stroomt  naar  het  Z.  W.  Jn  zijn 
bovenloop  neemt  het  nog  een  paar  kleine  stroompjes  op,  nl.  het  Grootdiep  uit 
de  venen  van  Fochteloo,  en  het  Kleindiep  uit  de  venen  van  Appelscha.  Het 
terrein,  waarin  aanvankelijk  deze  riviertjes  stroomen,  ligt  7  1  8  M.  -|-  A.  P. 
en  daalt  vervolgens  tot  ■=  A.  P.  bij  den  mond. 


Digitized  by 


Google 


303 

Het  riviertje  de  Tjonger  stond  vroeger  geheel  in  vrije  gemeenschap  met  het 
water  van  Frieslands  boezem.  Natuurlijk  kwam  alleen  op  het  benedengedeelte 
de  waterstand  met  die  van  Frieslands  boezem  overeen,  terwijl  zij  verder  boven- 
waarts  hooger  waterstand  had, 

Van  het  watertje  de  Tjonger  is  evenwel  thans  weinig  meer  als  vrijstroomende 
rivier  overgebleven.  Daar  de  Tjonger  bij  regenrijke  jaargetijden  niet  zelden 
zeer  veel  water  op  Frieslands  boezem  afvoerde  en  deze  zwaar  belastte,  werd  de 
kanalisatie  van  de  Tjonger  in  de  plannen  tot  verbetering  van  Frieslands  water, 
stand  opgenomen.  Evenwel  werden  tegelijk  met  de  waterstaatsbelangen  ook 
de  belangen  der  scheepvaart  hierdoor  behartigd.  Van  de  sterk  kronkelende 
rivier  is  hierbij  weinig  partij  getrokken,  en  een  kanaal,  hoofdzakelijk  ten  noor- 
den van  de  Tjonger,  werd  nieuw  aangelegd. 

In  1886  werd  het  benedengedeelte  der  Tjonger  volgens  de  wet  van  1880 
verbeterd  van  de  Pier-Christiaansloot  tot  de  grens  der  gemeente  Oost-  en 
WeststeUingwerf.  De  bodemdiepte  van  dit  gedeelte  werd  gebracht  op  2,12  M. 
—  A.  P.,  en  de  bodembreedte  in  het  benedengedeelte  op  17  M.,  in  het  boven- 
gedeelte  op  7,50  M.    Dit  benedengedeelte  ligt  gemeen  met  Frieslands  boezem. 

Het  tweede  gedeelte  der  verbetering  van  de  Tjonger  werd  in  1887  uitge- 
voerd. Dit  deel  strekt  zich  uit  van  de  grens  der  gemeente  Oost-  en  Weststel- 
lingwerf tot  de  Opsterlandsche  Compagnonsvaart.  Door  drie  sluizen,  waarvan 
de  eerste  aan  het  beneden-  en  de  laatste  aan  het  boveneinde,  wordt  dit  gedeelte 
in  twee  panden  verdeeld.  Het  benedenpand,  van  genoemde  eerste  sluis  tot  de 
tweede  sluis  bij  den  Zandweg  van  Makkinga  naar  Gorredijk  is  6045  M.  ^*ng 
en  heeft  een  peil  van  0,65  M.  -|-  A.  P.  Het  tweede  pand  van  hier  totde  sluis 
van  de  Opsterlandsche  Compagnonsvaart  is  7965  M.  lang  en  heeft  een  peil  van 
2,35  M.  +  A.  P.  De  bodemdiepte  bedraagt  beneden  de  eerste  sluis  1,70  M., 
tusschen  de  sluizen  1,80  M.,  en  boven  de  derde  sluis  2  M.  beneden  genoemde 
peilen;  de  bodembreedte  is  7,5  M.  Aan  weerszijden  van  het  kanaal  zijn 
bermslooten  gegraven,  welke  dienen  tot  afwatering  der  daar  liggende  landen,  en 
die  telkens  tot  bevloeiing  dienstbaar  gemaakt  kunnen  worden,  i) 

Aan  het  benedeneind  van  de  Tjonger  ligt  bij  Sch^terzijl  een  uit  watering-  en 
schutsluis,  die  de  Tjonger  en  hierdoor  ook  Frieslands  boezem,  die  wij  vervol- 
gens bespreken  zullen,  gemeenschap  geeft  met  de  Zuiderzee. 

De  Boom.  Het  Koningsdiep  ontstaat  in  de  venen  onder  Opsterland  op  de 
grenzen  van  Groningen,  niet  ver  van  Bakkeveen  in  gronden  van  4  tot  7  M. 
-f  A.  P.  Nabij  den  Veenpolder  van  het  6de  en  7de  district  neemt  dit  watertje 
den    naam   Boorn   aan   en  ontvangt  hier  ook  reeds  het  water  van  polders,  die 


l)  Verslagen   der  -Openb.    Werken    van    den    Koning   over  1886  pag.  66  en 
1887  pag.  67. 


Digitized  by 


Google 


304 

bemalen  worden.  Zooals  o.  a.  van  den  grooten  Veenpolder  van  Opsterland  en 
Engwirden,  Hier  begint  het  water  in  de  Boorn  gemiddeld  de  hoogte  te  ver- 
krijgen van  Frieslands  boezem,  waarmede  zij  gemeen  ligt.  Verder  behoudt  ook 
nog  over  eenigen  afstand  in  het  aaneensluitende  Friesche  polderland  het  zich 
voortzettende  water  den  naam  van  Boorn.  Zoo  strekt  de  Boorne  zich  voorbij 
Oldeboorne  naar  het  westen  uit,  waar  zij  geheel  in  het  polderland  komt,  en  loopt 
voort  tot  Oude  Schouw,  waar  zij  in  verbinding  staat  met  de  noordelijke  uit- 
watering  van  het  Sneeker  meer,  de  Wetering.  Hier  verliest  de  Boorn  zich 
vervolgens  geheel  in  de  wateren  van  Frieslands  boezem. 

Van  de  hooge  gronden  onder  Beetsterzwaag  tot  aan  Irnsummerzijl,  waar  hij 
aansluit  bij  den  Groenendijk,  ligt  op  korten  afstand  ten  noorden  langs  de  Boorne 
Nieuwe  Leppedijk.  Deze  dijk  diende,  om,  indien  de  westen-  en  zuidwestenwin- 
den het  water  van  Frieslands  boezem  naar  het  oosten  drijven  of  opwaaien  en 
doen  opstuwen,  de  ten  noorden  van  den  dijk  gelegen  landen  tegen  het  opge- 
waaide boezemwater  te  beschermen.  Sedert  de  Z^y>^^//(7/6  in  1828  door  de  provincie 
verlegd    is,   kon  hij  een  uitgebreider  landgebied  tegen  het  water  beschermen. 

De  Lauwers.  Nog  een  derde  riviertje  hebben  wij  in  het  hooge  oostelijke 
gedeelte  van  Friesland,  dat  eene  geheel  andere  richting,  nl.  naar  het  noor- 
den neemt.  Dit  is  de  Lauwers.  Vroeger  was  de  Lauwers  (in  't  Lat.  Laubachus 
of  Laubacus,  later  tijdens  Karel  den  Groote  Laubach  of  Laubeke  geheeten)  eene 
bekende  rivier,  doch  thans  is  het  niet  meer  dan  een  weinig  beteekenende  waterloop. 

De  Lauwers  vangt  zijn  loop  aan  nabij  Surhuisterveen  op  de  grens  van  Gro- 
ningen, en  loopt  geheel  over  de  grens  naar  het  noorden.  Bij  Stroobos  snijdt 
de  Lauwers  de  vaart  van  Gerbenallesverlaat  (de  plaats  waar  de  vaart  van  Dok- 
kum  en  die  uit  het  Bergummermeer  zich  vereenigen)  naar  Groningen  en  loopt 
langs  Monnikenzijl,  waar  zij  vroeger  in  de  Lauwerszee  ontmondde.  Sedert  even- 
wel een  zeedijk  gelegd  is  over  de  slikken  van  het  zuidelijke  gedeelte  der 
Lauwerszee,  en  er  dus  een  voorland  van  inpolderingen  voor  den  mond  van  de 
Lauwers  ontstond,  is  de  uitmond  ing  van  genoemd  watertje  naar  het  N.  O.  tot 
bij  den  mond  van  het  Reitdiep  geleid,  waar  de  Lauwer  ten  zuiden  van  hetReit- 
diep  door  een  uitwateringsluis  in  den  gelegden  zeedijk,  de  Friesche  zijlen  ge- 
noemd, in  de  Lauwerszee  loost.  Daar  de  Lauwers  met  de  wateren  van  Frieslands 
boezem  gemeen  ligt,  heeft  hier  dus  ook  de  gedeeltelijke  loozing  van  het  water 
uit  dien  boezem  plaats. 

Zoo  zijn  de  Friesche  stroompjes  eigenlijk  alleen  in  den  bovenloop 
rivieren  gebleven,  terwijl  zij  zich  vrij  uitstorten  in  die  groote  aan- 
eenschakeling van  wateren,  welke  het  lage  land  van  Friesland  door- 
snijden, in  Frieslands  boezem.  Deze  wordt  alzoo  gevoed  door  ge- 
noemde stroompjes  en  door  den  regen  binnen  het  gebied  zelve. 


Digitized  by 


Google 


305 

§    2.      FRIBSLANDS   BOEZEM   EN   HET   BOEZEMGEBIED. 

Het  afwateringsgebied  op  Frieslands  boezem  vindt  zijn  grens  in 
het  noorden  in  West-Dongeradeel^  dat  gedeeltelijk,  en  Oost-Donge- 
radeel^  dat  geheel  op  de  zee  afwatert.  De  eerstgenoemde  polder 
watert  ook  nog  gedeeltelijk  op  den  Frieschen  boezem  af.  Verder 
wordt  naar  het  noorden  het  gebied  van  den  Frieschen  boezem 
begrensd  door  de  oude  zeedijken  langs  de  Lauwerszee,  waar  de 
Engwierumer  polder,  de  Eskes  polder,  de  Cats  polder  en  de 
oostelijke  indijkingen  langs  Groningen  direct  op  het  buitenwater  af- 
wateren.  De  polder  Nieuw  Kr uisland,  eveneens  eene  bedijking  van  de 
Lauwerszee  in  het  zuiden  i),  behoort  tot  Frieslands  boezem.  Ook  ten 
oosten  van  de  Lauwers  in  Groningen  tot  aan  den  voormaligen  zee- 
dijk van  Munnikezijl  en  Kommerzijl  in  't  noorden  en  het  gebied 
van  den  boezem  van  Groningens  Westerkwartier  in  het  oosten  (tot 
het  Wouddiep,  Grijpskerk  en  het  Kommerzij  Isterdiep),  wateren  de 
landen  op  Frieslands  boezem  af. 

Indirect  wateren  ook  de  hooge  gronden  uit  het  oosten  van  Fries- 
land op  dien  boezem  af,  zooals  wij  boven  zagen,  want  genoemde 
riviertjes  zijn  eigenlijk  takken  van  dien  boezem  in  het  hoogere 
land.  Dat  de  afwatering  der  Tjongerlanden  niet  meer  geheel  vrij 
is,  zeiden  wij.  De  grens,  waar  het  aaneengeschakelde  polderland 
begint,  gaven  wij  reeds  op  pag.  301.  Daar  ongeveer  vangt  ook  het 
eigenlijke  directe  gebied  van  dien  Frieschen  boezem  aan,  hoewel  het 
moeielijk  is  de  grens  juist  te  trekken.  Hiertoe  zou  men  de  water- 
standen op  genoemde  riviertjes  moeten  raadplegen.  Waar  de  hoogste 
winterwaterstand  overeenkomt  met  dien  van  Frieslands  boezem, 
kan  men  met  recht  zeggen,  dat  het  eigenlijk  boezemgebied  aanvangt. 
Dewijl  ons  geen  juiste  opgaven  hierover  bekend  zijn,  kunnen  wij 
die  lijn  niet  met  volkomen  juistheid  aangeven.  Zeker  zal  de  lijn 
Oldeboorn — Oude   Schoot   niet   ver   van   de    waarheid    zijn. 

i)  Zie:  A.  J.  Andrae.  Geschiedenis  der  Lauwerszee^  1881. 

„    „     „         „         Kollumerland   en  Nieuw  Kruisland  geschiedkundig  l)e- 
schreven  pag.  10. 

20 


Digitized  by 


Google 


3o6 

Het  directe  gebied  van  Frieslands  boezem  heeft  eene  gemiddelde 
hoogte  van  0,50  —  A.  P.  tot  i  M.  -f  A.  P.  Opmerkelijk  is  het  wel, 
dat  over  't  geheel  de  landen,  in  het  noorden  aan  de  zee  gelegen,  iets 
hooger  liggen  dan  de  meer  binnenwaarts  gelegen  kleilanden.  Dat 
verschijnsel  wordt  langs  het  geheele  noorden  van  ons  land  waar- 
genomen. Ook  bij  Zeeland  en  aan  de  rivieren  hadden  wij  reeds 
aanleiding,  om  op  dit  verschijnsel  te  wijzen.  Het  is,  zooals  wij 
reeds  opmerkten,  een  gevolg  van  de  aanslibbing,  die  aan  zee  langer 
voortduurde  en  bij  hooger  waterstand  plaats  had,  terwijl  de  inklin- 
king  der  gronden  verder  landwaarts  grooter  beteekenis  verkreeg. 

De  BiltpoUen  bijv.,  het  meest  noordelijk  gelegen  aangeslikte  land, 
ingedijkt  in  17 15,  liggen  hooger  dan  het  Nieuwe  Bilt  in  1600  inge- 
dijkt, en  dit  wederom  hooger  dan  het  Oude  Bilt,  dat  reeds  in  1508 
door  dijken  omringd  was.  In  het  midden  der  provincie  is  de  bodem 
het  laagst  gelegen. 

De  laagste  streken  liggen  ten  zuiden  van  eene  lijn  van  Stavoren 
tot  Stroobos,  en  reikende  naar  het  zuiden  tot  de  hoogere  gronden 
van  Gaasterland,  Doniawerstal,  Schoterland,  West-  en  Oost-Stel- 
lingwerf en  Opsterland.  In  deze  kom,  meest  met  laagveen  gevuld, 
vindt  men  ook  alle  meren  en  groote  waterplassen,  behalve  het 
droogemaakte  Workummer-  en  het  Bergummermeer. 

Enkele  hoogten  breken  het  lage,  effene  gebied  nog  af.  In  de 
eerste  plaats  moeten  wij  hierbij  wijzen  op  de  kunstmatige  heuvels, 
die  in  ouden  tijd  zijn  gevormd  om  in  het  lage  land  veilige  woon- 
plaatsen te  kunnen  bouwen,  n.1.  de  terpen.  Deze  terpen  zijn  kunst- 
matige kleiheuvels,  die  zich  met  zacht  oploopende  hellingen  slechts 
enkele  meters  boven  het  omringende  land  verheffen.  Men  vond 
de  hoogste  dier  terpen  te  Midlum,  Winsum,  Dronrijp,  Beetgum, 
Finkum,  Hooge  Beintum,  Holwerd,  Anjum.  Enkele  van  deze  zijn 
evenwel  reeds  geheel  of  gedeeltelijk  weder  afgegraven.  Want  thans 
wordt  weder  vernietigd,  wat  voor  eeuwen  met  veel  moeite  tot  stand 
werd  gebracht. 

Het  omgekeerde  van  die  kunstmatige  veheffingen  zijn  de  kunst- 
matige verlagingen  des  terreins.  Deze  vonden  plaats  in  de  lage 
veenstreken,  waar  de  plantenformatie,  waarmede  de  natuur  de  laagten 


Digitized  by 


Google 


307 

had  aangevuld,  werden  uitgebaggerd  of  door  overstroomingen  zijn 
weggeslagen.  Het  Fluesen-meer  zou,  volgens  oude  kronieken,  vroeger 
een  bosch  zijn  geweest,  dat  in  den  drogen  zomer  1209  met  den 
veenigen  ondergrond  in  brand  geraakte  en  hierdoor  een  klein  meertje 
deed  ontstaan,  hetwelk  zich  later  door  overstroomingen  uitbreidde,  i) 
Welk  aandeel  boschbrand  en  overstrooming  hierin  hadden,  valt 
niet  met  zekerheid  te  zeggen.  Wij  gelooven  meer  dat  uitbaggering 
van  het  veen  tot  turf,  waarin  de  Friesche  monniken  zoo  bedreven 
waren,  de  eerste  oorzaak  was  van  het  ontstaan  der  plassen,  die  door 
afslag  zich  uitbreidden.  Op  die  wijze  ontstonden  er  meren,  die  in 
Friesland  evenwel,  daar  het  lage  veen  geen  zwaarder  lagen  dan 
1V2  M.  heeft,  niet  zeer  diep  zijn.  Waar  deze  plassen  droog  gemaakt 
werden,  ontstonden  dus  droogmakerijen,  die  evenmin  zeer  diep  ge- 
legen zijn.  Zoo  liggen  de  Stavorensche  N.  en  Z.  meerpolders  ten 
oosten  van  Stavoren  op  0,30  M.  —  A.  P.  ( —  0^05  tot  —  0,54). 
De  Lauwsermeerpolder  ligt  op  1,5  M.  —  A.P.,  en  de  Jornahuister- 
polder  op  i  ,85  M.  —  A.  P.  De  diepte  van  deze  droogmakerijen 
is  dus  gering  in  vergelijking  bij  die  in  Holland,  waar  de  Zuidplas- 
polder  i  5  M.  —  A.  P.  en  de  Haarlemmermeerpolder  4,13  M.  — 
A.  P.  liggen  (zie  II,  pag.  27  en  69.) 

De  Workummer-,  Makkummer-  en  Parregastermeren  zijn  droog- 
makerijen van  den  laatsten  tijd.  2)  Deze  laatste  liggen  midden  in 
de  zeeklei,  terwijl  de  eerste  in  het  laagveen  gevonden  wordt. 

In  het  Z.  O.  van  Friesland  in  de  omstreken  van  Heerenveen 
bijv.  vindt  men  groote  verveningen  van  laagveen  uit  latere  tijden, 
welke  daardoor  in  ondiepe  plassen  veranderd  worden.  Verschillende 
van  deze  zijn  ingepolderd  en  drooggemaakt  en  daardoor  in  veen- 
polders  veranderd.  Wij  noemen  hiervan  slechts  de  Haskerveen- 
polder  (3220  H.A.),  de  Groote  St.  Johannesgaasterveenpolder  i^^^^ 
H.A.),  de  Polder  van  het  vierde  en  vijfde  veendistrict  onder  Eng- 
wirden  (3578  H.A.),  de  Polder  van  het  zesde  en  zevende  veen- 
district  onder  O ps  ter  land  en  Engwirden  (3096  H.A.) 

i)  J.  J.  Bruinsma.  De  Fluessen  (Nieuwe  Friesche  Volksalmanak  1862  pag.  151.) 
2)  Welcker.    Eenige    terreinveranderingen.   (Tijdschr.  Ned.  Aardr.  Gen.  1882, 
pag.  50.) 


Digitized  by 


Google 


3o8 

Verder  vindt  men  van  ongeveer  i  uur  ten  oosten  van  Stavoren 
angs  de  Zuiderzee-kust  nog  een  geïsoleerd  hoog  golvend  terrein,  het 
Gaasierland,  Dit  is  eene  voortzetting  van  den  zandriig  3  op  pag.  302 
genoemd.  De  diluviale  gronden  verheffen  zich  hier  te  midden  van 
het  lage  veen  tot  ongeveer  1 1  M.  -I-  A.  P.  op  enkele  plaatsen.  Ten 
noorden  en  zuiden  van  Warns  strekt  zich  een  hooge  rug  uit,  die 
in  het  midden  i  6  M.  +  A.  P.  is,  en  naar  het  noorden  en  zuiden 
daalt.  In  het  Roode  Klif,  aan  zee  op  i  uur  van  Stavoren,  verheft 
de  grond  zich  nog  tot  een  geïsoleerden  heuvel  van  11  M.  +  A.  P. 

Het  Roode  Klifdaaltdoor  de  afknaging  van  den  golfslag  met  steile 
helling  naar  zee  af,  terwijl  het  landwaarts  met  zachte  helling  afloopt. 
Om  het  tegen  verdere  afspoeling  te  beschermen  is  er  na  1829  een 
rij  paalwerken  voor  geplaatst,  en  is  men  sedert  tot  het  aanleggen 
van  een  dijk  overgegaan.  Het  eigenlijk  gezegde  Klif  is  ongeveer 
100  M.  lang  en  30  M.  breed.  Den  naam  Klif  (=  klip)  heeft  het 
te  danken  aan  zijn  vorm;  waarom  men  het  Roode  Klif  noemt  is 
niet  bekend,  i) 

Van  Hemelum  naar  Mims  strekt  zich  een  heuvelrug  uit  van  op 
zijn  hoogst  ±  8  M.  +  A.  P.  Verder  oostelijk  verbreeden  zich  de 
heuvelgronden  van  het  strand,  waar  hier  bij  Oude  Mirdum  geen 
bedijking  noodig  is,  tot  bij  Balk  aan  het  Slotermeer.  Gedeeltelijk 
eindigen  zij  hier  bij  het  meer,  gedeeltelijk  gaat  het  heuvelland 
snel  over  in  de  lage  venen  aan  den  kant  van  Noordwolde.  Tus- 
schen  het  Sloter-  en  Tjeukemeer  vindt  men  een  terrein  van  onge- 
veer 0,5  M.  —  A.  P. 

Het  lage  land  van  Friesland  is  voor  het  grootste  gedeelte  polder- 
land. De  polders  in  Friesland  kunnen  in  drie  soorten  onderscheiden 
worden,  in  zeepolders^  veenpolders  en  hinnenpolders.  De  zeepolders 
zijn  aanwassen  langs  de  zee,  die  successievelijk  ingepolderd  zijn, 
zooals  het  Nieuwe  Bilt,  de  Biltpollen,  het  Nieuwe  Monniken  Bilt, 
het  Noorderleeg,  de  polder  ten  westen  en  oosten  van  Holwerd  en 
Ternaard,  de  Anjumer  en  Lioessens-polder  enz.,  alle  langs  de  N.  O. 
en  N.  kust  gelegen.     Aan  de  westkust  vormen  alleen  het  Workumer 

I)  J.  J.  Bruinsma.  Het  Roode  Klif.  ^Nieuwe  Friesche  Volksalmanak  1863 
pag.   \^). 


Digitized  by 


Google 


309 

Nieuwland   en  aan  de  zuidkust  de  Wielpolder  zulk  eene  bedijking. 

De  veenpolders  worden  gevormd  door  het  droogmaken  van  uit- 
geveende  plassen.  Sedert  1835  had  dit  veel  plaats,  o.  a.  inHeme- 
luraer-Oldefaart  en  Noordwolde,  Lemsterland,  Schoterland,  Has 
kerland,  Engwirden,  Opsterland,  Weststellingwerf  enz. 

De  binnenpglders  omvatten  de  lagere  streken,  die  door  dijken  be- 
schut, het  water  binnen  den  dijk  door  molens  op  lager  peil  houden 
dan  het  boezemwater.  Oost-  en  West-Dongeradeel  geven  hiervan 
bijv.  het  grootste  voorbeeld. 

Doch  niet  geheel  is  het  land  polderland.  Tusschen  de  polders  langs 
de  boezemwateren  komen  in  Friesland  vele  grootere  of  kleinere  uitge- 
strektheden  voor,  die  niet  door  kaden  zijn  omsloten,  en  waar  de  water- 
stand geheel  met  den  boezem  gemeen  ligt.  Dit  land  heet,  zooals  wij 
reeds  vroeger  (zie  deel  I  pag.  51)  zeiden,  ^^^2:^w /<»«//.  Het  is  kenmerkend, 
dat  in  Friesland  dit  boezemland  veel  grooter  oppervlakte  beslaat 
dan  in  Holland.  Dit  boezemland  staat  in  den  winter  veelal  onder 
water  en  vergroot  dan  de  bergruimte  des  boezems,  evenals  de 
winterbedding  bij  eene  rivier.  Dat  er  dus  in  den  winter  groote 
gedeelten  van  Friesland  onder  water  staan,  is  niet  vreemd. 

Men  vindt  dit  boezemland  voornamelijk  in  het  Nieuwe  Bilt, 
en  in  het  Oude  Bilt^  dat  grootendeels  oningepolderd  ligt.  Ten 
westen  van  Leeuwarden  vindt  men  het  in  het  Nieuwland  derMid- 
delzee  tot  aan  de  Sneekervaart  en  ten  N.  en  Z.  van  die  stad,  ten 
Z.  tot  Wirdum ;  in  Westergoo,  in  een  breede  strook  langs  den  N.  en 
O.  Slachtedijk  tot  Oosterwierum  in  het  Z. ;  verder  ten  N.  van  Franeker ; 
ten  N.  van  en  tusschen  het  Sneekermeer  en  de  Goëngarijpsterpoelen 
en  ten  Z.  daarvan  tusschen  de  talrijke  poelen  en  breede  wateren 
ten  Z.  van  die  meren,  tot  aan  en  ten  Z.  van  de  Langweerder 
Wielen;  ten  O.  van  Boomzwaag  en  ten  W.  van  het  Koevorder 
meer;  ten  O.  en  ten  Z.  van  de  Terhorster-  en  Terkaplesterpoelen 
en  in'tN.  van  het  4de  en  5de  Veendistrict  van  Engwirden.  Voorts 
ten  Z.  en  ten  O.  van  het  Slotermeer  en  de  groote  Brekken,  alles 
ten  N.  en  N.  O.  van  Gaasterland.  i) 


I)  Beekman.  De  strijd  om  't  bestaan  $13.  —  De  Waterstaatskaart  geeft  dit  alles  aan. 


Digitized  by 


Google 


3IO 

§   3-      FRIESLANDS  BOEZEM   EN  ZIJNE  LOOZING. 

Het  uitgebreide  net  van  wateren,  vaarten,  plassen,  meren  en  poelen, 
dat  in  het  lage  land  van  Friesland  met  elkander  in  vrije  verbinding 
staat,  vormt  door  die  verbindingen  in  hydrographisch  opzicht  één 
geheel,  dat  men  Frieslands  boezem  noemt.  De  boezem  zelf  heeft 
daardoor  de  aanzienlijke  oppervlakte  van  ongeveer  27  200  H.A., 
waarop  ongeveer  266  700  H.A.  lands  afwateren.  In  den  winter 
staan  geregeld  nog  33  000  H.A.  boezemlanden,  ^groene  landen*^ 
genoemd,  onder  water. 

Frieslands  boezem  wordt  bijna  uitsluitend  gevoed  met  het  water, 
dat  in  Friesland  als  regen  valt.  Nemen  wij  tot  voorbeeld  het  jaar 
1884.  In  dit  jaar  viel  er  in  Friesland  632,4  m.M.  regen,  terwijl 
gerekend  kan  worden,  dat  er  gemiddeld  499,29  m.M.  verdampte 
in  het  boezemgebied,  i)  Aldus  bleef  er  in  ditjaar,  het  verbruik  door 
de  planten  enz.  buiten  rekening  gelaten,  een  batig  saldo  tot  afwatering 
over  van  133,11  m.M.  Dit  geeft  over  een  gebied  van  293  900  H.A. 
(boezemoppervlakte  +  boezemgebied)  eene  afwatering  van  2901 10290 
M*  per  jaar. 

Dit  afvoerwater  uit  Frieslands  boezem  loost  geheel  op  natuurlijke 
wijze  op  de  Wadden  en  de  Zuiderzee  door  12  sluizen,  nl.de  JV/VjM^ 
sluis^  de  Dokkumtner  Nieuwe  zijlen^  de  Roptazijl^  en  de  sluizen  te 
Harlingen^  Makkutn^  Workum^  Hindeloopen^  Molkwerum^  Stavoren^ 
Takozijl^  de  Lemmer  en  SchoterzijL  Doch  men  bedenke  wel,  dat, 
hoewel  de  loozing  van  den  boezem  op  natuurlijke  wijze  geschiedt,  daar- 
entegen vele  polders  door  bemaling  hun  water  op  den  boezem  brengen. 

Dat  die  loozing  des  boezems  op  natuurlijke  wijze  kan  plaats  hebben 
blijkt  uit  een  vergelijking  der  waterstanden  van  het  buitenwater  met  het 
boezemwater.  Volgens  de  waterstaatskaarten  is  het  boezempeil  in 
den  Frieschen  boezem  0,42  M.  —  A.  P.  Dit  peil  is  aanvankelijk 
naar  de  onderzoekingen  van  Prof.  Epey  in  1784  voorloopig  als 
een  zomerpeil  aangenomen,  en  werd  later  als  de  grondslag  of  het 
nulpunt   voor  het   boezemwater  behouden.    Het  is  verbeterd  over- 


i)  Zie  Prov.  Versl.  over  1884  pag.  6. 


Digitized  by 


Google 


311 

gebracht   naar   verschillende   punten   door   de   waterpassingen  van 
1870 — 72.  i) 

Buitenwaterstanden  van  Friesland. 


Plaats  van  waar- 
neming. 


Hoog  water,  (vloed) 


85 


Gemidd.  stand. 


i-S  I'S 


Jaar. 


a 


Laagste 
stand. 


Laag   water,  (ebbe) 


81 


Gemidd.  stand. 


'S 
Si 

a 


.S  'O 


a 


Jaar. 


Laagste 
stand. 


Lemmer 

Stavoren 

Harlingen  .    .    . . 

Nieuwe  Bilt 

Ezumazijl 

Zoutkamp  (Wad- 
den). 


12,39 
2,52 
2,60 

2,95 
3»2o 

3,58 


0,33!  0,26 
o,44|  0,38 
0,68 
0,81 
1,02 


0,81 

0^97 
1,19 

1,23 


1,07 


0^30 
0,41 

0,74 
0,89 
i,ii 

1,15 


—  0,94 

-0,58 
•1,54 

—  0,60 

—  0,42 

—  0,40 


2,61 
1,42  —  0,07 
1,10  —  4,49 
1,00  —  0,65 
1,02 —  1,29 


0,18!      0,20 
—  0,10  —  0,08 


1,57 


—  1,25 


—  0,49 

—  0,64 

—  i,ï7 

—  1,21 


-0,49 

—  0,64 

—  1,23 

—  1,23 


—  1,09 

—  1,10 
-1,65 

—  1,33 

—  1,94 

—  2,52 


(Waar  geen  teeken  voor  staat  is  het  +  A.  P.) 


Wij  zien  hieruit,  dat  het  peil  van  den  Frieschen  boezem  hooger 
is  dan  de  meeste  gemiddelde  standen  van  het  buitenwater  bij  ebbe, 
alleen  de  Lemmer  en  Stavoren  uitgezonderd.  Hierdoor  kan  de  loo- 
zing  bij  gemiddeld  laagwater  vrij  geschieden,  behalve  in  het  Z.  W. 
De  Makkumer  sluis  is  van  den  zuidkant  de  eerste,  waar  de  gewone 
ebbe  lager  staat  dan  het  water  van  Frieslands  boezem,  en  die  dus 
vrij  kan  uitstroomen. 

Nog  tot  andere  belangrijke  opmerkingen  geven  de  standen  van 
het  buitenwater  aanleiding.  Reeds  oogenblikkelijk  valt  in  het  oog, 
dat  de  lage  waterstanden  of  ebben  langs  het  noorden  van  Fries- 
land veel  lager  afloopen  dan  ten  Z.  W.  en  W.  Te  de  Lemmer  is 
bij  laag  water  de  gemiddelde  waterstand  in  de  wintermaanden 
0,18  M.  +  A.  P.,  te  Stavoren  0,10  M.  —  A.  P.,  en  vervolgens 
neemt   hij   af  naar  Harlingen  tot  0,49  M.  —  A.  P.,  en  te  Nieuwe 

i)  De  herkomst  van  het  Friesch  zomerpeil  (Friesche  volksalmanak  1888 
pag.  185). 


Digitized  by 


Google 


312 

Bilt  en  Zoutkamp  tot  1,21  M.  —  A.  P.  Hieruit  volgt,  dat  het 
water  uit  den  boezem  door  de  noordelijke  sluizen  beter  kan  afloopen 
dan  door  die  in  het  zuidwesten. 

Ten  einde  van  deze  omstandigheid  partij  te  trekken,  moesten  de 
uitwateringsluizen  van  de  Dokkummerzijlen.^  die  in  het  N.  O.  van 
den  boezem  liggen,  ook  wel  het  meeste  vermogen  hebben,  om  den 
meesten  invloed  op  de  afwatering  te  kunnen  uitoefenen.  Dit  is 
dan  ook  werkelijk  het  geval.  Deze  sluizen  zijn  in  1729  gebouwd, 
toen  ook  de  afsluitdijk  van  den  inham,  waaraan  Dokkum  lag,  hier 
gelegd  werd.  Vóór  dien  tijd  liep  de  vloed  vrij  in  het  Dokkumer 
diep  op  tot  Dokkum. 

Ook  de  sluizen  te  Roptazijl  en  te  Harlingen  zijn  van  veel  be- 
lang voor  de  uitwatering,  zooals  blijkt  uit  de  vergelijking  der  wa- 
terstanden. Doch  de  verder  zuidelijk  gelegen  uitwateringsluizen  in 
den  zeedijk  kunnen  slechts  korten  tijd  loozen,  daar  het  buitenwater 
hier  gewoonlijk  ie  hoog  staat.  Die  hooge  waterstand  op  zee  is  mede 
een  gevolg  van  de  heerschende  westenwinden,  die  het  zeewater 
langs  de  kust  opjagen.  De  volgende  tabel  geeft  een  overzicht  van 
de  werking  der  sluizen. 


Aantal  uren  in  elke  maand  dat  de  zeesluizen  van  Frieslands 
boezem  water  loosden  in  1884. 


Plaatsen. 


t 


ai^ 


~W  ' 


-^   I    4»       UI'*' 


M 


lx 


1  i  3 


Wijdte 

der 
sluizen. 


Diepte  van 

den 
slagdrempel. 


Friesche  sluis 

T^  , ,  (Zuid.    koker 

Nieuwe  Zijlen  jjj^^      " 

Roptazijl 

Harlingen 

Makkum 

Workum 

Hindeloopen 

Molkwerum 

Stavoren 

Takozijl 

Lemmer 

Schoterzijl 


I 


244!  292' 202 
282316  212 


2031339 
200|355 
185  361 


113 
120 
120 
124 

95 

104 

86 


2340 
7743i 


344 


196 
212 

1931 

_   165 
317J1661 
2981 146  92; 
2971169 

357,1411 
3"ii5«88 
273I  91  78 


56  9 

I  ! 


!  I 


I  I  I 


'147  948 

169  10998, 

IOC  851 

116   ^ 

106 

106 

III 

114 

117 

121 

122 


9486, 

845 

7287 

7144 

6785 

707 

806 

6866, 


49  577 


6,00  M 
4,72  „ 

29  » 
4.74  » 
4»i3  » 

75  » 
734  , 

•40  „ 

75  » 
_  34  » 
7.60  „ 

5,45  .» 
,15  » 

4,41   H 


2,49  M. 

2,57 
2,46 
2,50 
1,07 
245 
2,10 
2,09 

1,49 
1,16 
2,30 

1,49 
2,10 
1,48 


A.r. 


Digitized  by 


Google 


3^3 

Uit  het  bovenstaande  blijkt,  dat  de  Dokkummer  Nieuwe  Zijlen 
het  grootste  aantal  uren  in  1884  loosden.  Dit  is  in  alle  jaren  het 
geval.  Evenwel  moet  men  zich  wachten  voor  de  conclusie,  dat  de 
verhouding  van  het  uitgeloosde  water  evenredig  is  aan  het  aantal 
uren,  dat  de  sluizen  werkten.  Dit  zou  misschien  plaats  hebben,  indien  de 
sluizen  alle  hetzelfde  vermogen  bezaten,  wat  niet  het  geval  is,  zoo- 
als  tevens  uit  de  opgave  der  sluiswijdte  in  de  tabel  blijkt.  De  sluis 
van  de  Dokkummer  Nieuwe  Zijlen  bezit  grooter  vermogen,  dan  de 
andere,  en  dus  loost  zij  in  evenredigheid  grooter  hoeveelheid  water. 
Niet  alleen  is  de  sluiswijdte  bij  deze  sluizen,  nl.  de  middelste  ko- 
ker, het  grootst  en  ligt  de  slagdrempel  hier  het  laagst,  doch  deze 
sluis  kan  werken  door  drie  kokers,  een  groote  in  het  midden  en 
nog  twee  kleinere  ten  noorden  en  zuiden  daarvan. 

Aldus  moet  tot  het  verkrijgen  van  een  goeden  waterstand  het 
streven  zijn,  om  het  overtollige  water  uit  Frieslands  boezem  zoo- 
veel en  zoo  spoedig  mogelijk  naar  het  N.  O.  te  voeren,  waar  men 
de  meeste  gelegenheid  tot  loozing  heeft.  In  het  Z.  W.  daarentegen 
zal  door  de  slechte  loozing  het  water  steeds  opgestuwd  worden. 
Dit  opgestuwde  water  ontvangt  aldus  eene  stroomrichting  naar 
het  N.  O.  Die  stroomrichting  in  de  verschillende  boezemwateren 
wordt  weder  bevorderd  door  de  heerschende  westenwinden,  die  het 
water  naar  het  oosten  van  Friesland  opjagen. 

Welken  invloed  de  wind  op  het  niveau  van  het  boezemwater 
heeft,  leert  de  volgende  tabel. 


Digitized  by 


Google 


314 


O 


S 

O 
os 

> 


S 

% 

ja 

(O 

d 

Si 

'C 


B  'S 

o» 

a 

§ 
i 

o 
co 

a> 

a 


o 


> 
O 


a 


O 

^       d  . 

d 

z'^^^5 

do 

d^ 

u 

G 

^' 

-d 

.z^  .  ^     . 

^ 

si 

^zd 

^z^jg^d    ^ 

^'o'o' 

N  12^  '^^  •^^^'  N     ^      N 

^' 

N^s; 

si 

NZO 

^  :^  ^  :^  N  ^  :^    ^' 

o 

ONr-OOOTt       \0 

•j^o  UI  a;3ooH 

r 

+  1  1 

1  1  1  1  1  1  1    1 

Ti 

1 

^ 

^ 

laagste  s 
enomen. 

co 

1 

•  »^ 

CA 

ts  waar  de 
is  waarg 

s 
1 

SI  ^' 
'S!   w 

Si  sis        fc 

1 

1 

C/3  to  !> 

S  Ö  2  ^  S            .2 

co 

t^  O    ON  O   xo  Tt\0    Tt  co  to        co 

•J^D  UI   3ï30OH 

M 

OincoiOM                      wco        co 

M 

+ 

+   +++    +    +  +  +++            + 

u 

IH    -^ 

2 

lë 

.2                    .2  ^        ^ 

waar 
and  is 
nomen 

o 

P                           3    **          ** 

P 

1      1   !   8» 

. 

t 

1 
C/3 

«5 

•j^o  UI  puB^saa^BiA 

co 

MOONOOr*»-«vOTtcot^         <*< 

UI  i(qosJ3A  a^sjoojQ 

M 

■uin^Ba 

'^NO     0 

^  cv»   Tj-  r*  r-oo  00       00 

C^     M                     C«     C^ 

Maand 

4^ 

^   rt  ^  ..M  «^         bDii.  ^   >         tS 

Digitized  by 


Google 


3IS 

Uit  nevcDStaand  overzicht  blijkt  ons  duidelijk  de  invloed  van 
den  wind  op  den  stand  des  waters  in  de  verschillende  deelen  van 
den  Frieschen  boezem.  Een  Z.  W.  en  W.  wind  zet  het  water  op 
naar  het  N.  O.  en  O.  en  doet  daar  hooge  standen  ontstaan,  waar- 
mede het  water  hier  gemakkelijk  loost ;  een  N.  O.  wind  jaagt  het 
water  naar  het  Z.  W.  van  Friesland,  zoodat  bij  dezen  wind  de 
sluizen  in  dit  gedeelte  het  best  kunnen  werken.  Niveauverschillen 
van  1,43  ^-  kwamen  zelfs  voor  in  den  boezem.  De  windrichting 
in  1884  was  als  volgt  over  het  jaar  verdeeld:  292  uren  Z.,  487 
uren  Z.Z.W.,  917  uren  Z.W.,  1105  uren  W.Z.W.,  696  uren  W., 
561  uren  W.N.W.,  412  uren  N.W.,  402  uren  N.N.W.,  570  uren  N., 
329  uren  N.N.O.,  328  uren  N.O.,  640  uren  O.N.O.,  563  uren  O., 
449  O.Z.O.,  522  uren  Z.O.,  488  uren  Z.Z.0.  wind.  i)  Die  groote 
meerderheid  van  het  aantal  uren,  dat  er  Z.W.,  W.Z.W.  en  W.  wind 
waait  in  Friesland,  doet  in  verband  met  het  bovenstaande  de  be- 
teekenis  van  de  afwatering  van  PMeslands  boezem  in  het  N.0. 
duidelijk  in  het  oog  springen.  Daarbij  komt  nog,  dat  de  Z.W.  en 
W.  winden  over  't  geheel  grooter  kracht  bezitten  dan  de  N.0.  en 
O.  winden.  In  genoemd  jaar  1884  nl.  was  de  gemiddelde  wind- 
kracht der  W.Z.W.  winden  0,61  en  der  O.Z.0.  winden  0,09  K.G. 
per  M«. 

g  4.      IETS  UIT  DE  GESCHIEDENIS  DER   LOOZING  VAN 
FRIESLANDS   BOEZEM. 

De  afwatering  van  Friesland  en  het  laag  houden  van  den 
Frieschen  boezem  is  langen  tijd  een  brandende  quaestie  geweest 
voor  deze  provincie.  De  verschillende  particuliere  belangen  kwamen 
in  dit  uitgestrekte  boezemgebied  dikwijls  met  elkander  in  strijd,  en 
daar  er  geen  centraal  gezag  was,  dat  het  geheel  beheerschte,  belette 
dit  dikwijls  de  verbetering. 

Reeds  een  blik  op  de  kaart  en  ook  het  bovenstaande  leert,  dat 
Frieslands   boezem   de  grootste  oppervlakte  heeft  in  het  zuidwesten 


I)  Prov.  Verslag  1884  pag.  5. 


Digitized  by 


Google 


3i6 

van  zijn  gebied,  waar  de  groote  plassen  en  meren  uitstekende  berg- 
plaatsen voor  boezemwater  zijn.  Doch  in  het  Z.  W.  is  juist  de 
waterloozing  van  den  boezem  het  slechtst.  Zoo  moet  het  boezem- 
water een  langen  weg  door  de  kanalen  en  wateren  van  Friesland 
maken,  om  in  het  N.  O.,  waar  de  loozing  het  laagst  kan  geschieden, 
aan  te  komen.  Wel  jaagt  over  't  geheel  de  wind  het  water  in  die 
richting,  doch  niet  altijd  en  niet  voldoende. 

Evenwel  hadden  reeds  voor  eeuwen  de  gemeenten  van  Ooster- 
goo,  (West  en  Oost  Dongeradeel,  Achtkarspelen  en  Kollummerland 
uitgezonderd,  omdat  zij  afzonderlijke  boezems  hadden)  een  verbond 
gesloten  tot  gemeenschappelijke  verdediging  tegen  het  buitenwater 
en  vooral  tegen  het  water  uit  de  Zeven  wouden.  Dit  verbond  heette 
het  Leppe  verbond^  en  was  gesloten  bij  den  Leppebrief  van  1477. 
Voor  dat  doel  werd  hier  een  dijk  gelegd  ten  noorden  van  de 
Boorne,  de  Leppedijk  genoemd.  Deze  dijk  strekt  zich  uit  van  de 
hooge  gronden  bij  Beets  westwaarts  tot  de  Boorne  en  loopt  van 
Poppenhuizen  tot  Irnsummerzijl  langs  den  noordelijken  oever  van  dit 
water.  De  oorspronkelijke  Leppedijk  lag  verder  noordelijk,  doch 
in  1828  werd  een  .  nieuwe  Leppedijk  in  plaats  van  den  vervallen 
ouden  aangelegd  (Zie  pag.  304).  Naar  het  westen  sluit  die  Leppe- 
dijk zich  aan  bij  den  Groenendijk^  die  langs  den  westelijken  oever 
van  het  Sneekermeer  naar  het  Z.  W.  loopt  tot  Sneek,  waar  hij  zich 
als  Hemdijk  voortzet.  In  den  Leppedijk  waren  in  het  beneden  ge- 
deelte twee  schutsluizen :  bij  Irnsummerzijl  ten  noorden  van  Irnsum 
en  de  Nesserzijl  bij  Nes  aan  de  Boorne,  terwijl  tusschen  Akkrum 
en  Irnsum  nog  3  valschutten  bestonden.  Door  deze  sluizen  bestond- 
dus  uitsluitend  de  verbinding  tusschen  de  wateren  van  Westergoo 
en  Zevenwouden  ten  Z,  met  die  Oostergoo  ten  N.  van  den  dijk. 
Doch  volgens  het  reglement  mochten  deze  sluizen  enz.  slechts  ge- 
opend worden,  als  het  water  ten  noorden  van  den  dijk  tot  zomer- 
peil  was  afgestroomd,  en  dan  nog  slechts  na  speciale  machtiging 
van  den  Commissaris  des  Konings.  Hierdoor  was  de  Leppedijk  van 
veel  belang  voor  Oostergoo. 

Hoewel  dit  reglement  niet  trouw  werd  nageleefd,  werkte  het  toch 
de    geregelde    afwatering    van    Westergoo   en   de   Wouden   tegen. 


Digitized  by 


Google 


3^7 

Daarenboven  waren  de  sluizen  en  zijlen  in  den  Leppedijk  te  nauw 
om  genoegzaam  water  door  te  laten.  Bij  Z.  W.  wind  zette  het 
water  ten  zuiden  van  den  Leppedijk  op,  en  overstroomde  hier  het 
land.  Te  gelijker  tijd  konden  de  Dokkumer  Nieuwe  zijlen  dikwijls 
niet  langer  dan  3  uren  aaneen  stroomen  uit  gebrek  aan  water. 
Want  het  door  den  Leppedijk  ten  zuiden  tegengehouden  water 
moest  door  Westergoo  eerst  naar  het  noorden  stroomen,  en  kon  dan 
langs  dien  omweg  in  gunstige  windomstandigheden  door  het  Ver- 
laat bij  Leeuwarden  in  Oostergoo  komen.  En  wanneer  de  wind 
dan  naar  het  N.  draaide  zette  dit  water,  na  zulk  een  langen 
weg  eindelijk  in  Oostergoo  gekomen,  niet  zelden  nog  het  land  ten 
noorden  van  den  Leppedijk  onder  water,  zonder  dat  het  van  hier 
wegstroomde. 

Deze  toestand  eischte  dringend  verbetering,  en  eindelijk  werd 
door  de  Provinciale  Staten  van  Friesland  bij  Besluit  van  Mei  1879 
een  algemeen  plan  tot  verbetering  van  den  waterstaat  aangenomen. 
Volgens  dit  plan  is  in  de  eerste  plaats  de  Lep1>edijk  als  water- 
keering  vervallen  verklaard,  en  werden  de  sluizen  en  zijlen  indien 
dijk  opgeruimd.  Hierdoor  werd  de  toevoerweg  van  het  water  naar 
het  N.  O.  veel  verbeterd.  Verschillende  andere  verbeteringen,  be- 
staande in  het  verwijden  en  verdiepen  der  waterwegen,  werden 
vervolgens  hiermede  vereenigd. 

Bij  wet  van  2den  Augustus  1880  werd  door  het  Rijk  tot  het 
verleenen  van  rijkssubsidie  voor  de  volgende  verbeteringen  in  den 
waterstaat  van  Friesland  besloten,  i) 

a.  Het  maken  en  verbeteren  van  eene  doorgaande  waterkeering,  hoog  1,80 
tot  2  M,  boven  zomerpeil,  tusschen  den  straatweg  van  Sneek  naar  Leeuwarden, 
bij  Sneek  tot  den  Vegelins-weg  van  Joure  naar  Akkrum. 

b.  Het  verbeteren  van  het  stroomkanaal  van  de  Smalle  Kesterzanding  naar 
de  Dokkummer  Nieuwe  Zijlen,  door  verruiming  van  bestaande  en  het  graven 
van  nieuwe  kanalen. 

d.  Het  verbeteren  van  het  sti  oomkanaal  van  het  Gerben- Al  les- Verlaat  tot 
de  Nieuwe  rijt,  door  Groningen  gegraven. 


Staatsblad  1880  No.  136. 


Digitized  by 


Google 


3i8 

e.  Het  verbeteren  van  de  vaarten  en  kanalen  tot  de  vorming  van  een 
onafgebroken  groot  scheepsvaanyater,  diep  2  M.  onder  zomerpeil,  (2,42  M.  — 
A.  P.)  van  Stroobos  naar  Stavoren,  met  een  zijtak  van  Oudhof  langs  de  Schar- 
sterrijn  door  het  Tjeukemeer  naar  de  Lemmer  en  diep  1,7  M.  onder  zomerpeil. 

/.  De  inrichting  van  de  Lemstersluis  voor  het  gebruik  van  het  groot 
scheepsvaarwater,  onder  e  genoemd,  door  verlaging  van  de  slagdrempels  en  het 
aanbrengen  van  ebdearen. 

g.  Het  verbeteren  van  het  vaarwater  van  de  Bolswarder-Workumer  trek- 
vaarty  in  verbinding  met  het  vaarwater  van  Stroobos  naar  Stavoren,  ter  diepte 
van  1,70  M.  onder  zomerpeil. 

h.  Het  verbeteren  van  de  Koudummervaart  en  de  Zwartewouden  in  aanslui- 
ting met  het  vaarwater  van  Stroobos  tot  Stavoren  door  verdieping  tot  1,50  M. 
onder  zomerpeil. 

/'.  Het  maken  eener  afsnijding  van  de  Dokkumer  £e  uit  tot  in  de  stads- 
gracht te  Dokkum,  met  een  bodembreedte  van  16,60  en  diepte  van  2,10  M. 
onder  zomerpeil. 

j.  Het  kanaliseeren  en  verbeteren  van  de  Tjonger  voor  eene  vaardiepte 
van  1,50  M.  (Zie  pag.  303). 

k.  Het  verbeteren  van  de  Linde  op  Friesch  grondgebied  tusschen  de  Heioma- 
vaart  en  de  vaart  naar  Ossenzijl  op  een  diepte  van  1,50  M.  onder  zomerpeil 
bij  een  bodembreedte  van  30  M. 

Verder  werd  hierin  bepaald  het  in  onderhoud  en  in  beheer  bij  het  Rijk 
overnemen  van  het  stroomkanaal  van  het  Bergummermeer  tot  de  Nieuwe  zijlen, 
het  stroomkanaal  de  Lauwers  tot  de  Munniken  zijlen;  het  kanaal  van  Stroobos 
tot  üerben- Alles- Verlaat,  deel  uitmakende  van  het  kanaal  Stroobos- Dokkum,  en 
het  Kolonels  diep  van  Gerben- Alles- Verlaat  tot  het  Bergummermeer. 

De  uitvoering  dezer  werken  is  evenwel  nog  niet  geheel  voltooid, 
doch  wordt  jaarlijks  voortgezet,  i) 

§   5.      DE  VERSCHILLENDE  WATEREN  VAN  FRIESLANDS  BOEZEM. 

Werpen  wij  thans  een  blik  op  de  voornaamste  wateren  van 
Frieslands  boezem,  om  de  bergplaatsen  van  het  water  te  leeren 
kennen,  alsmede  de  wegen,  waarlangs  zich  het  water  beweegt,  en 
die  voor  een  gedeelte  mede  wegen  voor  de  scheepvaart  zijn. 


i)  Zie   over   de   uitvoering  dezer  werken  de  Verslagen  der  Openbare  werken 
aan  den  Koning  1880 — 1887. 


Digitized  by 


Google 


319 

In  het  Z.  W.  ligt  eene  groote  waterplas,  die  zich  in  de  richting 
N.  O.—Z.  W.  uitstrekt.  Het  zuidelijk  gedeelte  van  deze  plas  heet 
de  Morra^  en  is  door  een  smal  water  met  het  Fluesen  meer 
verbonden.  Het  Nr  O.  deel  van  dit  meer  heet  het  Hteger  meer. 

Ten  noorden  van  genoemd  meer  liggen  nog  tal  van  kleinere 
plassen  als  het  Groote  Gaastmeer^  het  Zandmeer^  het  Ringwiel, 
de  Vlakke  Brekken  en  de  Oudegaaster  Brekken^  de  Idsegaaster- 
poelen^  de  Rintjepoel^  Palsepoel  en  Schuttepoel^  het  Sipkemeer^  het 
Vliet'  en  het  Riedmeer^  het  Hissemeer  en  het  Frekemeer. 

Ten  oosten  van  de  Fluesen  vinden  wij  het  Slotermeer^  de  Groote 
Brekken  en  het  Tjeukemeer.  Verder  noordelijk  htX  Koevor der  meer ^ 
de  Langweerder  wielen  en  de  Oude  iveg^  de  Zwarte  en  Witte 
Brekken^  en  ten  oosten  van  Sneek  het  Sneeker  meer  met  de 
Goëngarijpsterpoelen.  Ten  Z.  O.  hiervan  liggen  nog  de  Terkaplester 
en  Ter  hor  ns  ter  poelen. 

Deze  meertjes  en  plassen  staan  alle  met  elkander  in  verbinding 
en  daardoor  staan  zij  ook  indirect  of  direct  in  verbinding  met  de 
uitwateringssluizen  aan  zee. 

Het  Tjeukemeer  staat  door  de  Vierhuistervaart  en  de  Pier 
Christiaansloot  met  de  Kuinder  in  verbinding,  en  loost  door  deze 
bij  Schoterzijl. 

Uit  het  Tjeukemeer  loopt  verder  een  vaarwater,  de  Rijn^  naar 
de  Lemmer  en  eveneens  loopt  van  de  Groote  Brekken  een  water 
naar  de  Lemmer  om  hier  te  loozen.  Uit  het  Slotermeer  loopt  de 
Ee  naar  het  zuiden  tot  Takozijl,  waar  zij  loozen  kan.  Uit  de 
Morra  leidt  de  Warnservaart  naar  de  sluis  te  Stavoren. 

Doch  het  water,  dat  door  genoemde  sluizen  niet  uit  het  Z.  W. 
van  Friesland  kan  afloopen,  moet  zijn  weg  naar  het  N.  O.  kiezen. 
De  hoofdweg,  dien  het  hierbij  doorloopen  moet,  is  de  volgende: 

Van  het  Sneeker  meer  gaat  het  door  de  Wetering  naar  de  be- 
nedenloop van  de  Boorne  bij  Oude  Schouw  en  uit  de  Terkaplester, 
en  Terhornster  poelen  door  een  water  naar  de  Boom  bij  Akkrum. 
Uit  de  Boorn  komt  het  water  bij  Irnsummerzijl  op  de  Grouw  tot 
tot  Grouw,  en  van  hier  loopt  het  naar  het  oosten  door  eene  aan- 
eenschakeling  van    meertjes,   plassen   en   breedere  wateren,  als  de 


Digitized  by 


Google 


320 

Wijde  Ee,  de  Kromme  Ee^  de  Munneke  Ee  enz.,  tot  voorbij  Oudega. 
Door  vaarten  en  slooten  der  boezemlanden  staan  deze  wateren  ver- 
volgens weder  in  verbinding  met  de  plas  ten  zuiden  van  het  Ber- 
gummermeer,  de  Leijen,  en  van  hier  komt  het  water  verder  op  het 
Bergummermeer . 

Het  grootste  deel  van  het  water  loopt  echter  langs  de  Grafi^ 
de  Meersloot  en  de  Wijde  Ee  in  het  Bergummermeer, 

Uit  het  Bergummermeer  wordt  het  water  afgevoerd  naar  de  Lau- 
wer szee  en  wel  langs  twee  wegen. 

A.  naar  het  noorden  door  de  Vaart  van  Kuikhorne^  die  verder 
Nieuwe  vaart  heet.  De  Nieuwe  vaart  kruist  bij  Langebrug  de 
vaart  van  Dokkum  naar  Stroobos.  Onder  den  naam  Zwemmer 
gaat  de  Nieuwe  Vaart  verder,  en  loost  vervolgens  in  het  Oude 
Dokkummer  Diep^  dat  door  de  Dokkummer  zijlen  het  water  op 
de  Lauwerszee  brengt. 

B.  verder  loost  het  Bergummermeer  naar  het  oosten  op  het 
Casper  Robles  of  Kolonels  diep  naar  Stroobos  en  van  hier  door  de 
Lauwers  naar  de  Friesche  sluis  bij  Zoutkamp. 

§   6.      UIT   DE  GESCHIEDENIS    VAN   FRIESLANDS    BODEM. 

A.    Algemeen  e  beschouwingen, 

In  historiscben  tijd  heeft  Friesland*s  bodem,  nl.  het  gebied  der 
kleistreken  en  der  lage  venen,  groote  veranderingen  ondergaan. 
Die  veranderingen  bestaan  hoofdzakelijk  in  de  verplaatsing  der  kust- 
lijn, de  lijn  waar  het  water  de  grens  vormt.  De  natuurlijke  grens 
van  dit  gebied  wordt  gevormd  door  de  duinen,  die  zich  over  de 
Wadden-eilanden  voortzetten.  Die  n^ituurlijke  grens  was  eenmaal 
ook  zeer  zeker  de  werkelijke  grens  van  Friesland*s  bodem.  Buiten 
de  tegenwoordige  dijken  strekte  zich  voor  eeuwen  het  land  onge- 
twijfeld door  de  Wadden  tot  de  duinen  uit.  Welk  land  dit  was 
valt  nauwelijks  te  betwijfelen,  ook  al  zegt  de  geschiedenis  het  ons 
niet  duidelijk.  Wij  behoeven  daarvoor  slechts  te  zien  naar  het  zuid- 
westen van  Friesland,  naar  de  bodemgesteldheid  in  Holland  achter 


Digitized  by 


Google 


321 

de  duinen.  Wij  behoeven  daarvoor  slechts  te  vragen,  welke  bodem 
kan  door  de  kracht  des  waters  tot  groote  plassen  weggespoeld  wor- 
den? £n  dan  komen  wij  reeds  langs  natuurlijken  weg  er  toe,  om  aan 
te  nemen,  dat  eenmaal  Friesland  van  zijn  tegenwoordige  zeegrens 
uitgebreid  was  naar  het  westen  en  noorden  met  moerassige,  lage 
veengronden,  die  door  tal  van  wateren  en  plassen  doorsneden  zullen 
geweest  zijn,  zooals  het  Z.  W.  van  Friesland  ons  daarvan  nog  thans 
een  voorbeeld  oplevert. 

In  deze  gronden  vermocht  het  water  bij  stormvloeden  ver- 
overingen te  maken  en  gedeelten  lands  weg  te  slaan.  Zeer  zeker 
werkte  in  dezen  ook  de  daling  des  bodems,  of  liever,  eene  rijzing 
van  het  niveau  der  zee  ten  opzichte  van  het  land,  mede;  waarop 
wij  reeds  vroeger  wezen.  (ZieII,pag.  119).  Doch  de  bewoner  stelde 
tegelijker  tijd  door  het  aanleggen  van  dijken  perken  aan  de  uit- 
breiding der  zee.  Mag  hij  zich  aanvankelijk  tevreden  gesteld  hebben 
met  eene  woonplaats  op  kunstmatig  gevormde  hoogten  of  terpen,  hij 
wenschte  thans  zijn  land  geheel  tegen  de  zee  beschermd.  De  uit- 
breiding der  Friesche  zeegrens  is  het  resultaat  van  dien  arbeid  van 
de  zee  en  van  den  mensch.  De  eerste  werkte  daarbij  van  ons 
standpunt  beschouwd  meest  negatief  of  afbrekend,  doch  in  enkele 
gevallen  ook  opbouwend,  nl.  door  de  aanslibbing. 

De  geschiedenis  van  de  Wadden  en  de  Zuiderzee  zullen  wij  af- 
zonderlijk behandelen;  thans  wenschen  wij  ons  te  bepalen  tot  de 
geschiedenis  van  het  bestaande  Friesland. 

In  historischen  tijd  werd  Friesland  onderscheidene  malen  door 
watervloeden  geteisterd,  die  er  groote  verwoestingen  aanrichtten. 
Geschiedenissen  en  kronieken  spreken  van  groote  watervloeden  in 
516,  toen  volgens  Occo  Scarlensis  geheel  Friesland  zou  zijn  onder- 
geloopen  door  de  Noordzee,  in  584,  755  en  792.  Verder  worden 
genoemd  als  zware  overstrooraingen  die  van  1003, 1014, 1016, 1017, 
T020,  1041,  1042,  1086  en  iioo.  Nog  tal  van  verschrikkelijke 
watervloeden  noemt  vervolgens  de  geschiedenis,  die  wij  niet  zullen 
opsommen.  Dat  die  overstroomingen  reeds  vroeg  aanleiding  zullen 
gegeven  hebben  om  gedeelten  lands  door  bedijking  t^en  het  water  te 
beschermen,  ligt  voor  de  hand.  Wanneer  het  eerst  dijken  aangel^d 
II  21 


Digitized  by 


Google 


322 

ssijn,  of  van  wie  onze  voorouders  die  kunst  geleerd  hebben,  daar^ 
over  zijn  de  onderscheidene  schrijvers  het  zeer  oneeos.  Acker 
Stratingh  zegt,  dat  de  bedijking  tegen  de  zee  eerst  voornamelijk 
en  algemeen  zal  tot  stand  gekomen  zijn  na  de  io<*«  eeuw,  en 
dat  de  vroegere  dijken  weinig  meer  dan  zomerdijken  zullen  geweest 
zijn  i).  R.  WesterhoflF  meende  daarentegen  op  gezag  van  tal  van 
schrijvers  te  kunnen  betoogen,  dat  de  bedijking  veel  vroeger  en  reeds 
in  zeer  oude  tijden  was  aangevangen,  en  dat  het  eene  dwaling  is, 
die  eerste  dijken  slechts  als  zomerdijken  te  beschouwen  2).  Hier- 
tegen kwam  Acker  Stratingh  weder  op  in  een  uitvoerig  artikel,  dat 
onzes  inziens  de  bedenkingen  van  WesterhofiF  op  goede  gronden 
weerlegt  3). 

Al  was  er  reeds  in  vroeger  tijden  een  aanvang  gemaakt  met  het 
leggen  van  bedijkingen,  de  onvoldoende  toestand  derzelve  maakte, 
dat  zij  bij  eenigszins  hoogen  waterstand  niet  baatten,  en  hieraan 
moeten  de  veelvuldige  overstroomingen  worden  toegeschreven.  Zoo- 
lang telkens  de  overstroomingen  het  land  teisterden,  was  de  grens 
tusschen  water  en  land  onzeker  en  onbepaald,  doch  met  het  versterken 
der  dijken  werd  dit  anders.  Eerst  in  de  1 5<i«  eeuw  eindigde  het 
tijdperk  van  landverlies  en  overstroomingen  in  Friesland  voorgoed, 
nadat  de  zee  reeds  vroeger  gedeeltelijk  beteugeld  was.  Voor  den  Span- 
jaard Gaspar  Robles,  wiens  krachtige  arm  het  Friesche  volk  tot 
verbetering  der  bedijking  dwong,  en  waarvan  men  later  het  voordeel 
inzag,  richtte  het  dankbaar  nageslacht  een  standbeeld  op,  op  den 
zeedijk  te  Harlingen.  Na  dezen  kwam  er  een  keerpunt  in  de  geschiede- 
nis van  den  strijd  tusschen  de  zee  en  den  bewoner.  Ontwikkeling  der 
wetenschap,  verbetering  van  staatkundige  toestanden  waardoor  het 
gezag  meer  gecentraliseerd  werd,  dit  waren  de  grootste  factoren,  die 
den   mensch   overwinnaar  deden    worden.     En   na   dien  tijd  ging 


i)    Acker  Stratingh.  Aloude  Staat.  I,  45 — ^66. 

2)  R.  Westerhoff.  Twee  hoofdstukken  uit  de  geschiedenis  van  ons  dijkwezen. 

1865,  pag.  38  enz. 

3)  Acker   Stratingh.   Twee   hoofdstukken   uit  de  geschiedenis  van  ons  dijk- 
wezen herzien.  (Bijdragen  tot  de  geschiedenis  en  oudheidkunde  van  Groningen. 

1866.  III,  pag.  173.) 


Digitized  by 


Google 


323 

de  bewoner  in  plaats  van  defensief,  offensief  te  werk.  Van  lijdelijke 
bescherming  tegen  de  zee  kwam  hij  tot  het  maken  van  veroverfngen, 
tot  het  indijken  en  aanwinnen  van  land. 

B.   De  Middelzee  en  haar  geschiedenis. 

Gedurende  het  grootste  gedeelte  der  middeleeuwen  drong  er  van 
het  noorden  een  diepe  zeeboezem  tot  het  hart  van  Friesland  door, 
de  Middelzee  geheeten.  Tusschen  de  tegenwoordige  eilanden  Ter- 
schelling en  Ameland  drong  zij  Friesland  binnen  en  omvatte  met 
een  breeden  mond  de  geheele  oppervlakte  van  het  Bilt.  Van  hier 
ging  zij  zuidwaarts  tusschen  Oostergoo  en  Westergoo  door,  welke 
gouwen  zij,  met  eene  gemiddelde  breedte  van  '/^  uur,  van  elkander 
scheidde.  Aan  den  oostkant  werd  zij  begrensd  door  de  lijn  van 
Hallum  over  Stiens,  Leeuwarden  en  Roordahuizum  tot  Rauwerd,  en 
aan  den  westelijken  kant  lagen  de  dorpen  Wier,  Berlikum,  Beet- 
gum,  Engelum,  Marssum,  Deinum,  Boxum,  Weidum,  Mantgum  en 
Oosterwierum  langs  den  oever. 

Dit  gedeelte  vormde  de  noordelijke  helft  der  Middelzee.  Het 
riviertje  de  Boorne  mondde  hierin  uit,  en  daardoor  komt  die  inham 
ook  onder  den  h^oscl  Borndtep^  Boerdiep  oi  Burdinus  soox.  Evenwel 
is  het  onjuist  de  Middelzee  als  den  mond  van  de  Boorne  te  be- 
schouwen, zooals  somtijds  geschiedt.  Een  klein  riviertje  kan  onmo- 
gelijk dergelijken  breeden  mond  hebben.  Het  was  een  inham  der 
zee,  waarin  de  Boorne  haar  water  loosde.  Evenwel  is  het  mogelijk, 
dat  langs  den  mond  van  de  Boorne  de  zee  door  afslag  dien  inham 
gevormd  heeft,  zoodat  daarom  voor  den  inham  de  naam  van  het 
riviertje  behouden  bleef. 

Zuidwestwaarts  van  het  bovengenoemde  gedeelte  der  Middelzee 
lag  volgens  de  oude  kronijken  een  uitgestrekt  meer,  Tjerkwerder 
meer  geheeten.  Dit  meer  was  in  het  midden  der  i4«*«  eeuw  reeds 
opgeslibt,  zooals  blijkt  uit  een  charter  van  i6  Oct.  1331,  waarin 
melding  gemaakt  wordt  van  iden  nuwen  lande  van  Kercwervec 
Het  was  aldus  in  dien  tijd  nog  als  nieuw  land  bekend,  en  het  dorp 
Nijland  (O.  van  Bolsward)  ontstond  op  dien  grond.  Dit  meer  was 


Digitized  by 


Google 


De  voormalige   Middelzee  in  Friesland  en  hare  indijkingen,  met  de 
tegenwoordige  gesteldheid  vergeleken. 


Uitgestrektheid  der  eigenlijke  Middelzee. 

Uitbreiding  der  zuidelijke  kom  van  de  Middelzee. 

Tegenwoordige  buitendijken. 
Vroegere  buitendijken. 


Digitized  by 


Google 


325 

tusschen  Rauwerd  en  Oosterwierum,  Deersum  en  Bosum  door  een 
hals  van  800  meter,  thans  nog  Krinserarm  geheeten,  met  den 
boezem  van  de  Middelzee  verbonden,  en  stond  met  het  bovenge- 
noemde deel  ook  onder  den  algemeenen  naam  van  Middelzee  bekend. 
Het  zuidelijke  gedeelte  heeft  door  afslag  en  latere  dichtslibbmg  ver- 
schiUende  uitgestrektheid  gehad.  De  eigenlijke  kom  werd  hier  gevormd 
door  het  water  tusschen  den  Slachtedijk  in  het  noorden  en  de  Tjaard-, 
Ring-,  Albada-  en  Sleepsterdijken  in  het  zuiden  en  oosten.  Doch 
door  afslag  zal  het  meer  zich  hier  tot  den  Hetndijk  (hemmen  = 
tegenhouden)  hebben  uitgebreid.  Brouwer  en  Eekhoff  nemen  als 
de  grootste  Z.O.  uitbreiding  van  de  Middelzee  den  Groenendijk 
(ten  N.W.  van  het  Sneeker  meer)  aan.  Mr.  Blom  bestrijdt  deze 
verre  uitbreiding  op  grond,  dat  hier  geen  klei  is  afgezet,  zoodat  de 
grens  daar  geweest  moet  zijn,  waar  de  kleiafzetting  ophoudt,  waar- 
door deze  grens  iets  gewijzigd  wordt  i). 

Nadat  de  Middelzee  haar  grootste  uitbreiding  verkregen  had,  vond 
ook  de  dichtslibbing  en  bedijking  van  het  zuiden  af  successievelijk 
plaats.  Telkens  werd  er  weder  een  nieuw  gedeelte  ingedijkt  en  bij 
het  land  gevoegd.  Eekhoff  meent,  dat  die  aanslibbing  in  oorzakelijk 
verband  stond  met  het  verloren  gaan  van  het  land  tusschen  Hol- 
land en  Friesland  2).  Wanneer  de  opslibbing  en  bedijking  dier 
verschillende  deelen  heeft  plaats  gehad,  valt  niet  altijd  met  zekerheid 
te  zeggen.  iVan  het  bestaan  des  wijden  zeeboezems  in  zijne  gansche 
uitgestrektheid  in  de  V^^  eeuw,  evenzeer  als  van  zijne  geheele  op- 
vulling en  landwording  door  het  opwerpen  van  het  Bilt  in  de 
i6<*«  eeuw  volkomen  overtuigd,  behoeft  het  alzoo  geen  betoog,  dat 
deze  aangronding  allengskens  en  van  tijd  tot  tijd  heeft  plaats  gehadi^ 
hetwelk  tevens  geen  onwaarschijnlijke  reden  is  geweest  van  de  ge- 
ringe aandacht,  welke  deze  merkwaardige  landaanwinning  heeft  tot 


1)  Brouwer  en  Eekhoif.  Nasporingen  betrekkelijk  de  geschiedenis  der  Mid- 
delzee in  Friesland,  1854.  Hieraan  hebben  wij  de  eerste  en  volledigste  kennis 
omtrent  de  Middelzee  te  danken.  Verder  maakten  wij  gebruik  van .  Mr.  Ph. 
van  Blom,  De  Middelzee,  brokstukken  uit  Frieslands  geschiedenis  (Friesche 
Volksalmanak  18S9). 

2)  1.  c.  pag.  68. 


Digitized  by 


Google 


326 

zich  getrokken,  zoodat  men  het  nauwelijks  de  moeite  waard  achtte^ 
deswege  eenige  aanteekening  te  houden,  van  welke  er  althans  zeer 
weinige  tot  ons  zijn  gekomen»,  zegt  Eekhofif  i).  Zoo  was  het  ge- 
deelte van  Wymbritseradeel  en  Rauwerderhem  in  de  eerste  eeuwen 
onzer  jaartelling  zeker  bedijkt  (zie  de  kaart),  zoodat  met  het  begin 
der  ï$^^  eeuw  de  kom  van  genoemden  boezem  naar  het  noorden 
was  gedrongen,  die  zich  als  een  meertje  door  een  smalle  hab  met 
de  eigenlijke  Middelzee  vereenigde.  Met  de  opslibbing  van  het  zuide- 
lijk gedeelte  der  Middelzee  werd  ook  de  mond  ondieper  en  door 
aanwas  langs  de  kusten  vernauwde  hij  meer  en  meer.  Door  deze 
opslibbing  van  den  breeden  mond  der  Middelzee  in  het  N.  wer- 
den de  Biltlanden  gevormd. 

Het  eerst  had  hier  de  bedijking  plaats  van  het  Oude  Bilt,  eene 
oppervlakte  van  5161  H.A.  beslaande.  Reeds  in  1398  maakte 
men  melding  van  den  Bilt-aanwas,  doch  niet  voor  1505  tot 
1508  geschiedde  door  het  leggeü  van  den  Ouden  Biltdijk  de 
afsluiting.  Deze  dijk,  die  hoog,  breed  en  sterk  is,  maakt  de  schei- 
ding tusschen  Oude-  en  Nieuwe  Bilt  uit. 

De  bedijking  van  het  Bilt  geschiedde  door  HoUandsche  edelen 
en  de  oorspronkelijke  bewoners  waren  ook  van  HoUandsche  afkomst. 
Daardoor  onderscheiden  zij  zich  nog  altijd  in  hunne  kleeding  en 
tongval,  die  meer  naar  het  Hollandsch  zweemt  dan  de  spraak  der 
Friesche  stedelingen,  van  de  echte  Friezen.  Oorspronkelijk  waren 
dus  de  Biltenaars  kolonisten  in  Friesland,  doch  reeds  in  1579 
werden  zij  in  het  lichaam  der  provincie  Friesland  ingelijfd  2). 

Buiten  den  ouden  Biltdijk  ging  vervolgens  de  aanwas  nog  voort, 
en  in  1600  werden  hier  weder  ruim  1600  H.A.  lands,  het  Nieuwe 
Bilt^  ingedijkt.  Een  nieuwe  dijk,  de  Nieuwe  Biltdijk^  werd  in 
genoemd  jaar  gelegd  om  het  aangewassen  gedeelte  tegen  de  zee  te 


i)    t.  a.  p.  pag.  61. 

2)  A.  Wassenbergh.  Geschiedenis  van  het  Bildt  (Friesche  Volksalmanak  1843» 
pag.  68).  —  V.  d.  Aa.  Aardr.  Woordenboek,  art.  Bildt. 

Tegenwoordige  Staat  van  Friesland.  III,  pag.  411. 

In  vroegere  staatsstukken  werd  de  provincie  soms  de  ,jMnden  en  Steden  van 
Frieslandy  mitsgaders  van  der  Bildt**  genoemd.   Charterboek.  II,  pag.  435. 


Digitized  by 


Google 


327 

beschermen.  Buiten  dezen  dijk  had  in  1 7 1 5  nog  weder  eene  bedijking 
plaats  van  de  C7«//^--5//^^/^«,  ongeveer  408  H.A.  groot  Nog  in  1754 
hadden  hier  bedijkingen  plaats  van  het  Noor  der  leeg  ^  en  buiten  de  dijken 
liggen  thans  de  onbedijkte  BiltpoUen.  Waar  eens  de  Middelzee  lag, 
waar  Noormannen  en  Friezen  met  hunne  schepen  de  baren  doorklief- 
den, vindt  men  thans  het  vruchtbare  Bilt-land.  Opmerkelijk  is  ook 
hier  het  rijzen  des  bodems,  naarmate  men  in  jongere  aanwassen  komt. 

C.    Geschiedenis  der  waierloozin^  in  Friesland, 

Die  opslibbing  en  bedijking  van  de  Middelzee  bracht  groote  ver- 
andering in  Frieslands  waterloozing.  Bij  het  bestaan  van  dien  binnen- 
boezem  was  het  toch  natuurlijk,  dat  hierop  de  waterloozing  van  het 
omringende  land  plaats  had.  In  de  Middelzee  ontlastte  zich  in  de 
eerste  plaats  de  Boorne.  De  uitmonding  van  genoemd  watertje  in  de 
Middelzee  had  in  den  tijd,  toen  deze  zich  tot  den  Hemdijk  uitstrekte, 
d.  i.  in  de  eerste  eeuwen  onzer  jaartelling,  plaats  bij  Oude  Schouw. 
Bij  de  dichtslibbing  der  Middelzee  verdeelde  de  Boorne  zich  vervol- 
gens in  twee  takken,  waarvan  de  Oude  IV e  tering  westwaarts  naar 
het  Sneeker  meer  liep,  en  de  andere  tak  door  de  Moezel^  de  Grou  en 
het  Swin  zich  een  afwatering  in  de  vernauwde  hals  van  de  Middelzee 
zocht.    Zoo  was  de  toestand  in  de  i2^«  eeuw. 

In  den  oostelijken  dijk  van  de  Middelzee  lag  de  Leiezijl^  een 
duilenslms  bij  de  buurt  de  Leie.  Door  deze  zijl  hadden  Ferwerde- 
radeel  en  I.^eeuwarderadeel  hunne  uitwatering  op  de  Middelzee.  Na 
de  bedijking  van  het  Oude  Bilt  in  1508  werd  door  het  leggen  van 
de  ouden  Biltdijk  de  Leiezijl  een  binnensluh.  Doch  tot  uitwate- 
ring van  den  Biltpolder  werd  daarbij  gebouwd  de  Oude-Biltzijl 
(zijl  =  sluis).  Bij  de  bedijking  van  het  Nieuwe  Bilt  werd  met  het- 
zelfde doel  de  Nieuwe-Bilizijl  gebouwd.  Hierdoor  kon  Oostergoo 
zijn  water  nog  op  de  Wadden  ontlasten.  Evenwel  ging  de  aanslib- 
bing in  de  Wadden  voort,  en  weldra  werd  daardoor  de  Nieuwe 
Biltzijl  onbruikbaar.  Zoo  werd  zij  reeds  in  1664  afgedamd,  en  bij 
de  indijking  van  de  Nieuwe  BiltpoUen  en  het  Noorderleeg  in  1754 
heeft  men  haar  ook  niet  weder  hersteld,  hoewel  de  Staten  dit  reeds 
in  17 18  bevolen  haddea  (Zie  de  kaart  op  pag.  324.) 


Digitized  by 


Google 


328     • 

Daar,  zooals  wij  boven  opmerkten,  de  nieuw  aangedijkte  gronden 
hooger  liggen  dan  de  oude,  moest  de  waterloozing  van  dit  land  wel 
eene  t^;engestelde  richting  van  vroeger  nemen,  en  in  plaats  van 
naar  het  noorden  naar  het  zuiden  gaan.  2k)0  moest  de  Oude  Bilt- 
zijl  zelfs  dienen  om  het  water  van  het  Nieuwe  Bilt  naar  het  zuiden 
te  voeren,  dat  door  de  Leiezijl  op  Oostergoo  en  door  de  Wierzijl 
en  Bolkezijl  naar  de  Ried  op  Westergoo  liep. 

Vóór  den  tijd,  dat  het  Biltwater  door  de  Leiezijl  op  Oostergoo 
en  door  de  Bolke-  en  Wierzijlen  op  Westergoo  afstroomde,  was 
Friesland  in  van  elkander  afgescheiden  boezemgebieden  verdeeld. 
Thans  hield  dit  op  en  daardoor  werd  inbreuk  gemaakt  op  de  rechten 
van  de  Leppe,  (zie  pag.  316),  wantin  plaats  van  de  Leiezijl  als  uitwate- 
ring^VL\%  te  behouden,  nam  zij  integendeel  het  Biltwater  op.  De  sluis- 
deuren zullen  zeker  ook  wel  spoedig  opgeruimd  zijn  geworden,  daar  zij 
door  die  veranderde  richting  der  strooming  een  verkeerden  stand  hadden. 
Of  het  Leppe-verbond  tegen  die  verandering  ook  bezwaren  indiende 
dan  wel  of  het  zich  deze  liet  welgevallen,  is  ons  onbekend.  Uit  vele 
zaken  blijkt  evenwel,  dat  de  rechten  van  het  Leppe-verbond  niet 
voldoende  bevestigd  zijn  geweest  om  ze  te  handhaven  en  deze 
verandering  te  voorkomen. 

De  LeppCy  vroeger  een  afgesloten  boezem,  was  dit  thans  niet  meer, 
maar  door  tusschenkomst  van  het  Oude  Bilt  met  Westergoo  ver- 
eenigd  en  omgekeerd.  In  Oostergoo  bestonden  nog  de  volgende  oï> 
zich  zelve  staande  boezems:  Oost-Dongeradeel^  met  een  deel  van 
West'Dongeradeel  (dit  deel  tapte  zijn  water  af  door  het  Jaarlagat 
op  Oost-Dongeradeel)  en  Kollummerland^  voor  zoo  verre  afgesloten  van 
den  boezem  in  Oostergoo  door  het  KoUummer-verlaat,  Gerben-AUes- 
verlaat,  de  oude  Kollummer-  en  Oudwouder  zijlen. 

Achikarspelen  was  afgesloten  door  het  Schuilenburger- en  Gerben- 
AUes-verlaat  van  den  boezem  van  Oostergoo,  en  door  het  Stroobosser- 
verlaat  met  denkelijk  met  nog  een  verlaat  in  de  Oude  vaart  bij 
Gerkesklooster,  van  de  provincie  Groningen,  of  het  Zijlvest  van  de 
Munnikezijl. 

Deze  verlaten  zijn  met  of  kort  na  de  afsluiting  van  het  Dok- 
kummerdiep  door  de  groote  sluis,  de  Dokkummer  Nieuwe  Zijlen^  itt 


Digitized  by 


Google 


329 

1729)  langzamerhand  vervallen  en  buiten  werking  gesteld,  terwijl  het 
Schuilenburger-verlaat  in  stand  bleef,  om  met  opwaaiende  winden 
den  aandrang  van  het  water  uit  het  Bergummer-meer  door  hetKo- 
lonelsdiep  in  Achtkarspelen  te  keeren. 

KoUummerland  en  Achtkarspelen  waren  dus  nu  blijkbaar  met  den 
boezem  van  Oostergoo  vereenigd  en  de  afscheiding  was  vervallen. 

In  Westergoo  vond  men  in  dien  tijd  het  gebied  van  de  Slachte 
of  Vijfdeelen  binnen  Slachtedijken,  omringd  door  den  Slachtedijk* 
De  Slachtedijk  is  een  binnendijk,  die  waarschijnlijk  het  allereerst 
is  aangelegd,  toen  het  zeegat  tusschen  Vlieland  en  Terschelling  zich 
begon  te  verwijden,  en  Westergoo  dus  meer  voor  het  zeewater  begon 
te  vreezen,  vooral  nadat  de  Middelzee  door  verlanding  reeds  een 
groot  deel  van  haar  kracht  verloren  had.  De  ligging  van  den 
Slachtedijk  vindt  men  op  de  kaart.  Over  't  geheel  zijn  de  landen 
binnen  den  Slachtedijk  hooger  gelegen  dan  de  lage  landen  van 
Westergoo  en  Zevenwouden.  Hoewel  door  latere  bedijkingen  de 
Slachtedijk  in  een  binnendijk  of  slaperdijk  is  veranderd,  bleef  hij 
toch  nog  behouden  om  bij  doorbraak  der  zeedijken  het  binnenlig- 
gende  land  te  beschermen.  Daartoe  zijn  in  de  kanalen  enz.,  welke 
dien  dijk  snijden,  sluizen  en  keerbalken  aangebracht  om  ze  af  te 
sluiten.  In  het  Reglement  op  het  onderhoud  van  het  waterschap 
de  Vijfdeelen  Zeedijken  Binnendijks,  regelende  tevens  het  Bestuur 
der  Vijfdeelen  Slachtedijken,  vastgesteld  22  April  1868,  komt  in 
art.  79  letter  m^  handelende  over  de  werkzaamheden  van  hetdijks- 
bestuur  voor:  >de  zorg,  dat  ingeval  van  doorbraak  der  zeedijken 
de  in  den  Slachtedijk  gelegen  zijlen  en  pompen  dadelijk  worden 
gesloten."  Het  westelijk  gedeelte  van  den  Slachtedijk  van  de  breedte 
van  Rauwerd,  westelijk  langs  Franeker  tot  aan  den  zeedijk  bij  Ooster- 
bierum,  wordt  met  dit  doel  nog  onderhouden.  Hierdoor  wordt  Wes- 
tergoo in  twee  deelen  gescheiden:  de  Vijfdeelen  Binnendijks  en 
de  Vijfdeelen  BuiUndijks  (naar  de  5  grietenijen)  i). 

De  ontwikkelingsgeschiedenis  van  Frieslands  wa- 
terstaat  is   geweest   het   opruimen   der   verschillende 


i)    J.  A.  Lycklema  ^  Nijeholt.  Verbetering  van  Frieslands  watertoestand  1869. 


Digitized  by 


Google 


33^ 

binnenlandsche  afscheidingen  en  afsluitingen  en  het 
vormen  van  één  boezem,  zooals  wij  dien  reeds  beschreven 
hebben. 

Het  vraagpunt  van  de  verbetering  der  ontlasting  van  dien  uit- 
^ebreiden  boezem  bespraken  wij  reeds  op  pag.  315,  en  wij  deelden 
daarbij  de  uitvoering  er  van  volgens  de  wet  van  Augustus  1880 
mede.  Niet  dan  na  langdurige  en  menigvuldige  overwegingen  en  tal 
van  rapporten  kwam  men  tot  dit  plan  i). 

Bij  het  onderzoek  naar  verbetering  van  den  waterafvoer  kwamen 


i)  De  volgende  rapporten  werden  o.  a.  over  de  verbetering  van  Frieslands 
waterstaat  uitgebracht: 

I.  Rapport  van  eene  speciale  Commissie  op  last  van  Z.  M.  den  Koning  den 
II  den  Juni  1826  door  den  Heer  Gouverneur  van  Friesland  benoemd,  welk 
rapport  is  uitgebracht  16  Sept.  1828. 

II.  Rapport  van  den  Hoofd-Ingenieur  van  den  Waterstaat,  Ferrand,  ge- 
vraagd door  het  Departement  van  Binnenl.  Zaken,  den  29sten  Nov.  1830,  N<^. 
39,  uitgebracht  21  Maart  1832,  N''.  11,  met  6  Bijlagen. 

III.  Rapport  van  de  Gedeputeerde  Staten  van  Friesland  van  den  2den  Juli 
1835,  vergezeld  van  8  memorien  van  den  Hoofd-Ingenieur  van  den  Waterstaat 
P.  Wellrnberg. 

IV.  Rapport  van  de  Commissie  uit  de  Prov.  Staten,  benoemd  bij  besluit  van 
7  Juli  1835.  (I^cze  Waterstaatsstukken  zijn  in  folio  gedrukt  en  in  1855  in 
octavo  herdrukt). 

V.  Memorie  omtrent  den  tegen  woord  igen  toestand  van  den  binnenlandschen 
waterstaat  in  de  provincie  Friesland  met  opgaaf  der  nog  vereischte  of  nuttig 
geacht  wordende  verbeteringen  aan  de  kanalen  van  algemeene  afstrooming  en 
scheepvaart,  in  1860  door  den  Hoofd-Ingenieur  C.  J.  Bolten  aan  de  Staten 
ingediend.  Met  vijf  bijlagen. 

VI.  Rapport  van  Heeren  Gedeputeerde  Stalen  van  28sten  October  1869, 
N".  45,  aangaande  de  stukken  rakende  den  boezemwaterstand  der  provincie  en 
nopens  het  voorstel  van  den  Heer  Lycklema  k  Nijeholt,  tot  vaststelling  van 
«en  algemeen  plan  van  verbetering  der  afstrooming  van  het  boezemwater.  (Zie 
-de  gedrukte  notulen  van  den  2dea  Nov.  1869,  pag.  54). 

VII.  Missive  van  den  Hoofd-Ingenieur  Hayward  van  den  8«en  Juni  1869, 
N**.  894/2,  uitgebracht  in  de  vergadering  der  Staten  den  6den  Juli  1869,  N9.  28. 

VIII.  Advies  van  den  Hoofd-Ingenieur  Hayward  van  7  Sept.  1869,  N*. 
1623/2  van  Gedeputeerde  Staten,  nopens  het  voorstel  van  een  algemeen  plaa 
van  verbetering  der  afstrooming  van  het  boezemwater. 


Digitized  by 


Google 


33^ 

vooral  in  aanmerking  de  vragen^  of  de  baitensluizen  voldoend  af- 
voeringsvermogen  hadden,  en  of  het  water  wel  genoeg  door  de 
kanalen  naar  de  uitwateringssluizen  vervoerd  kon  worden.  De  eerste 
vraag  werd  bevestigend  beantwoord  (Zie  Memorie  X  van  de  noot). 
De  heeren  Brunings  en  Galand  berekenden,  dat  de  sluizen,  zelfs 
in  de  ongunstigste  tijden,  voldoend  vermogen  bezaten.  iWat  echter 
noodig  is,  is  aanzienlijke  verruiming  der  toevoerkanalen  naar  de 
sluizen,  althans  naar  de  Nieuwe-  en  Munnekezijlen",  oordeelden 
genoemde  deskundigen  i).  Dat  op  grond  van  dit  beginsel  vele  ver- 
beteringen worden  aangebracht,  zagen  wij  op  pag.  317. 

Een  ander  voorstel  luidde,  om  den  boezem  met  zijn  groote  opper- 
vlakte van  boezemlanden  (zie  pag.  309)  te  beperken,  door  alle  lage 
iDoezemlanden  in  te  polderen.  Volgens  Brunings  en  Galand  zouden 
<ie  voordeden  daarvan  hierin  bestaan,  dat  de  afstrooming  geleidelijk 
kon  geschieden,  terwijl  de  stand  van  het  water  op  den  aldus  inge- 
<lijkten   boezem  hooger  kon  worden  gehouden  voor  de  scheepvaart. 

Dit  plan  evenwel  had  groote  bezwaren,  daar  de  boezemlanden 
-dan  niet  meer  overstroomd  zouden  worden,  ên  dus  de  bemesting  door 
het  water  zouden  missen.  Dat  dit  laatste  geen  gunstig  onthaal  vond 
bij  het  bestuur  der  provincie,  valt  te  begrijpen  2). 

§    7.        GESCHIEDENIS   VAN   HET   WATERSCHAP   OOST-    EN 
WEST-DONGERADEEL. 

Reeds  zeiden  wij  op  pag.  305,  dat  bijna  geheel  Friesland  afwatert 
op   de  grooten  Frieschen  boezem,    alleen   het  waterschap  Oost-  en 

IX.  Rapport  van  de  Commissie  uit  de  Staten,  bestaande  uit  de  beeren  J. 
Kingma,  J.  JE.  A.  van  Panbuys,  J.  S.  Bokma,  P.  K.  Bakker  en  Herman 
Albada,  omtrent  rapport  VI,  uitgebracbt  9  Nov.  1869. 

X.  Memorie  over  den  toestand  van  den  binnenlandschen  waterstaat  derpro- 
-vincie  Friesland  van  31  sten  Oct.  1870,  opgemaakt  door  den  Inspecteur  en  den 
Hooffl-Inspectear  van  den  Waterstaat  C.  Brunings  en  P.  Galand,  met  11  bijla- 
^ea,  gedrukt  in  1871. 

i)    t.  a.  p.,  pag.  23. 

2}    J.  A.  Lycklema  4  Nijeholt,  Iets  over  Frieslands  waterstaat  en  landbouw  1871. 


Digitized  by 


Google 


332 

West-Dongeradeel  uitgezonderd.  Dit  waterschap  beslaat  een  gebied 
in  het  noord-oosten  van  Friesland  en  bestaat  uit  de  polders  Oost- 
en West-Dongeradeel.  De  meeste  polders  in  Friesland  hebben  hun 
ontstaan  te  danken  aan  het  verlangen  om  de  laag  gelegen  landen  een 
droge  ligging  te  verschaffen  of  om  uitgeveende  plassen  droog  te 
maken  en  te  doen  afwateren  op  den  gemeenschappelijken  boezem. 

Niet  aldus  is  het  met  bovetigenoemden  polder  gesteld.  Door  het 
achtereenvolgens  verleggen  der  zeesluis  in  de  Dokkumer  Ee  en 
het  Dokkumerdiep  werden  Oost-  en  West-Dongeradeel  tot  inpolde- 
ring genoodzaakt. 

Nadat  Friesland  door  dijken  beveiligd  was  tegen  het  geweld  der 
zee,  en  er  sluizen  waren  gelegd  zoowel  tot  het  doorlaten  van  schepen 
als  tot  loozing  van  overtollig  boezemwater,  bleef  het  laag  gelegen 
zuidwestelijke  gedeelte  van  Oost-Dongeradeel  met  een  deel  van 
West-Dongeradeel  steeds  lijdende  aan  overlast  van  toevloeiend  boe- 
zemwater uit  de  provincie. 

Vóór  het  jaar  1580  lag  op. een  half  uur  gaans  ten  westen  van 
Dokkum  te  Damzijl  eene  sluis,  die  het  water  van  West-Dongeradeel 
toegang  gaf  naar  de  Dokkumer  £e,  dat  langs  deze  £e  door  de  Oude 
Zijl  i),  een  kwartier  ten  westen  van  Dokkum  gelegen,  op  de  zee 
loosde.  Beneden  laatstgenoemde  sluis  toch  stond  de  Dokkumer  Ee  door 
het  Dokkumer  Grootdiep  in  vrije  verbinding  met  deLauwerszee  en 
er  waren  langs  genoemd  water  zware  zeedijken  aangelegd,  waarvan 
de  noordelijke  zich  om  Oost-  en  West-Dongeradeel,  de  zuidelijke 
zich  om  Kollumerland  boog.  Dokkum  was  dus  in  dien  tijd  een 
zeestad,  die  aan  deze  ligging  haar  opkomst  te  danken  had,  en 
reeds  in  755  bekend  was.  Door  die  ligging  kon  Dokkum  in  i6oa 
nog  de  hoofdzetel  van  het  zeewezen  en  van  's  lands  werven  worden. 

Zoo  werden  Oost-  en  West-Dongeradeel  aan  de  zuid-,  oost-,  en 
noordzijde  door  zeedijken  ingesloten.  Aan  de  westzijde  vormde  de 
hoog  gelegen  rug  van  Oudezijl  naar  Holwerd  zich  uitstrekkend  gedeel- 
telijk een  natuurlijke  beveiliging  tegen  het  binnenwater  van  Friesland. 


i)   Foeke    Sjoerds.    Algemeene  beschrijving  van  Oud-  en  Nieuiw -Friesland  I, 
pag.  227. 


Digitized  by 


Google 


333 

Slechts   bij    zeer   hooge   standen   van    het  binnenwater  vloeide  het 
hierover  naar  West-Dongeradeel. 

In  dien  tijd  loosde  het  aldus  afgesloten  gebied  van  Oost-  en 
West-Dongeradeel  het  overtollig  water  door  drie  sluizen  op  zee: 
bij  Pesens  aan  het  noordelijk  einde  van  een  watertje  van  dien 
naam,  (ook  Donger  geheeten,  waarnaar  de  namen  Oost-  en  West- 
Dongeradeet)  i),  in  het  N.-O.  deel  bij  Ezumazijl  door  een  sluis 
175  M.  noordelijker  dan  de  tegenwoordige,  en  door  eein  sluis  onder 
Oosirum,  die  van  het  Z.-O.  land  het  water  op  het  toen  nog  vrij 
met  de  zee  verbonden  Cxrootdiep  bracht. 

In  1580  werd  genoemde  Damzijl  afgedamd  en  later,  in  1600,  de 
Oudezijl  tot  binnen  Dokkum  verlegd.  West-Dongeradeel  kon  hierdoor 
niet  meer  op  de  Ee  afwateren,  en  het  gedeelte  der  Ee  boven  Dok- 
kum werd  van  de  vrije  verbinding  met  de  zee  afgesloten.  Hierdoor 
hadden  de  zeedijken  langs  genoemd  water  boven  Dokkum  ook  niet 
meer  de  beteekenis  van  vroeger,  en  zij  schijnen  verlaagd  te  zijn. 
Een  gevolg  hiervan  was,  dat  Oost-  en  West-Dongeradeel  langs  dien 
weg  hoe  langer  hoe  meer  last  kregen  van  het  water  uit  de  pro- 
vincie. Daarbij  kwam  nog,  dat  door  de  aanslibbing  in  de  Wadden 
<le  sluis  te  Pesens  werd  afgesloten  en  eindelijk  afgedamd  moest 
worden.  Het  juiste  jaar,  wanneer  dit  geschiedde,  is  niet  bekend.  Zoo 
bleven  er  slechts  twee  sluizen  tot  uitwatering  van  Oost-  en  West- 
Dongeradeel  over,  die  te  Ezumazijl  en  te  Oostrum,  welke  beide 
gebrekkig  waren.  Daarom  werd  in  1666  voorgesteld  en  in  1672 
besloten  een  nieuwe  en  betere  sluis  te  bouwen  in  plaats  van  de 
beide  bestaande.  Zoo  werd  in  1672  de  thans  nog  bestaande  ^;?f/f»tf- 
zijl  gebouwd,  en  door  een  kanaal  werd  nu  de  uitwatering,  welke 
vroeger  te  Oostrum  geschiedde,  hierheen  geleid.  Aldus  was  de  Ezuma- 
zijl de  eenige  afwateringsluis  van  Oost-  en  West-Dongeradeel 
geworden. 

In  1729  werd  ook  het  Grootdiep  afgesloten  door  de  sluizen  de 
Dokkumerzijlen.  Hierdoor  werd  Dokkum  geheel  een  binnenstad, 
-en   de   dijken    beneden  Dokkum  hielden  op  zeedijken  te  zijn.  Van 

i)  Foeke  Sjocrds,  Algemeene  beschrijving  van  Oud-  en  Nieuw-Friesland,  I, 
pag.  238. 


Digitized  by 


Google 


334 

tijd  tot  tijd  werden  die  dijken  verlaagd  of  geslecht,  en  hierdoor 
kwam  ook  Oost-Dongeradeel  met  het  boezemwater  der  provincie 
meer  en  meer  in  aanraking.  Hiertegen  wendde  het  echter  verschillende 
middelen  aan,  het  sloot  o.  a.  de  Pesens  af  door  een  skiis  enz.^ 
en  tusschen  het  lager  gelegen  Oost-Dongeradeel  en  het  hooger  gelegen 
West-Dongeraded  ontstonden  langdurige  geschillen  over  de  rechten 
van  afwatering.  Eerst  in  1820  kwam  er  eene  regeling  tot  stand. 
Hierbij  werd  besloten  om  het  water  uit  de  provincie  door  het  aan- 
leggen van  een  dijk  af  te  sluiten  en  de  verbindingswateren  te 
stoppen.  Zoö  ontstond  de  inpoldering  van  Oost-  en  West-Dongeradeel 
In  182 1  werd  die  inpoldering  tot  stand  gebracht.  Het  nut  dier  be- 
dijking bleek  reeds  in  1825,  toen  bij  doorbraak  van  vele  zeedijken 
in  Friesland  het  water  door  den  polderdijk  van  Oost-  en  West- 
Dongeradeel  werd  gekeerd,  i) 

De  oppervlakte  lands  van  dit  waterschap  bedraagt  ii48<>' 
H.  A.  waarvan  6601  H.  A.,  in  Oost-  en  4888  H.  A.  in  West- 
Dongeradeel. 

De  Pesens^  oudtijds  Danger  geheeten,  die  van  het  dorp  van 
dien  naam  naar  het  zuiden  kronkelt,  vormt  met  zijne  waterkeeringen^ 
de  scheiding  van  Oost-  en  West-Dongeradeel.  Het  zomerpeil  van 
Oost-Dongeradeel  is  1,08  M.  —  A.P.  en  dat  van  het  hooger  gele- 
gen West-Dongeradeel  0,33  M.  —  A.P.  De  Pesens  ligt  gemeen 
met  het  polderwater  van  West-Dongeradeel.  West-Dongeradeel 
loost  zijn  water  deels  op  Oost-Dongeradeel  en  tevens  op  Frieslands 
boezem.  Oost-Dongeradeel  loost  op  de  Lauwerszee  door  de  Ezumazijl^ 
eene  uitwaterings-  en  schutsluis  aan  het  einde  der  Zuider  Ee. 

Eenige  polders  liggen  nog  langs  de  zee,  die  niet  tot  genoemd 
waterschap  behooren.  Zij  zijn:  de  Holwerder  Ooster-  en  ]^f ester- 
polders,  bedijkt  in  1580;  de  Temaar derpolder,  bedijkt  in  1590;  de 
Anjumer*  en  Lioessenspolder,  bedijkt  in  1592;  de  Buitenlanden 
onder  Engwierum  bij  de  Nieuwezijleu,  bedijkt  in  1729-,  en  A^Eng- 
wierumer polder^  bedijkt  in  1752. 


i)    Zie  A.  O.  van  den  Santheuvel,  Het  waterschap  Oost- en  West-DongeradeeU 
(Vcrh.  Kon.  Inst.  v.  Ing.  1876—77,  pog.  8.'^ 


Digitized  by 


Google 


335 

§   8.      GESCHIEDEKIS   VAN   DE  LAUWERS   EN   DE   LAUWERSZEE. 

A.    Hare  horizontale  uitbreiding. 

De  breede  inham  van  de  Wadden,  die  tusschen  Groningen  en 
Friesland  zich  naar  het  zuiden  uitstrekt,  wordt  de  Lauwerszee  ge- 
noemd, een  tegenhanger  van  de  vroegere  Middelzee.  Evenals  de 
Wadden  is  ook  dit  water  eene  herovering  van  de  zee  op  het  land. 
Aanvankelijk  zal  dit  land  zeer  zeker  ondiep  met  water  bedekt  zijn 
geweest,  zoodat  zich  in  deze  streken  eene  laagveenformatie  kon  vormen, 
die  evenwel  door  eene  waarschijnlijke  latere  rijzing  der  zee  ten  op- 
zichte van  het  land,  bij  hooger  waterstanden  en  verwijding  der 
zeegaten  in  de  duinenrij,  werd  weggeslagen.  Niet  in  eens  had  dit 
proces  der  landafneming  plaats.  Terwijl  hooge  watervloeden  den  weg 
baanden  voor  de  zee,  ging  de  gewone  golfslag,  van  tijd  tot  tijd 
versterkt  door  stormen,  het  verdere  doen.  Zoo  was  het  land  der 
Wadden  in  den  tijd  der  Romeinen  reeds  weggeslagen ;  zij  noemden  dit 
gebied  Mare  Vadosa  of  Vada,  en  ondervonden  niet  zelden  het  gevaar- 
lijke van  deze  doorwaadbare  maar  tevens  onbevaarbare  slikgronden. 

In  den  aanvang  onzer  jaartelling  was  de  Lauwerszee  waarschijnlijk 
nog  niet  in  den  tegenwoordigen  omvang  aanwezig.  Een  gedeelte 
der  kust  van  Kolluromerland,  en  wel  bepaaldelijk  die  van  Nieuw- 
Kniisland,  moet  zich  destijds  noordwaarts  aanzienlijk  verder  hebben 
uitgestrekt,  ongeveer  tot  de  breedte  van  het  tegenwoordige  Ezuma- 
zijl,  terwijl  het  eiland  Schiermonnikoog  aan  de  zuidzijde  een  gfooter 
uitgebreidheid  zal  hebben  gehad. 

Van  het  zuiden  stroomde  hier  het  riviertje  de  Lauwers  nagenoeg 
in  dezelfde  richting  als  thans  naar  het  noorden.  Uit  het  oosten 
ontving  de  Lauwers  nog  het  water  van  de  Hunze  uit  Drente  en 
Groningen  in  het  oostelijk  deel  der  tegenwoordige  Lauwerszee.  Zoo- 
vereenigd  liep  de  Lauwers  door  de  lage,  moerassige  platen  der  Wad- 
den naar  het  noorden  en  mondde  ten  oosten  van  het  tegenwoordige 
eiland  Schiermonnikoog  in  zee.  Deze  vroegere,  nu  bijna  verzande 
monding,  behield  nog  lang  den  naam  van  Oude  Lauwers, 


Digitized  by 


Google 


336 

De  Dokkummer  £e  liep  langs  een  zelfstandige  geul  door  den  bodem 
der  tegenwoordige  Lauwerszee  en  de  Wadden,  en  bereikte  ten  westen 
van  Schiermonnikoog  de  zee.  Eerst  later  schijnt  dit  water  zich  met 
de  Lauwers  vereenigd  te  hebben.  De  uitmonding  van  de  Ee  komt 
in  de  i$^^  en  i6**«  eeuw  voor  onder  den  naam  van  Schülhalch. 
Thans  ligt  het  Friesche  Gat  nagenoeg  op  deze  plaats. 

In  het  midden  der  tegenwoordige  Lauwerszee  strekte  zich 
omstreeks  den  aanvang  van  onze  tijdrekening  zeer  waarschijnlijk 
ten  noorden  van  Nieuw  Kruisland  een  landtong  naar  het  noorden 
uit  tusschen  de  stroomende  wateren  van  de  Hunze  in  het  oosten  en 
de  Dokkumer  Ee  in  het  westen.  Tegenwoordig  vindt  men  hier  on- 
geveer de  Blikplaat  in  de  Lauwerszee.  Aan  beide  zijden  strekten 
Groningen  en  Friesland  zich  met  een  voorland  buiten  de  tegen- 
woordige dijken  naar  de  geulen  van  Hunze  en  Ee  uit.  Hierop  lag 
aan  de  Friesche  zijde  de  oude,  later  verdwenen  stad  Eztim  of 
Ezonstad^  waarvan  Ezumazijl  de  naam  bewaart. 

Het  tegenwoordig  weinig  beteekenende  watertje  de  Lauwers  wordt 
door  verschillende  schrijvers  i)  in  de  oudheid  als  eene  belangrijke 
rivier  beschouwd.  Of  de  Lauwers  dit  werkelijk  zal  geweest  zijn, 
meenen  wij  te  moeten  betwijfelen,  daar  voor  eene  rivier  een  voe- 
dingsgebied moet  bestaan,  terwijl  niets  op  een  dergelijk  aanzienlijk 
voedingsgebied  alhier  wijst.  Of  het  moet  zijn,  dat  alleen  de  monding 
der  Lauwers  eene  aanzienlijke  breedte  had,  niet  als  riviermond,  doch 
als  getijdenwater,  als  een  geul,  misschien  langs  het  riviertje  ge- 
vormd, door  afslag  des  lands  verbreed,  en  die  door  den  oploopen- 
den vloedstroom  en  de  afioopende  ebstroom  opengehouden  werd. 
De  schrijvers  vereenzelvigden  de  getijdengeul  met  het  riviertje.  Dit 
getijdenwater  dan,  door  het  water  der  Hunze  en  der  Lauwers  ver- 
sterkt, kronkelde  door  de  moerassige  Waddenlanden,  waar  thans 
oog  geulen  in  die  richting  bestaan. 

De  geschiedenis  van  het  ontstaan  der  Lauwerszee  is  die  der  uit- 
breiding van  genoemd  getijdenwater.    Niet  in  eens,  doch  langzaam 


i)    Alting,    Hist.  Lofrede,  pag.  92  van  het  bijvoegsel,  zegt,  „dat  hij  oudtijds 
groote  schepen  ver  landwaarts  konde  dragen." 


Digitized  by 


Google 


337 

De  tegenwoordige  Lauwerszee  en  hare  vroegere  uitbreiding 

volgens   ANDREiE. 


Vermoedelijke  zuidelijke  boezemlijn  tusschen  de  8e  en  iide  eeuw. 

—  . Vermoedelijke   grens   der  Frie  che  en  Groninger  kusten  vóór  de  water- 
vloeden in  de  13de  eeuw. 
•fMifiifVf    Tegenwoordige  buitendijken. 


Vroegere  buitendijken. 


II  22 


Digitized  by 


Google 


33» 

had  die  uitbreiding  plaats.  Stormen  en  hoogwaterstanden  gaven  van 
tijd  tot  tijd  een  grootere  uitbreiding  aan  dezen  inham.  Even- 
wel de  geschiedenis  dier  uitbreiding  is  niet  nauwkeurig  na  te  gaan. 
Andreas  i)  zegt,  >dat  met  genoegzamen  grond  aan  te  nemen  is,  dat 
zij  omstreeks  de  io<*«  of  ii<*«  eeuw  hare  grootste  uitgebreidheid  in 
zuidelijke  richting  heeft  gehad,  terwijl  zij  eerst  later  door  opvolgende 
stormvloeden  meer  in  de  breedte  is  toegenomen,  vooral,  naar  het 
schijnt,  door  de  vloeden  der  13^®  eeuwt.  Bovenal  de  verwijding  der 
gaten  in  de  duinen  zal  tot  de  verwijding  der  Lauwerszee  medege- 
werkt hebben,  omdat  een  groote  toevoer  van  zeewater  met  noorden- 
winden hiervan  het  gevolg  was. 

In  de  io<le  en  ride  eeuw,  toen  de  Lauwerszee  hare  grootste  uit- 
gebreidheid naar  de  zuidzijde  had,  strekte  zij  zich  uit  tot  de  hoogte 
van  het  dorp  Gerkesklooster  in  Achtkarspelen.  Hare  wateren  be- 
dekten niet  alleen  de  later  ingedijkte  landen  van  Burummerland 
(waarvan  een  deel  nog  de  Keegen  2)  wordt  genoemd)  en  het  Nieuw- 
Kruisland,  maar  bovendien  een  gedeelte  van  Achtkarspelen,  hetwelk 
nog  heden  ten  dage  als  het  Uitland  bekend  is,  alsmede  de  vrucht- 
bare landstreek  de   Waarden  in  het  Westerkwartier  van  Groningen. 

De  watervloed  van  1230  heeft  waarschijnlijk  aan  de  Friesche 
kust  in  het  noorden  van  de  Lauwerszee  een  groote  strook  lands 
vernield,  en  het  339  n.  Chr.  gestichte  Ëzum,  een  destijds  bloeiende 
plaats,  ging  hierbij  geheel  ten  gronde.  3) 

De  grenzen  van  de  Lauwerszee  werden,  sedert  men  dijken  aan- 
legde, meer  bepaald-  Werd  hierdoor  de  uitbreiding  van  het  water 
tegengegaan,  tenzij  overstroomingen  de  dijken  vernielden,  ook  ging 
men  verder,  door  gedeelten  van  het  water,  die  voldoende  waren  dicht- 
geslibd, in  te  dijken  en  tot  droog  land  te  maken. 

De  oudste  dijken  langs  de  Lauwerszee,  die  het  verder  indringen 
van  de  golven  hebben  belet,  dagteekenen  waarschijnlijk  uit  de  ude 
eeuw.     Sporen  hiervan  treft  men  nog  aan  van  Dokkum  zuidwaarts 

1 )  A.  J.  Andreae.  De  Lauwerszee,  nagespoord  in  hare  wording,  haren  omvang 
en  verschillende  bedijkingen.  1881,  pag.  8. 

2)  Keeg  (oudt.  Ka^)  of  Koog  beteekent  aangespoeld  land. 

3)  Andreae  t.  a.  p.  pag.  10. 


Digitized  by 


Google 


339 

laogs  de  £e,  langs  KoUum,  Buitenpost,  ten  noorden  van  Gerkes- 
klooster  naar  de  Lauwers  en  aan  de  oostzijde  van  dit  riviertje  langs 
de  Westerhorn,  Grijpskerk,  Niezijl  en  Oldehove,  langs  deHunzetot 
Groningen.  Later  ging  men  verder  en  won  land  aan  door  bedijking. 
Vermoedelijk  in  de  13de  eeuw  legde  men  dijken  aan  van  Kollum 
naar  Burum  en  van  Grijpskerk  langs  Visvliet,  beide  naar  de  Lau- 
wers, waar  zij  door  middel  van  den  Schalkedam  zullen  zijn  ver- 
eenigd. 

Belangrijk  was  de  aanleg  eener  zeewering  van  ter  Luine  in  Kol- 
lummerland,  oostwaarts  in  aansluiting  met  den  Langewoldsterdijk,  die 
de  stichting  der  Kollummer-  en  Lambers  of  Pieterzijlen  tengevolge 
had.  Zonder  twijfel  werd  dit  werk  in  de  i4(le  eeuw  tot  stand  ge- 
bracht; waarschijnlijk  omstreeks  13 15.  Nadat  men  vervolgens  het 
Oech  onder  Burum  met  een  dijk  had  omgeven,  werd  omstreeks 
147 1  van  den  noordoosthoek  dezer  zeewering  een  dijk  aangelegd, 
waardoor  de  Ruigewaarden  aan  •  zee  werden  ontwoekerd,  en  waarin 
de  tegenwoordige  Munnekezijl  werd  aangelegd.  Van  1529  tot  1542 
werd  het  Kruisland  in  KoUummerland  ingedijkt,  terwijl  later  in  1660 
de  Noorderwaard  en  in  1795  het  Ruigezand  in  de  provincie  Gro- 
jiingen  werden  aangewonnen  door  bedijking.  Behalve  in  het  zuiden 
hadden  ook  aan  beide  zijden  der  Lauwerszee,  zoowel  in  Friesland  als 
in  Groningen,  indijkingen  plaats,  hoewel  minder  aanzienlijk.  Evenwel 
belangrijk  waren  de  afsluitingen  van  het  Dokkummerdiep  in  1729 
en  van  het  Reitdiep  in  1877,  waardoor  vele  H.A.  aan  de  vloeden 
werden  onttrokken,  i)  Sedert  de  13de  eeuw  zijn  om  de  Lauwerszee 
=t  14500  H.A.  lands  door  bedijking  gewonnen.  2) 

Plannen  om  de  geheele  Lauwerszee  door  een  dijk  van  de  Wad- 
den af  te  sluiten  en  in  te  dijken  zijn  van  tijd  tot  tijd  ontworpen. 
Een  dergelijk  plan  werd  in  1849  door  den  Rijks-Ingenieur  van  Dig- 
gelen gevormd,  die  in  eene  beschrijving  het  nut  betoogde  en  de 
middelen  aanwees  om  de  Zuiderzee,  de  Wadden  en  de  Lauwerszee 


i)  Andreae  t.  a.  p.  pag.  80. 
2)  Andrese  U  a*  p.  pag.  154. 


Digitized  by 


Google 


340 

droog  te  maken,  i)  Evenwel  reeds  twee  jaren  te  voren  waren  door 
F.  Groet  en  daarna  door  H.  V.  Geerligs  concessies  aangevraagd 
om  de  Lauwerszee  door  verbinding  van  Schiermonnikoog  ten 
oosten  met  Groningen  en  ten  westen  met  Friesland  droog  te  maken 
en  te  ontginnen.  Noch  de  Rijkswaterstaat,  noch  de  Staten  van 
Friesland  keurden  deze  plannen  goed.  De  nadeelen,  welke  men 
vermoedde  dat  voor  Frieslands  waterloozing  hieruit  zouden  voort^ 
vloeien,  alsmede  de  vermeende  onvruchtbaarheid  der  in  te  dijken 
gronden,  gaven  aanleiding  tot  deze  beslissing.  De  Staten  van  Gronin- 
gen waren  evenwel  van  een  juist  tegengesteld  gevoelen,  zoowel 
wat  betreft  de  waterloozing  als  de  gesteldheid  der  gronden.  Eene 
Rijkscommissie  onderzocht  een  en  ander  in  1850,  en  deze  achtte 
in  haar  verslag  van  9  Nov.  de  uitvoering  van  het  werk  geheel  on- 
raadzaam en  financieel  onmogelijk.  Van  de  29690  H.A.,  die  zouden 
worden  ingedijkt,  bleek,  dat  22000  H.A.  zonder  waarde  was,  terwijl 
er  slechts  7690  H.A.  bruikbare  grond  overbleven.  Eene  bedijking 
op  kleine  schaal  evenwel  zou  vruchtbaar  kunnen  zijn  en  eene  nieuw 
ingestelde  Rijkscommissie  bracht  hierover  26  Juni  1853  een  verslag 


i)  P.  P.  G.  V.  Diggelen,  De  Zuiderzee,  de  Friesche  Wadden  en  de  Lauwers- 
zee, hare  bedijking  en  droogmaking  beschouwd.  1849. 

Als  verdere  litteratuur  over  dit  onderwerp  gebruikten  wij : 

Verslag  der  Commissie  benoemd  bij  Z.  M.  besluit  van  9  Nov.  1849  ter  onder- 
zoeking van  het  ontwerp  tot  indijking  der  Lauwerszee,  waarvoor  coneessie  is  ge- 
vraagd door  F.  Groet  en  later  door  H.  V.  Geerligs.  1851. 

Gemeenschappelijk  rapport  en  voorstel  der  samengestelde  Conmiissie  uit  de 
Staten  der  prov.  Friesland  en  Groningen  in  zake  inpoldering  der  Lauwerszee,  1854. 

Stukken  betreffende  het  nader  verslag,  uitgebracht  door  de  Staatscommissie 
tot  onderzoek  en  overweging  der  doelmatigheid  en  uitvoerbaarheid  der  indijking 
van  de  Lauwerszee.  1853. 

Mr.  A.  J.  V.  Roijen,  De  voordeelen  van  de  geprojecteerde  inpoldering  van 
een  gedeelte  der  Lauwerszee.  1853. 

De  Lauwerszee.  Friesche  Courant  26  Juli  1855  enz. 

De  Lauwerszee.  Friesch  Volksblad  8  Aug.  1855  enz. 

Mr.  C.  J.  van  der  Veen,  Redevoering  in  de  Staten  van  Friesland  van  8  Mei 
1854,  betrekkelijk  het  door  de  gewezen  Rijkscommissie  voorgestelde  plan  van 
gedeeltelijke  bedijking  der  Lauwerszee.  (Bijv.  Leeuwarder  Couraat  2  Juni  1854). 


Digitized  by 


Google 


341 

uit,  waarin  werd  voorgesteld  >om  de  Lauwerszee  af  te  sluiten,  niet 
in  eene  rechte  lijn,  die  zoude  getrokken  worden  tusschen  den  hoek 
van  den  Band  of  Oostmahom  en  Vierhuizen  of  Zoutkamp,  maar 
langs  den  zuidelijken  band  van  het  Reitdiep  buitenst.  Zoutkamp.» 
Deze  richting  werd  gekozen  om  de  weinige  waarde  der  gronden  buiten 
die  lijn.  Bij  de  Staten  van  Groningen  vond  dit  plan  bijval,  doch 
in  Friesland  stuitte  het  op  hevige  tegenkanting  en  in  eene  buiten- 
gewone zitting  der  Staten  van  Friesland,  8  Mei  1854,  verklaarde 
zich  de  meerderheid  hier  tegen.  Het  plan  werd  nu  voorloopig  ter 
zijde  gelegd,  doch  de  afdamming  van  het  Reitdiep  kwam  tot  stand. 
Wel  werd  de  droogmaking  nog  weder  te  berde  gebracht  en  ook 
maakt  zij  deel  uit  van  de  groote  plannen  tot  droogmaking  der 
Zuiderzee,  waartoe  de  Zuiderzee-Vereeniging  onderzoekingen  instelt, 
doch  of  de  uitvoering  in  de  eerste  eeuw  zal  tot  stand  komen,  is 
zeer  twijfelachtig. 

B.     Geschiedenis  der  natuurlijke  gesteldheid  van  de  Lauwerszee, 

Hebben  de  grenzen  van  de  Lauwerszee  in  den  loop  der  tijden 
groote  veranderingen  ondergaan,  zoodat  de  horizontale  uitbreiding 
van  dat  water  eene  belangrijke  geschiedenis  heeft,  ook  heeft  de  na- 
tuurlijke gesteldheid  dezer  watervlakte  zich  gedtu'ende  historischen 
tijd  gewijzigd  in  verticalen  vorm. 

Uit  gemis  aan  waarnemingen  is  er  omtrent  de  diepte  der  Lauwers- 
zee in  de  oudste  tijden  niets  te  zeggen.  De  oudste  zeekaarten, 
waarop  eenigszins  te  vertrouwen  valt,  zooals  de  zeekaart  van  Hulst 
van  Keulen  en  die  van  Schotanus  in  17 18  vervaardigd,  i)  beelden 
de  I^auwerszee  bij  laagwater  af  als  grootendeels  droog  land,  met  uit- 
zondering van  de  uitwateringsgeulen  van  Oostdongeradeel,  Friesland, 
en  Groningen.  Dezelfde  geulen  van  toen  vindt  men  ook  thans  nog 
in  den  Lauwerszee-bodem. 


i)  Nieuwe  groote  lichtende  zeefakkel.  1714.  (Kaart  van  de  Zuiderzee  met  al 
deszelfs  inkomende  gaaten,  sooals  die  op  't  zekerst  kunnen  bezeilt  worden,  met 
ondiepten  enz. 

B.  Schotanus  è  Stéringa.  UitbeekUnge  der  Heerlijkheit  Friesland.  1718. 


Digitized  by 


Google 


342 

Evenwel  uit  eene  vergelijking  van  bovengenoemde  kaart  met  de 
tegenwoordige  hydrographische  kaarten  blijkt,  dat  zij  sedert  dien 
lijd  in  vorm  en  ligging  veranderd  zijn. 

De  vaargeulen  der  Lauwerszee  in  het  begin  der  achttiende 
eeuw  na  af  damming  van  het  Dokkummer  Grootdiep. 


Bij  het  Dokkummer  Grootdiep  is  de  verandering  misschien  het 
grootst.  Tegenwoordig  is  dat  diep  een  smalle,  lange,  bochtige  geul 
die  zich  buiten  de  Nieuwe  Zijlen  bijna  onmiddellijk  naar  het  noorden 
heeft  omgebogen.  (Zie  de  kaart  pag.  337).  Voor  schepen  is  die  geul 
zelfs  moeielijk  te  bevaren.  Doch  in  17 18  liep  hetzelfde  diep  van  de 
sluis  te  Dokkum  zich  regelmatig  verwijdend  recht  naar  zee,  om 
zich  ongeveer  4000  M.  ten  noordoosten  van  Ezumazijl  met  de  Slenk 
van  van  het  Reitdiep  te  vereenigen,  en  met  deze  op  ±  2500  M. 
noord-oostelijk  van  Oostmahom  in  het  Friesche  Gat  uit  te  storten 

De  geul  van  Ezumazijl  was  ruimer  en  regelmatiger  van  vorm. 
De  Slenk  d.i.  de  geul  waardoor  het  Reitdiep  ofdeHunze  in  de  Lau- 
werszee liep,  naderde  de  Friesche  kust  niet  dichter  dan  op  ^   1600 


Digitized  by 


Google 


343 

M.     ten   O.   van   Oostmahorn,    zoodat  deze  plaats  met  laagwater 
niet  voor  schepen  te  bereiken  was. 

Volgens  de  hydrographische  kaart  van  1874  i)  vindt  men  tegen- 
i¥Oordig  eene  belangrijke  geul  in  de  Lauwerszee,  ter  breedte  van 
200  M.  op  laagwater  en  =^  24  d.M.  beneden  laagwater  diep,  welke 
van  de  afdamming  van  het  Reitdiep  bij  Zoutkamp  in  de  rich- 
ting van  Oostmahorn  voortloopt,  en  zich  trechtervormig  in  breedte 
en  diepte  verwijdt.  Hierin  loopen  van  de  Nieuwe  en  Ezumazijlen 
smalle  bochtige  geulen  uit,  bij  laagwater  20  k  40  M.  breed  en  12 
tot  30  d.M.  diep.  Waar  Schotanus  ten  oosten  van  Oostmahorn  met 
iaagwater  eene  1600  M.  breede  droogte  aantoont,  wordt  thans  bij 
laagwater  28  k  53  d.M.  water  gevonden;  de  dieptegeul  heeft  hier 
zich  naar  de  kust  verplaatst.  Eveneens  heeft  er  ten  N.0.  van  den 
Anjummer-  en  Lioessenspolder  sedert  het  begin  der  i8de  eeuw  afne- 
ming van  land  plaats  gehad.  (Zie  de  kaart  op  pag.  337). 

De  vraag,  of  deze  verplaatsing  der  geulen  in  de  Lauwerszee  aan 
een  bekende  oorzaak  valt  toe  te  schrijven,,  is  zeker  gerechtvaardigd. 
De  geulen  in  de  ondiepe  watervlakten  zijn  meestal  een  gevolg 
van  stroomen,  die  dat  gedeelte  des  waters  voor  aanslibbing  bewaar- 
den, zoodat  er  een  geul  overbleef,  of  die  zelf  in  den  bodem  een  geul 
erodeerden.  Deze  stroomen  kunnen  een  gevolg  zijn  van  de  werking 
der  getijden,  van  de  uitmonding  der  rivieren,  of  van  beide  te  zamen. 
•  Wat  de  rivieren  betreft,  of  liever  de  waterloozingen  op  de  Lau- 
werszee, zien  wij,  dat  hier  vroeger  de  Dokkummer  Ee,  het  Reit- 
diep en  de  Lauwers  in  uitmondden.  De  beide  eerste  van  deze 
wateren  bezaten  het  grootste  afvoervermogen  uit  zich  zelve,  en  wel 
bovenal  het  Reitdiep  voerde  het  meeste  water  af. 

Vóór  1729  was  het  Dokkummerdiep  beneden  Dokkum  een  open 
water,  waar  de  vloed  van  de  Lauwerszee  binnenliep  tot  Dokkum, 
en  de  eb  met  het  afstroomingswater,  dat  op  de  Ee  loosde,  een 
krachtigen  stroom  naar  de  Lauwerszee  vormde.  Hierdoor  werd  er  in 
de  Lauwerszee  voor  de  uitmonding  een  diepe  geul  gevormd  en  bewaard. 


i)  Kaart   van   het   Friesche  zeegat  .en  een  gedeelte  der  Wadden,  opgenomen 
in  1873  en  1874  door  P.  J.  Buyskes  en  T.  E.  de  Brauw. 


Digitized  by 


Google 


344 

Op  dezelfde  wijze  werkte  het  Reitdiep.  Ook  hier  liq[)  het  vloed- 
water op  tot  Groningen  en  zel&  verder,  en  versterkt  met  het  land- 
water  der  Drentsche  en  Groningsche  riviertjes  stroomde  het  als  een 
krachtige  ebstroom  periodiek  terug.  Deze  beide  wateren,  die  zich  in 
de  Lauwerszee  ontlastten,  bewaarden  ieder  een  geul  vóór  de  uitmon- 
ding, liepen  op  elkander  toe  in  een  N.0.  en  N.W.  richting,  om 
ongeveer  het  midden  elkander  te  ontmoeten,  en  als  één  geul  naar 
het  noorden  te  loopen.  Een  naar  het  noorden  spits  toeloopende  en 
naar  het  zuiden  verbreedende  ondiepte  of  plaat,  de  Blikplaat,  lag 
daartusschen.    (Zie  de  fig.  op  pag.  342). 

Wij  wezen  er  reeds  vroeger  op  (zie  I,  pag.  425),  hoe  bij  de  aan- 
slibbing in  breede  wateren  de  diepste  geulen  daar  bewaard  worden, 
waar  de  stroom  het  snelst  is,  terwijl  de  krachtige  stroomen  de  klei- 
nere verdringen.  Zoo  was  het  ook  hier.  Het  landwater  uit  Friesland 
door  de  £e  afgevoerd  naar  Dokkum  was  betrekkelijk  gering  en  stroomde 
in  droge  tijden  langzaam  of  geheel  niet.  Daarbij  kwam,  dat  het  Reit- 
diep een  veel  omvangrijker,  ruim  3  maal  zoo  groot  bekken  vormde  voor 
het  opnemen  van  vloedwater  als  het  Dokkummer  Grootdiep.  Een 
gevolg  hiervan  was,  dat  de  afstrooming  bij  het  Reitdiep  veel  krach- 
tiger was,  en  dat  nabij  en  in  het  Dokkummer  Grootdiep  door  dien 
zwakken  stroom  aanslibbing  volgde.  Tusschen  de  dijken,  die  bij 
Dokkum  125  M.  en  bij  Engwierum  ongeveer  2000  M.  van  elkander 
lagen,  had  dan  ook  weldra  de  vorming  van  kostbaar  kleiland 
plaats,  waarin  het  Dokkummerdiep  als  een  kronkelende  uitwaterings- 
geul  achterbleef,  i)    Deze  aanslibbing  heette  het   Dokkummer  slijk. 

Reeds  in  1584  werd  het  plan  geopperd,  het  Dokkummerdiep  aan 
den  mond  af  te  sluiten,  2)  waaraan  echter  geen  uitvoering  gegeven 
werd.  Bij  eene  resolutie  van  27  Juni  1638  besloten  de  Staten  om 
>het  slijck  bij  Dokkum  met  den  aanwas"  enz.  tot  indijking  te  ver- 
koopen  3)  en  eene  opmeting  van  het  slijk  geschiedde. 


i)  S.  J.  Vermaes.  De  Lauwerszee  en  hare  geulen  in  verband  met  den  water- 
staat van  Friesland  1879. 

2)  Charterboek  van  Friesland.  Dl.  IV,  pag.  456. 

3)  ,  „    V,      „     445.     . 


Digitized  by 


Google 


345 

Door  een  proces  tusschen  de  Staten  en  de  personen,  die  recht 
op  den  aanwas  meenden  te  hebben,  bleef  de  zaak  hangende.  Bovenal 
door  de  gebrekkige  waterloozing  van  Oost-Dongeradeel  kwamen 
er  van  tijd  tot  tijd  vele  klachten,  waarin  op  verbetering  van  den 
toestand  werd  aangedrongen.  De  stormvloeden  in  den  aanvang 
der  I^^  eeuw,  en  vooral  die  van  het  jaar  1717,  deden  de  behoefte 
aan  a&luiting  van  het  Dokkummer  diep  algemeen  gevoelen,  en 
door  het  kwartier  Oostergoo  werd  aan  de  Staten  het  voorstel  ge* 
daan  f  tot  bedtjking  van  het  land  buitendijks  aan  het  Dokkummer 
diep  en  genoemd  het  Dokkummer  Slyck,"  waarbij  de  groote  voor- 
deelen,  welke  men  daarvan  verwachtte,  werden  uiteengezet.  Bij  on- 
derzoeking van  dit  plan  schijnt  Dokkum,  dat  vreesde  voor  spoedi- 
ger dichtslibbing  van  het  Dokkummer  diep,  zich  tegen  eene  afslui- 
ting verzet  te  hebben,  maar  eindelijk  werd  er  toch  toe  besloten,  en 
in  1729  werd  het  werk  voltooid,  i) 

Door  die  afdamming  van  het  Dokkummer  Grootdiep  werd  het  vloed- 
water reeds  bij  de  afdamming  tot  rust  gebracht,  en  bij  eb  ontstond 
er  geen  stroom  meer  uit  dat  diep,  om  een  geul  open  te  houden. 
Buiten  de  sluis  nam  dan  ook  reeds  spoedig  de  aanslibbing  zoodanig 
toe,  dat  in  1752  de  Engwierummer  polder  werd  ingedijkt.  Ook  de 
buitengeul  van  het  Dokkummer  diep  vernauwde  daarop  en  behield 
afmetingen  evenredig  aan  het  vermogen  van  het  af  te  voeren  land- 
water  van  Friesland  door  de  Nieuwe  zijlen.  Doch  daar  hetstroom- 
vermogen  van  het  Dokkummer  diep  verminderd  was,  drong  de  stroom 
van  het  Reitdiep,  hierdoor  niet  langer  tegengehouden,  meer  naar 
de  Friesche  kust,  en  verlegde  ook  de  geul  in  die  richting. 

Evenwel  werd  later  ook  het  Reitdiep  afgedamd  en  thans  wordt 
het  water  niet  uit  Groningen  meer  naar  de  Lauwerszee  gevoerd. 
Dat  dit  invloed  zal  uitoefenen  op  de  plaats  der  geulen  in  de 
Lauwerszee,  dat  ook  zij  meer  en  meer  zullen  dichtslibben,  is  zeer 
waarschijnlijk.  Welke  de  gevolgen  thans  reeds  zijn,  kunnen  wij  niet 
zeggen  uit  gemis  aan  gegevens. 


i)  Zie  Andrese,  De  ÜAuwerszee  pag.  73. 


Digitized  by 


Google 


346 
C.    Het  Drentsche— Groningsche  Noordzeegebied. 

f  I.   ALGEMEEN  OVERZICHT  DER  ORO-HYDROGRAPHISCHE  GESTELDHEID. 

Wij  hebben  reeds  op  pag.  256  enz.  de  natuurlijke  grens  tusschen 
het  Overijselsche — Drentsche  Zuiderzeegebied  en  het  Drentsche — 
Groningsche  Noordzeegebied  aangewezen.  Deze  grens  loopt  in 
•een  lijn  op  ongeveer  3  K.  M.  afstand  ten  noorden  van  het  Oranje- 
kanaal en  hiermede  evenwijdig.  Ten  Z.  van  Assen  zou  de  natuur- 
lijke waterscheiding  ongeveer  midden  tusschen  deze  plaats  en  het 
Oranje  kanaal  door  naar  het  westen  loopen.  Evenwel  is  door  het 
graven  van  de  Drentsche  hoofdvaart  hier  de  grens  kunstmatig  naar 
het  noorden  verplaatst  tot  Assen,  dat  thans  ligt  op  het  pand  der 
waterscheiding  van  het  Noordwillemskanaal,  dat  naar  het  noorden, 
en  de  Drentsche  hoofdvaart,  die  naar  het  zuiden  afwatert. 

De  hoogte  dezer  lijn  van  waterscheiding  bedraagt  in  het  zuid- 
oosten bij  Nieuw  Dordrecht  23  M.  -f-  A.  P.,  te  Ëmmen  22  M.,  ten 
westen  van  Odoom  19  M.,  in  de  Marke  van  Elp  19  M.,  in  de 
Marke  van  Zwiggelte  en  Hooghalen  15  M.,  te  Smilde  15  M.,  te 
Assen  10  M.  en  ten  westen  van  Assen  10  è.  12  M.  +  A.  P. 

Wanneer  men  van  de  stad  Groningen  een  lijn  over  Winschoten 
trekt,  dan  vormt  deze  ongeveer  de  noordelijke  grens  der  hoogere 
gronden  van  dit  gebied.  Ten  noorden  van  die  lijn  liggen  terreinen, 
<wij  geven  hier  geenszins  nauwkeurig  de  grens  aan  doch  algemeen) 
welke  meest  alle  lager  dan  i  M.  +  A.  P.  zijn,  alleen  de  hooge 
zoom  van  jongbedijkte  landen  langs  de  Wadden  ui^zonderd,  die 
op  enkele  plaatsen  hooger  ligt,  o.  a.  tot  2  M.  +  A.  P.  Ten  zuiden 
van  genoemde  lijn  nu  ligt  een  oneffen  terrein,  waar  zand- en  grint- 
gronden,  op  enkele  plaatsen  nog  met  hooge  venen,  de  overblijfselen 
van  grootere  hooge  venen,  bedekt,  aan  de  oppervlakte  liggen. 
Kleine  stroompjes  vormden  vroeger  de  natuurlijke  waterloozings- 
middelen  van  dit  terrein.  Zij  stroomen  door  breedere  geulen  in 
de  diluviale  zandgronden,  welke'  voor  een  gedeelte  met  moeras- 
veen en  eenige  beekbezinking  zijn  aangevuld,  waarin  de  stroompjes 


Digitized  by 


Google 


347 

liun  zomerbedding  hebben  bewaard,  doch  welke  formaties  in  den 
winter  of  bij  hoogwater  nog  tot  stroombedding  moeten  dienen. 

De  algemeene  terreinhelling  van  dit  zuidelijke  gedeelte  leeren  wij 
tiit  het  volgende  hoogte-cijfers  kennen. 

Ten  westen  van  Assen  in  de  kolonie  Veen  en  Veld  bedraagt  de 
fioogte  ongever  ii  M.  -f  A.  P.  en  in  de  omstreken  van  Oldekerk 
aan  het  Gaspar  Robles  diep  in  Groningen,  op  een  afstand  van  ± 
25  K,  M.  ten  noorden  hiervan,  is  de  hoogte  =  A.  P.,  dat  is  0,44  M. 
verhang  des  bodems  per  K..  M.  Ten  oosten  van  Emmen,  halfweg 
tusschen  deze  plaats  en  de  rijksgrens,  zal  de  hoogte  ±  20  M. 
4-  A.  P.  bedragen,  en  in  een  rechte  lijn  naar  het  noorden  gaande 
komt  men  te  Winschoten,  waar  de  bodem  in  de  omstreken  onge- 
veer =  A.  P.  is.  De  rechte  afstand  zal  ongeveer  40  K.  M.  bedra- 
gen, hetwelk  een  verhang  geeft  van  0,5  M.  per  K.  M.  Als  abso- 
luut juist  mag  men  deze  cijfers  niet  beschouwen,  daar  de  terreinen 
golvend  zijn  en  de  opgaven  slechts  voor  enkele  bepaalde  punten 
de  hoogte  aanwijzen,  die  zeker  meer  of  minder  verschillen  met  de 
daarnaast  gelegene.  Wij  bemerken  echter  uit  die  cijfers  eene  vrij 
regelmatige  daling  tot  genoemde  lijn  Groningen — ^Winschoten  naar 
Tiet  noorden. 

Beschouwen  wij  thans  het  land  ten  noorden  van  genoemde  lijn. 
Eene  lijn  van  Groningen  naar  het  westen  getrokken  kan  men,  zonder 
groote  onnauwkeurigheden  te  begaan^  beschouwen  als  te  liggen 
=  A.  P.  Gaan  wij  nu  van  Groningen  recht  naar  het  noorden,  dan 
Icomen  wij  aan  de  kust  in  den  Noordpolder,  waarvoor  op  de 
waterstaatskaart  het  hoogste  terrein  is  aangegeven  als  2,25  M. 
4-  A.  P.  In  deze  aangeslibde  gronden  verschilt  de  hoogte  der 
terreinen  wel  een  weinig,  doch  niet  veel.  Hoogten  van  2  M.  +  A.  P., 
-enkele  een  weinig  daar  beneden  of  daar  boven,  vinden  wij  in  de 
jongst  bedijkte  landen  langs  de  kust  veel.  Wil  men  deze  hoogte  nu  als 
gemiddelde  nemen,  dan  vindt  men  bij  Groningen  op  een  afstand 
van  ±  22  K.  M.  een  zachte  rijzing  der  bodems  naar  het  noorden 
van  2  M.,  d.  i.  ongeveer  0,09  M.  per  K.  M.  Wij  zien  dus,  dat 
te  Groningen  en  ten  westen  van  deze  stad  twee  verschillend  hel- 
lende vlakken  samenkomen,  waarvan  het  zuidelijkste,  dat  het  sterkst 


Digitized  by 


Google 


34» 

helt,  naar  het  noorden  afdaalt  en  het  noordelijke  naar  het  zuide» 
afloopt. 

Ten  oosten  van  Groningen  loopt  de  lijn  =  A.  P.  ongeveer  in- 
rechte  lijn  naar  Winschoten.  Ten  noorden  van  die  lijn,  ongeveer 
tot  de  lijn  Groningen — Delfzijl,  ligt  een  driehoekig  gebied  dat 
lager  is,  en  als  met  een  spits  in  het  land  doordringt.  De  water- 
staatskaart  geeft  hier  als  hoogte  aan  i  M.  —  A.  P.  op  zijn 
laagst,  doch  meest  tusschen  i  M.  —  A.  P.  en  =  A.  P.  Alleen 
langs  de  kust  vindt  men  ook  hier  voor  een  smalle  strook  een  hoogte 
boven  A.  P.,  meestal  0,50  M.  -r  A.  P.,  en  ten  oosten  van  Termun- 
terzijl  0,70  k  0,80  M.  +  A.  P.  Men  bemerkt  hier  aldus  eene- 
merkwaardige  kom  van  =  A.  P.  tot  i  M.  —  A.  P,,  ongeveer  in- 
gesloten door  de  rechte  lijnen  die  Groningen,  Winschoten,  Ter- 
munterzijl  en  Delfieijl  verbinden.  Langs  de  Ëems  sluit  een  smalle 
rand,  die  ^  0,75  M.  hooger  ligt,  deze  kom  af.  Evenwel  is  die  af- 
sluiting van  jongeren  datum  en  bestaat  uit  de  jongst  ingepolderde 
landen,  zoodat  zij  vroeger  niet  bestond. 

Ten  oosten  van  de  lijn  Winschoten — Termunterzijl  geeft  de  al- 
gemeene  hoogtekaart  naar  die  van  Staring  ten  onrechte  terreinen 
aan  beneden  A.  P.  gelegen.  De  lijn  van  Winschoten  recht  naar 
het  oosten  ligt  ongeveer  —  A.  P.  De  terreinen  van  de  polders^ 
onmiddellijk  ten  zuiden  van  den  DoUart  liggen  meestal  1,5  M.  + 
A.  P.  (Reiderwolder  polder);  op  enkele  plaatsen  1,9  M.  +  A,  P. 
Op  een  afstand  van  ±  10  K.  M.  vindt  men  hier  dus  eene  rijzing^ 
van  1,5  M.,  d.  i.  0,15  M.  per  K.  M.  Ten  oosten  van  Winschoten 
komt  het  terrein  aldus  met  dat  bij  Groningen  overeen.  Bij  Win- 
schoten evenals  bij  Groningen  (de  stad  zelf  is  voor  een  gedeelte  op 
den  Hondsrug  gebouwd,)  bestaan  dus  natuurlijke  kommen  in  het  land. 

De  lijn  Groningen — Delfzijl  ligt  ongeveer  =  A.  P.  Van  hier 
vormt  de  bodem  een  langzaam  naar  het  noordwesten  oprijzend 
hellend  vlak.  De  polders  langs  de  zee  hebben  eene  hoogte  van 
meest  2  M.  (de  Noordpolder),  in  het  noordoosten  van  den  in* 
1840  ingedijkten  Oostpolder  zelfs  van  2,3  M.  +  A.  P.  In  zachte 
overgangen  is  de  rijzing  van  den  bodem  in  die  richting  waar  te 
nemen.    De  jongst  bedijkte   landen   liggen   steeds  hooger  dan  de 


Digitized  by 


Google 


349 

inroeger  bedijkte.  Wordt  het  gedeelte  beneden  A.  P.  ten  zuiden 
van  de  lijn  Groningen— Delfzijl  slechts  door  een  smallen  rand  van 
liet  buitenwater  gescheiden,  in  het  noordelijk  gedeelte  van  Groningen 
langs  de  Wadden  vindt  men  eene  algemeene  rijzing  desterreins.  i) 

Door  de  bovengestelde  algemeene  orographische  gesteldheid  wordt 
ons  de  hydrographie  van  het  thans  te  bespreken  gebied  verklaard. 
Het  zuidelijk  gedeelte  van  het  Drentsche — Groningsche  Noordzee- 
gebied vindt  zijn  natuurlijke  afwatering  naar  het  noorden  en  wel 
naar  het  noordwesten  op  het  Reitdiep  en  de  Lauwerszee,  naar  het 
noordoosten  op  de  Ëems. 

Dit  blijkt  ook  uit  de  verschillende  stroompjes,  als  de  Ruiten-Aa 
en  Mussel-Aa  die  naar  het  N.  O.,  de  Hunze,  de  Drentsche  Aa,  het 
Eelderdiep  en  het  Peizerdiep,  welke  voor  eene  eeuw  hoofdzakelijk 
het  water  afvoerden  naar  het  N.  W.  Hoe  thans  die  waterloozing 
-door  kunst  veranderd  is,  zien  wij  bij  de  bijzondere  beschrijving. 

In  het  noordelijk  gedeelte  werd  door  de  rijzing  des  lands  de 
richting  der  wateren  gewijzigd.  De  WesUrwoldsche  Aa,  die  uit 
<le  vereeniging  van  Ruiten  Aa  en  Mussel  Aa  ontstond,  boog  zich 
voor  den  hooger  wordenden  bodem  ten  noorden  van  Winschoten 
oostwaarts  om,  en  bereikte  op  de  Nederlandsche  grens  den  Dollart. 
Het  vroegere  Reitdiep^  dat  de  afloozing  van  de  bij  Groningen  samen- 
komende Drentsche  wateren  vormde,  volgde  eerst  eene  noordelijke 
richting,  doch  boog  zich  voor  de  noordelijk  hooger  wordende  gronden 
om  naar  het  westen,  en  bereikte  aldus  de  Lauwerszee.  Reitdiep  en 
Westerwoldsche  Aa  vormen  analogieën.  £n  langs  de  Waddenkust  van 
Oroningen  vindt  men  nergens  eenige  uitwatering,  wat  ook  in  strijd  zou 
zijn  met  de  eenvoudigste  waterloopkundige  wet.  Een  eigenaardigen 
indruk  maakt  eene  kanalenkaart  van  Groningen,  wanneer  wij  daar 
uit  het  noorden  van  deze  provincie  vele  kanalen  op  korten  afetand 
van  zee  zien  aanvangen  en  in  de  richting  van  Groningen  con- 
vergeeren.  In  geen  enkele  andere  provincie  is  de  hoofdstad  zoo 
zeer  het  hydrographisch  en  economisch  centrum  des  lands  als  hier. 

i)  Zie  hierover  G.  A.  Venema,  Over  het  dalen  van  de  noordelijke  kuststre- 
ken van  ons  land,  1854  pag.  14  enz. 


Digitized  by 


Google 


350 

Te  midden  van  deze  algemeene  helling  der  terreinen  vindt  mei> 
nog  meer  of  minder  op  zich  zelfstaande  hooge  ruggen.  De  aan- 
zienlijkste van  deze  is  wel  de  Hondsrug^  die  door  Drente  langs- 
Ëmmen,  Borger,  Zuidlaren,  Noordlaren  en  Haren  in  N.  W.  richting 
naar  Groningen  loopt.  De  Hondsrug  is  de  hooge  oostelijke  rand 
van  het  Drentsche  plateau,  die  in  het  noorden  vooral  als  een  heu- 
velrug uitkomt,  omdat  hij  daar  tusschen  lagere  gronden  tot  Gro- 
ningen vooruitsteekt.  Tusschen  Haren  en  Groningen  bijv.  is  de 
Hondsrug  ±  6  M.  +  A.  P.  hoog,  terwijl  van  beide  zijden  aanbel 
Hoomsche  diep  en  Schuitendiep  de  landen  beneden  i  M.  +  A.  P, 
hoog  zijn.  Hier  is  het  verschil  betrekkelijk  in  't  oog  vallend.  In 
het  zuiden  bij  Emmen  valt  die  rug  veel  minder  op  te  merken  ea 
langs  de  Hunze  valt  bovenal  zijn  oostrand  in  't  oog.  Dikwijls 
maakt  men  zich  eene  onjuiste  voorstelling  van  den  Hondsrug^ 
zooals  hieruit  blijkt. 

In  het  noordwesten  van  Drente  en  het  zuidwesten  van  Groningen 
vindt  men  tusschen  de  riviertjes  lage  zandruggen,  die  met  zachte 
helling  uit  de  rivierdalen  oploopen  en  de  waterscheiding  vormen^ 
Tusschen  het  Eelderdiep  en  het  Peizerdiep  en  tusschen  het  Peizer- 
diep  en  de  Leek,  (een  watertje  op  de  grens  van  Groningen- 
en  Drente)  vindt  men  dergelijke  ruggen,  de  laatste  bij  Roden* 
3  ^  4  M.  +  A.  P.  hoog.  Tusschen  de  Leek  en  het  Ouddiepje  ei> 
Wolddiepje  ligt  een  lage  rug  als  waterscheiding,  welke  in  Z.  W. 
richting  zich  uitstrekt.  De  dorpen  Midwolde,  Tolbert,  Niebert, 
Nuis  en  Marum  liggen  op  de  hoogste  punten  van  dien  rug,  die 
ongeveer  3  è.  5  M.  +  A.  P.  hoog  zal  zijn,  terwijl  langs  het  Wold- 
diepje de  hoogte  van  =  A.  P.  tot  i  M.  4-  A.  P.  loopt. 

Ten  noorden  van  Noordhorn  komt  een  zandrug  van  op  zijn 
hoogst  4  è.  5  M.  +  A.  P.  met  zachte  glooiing  uit  de  klei  te  voor- 
schijn,  welke  rug  alhier  ongeveer  3  ^  4  M.  boven  het  omringende 
land  ligt.  Deze  rug  loopt  zuidwaarts  tot  ten  zuiden  van  Zuidhom, 
waar  hij  zich  weder  onder  de  klei  verliest,  i)  De  dorpen  Noordhom* 


i)   Westerhoff  en  Acker  Stratingh.  Natuurlijke  historie  der  Prov.  Groningeik 
1839,  I  pag-  280. 


Digitized  by 


Google 


351 

en  Zuidhorn,  die  op  den  noordelijken  en  zuidelijken  horn  of  hoek 
van  dezen  gaastgrond  gelegen  zijn,  zouden  naar  die  ligging  den 
naam  ontvangen  hebben,  i) 

Het  Hoogezand  is  zeer  waarschijnlijk  voor  een  zandrug  te  hou- 
den, die  zich  oudtijds  uit  het  veen  verhief.  Van  dien  aard  is  ook 
de  lange  maar  smalle  zandstreek  in  Fivelingoo,  die  in  eene  N.  O. 
richting  de  dorpen  Kolham,  Slochteren,  Schildwolde,  Helium  en 
Wagenborgen  draagt,  en  hier  gewoonlijk  de  Woudstreek  wordt 
geheecen.  Zoo  vindt  men  aan  de  noordzijde  van  Kolham  eenige 
kleinere  zandheuvels,  gelijk  duinen  ongeveer  2  M.  boven  het  om- 
ringend terrein  zich  verheffend,  eene  hoogte  ten  Z.  O.  van  Schild- 
wolde,  die  =t:  3  M.  boven  het  land  ligt,  een  zandbank,  van  oost 
naar  west  loopend  ten  zuiden  van  Helium,  en  een  hoogte,  de  Gaast 
genoemd,  in  Wagenborgen.  Deze  Woudstreek .  onderscheidt  zich 
daardoor  van  die  in  het  Westerkwartier,  dat  het  zand  hier  minder 
grof  is  en  geen  keien  bevat  zooals  daar.  2) 

Het  dorp  Noordbroek  is  op  een  zandhoogte  gebouwd,  die  onge- 
veer I  k  2  M.  boven  het  omringende  land  ligt.  Ten  N.  O.  van 
Zuidbroek  rijst  de  bodem  en  daalt  vervolgens  plotseling  tot  den 
lagen  kleigrond. 

Een  groot  gedeelte  der  provincie  Groningen  ligt  niet  in  polders 
doch  vormt  boezemland.  Het  noordelijk  deel  van  Hunsingoo  (oy^  è. 
2  M.  +  A.  P.)  ten  N.  van  Onderdendam,  Middelstum,  ten  Boer 
en  het  Damsterdiep  is  boezemland.  In  het  Westerkwartier  is  het 
land  ten  N.  der  lijn  Grijpskerk — Aduard  tot  de  dijken  van  het 
oude  Reitdiep  eveneens  boezemland;  ten  Z.  dier  lijn  vindt  men 
aaneengeschakelde  molenpolders,  die  zich  tot  Haren  en  ongeveer  op 
de  Drentsche  grens  uitstrekken.  In  het  Z.  O.  van  Westerwolde 
komen  geen  polders  voor  dan  de  2200  H.  A.,  die  met  molens  op 
de  Westerwoldsche  Aa  afwateren.  De  dalgronden  der  veenderijen 
van  Oude  en  Nieuwe  Pekela,  Wildervank,  Veendam,  Muntendam,. 
Hoogezand  en  Sappemeer  bestaan  bijna  geheel  uit  polders. 


1)  Westendorp.  Leerrede  pag.  82. 

2)  Westerhoff  en  Acker  Stratingh.  Nat.  Kist.  v.  Gr.  I  pag.  283. 


Digitized  by 


Google 


352 

Evenwel,  de  Groningsche  polders  verschillen  veel  van  die  in 
Holland  en  Friesland.  De  bedijkingen  langs  de  Wadden,  den  Dollart 
-en  het  Reitdiep  komen  ongeveer  met  de  bedijkingen  elders  overeen, 
doch  de  overige  polders  zijn  dikwijls  niet  omkaad,  daar  het  water 
in  de  slooten  en  boezems  meest  altijd  beneden  het  terrein  blijft.  Enkel 
<loor  dammen  in  de  slooten  worden  de  wateren  van  elkander  ge- 
scheiden. Toch  worden  de  meeste  landen  bemalen;  het  water  der 
slooten  in  het  land  wordt  door  bemaling  op  den  boezem  gebracht. 
Daarom  heeten  ze  molenpolders.  Bij  enkele  hooggelegen  landen 
loost  het  water  op  natuurlijke  wijze. 

§  2.   De  rivieren,  kanalen  en  boezems  in  verband  met  de 
afwatering. 

I.    Terreinen  van  afwatering  over  Pruisisch  gebied. 

Gaan  wij  thans  de  afwatering  des  lands  na  en  de  middelen  welke 
•daartoe  dienen.    Wij  vangen  hiermede  in  het  oosten  aan. 

In  het  oosten  van  Drente  ligt  in  het  oosten  van  Barger  CompascuQm  (compas- 
cuüm^  gemeenschappelijke  weide)  op  Nederlandsch  gebied  een  terrein,  dat  ± 
20  M.  +  A.  P.  hoog  is.  Langzaam  daalt  hier  de  bodem  naar  de  Pruisische 
grens  en  in  die  richting  heeft  ook  de  waterontlasting  plaats.  Van  eene  op> 
pervlakte  van  400  H.A.  stroomt  het  overtollige  water  af  op  de  Meersbeek  of 
Meerslooty  een  stroompje  dat  hier  aanvangt,  en  in  N.O.  richting  over  Pruisisch 
grondgebied  naar  de  Eems  loopt,  waarin  het  zich  beneden  Haren  ontlast.  Door 
grondduikers  gaat  de  Meersbeek  onder  het  Zuid-Noordkanaal  en  onder  het 
kanaal  van  Haren  naar  Rtttenbroek  door.  Op  twee  plaatsen  wordt  zij  tot  het 
drijven  van  watermolens  opgestuwd. 

Ten  noorden  van  bovengenoemd  gebied  ligt  op  de  grens  van  Drente, 
Groningen  en  Pruisen  een  terrein  van  13  k  14  M.  +  A.  P.  hoog,  dat  op 
de  Oude  Sloot  afwatert.  De  Oude  sloot  stroomt  in  noordelijke  richting 
eerst  over  Pruisisch  gebied,  doch  loopt,  na  het  snijden  van  het  Raten- 
broeker  kanaal,  de  rijksgrens  over  en  richt  zich  naar  de  Ruiten  Aa  in  de 
Provincie  Groningen..  Het  water  van  de  Oude  Sloot  wordt  met  een  grond- 
duiker  onder  het  kanaal  Haren— Ratenbroek  door  geleid,  hoewel  de  water- 
stand bij  dén  grondduiker  in  den  regel  hooger  is  dan  die  van  bet  kanaal. 
Het    wordt    vervolgens   voor    een    deel    door   den  Rijksduiker  in  den    Leidijk 


Digitized  by 


Google 


353 

bij  het  Ossenschot  naar  de  Ruiten-Aa  afgevoerd,  voor  een  ander  deel  stroomt 
het  van  de  Hanetange  af  noordwaarts,  en  wordt  dan  door  de  waterleiding  langs 
de  grens  naar  de  Bakovenpomp  en  verder  naar  de  Eems  gevoerd.  In  den  zomer 
heeft  de  afvoer  grootendeels  plaats  naar  de  Ruiten- Aa.  Bovendien  kan  bij  hoogen 
stand  het  water  van  de  Oude  Sloot  ook  op  het  eerste  pand  van  het  kanaal 
Rütenbroek-Haren  worden  afgevoerd,  door  het  wegnemen  van  schotbalken  uit 
de  overlaten  in  de  kanaaldijken  boven  den  grondduiker.  Ongeveer  2650  H.A. 
lands  wateren  in  Nederland  hierop  af.  De  afwatering  is  geregeld  bij  grenstractaat 
van  1824  tusschen  Nederland  en  Hannover. 

Door  het  bovengenoemde  afwateringsgebied  van  de  Oude  Sloot  wordt  nog  een 
terrein  ingesloten,  dat  afwatert  op  het  bovenpand  van  het  kanaal  Rütendroek'Haren. 
In  Nederland  behooren  hiertoe  685  H.A.  met  eene  hoogte  van  13  &  14  M.  -)- 
A.  P.  Aan  den  mond  is  dit  kanaal  op  Nederlandsch  gebied  door  een  keer-  en 
-schutsluis  verbonden  met  het  kanaal  van  Ter-Apel,  Dat  pand  ligt  gemeen  met 
het  Noord-Zuidkanaal  in  Pruisen  en  heeft  een  peil  van  11,40  M.  -f  A.  P.  De 
keer-  en  schutsluis  aan  den  mond  is  geregeld  gesloten.  In  dit  pand  ligt  op 
Pruisisch  gebied  nog  een  keersluis,  die  naar  beide  zijden  het  water  kankeeren, 
doch  gewoonlijk  open  staat.  Deze  sluis  kan  dienen  om  den  afvoer  van  water 
uit  de  Pruisische  kanalen  naar  het  Stadskanaal  te  beletten,  en  het  hoogere  water 
van  het  laatste  zoo  noodig  te  keeren.  Het  overtollige  water  van  het  pand  wordt 
^oor  de  deuren  van  sluis  I  naar  het  2<i«  pand  van  het  kanaal  Rütenbroek- 
Haren,  en  verder  naar  de  Eems  afgevoerd. 

Ten  noorden  van  boven  beschreven  gebied  ligt  een  smalle  terreinstrook  in 
Nederland  langs  de  grens  tot  Boertange,  die  afwatert  op  het  Modder mafudiep 
of  de  Nieuwe  Ruiten-Aa  boven  de  Bakovenpomp  bij  Boertange«  Het  gebied 
dat  hierop  uitwatert  is  ongeveer  5995  H.A.  groot,  doch  in  de  venen  kan  niet 
juist  de  grens  bepaald  worden.  De  hoogte  des  terreins  is  12  M.  -f-  A.  P.  in 
het  zuiden,  en  6  M.  -f  A.  P.  in  het  noorden.  Het  water  wordt  door  de  Bak- 
ovenpomp, een  open  steenen  duiker,  afgevoerd  op  de  Rille^  en  verder  op  het 
Oude  diep  en  de  Danefluss  in  Pruisen,  waarna  het  door  de  Danesiel  te  Rhede 
op  de  Eems  wordt  geloosd.  De  Bakovenpomp  kan  des  zomers  door  een  schuif 
worden  afgesloten,  om  water  in  de  slooten  te  behouden. 

De  boven  beschreven  terreinen  vormen  dus  een  smalle^ grensstrook,  meest  uit 
hooge  venen  bestaande,  die  grootendeels  of  geheel  over  Pruisisch  gebied  en  wel 
op  de  Eems  afwatert. 


n.  «3 


Digitized  by 


Google 


354 


2.     Het  StadskanaaL 


Naar  het  westen  voortgaande  komen  wij  eerst  aan  het  afwate- 
ringsgebied op  het  StadskanaaL  Vóór  dat  wij  dit  afwateringsgebied 
beschrijven,  zullen  wij  het  kanaal  zelf  behandelen. 

Het  Stadskanaal  vormt  thans  de  verbinding  van  het  Oosterdiep 
te  Wildervank  met  de  Emmervenen  en  met  het  Kanaal  Rüten- 
broek-Haren.  (Zie  pag.  353.)  De  stadsregeering  van  Groningen 
(hiernaar  den  naam  ^/^^jkanaal)  besloot  in  1765  om  een  kanaal 
te  laten  graven,  te  beginnen  omstreeks  het  verlaat  (sluis)  van  de 
Boven-Wildervank  in  de  nabijheid  van  Bareveld  en  over  de  grenzen 
van  Drente  naar  het  Z.0.  Het  doel  hiermede  was,  om  de  venen 
onder  Wildervank  en  Pekela  tot  afgraving  en  ontginning  geschikt 
te  maken ;  misschien  ook  wel  om  de  ontvening  der  aangrenzende 
Drentsche  venen  van  Gieten,  Bonnen  en  Gasselte  te  bevorderen,  en 
de  daaruit  ontstaande  scheepvaart  door  de  stad  Groningen  te  leiden. 
Of  het  plan  ook  ten  doel  had  den  handel  van  Groningen  (de  stad) 
over  Ter-Apel  met  Munsterland  te  bevorderen,  wordt  betwijfeld, 
doch  is  niet  onmogelijk.  De  aanleg  van  het  kanaal  begon  in  1766 
of  67,  doch  werd  in  1800  gestaakt.  In  1818  ving  men  er  echter 
weder  mede  aan,  ten  gevolge  van  een  convenant  van  den  i7denMei 
18 17,  aangegaan  tusschen  de  stad  Groningen  en  eenige  Drentsche 
marken  van  het  Oostermoer  en  Zuidenveld,  behoorende  tot  Eekst, 
Gieten,  Bonnen,  Gasselter  Boerveen,  Gasselter  Nijeveen,  Drouwen, 
Buinen,  Ëksloo  en  Vake.  Deze  marken  hadden  hier  uitgestrekte 
venen  liggen,  en  zij  zochten  deze  af  te  graven.  Sedert  werd  nu  het 
graven  van  dit  kanaal,  hoewel  met  een  eenigszins  gewijzigd  plan, 
langzaam  voortgezet.  In  1858  was  het  kanaal  gereed  tot  den  weg 
van  Ter-Apel  naar  Roswinkel.  Bij  Koninklijk  Besluit  van  30  Mei 
1876  werd  aan  de  gemeente  Groningen  concessie  verleend  voor  de 
verlenging  van  het  Stadskanaal  tot  de  noordoostelijke  grens  van 
het  Emmer  Compascuüm.  Van  1877  tot  1880  werd  dit  werk  uit- 
gevoerd. 

De  verbinding  van  het  Stadskanaal  bij  Ter-Apel  met  het  Noord- 
Zuidkanaal  bij   Rütenbroek  en  met  het  op  Pruisisch  gebied  aange- 


Digitized  by 


Google 


355 

legd  kanaal  van  daar  naar  Haren,  waartoe  in  de  overeenkomst  met 
Pruisen  van  12  Oct.  1876  is  besloten,  en  waarvoor  de  gemeente 
Groningen  concessie  is  verleend  bij  Koninkl.  Besl.  van  25  Maart 
1880,  is  in  1881  tot  stand  gekomen. 

De  voortzetting  van  het  Stadskanaal  in  zuidelijke  richting  ge- 
schiedt door  de  naamlooze  vennootschap  Emmer  Compascuüm. 

Het  gedeelte  van  het  kanaal  tusschen  het  4^^  en  6de  verlaat 
(=  sluis)  is  bekend  onder  den  naam  S^ads  Musselkanaal^  van  het 
6de  verlaat  tot  Ter  Apel  noemt  men  het  Stads  Ter-Apel-kanaal 
en  daarboven  spreekt  men  van  Stads  Compascuüm  kanaal. 

Het  Stadskanaal  met  de  kunstwerken  en  de  valschutten  bij  Ter- 
Apel  is  eigendom  van  en  in  beheer  bij  de  gemeente  Groningen. 

De  lengte  van  het  Stadskanaal  bedraagt  34  K.M.  Door  8  schut- 
sluizen is  het  in  9  panden  verdeeld. 


PANDEN. 


CS 
o* 

1-2 


6  B 


.2gS 


5  2^ 


i«te  pand  van  het  Boven- Wildervank- 

ster  verlaat  tot  het  i'te  verlaat 

2de  pand.  !««  verlaat  tot  2de verlaat. 


5de 

6de 

yde 
8«e 
gde 


2de 
3de 
^.de 
5de 
6de 
yde 


boven 


^de 
^de 
5de 
6de 
7de 
8»te 
8ste 


4187 
2687 
3673 
3277 
3078 

3997 
6185 

1358 
4942 


3,02 

3,72 

4,76 

6,04 

7,52 

8,89 

10,29 

11,40 

12,50 


7 

1,60 

8 

1,50 

8 

i»55 

7 

1,50 

7 

1,50 

7 

1,50 

7 

2,10 

9 

1,80 

9 

1,80 

12,50 

i4,co 
14,00 
11,50 
11,50 
ii>5o 
11,50 
13^00 
13,00 


De  voeding  van  het  kanaal  geschiedt  zooveel  mogelijk  door  water 
uit  de  venen.  Het  7de  pand  ontvangt  het  water  uit  de  Ruiten  Aa 
of  Runde^  en  het  6d«  pand  van  de  Musset  Aa  of  het  Valterdiep^ 
welke  beide  stroomen  bij  den  aanleg  door  het  kanaal  gesneden  wer- 
den, doch  wier  bovengedeelten  thans  daarin  uitloopen,  daar  zij 
beneden  de  snijpunten  zijn  afgesloten. 

De   afvoer  van  overtollig  water  langs  eenige  kanalen  in  Gronin- 


Digitized  by 


Google 


3S6 

gen  is  geregeld  door  eene  verordening,  vastgesteld  bij  Besluit  der 
Provinciale  Staten  van  12  Juli  1883  No.  6,  goedgekeurd  bij  Kon. 
Besl.  van  7  Oct.  1883  No.  17,  welke  verordening  is  gewijzigd 
bij  Besl.  van  11  Nov.  1886,  goedgekeurd  bij  K.  Besl.  van  21  Jan. 
1887  No.  10.  Hierbij  wordt  o.  a.  bepaald,  dat  tusschen  den  31  sten 
Oct.  en  den  isten  April  op  elk  pand  van  Stadskanaal  het  water 
door  regelmatige  afstrooming  met  de  verlaten  en  de  valschutten  bij 
Ter-Apel  op  peil  zal  worden  gehouden.  Het  toezicht  op  de  afstroo- 
ming wordt  uitgeoefend  door  opzichters,  die  door  Gedep.  Staten  worden 
benoemd,  en  wier  instructie  bij  besluit  dier  Staten  is  vastgesteld. 

Het  overtollige  water  wordt  afgevoerd  door  te  stroomen  met  de 
schutsluizen  en  met  de  valschutten  bij  Ter-Ai)el,  waartoe  bij  de 
schutsluizen  in  elke  deur  2  schuiven  van  i  M.  wijdte  zijn  aange- 
bracht. Met  het  5de  verlaat  mag  eerst  ges.troomd  worden  als  de 
afvoer  door  den  overlaat  naar  de  Mussel  Aa  niet  voldoende  is  om 
de  stijging  van  het  water  in  het  6de  pand  te  beletten-  Met  het 
6de  verlaat  mag  eveneens  slechts  gestroomd  worden  als  het  water 
op  het  7de  pand  stijgende  blijft,  niettegenstaande  het  valschut  bij 
Ter-Apel  met  vol  vermogen  afvoert, 

3.    De  voeding  en  loozing  van  het  Stadskanaal  en  zijn 
voedingsgebied. 

Werpen  wij  thans  een  blik  op  de  voeding  van  het  Stadskanaal  en  vangen 
wij  daartoe  met  het  bovenpand  aan. 

Her  9^  pand  van  het  Stadskanaal  ontvangt  thans. het  afstroomingswater  van 
eene  oppervlakte  van  1185  H.A.  land  in  het  Munstersche  Veld  en  Emmer  Com- 
pascutlm^  welke  14  &  15  M.  -f  A.  P.  hoog  ligt,  en  met  eene  laag  hoogveen  op  zijn 
hoogst  35  cM.  dik  bedekt  is.  Het  overtollige  water  wordt  van  het  9de  pand 
afgevoerd  door  schuiven  in  de  deuren  op  het  8st«  pand. 

Het  %f**  pand  is  niet  lang  (zie  de  tabel  pag.  355)  en  heeft  geen  gebied  van 
beteekenis  dat  er  op  afwatert.  Het  overtollige  water  ||oert  dit  pand  af  op  pand  7, 
terwijl  er  door  de  sluisjes  in  elk  der  kanaaldijken  eenig  water  op  de  Nietate 
Molen  Aa  in  het  westen,  en  de  Molen  Aa  in  het  oosten  geloosd  kan  worden. 
Een  damsluis  in  dit  pand  moet  dienen  om  het  overstroomingswater  uit  Pruisen 
te  weren. 

Het    ld*  kanaalpand  ontvangt  het  afstroomingswatef  van    10855    H.A.   land 


Digitized  by 


Google 


357 

in  de  Weerdinger-,  Roswinkeler-  en  Erfseheiden  venen  gelegen.  De  hoogte  dier 
terreinen  is  van  ii  tot  15  M.  -f-  A.  P.  en  zij  zijn  met  eene  yeenlaag  van  23 
d.M.  dikte  op  vele  plaatsen  bedekt.  Uit  dit  gebied  voert  d*  Runde  of  het 
RundUp,  een  stroomend  watertje  dat  vroeger  zijn  oorsprong  nam  uit  het  Zwarte 
Meer,  doch  thans  ten  noorden  van  de  verlengde  Hoogeveensche  vaart  beging 
het  water  af!  Vroeger,  vóór  de  verlenging  van  het  Stadskanaal,  zette  de  Rnnde 
zich  voort  als  Molen  Aa  en  als  Ruiien  Aa  langs  Ter-Apel,  om  zich  destijds 
bij  Wedde  met  de  Mossel  Aa  te  vereenigen  tot  de  Westerwoldsche  Aa.  Na 
1877  ^  ^^^  beneden  gedeelte  van  de  Rnnde  door  de  Nieuwe  Molen  Aa^  een 
gegraven  afleidingssloot,  in  het  7de  pand  van  het  Stadskanaal  geleid.  De  Runde 
alleen  bezit  een  afwateringsgebied  van  9170  H.A. 

Het  overtollige  water  van  het  7de  pand  wordt  afgevoerd  naar  de  Ruiten  Aa 
door  een  ontlastsluis  met  4  openingen,  gelegen  in  de  Ruiten  Aa  beneden  de 
snijding  met  dit  kanaal.  Is  deze  afvoer  niet  voldoende,  dan  wordt  het  water  op 
het  6de  pand  gevoerd  door  de  schuiven  in  de  sluisdeuren. 

Het  *esde  pand  van  het  Stadskanaal  ontvangt  het  water  uit  het  Valterdiep,  in 
den  bovenloop  Mussel  Aa  geheeten.  Wordt  hierdoor  te  veel  water  op  het  kanaal 
aangevoerd,  dan  loopt  het  over  een  overlaat  in  den  noordelijken  kanaaldijk, 
waarvan  de  bovenkant  8,57  M.  -(-  A.  P.  ligt,  naar  het  gedeelte  van  de  Mussel  Aa 
beneden  de  snijding  met  het  kanaal.  Is  de  afvoer  van  den  overlaat  niet  vol- 
doende om  dit  pand  op  het  gewenschte  peil  te  houden,  dan  wordt  het  water 
door  het  verlaat  ook  op  het  5de  pand  van  het  kanaal  gevoerd.  De  bovenkant 
der  tusschenliggende  sluisdeuren,  waarover  gestroomd  wordt,  ligt  8,92  M.  -(- 
A.  P.  Het  hierop  loozende  afvoergebied  is  groot  8155  H.  A. 

De  Mussel  Aa  ontstaat  in  het  Weerdingerveen  in  Drente.  Aanvankel^k  stroomt 
dit  water  onder  den  naam  Mussel  Aa  en  vervolgens  onder  dien  van  Valterdiep 
noordwaarts  door  het  Valterveen.  Vroeger  werd  zij  door  het  Stadskanaal  door- 
sneden, doch  thans  mondt  het  bovengedeelte  in  dit  kanaal  uit.  Alleen  bij  te 
hoogen  waterstand  op  het  kanaalpand  bestaat  de  afvoerverbinding  van  het  zui- 
delijke gedeelte  nog  met  het  noordelijke,  zooals  wij  boven  zagen. 

Het  vijfde  pand  van  het  Stadskanaal  heeft  een  afvoergebied  van  2010  H.A. , 
welk  water  het  op  het  4de  pand  afvoert.  Die  terreinen,  aan  beide  zijden  van 
het  kanaal  gelegen,  hebben  eene  hoogte  van  8  4  9  M.  -|-  A.  P.  —  Het  vierde 
pand  heeft  watertoevoer  van  1385  H.A.  lands,  dat  7  &  8  M.  -(-  A.  P.  ligt.  Dit 
pand  voert  het  overtollige  water  op  het  lager  liggende  3de  pand.  —  Het  derde 
pand  heeft  een  afvoergebied  van  3480  H.A.  lands  aan  beide  zijden  van  het  ka- 
naal, welk  land  6  &  7  M.  -}-  A.  P.  hoog  ligt.  Het  overtollige  water  wordt 
afgevoerd  op  het  tweede  pand.  —  Het  tweede  pand  wordt  gevoed  door  het 
afstroomingswater  van  1695  ^-A*  lands,  aan  beide  zijden  van  het  kanaal  gelegen 
(ineest  ten    westen).    De   terreinen  van  het  gebied  liggen  4  &  5  M.  -}-  ^   p 


Digitized  by 


Google 


35» 

Het  water  wordt  afgevoerd  op  het  eerste  pand.  —  Het  eerste  pand  van  het 
Stadskanaal  ligt  gemeen  met  het  bovenpand  van  het  Annerveensch  kanaal,  dat 
er  gedeeltelijk  evenwijdig  mede  loopt.  Het  ontvangt  afstroomingswater  van 
II 15  H.A.  lands.  Dit  pand  loost  het  overtollige  water  door  het  Boven  Wilder^ 
wanksier  verlaat  op  het  Oosterdiepy  dat  langs  Wildervank  en  Veendam  loopt. 
Het  Stadskanaal  ontvangt  het  grootste^ gedeelte  van  het  water  nit  de  Drent- 
sche  venen  ten  oosten  van  den  Hondsnig.  Die  landen  zijn  met  tal  van  elkander 
regelmatig  kruisende  wijken  en  slooten  doorsneden,  welke  het  water  op  het  kanaal 
afvoeren.  Deze  wijken  zijn  gegraven  om  den  afvoer  van  turf  te  vergemakkelijken. 
De  meeste  dier  venen  zijn  echter  thans  reeds  afgegraven. 

4.     Hei  Oosterdiep  en  het  IFinschoterdiep. 

Vervolgen  wij  thans  den  afvoerweg  van  het  water  uit  het  Stads- 
kanaal en  knoopen  wij  daaraan  de  bespreking  des  terreins  vast. 

Tusschen  het  Winschoterdiep  en  het  Stadskanaal  is  van  Bareveld 
tot  Zuidbroek  een  verbindingskanaal  gegraven.  Dit  kanaal  draagt 
van  het  Stadskanaal  af  achtereenvolgens  de  volgende  namen:  het 
Oosterdiep  en  Westerdiep^  vervolgens:  Beneden  Dwarsdiep^  het 
Meedemer  diep  oi  Dwarsdiep,  en  \\sX  Muniendatntnerdiep,  Het  kanaal 
is  in  't  geheel  13,5  K.M.  lang  en  door  twee  schutsluizen  in  3  pan- 
den verdeeld: 


PANDEN. 

r 

1'^ 

.-=< 
^ 

1 

U'S 

Ie  Pand.  Winschoterdiep  tot  Veen- 
danuner   Benedenverlaat 

2e  Pand.  Veend.  Ben.  Verl.  tot  Wil- 
dervankster  Participanten  verlaat. . . 

3e  Pand.  Wild.  Part.  Verl.  tot  Boven 
Wildervankster  verlaat 

4,956 

4,<583 
4,562 

0,81 
0,81 
2,01 

8 
7 
7 

2,00 
2,00 
1,10 

14 
II 
12 

Op  het  3de  pand  wateren,  behalve  het  Stadskanaal,  nog  985  H.A. 
boezemland  af,  terwijl  van  1 230  H.A.  polderland  van  2  tot  3,50  M. 
-j-  A.  P.  hoog  er  het  overtollige  water  op  kan  worden  afgemalen. 
De  loozing  van  het  water  heeft  plaats  op  het  2de  pand. 

Het   2de  pand   heeft   de  afwatering  van  11 70  H.A.  boezemland 


Digitized  by 


Google 


359 

-en  21 20  H.A.  polderland,  terwijl  bovendien  twee  polders,  groot 
1230  H.A.  te  zamen,  in  den  regel  hun  water  op  dezen  boezem 
brengen.  De  afvoer  van  water  heeft  plaats  op  bet  eerste  pand,  het 
Muntendammerdiep^  dat  met  het  2de  pand  van  het  Winschoterdiep 
gemeen  ligt. 

Het  Winschoterdiep  is  ontstaan  door  de  voortzetting  van  het 
Schuitendiep  naar  het  oosten  tot  Winschoten.  Het  oorspronkelijk 
doel  met  dit  kanaal  was  de  verbinding  van  de  stad  Groningen  met 
de  hooge  venen.  In  het  benedengedeelte  wordt  het  Winschoterdiep 
ook  Schuitendiep  genoemd,  een  naam,  die  op  de  vele  turfschuiten 
wijst,  welke  hier  vroeger  voeren.  Door  verschillende  verbindingen, 
hoewel  met  schutsluizen  afgesloten,  staat  het  in  het  oosten  in  in- 
directe verbinding  met  de  Statenzijl.  Het  kanaalpeil  van  het  pand 
bij  Groningen  is  0,81  -f-  A.  P.  Dit  peil  noemt  men  het  Winschoter 
peil  (W.  P.),  waarnaar  in  Groningen  nog  dikwijls  gerekend  wordt, 
doch  dat  thans  meer  en  meer  door  A.  P.  vervangen  wordt. 

5.     Het  Kielsterdiep  en  het  Annerveensch  kanctal. 

Behalve  de  bovengenoemde  bestaat  er  nog  een  tweede  verbinding  tusschen 
het  Stadskanaal  en  Winschoterdiep,  nl.  een  kanaal  tusschen  Bareveld  (aan  het 
Stadskanaal)  en  Hoogezand.  Dit  kanaal  heeft  een  lengte  van  15  K.M.  en  is 
door  twee  schutsluizen  in  drie  panden  verdeeld. 


PANDEN. 

Lengte   in      ' 
K.  M.         j 

Peil  boven 
A.  P.  in  M. 

21 

Minste  diepte 
onder  K.  P.  in  M. 

ie  Pand.  Winschoterdiep  tothetKiel- 
ster   verlaat 

2e  Pand.    Kiebter  verlaat  tot  Eexter- 
veensch  verlaat 

9.150 

2,356 

0,81 
1,63 
3.02 

7 
7 
7 

1,50 
'.50 

1,75 

9»— 
11,50 
12,50 

3c  Pand.     Eexterveensch    verlaat   tot 
Stadskanaal 

Het  Kielsterdiep  werd  gegraven  tusschen  de  jaren  1637 — '^47  van  het  Hooge- 
land zuidwaarts.     Het  Annerveensch  kanaal   werd  gegraven  volgens  eene  over- 


Digitized  by 


Google 


360 

eenkomst  van  17  Mei  181 7  tusschen  de  stad  Groningen  en  Drentsche  markge- 
nooten,  en  is  door  de  marken  van  Eekst  en  Gieten  voortgezet  In  1872  is  de 
scheiding  van  het  Stadskanaal,  welke  er  nog  altijd  door  den  dam  bij  Bareveld 
bestond,  weggeruimd,  en  een  verbindingskanaal  gegraven. 

Het  derdt  pand  ligt,  zooals  wij  boven  opmerkten,  gemeen  met  het  eerste  pand 
van  het  StadskanaaL  Het  tweede  pand  wordt  gevoed  door  inlating  van  eenig 
water  uit  het  derde  pand  en  dos  ook  uit  het  Stadskanaal.  Bovendien  heeft  het 
'de  afwatering  van  ^  1835  H.A.  lands,  2  A  3  M.  +  A.  P.  hoog  gelegen.  Het 
eerste  pand  ligt  gemeen  met  het  Winschoterdiep. 

Langs  het  Winschoterdiep  wordt  dus  het  water  der  beneden  panden  van  het 
Stadskanaal  naar  Groningen  gevoerd,  en  van  hier  vindt  het  door  het  Eems- 
kanaal  zijn  weg  naar  de  Eems  en  de  zee.  Deze  beide  verdere  verbindingen 
bespreken  wij  later, 

6.     De  Hunze  of  Oosiermoersche  vaart  en  haar  gebied. 

Van  het  Stadskanaal  naar  het  westen  gaande  rijst  de  bodem  eerst  langzaam, 
en  weldra  meer  snel  tot  een  hooge  rug,  die  zich  nagenoeg  evenwijdig  met  het 
Stadskanaal  in  N.  W.  richting  uitstrekt.  Dit  is  de  Hondsrug,  die  van  Ëmmen 
tot  Groningen  loopt.  De  Hondsrug  is  in  het  zuiden  bij  Emmen  25  M.  -(-  A. 
P.  hoog,  bij  Drouwen  20  M.,  te  Gieten  20  M.  en  daalt  vervolgens  tot  15  M. 
te  Aonen,  8  M.  te  Noordlaren,  en  is  ten  zuiden  van  Groningen  nog  d:  6  M.. 
+  A.  P.  hoog,  terwijl  hij  zich  onder  deze  stad  verliest,  i)  Deze  geologisch 
merkwaardige  hoogterug  is  zeker  ontstaan  door  erosie  van  het  Hunzedal  in  het 
ijstijdperk. 

Langs  de  oostelijke  helling  van  dezen  rug  strekten  zich  oudtijds  de  thans 
grootendeels  afgegraven  hooge  venen  uit,  welke  tot  het  graven  van  het  Stads- 
kanaal en  andere  vaarten  en  wijken  alhier  aanleiding  gaven.  Op  den  westrand 
dier  venen  en  ten  oosten  van  het  plateau,  waarvan  de  Hondsnig  de  rand  is,  volgde 
het  afstroomingswater  de  natuurlijke  helling  des  terreins,  en  zoo  vormde  zich 
hier  een  stroompje,  de  Hunne  of  Oostermoersche  vaart.  Aldus  heeft  het  smelt- 
water van  het  landijs  de  vallei  gevormd  waardoor  de  Hunze  stroomt. 

Ten  westen  van  den  Hondsrug  volgde  het  afstroomingswater  dezelfde  N.  W. 
richting  naar  het  N.  W.  Hier  vereenigde  het  zich  uit  verschillende  stroompjes 
in  de  Drentsche  Aa,  De  Hondsrug  vormt  de  natuurlijke  waterscheiding  tusschen 


i)  Zie  hierover:  L.  Ali  Cohen,  Geognostische  beschrijving  van  den  Hondsrug. 
(Tijdschr.  v.  Natuurl.  Gesch.  IX  pag.  262).  —  L.  Ali  Cohen,  Korte  beschou- 
wing van  den  Groninger  Hondsrug.  (Gron.  Volksalm.  1846). 


Digitized  by 


Google 


361 

den  benedenloop  van  deze  watertjes.  In  het  zuidelijke  gedeelte  ligt  de  Hond»- 
rog  tusschen  twee  takken  van  de  Hunze. 

De  Oostermotrsehe  vaari,  die  langs  de  oostelijke  venen  (moeren)  liep,  ook 
Drentsche  diep  of  Hunze  genoemd ,  wordt  gevormd  door  de  vereeniging  van 
bet  Vo&rsie-  of  BorgerdUp  en  bet  Groote-  of  Ackterstediept  waarvan  bet  eerste 
onder  Scboonloo  aan  de  westzijde,  en  bet  tweede  in  bet  Valterveen  aan  de 
oostzijde  van  den  Hondsnig  begint.  Deze  beide  armen  omsluiten  het  zuidelijk 
gedeelte  van  den .  Hondsrug.  De  Oostermoeiscbe  vaart  stroomt  verder  langs- 
den  noordoostelijken  voet  van  den  Hondsmg  en  door  bet  Zuidlaarder  meer 
naar  Groningen.  Het  beneden  gedeelte  is  gekanaliseerd  en  maakt  deel  uit 
van  bet  Scbuitendiep,  dat  naar  Groningen  loopt. 

Het  Zuidlaarder,  meer,  oudtijds  als  Noordlaarder  meer  bekend,  is  waarschijn- 
lijk door  uitgraving  van  veen  en  afslag  ontstaan.  Merkwaardig  is  bet,  dat  dit 
meer  in  bet  westen  aangroeit  met  laag  en  moerasveen,  terwijl  bet  in  bet  oosten 
door  afslag  van  bet  zanddiluvium  vergroot.  Het  verplaatst  zicb  zeer  langzaam 
vóór  de  richting  van  de  heerschende  winden  naar  bet  oosten,  i) 

Behalve  de  rechtgraving  van  de  kronkelingen,  die  de  Hunze  van  Waterhui- 
zen tot  de  Roodebaan  maakte,  is.  baar  benedenloop  verlegd.  De  oude  stroom 
liep  van  de  Roodebaan  af  langs  Euvelgunne,  voorbij  bet  voormalige  kasteel 
Groenenberg  en  ten  oosten  op  ongeveer  '/^  uur  afstand  om  de  stad  Groningea 
heen.  Verder  stroomde  de  Hunze  om  het  kasteel  Cortinghuis  bij  Rorgham, 
langs  bet  kasteel  en  klooster  van  Selwerd,  waarop  zij,  na  nog  een  paar  aanzien- 
lijke bochten  langs  de  Koningslaagte  gemaakt  te  hebben,  bij  Harsens  de  Aa 
opnam.  De  voormalige  loop  der  Hunze  is  in  de  sporen  van  de  bedding  nog  op- 
vele  plaatsen  te  herkennen.  Het  Selwerder  diepje  maakt  er  nog  een  gedeelte  van  uit. 

Wanneer  de  verlegging  der  Hunze  van  Waterhuizen  naar  en  door  de  stad 
Groningen  geschied  is,  valt  niet  met  zekerheid  te  zeggen.  Men  beeft  dit  naar 
Emmius  wel  op  het  midden  der  13de  eeuw  gesteld,  bepaaldelijk  op  1259. 
Doch  uit  de  bier  bedoelde  plaats  bij  Emmius  blijkt,  dat  deze  rivier  veel 
later  en  misschien  nog  gedurende  de  gebeele  14de  eeuw  haren  loop  om  de- 
stad  heeft  behouden.  Misschien  beeft  men  den  ouden  loop  nog  lang  bewaard 
voor  waterafleiding,  terwijl  toch  bet  Scbuitendiep  reeds  door  de  stad  liep.  2) 

Die  afleiding    van   de    Hunze    naar   Groningen  was  voor  de  stad  van  groot 


i)  H.  Blink.  De  lage  venen  in  Nederland.  (Tijdschr.  v.  h.  K.  N.  Aardr. 
Gen.  1891). 

2)  Acker  Stratingh.  Aloude  staat  I  pag.  295.  —  Tegenw.  Staat  XX  pag.  13 
en  78.  —  Driessen.  Monumenta  Groningana  pag.  282.  —  Acker  Stratingh.  De- 
oude  loop  der  Aa  beneden  Groningen  en  hare  vereeniging  met  de  Hunze» 
(Gron.  Volksalmanak  1844  pag.  50). 


Digitized  by 


Google 


302 

lielang.     De   drukke   scheepvaart   op   het   gekanaliseerde   gedeelte  gaf  het  den 
naam  van  Schuitendiep. 

De  Oostermoersche  vaart  werd  nog  in  1830  beneden  Gasselter  Nijeveen  door 
kleine  schepen  bevaren.  Zij  werd  hoofdzakelijk  gebruikt  om  de  turf,  die  langs 
-de  oevers  gegraven  werd,  af  te  voeren.  Na  heit  graven  van  het  Stadskanaal 
geraakte  zij  echter  in  verval.  Van  de  keerschutten,  welke  in  de  vaart  beston- 
den, is  de  laatste  in  1884  opgeruimd.  Tot  Spijkerboor  wordt  zij  thans  nog 
bevaren.  Tot  1667  werd  zij  door  de  stad  Groningen  onderhouden  en  daarna 
^oor  de  participanten  van  Gasselter-Nijeveen.  Bij  Kon.  Besl.  van  17  Dec. 
1819  werd  deze  vaart  tegelijk  met  andere  werken  aan  de  Provincie  Drente  in 
-beheer  en  onderhoud  afgestaan,  en  bij  Kon.  Besl.  van  27en  Mei  1876  (Staatsbl. 
No.  109)  ging  zij  over  in  beheer  en  onderhoud  van  het  Rijk.  In  de  Staten- 
<jeneraal  en  in  de  Provinciale  Staten  wordt  er  telkens  op  aangedrongen  om  de 
Oostermoersche  vaart  en  de  overige  kleine  Drentsche  stroompjes  beter  voorden 
waterafvoer  geschikt  te  maken,  i) 

7.     De  Drentsche  Aa. 

De  Drentsche  Aa  vormt  met  de  Hunze  een  tweelingstroom.  Zij  wordt  ge- 
vormd door  de  samenvloeiing  van  het  Taarlooscke-  en  het  Gasterensche  diep. 
Het  eerste  ontstaat  onder  de  gemeente  Wersterbork  in  de  Marke  van  Zwiggelte, 
•een  weinig  ten  noorden  van  het  Oranjekacaal,  op  een  terrein,  dat  17  &  19  M. 
H-  A.  P.  ligt  en  de  zuidgrens  van  het  Drentsche-Gronlngsche  Noordzecgebied 
vormt.  Onder  de  opvolgende  namen  Amerdiep^  DuurserdUp^  Loonerdiep  en 
Taarlooscke  diep  kronkelt  dit  watertje  door  het  midden  van  Drente  naar  het 
noorden,  verschillende  kleinere  stroompjes  opnemend.  Het  Gasterensche  diep 
neemt  bij  Grolloo  zijn  oorsprong  op  een  terrein  dat  ±:  18  M.  +  A.  P.  hoog 
ligt  Onder  de  opvolgende  namen  Anderscke  diep^  Polderdiep  en  Gasterensch 
4liep  stroomt  het  naar  het  noorden.  De  samenvloeiing  heeft  een  weinig  beneden 
Taarloo  plaats  in  een  terrein  van  ±:  8  M.  -f  A.  P. 

De  vereenigde  stroom  is  achtereenvolgens  bekend  als  Oudemolensche  diep^ 
JSckipborgsche  diepy  Westerdiep,  Punierdiep  en  Hoormche  diep.  Deze  laatste 
naam  is  misschien  afkomstig  van  het  vroeger  onder  Helpen  gelegen  nonnen- 
klooster Maria  op  den  Hoome,  2)  Het  beneden  gedeelte  is  bij  den  aanleg 
van  het  Noord-Willemskanaal  in  1861  gekanaliseerd  en  gedeeltelijk  vergraven. 
Thans  maakt  dat  deel  uit  van  het  5de  pand  van  dit  kanaal.    Het  water  wordt 


i)  Vergader,  van  de  2de  Kamer  der  St.  Gen.  19  Dec.  1888.  —  Notulen  der 
-vergadering  van  de  Prov.  Staten  1888. 
2)  Van  der  Aa.  Aardrijksk.  woordenboek. 


Digitized  by 


Google 


3^3 

te  Groningen  door  het  verbindingskanaal  ten  zuiden  van  de  stad  op  het  Eems- 
Jéanaal  gevoerd. 

Oudtijds  liep  de  Aa  niet  door  de  stad  Groningen  zooals  thans,  doch  ten 
westen  langs  de  stad.  Even  vóór  zij  de  stad  binnen  liep,  wendde  zij  zich 
destijds  naar  het  westen,  liep  langs  Donghom  en  vervolgens  door  het  tegen- 
woordige Reitdiep  naar  Dorkwerd,  waar  zij  zich  met  de  Hunze  vereenigde.  Uit 
deze  samenvloeiing  ontstond  het  Reitdiep ^  dat,  na  de  verlegging  van  de  Hunze 
-door  de  stad  Groningen,  bij  deze  stad  een  aanvang  nam.  Zeer  zeker  zal  hierdoor 
de  Aa  beneden  Groningen  verdiept  en  verbreed  zijn.  Wanneer  de  verlegging 
-der  Aa  door  Groningen  plaats  had,  weet  men  niet  met  zekerheid,  doch  zeer 
waarschijnlijk  geschiedde  dit  nog  vóór  der  verlegging  der  Hunze.  i) 

De  Drentsche  Aa  heeft  een  uitgebreid  stroomgebied  en  bij  hevige  regens  een 
■aanzienlijken  waterafvoer.  Een  deel  van  het  door  het  Drentsche  Aa  aange- 
voerde water  wordt  aan  het  5de  pand  van  het  Noord-Willemskanaal  onttrokken 
-en  door  middel  van  stoomgemalen  bij  de  sluizen  in  dat  kanaal  tot  voeding  der 
hooger  liggende  kanaalpanden  en  van  het  bovenpand  der  Drentsche  Hoofd- 
vaart gebruikt.  Verder  wordt  een  deel  van  het  water  bij  de  Punt  opgepompt 
voor  de  Groninger  waterleiding. 

In  Drente  is  de  Drentsche  Aa  niet  bevaarbaar  en  was  dat  ook  vroeger  niet. 
Bij  de  Groningsche  grens  werd  zij  vroeger  voor  kleine  schepen  bevaarbaar. 

8.    Het  ReitdUp  en  zijne  geschiedenis. 

Het  Reitdiep  is  aldus  oorspronkelijk  gevormd  door  de  samen- 
vloeiing van  Hunze  en  Aa^  terwijl  door  de  verlegging  van  deu 
l)enedenloop  van  beide  riviertjes  het  Reitdiep  tot  de  stad  Groningen 
verlengd  werd.  Het  uiterlijk  van  het  Reitdiep  was  geheel  dat  van 
-een  rivier  met  tal  van  kronkelende  bochten.  De  eerste  bocht,  die 
recht  gegraven  werd,  is  die  van  Dorkwerd  naar  Wierum.  Hier 
liep  de  Aa  oorspronkelijk  oostwaarts  langs  Paddepoel  en  Selwerd, 
bij  welke  laatste  plaats  zij  zich  met  de  oude  Hunze  vereenigde. 
Doch  tot  verkorting  van  den  waterweg  werd  reeds  zeer  vroeg  van 
Dorkwerd  naar  Wierum  het  Reitdiep  gegraven.  De  tijd,  wanneer 
•dat  geschiedde,  is  evenwel  niet  juist  bekend.  2) 

i)  Acker  Stratingh.  Over  den  ouden  loop  der  Aa  beneden  Groningen.  (Gron. 
Volksalmanak  1848  pag.  50  en  1844  pag.  50).  Acker  Stratingh.  Aloude  Staat 
I  pag.  302. 

2)  Acker  Stratingh.  1.  c. 


Digitized  by 


Google 


3^4 

Tegenover  Feerwerd  maakte  het  Reitdiep  een  aanzienlijke  bocht 
met  veel  kronkelingen  naar  het  oosten  tot  nabij  Wetsinge  en 
Schillingeham.  De  omweg  was  hier  zoo  groot,  dat  schippers  een 
paar  etmalen  noodig  hadden  om  een  weg  af  te  leggen,  die  later 
in  V*  ^^^  werd  afgelegd.  Dit  gedeelte  werd  in  1629  tot  verbete- 
ring van  den  waterloop  en  de  scheepvaart  door  een  recht  kanaal 
a^esneden.  Daar  het  Reitdiep  de  grens  tusschen  Westerkwartier 
en  Hunsingoo  vormde,  kwam  hier  een  gedeelte  van  Westerkwartier 
ten  oosten  van  het  Reitdiep  te  liggen.  Dit  land  werd  in  18 10  tot 
Hunsingoo  gebracht.  Door  het  land  kronkelt  hier  nog  het  afgesloten 
Oude   Reitdiep. 

Reeds  vroeger  heeft  eene  verplaatsing  van  het  water  plaats  gehad 
ten  oosten  van  het  Ruigezand,  waar  de  oude  geul  der  Hunze  ten 
zuiden  van  dezen  aanwas  lag,  die  ten  westen  van  de  Kampen  ligt 

In  den  tijd,  toen  het  Reitdiep  nog  een  open  rivier  was,  liep  de 
vloed  dit  water  op  tot  de  stad  Groningen  en  zelfs  tot  in  het  Zuid- 
laarder  meer.  Bij  ebbe  werd  door  den  afvoer  van  het  opgeloopen 
vloedwater  of  opgestuwde  rivierwater  de  stroom  zeer  sterk,  wat 
zeker  de  oorzaak  was  van  de  vorming  der  aanwezige  bochten. 
Hierdoor  nam  het  water  steeds  in  breedte  toe.  i) 

In  't  belang  eener  verbeterde  afwatering  begon  men  reeds  voor  twee  eeuwen 
te  denken  aan  de  afdamming  van  het  Reitdiep.  Het  eerste  plan  van  afsluiting 
der  Hunze  of  het  Reitdiep  aan  den  mond  dagteekent  van  1601,  toen  men  het 
plan  ontwierp  de  Hunze  bij  de  „Soltkamp"  af  te  sluiten  en  eene  commissie 
„tot  besicbting  van  de  Soltkamp*^  benoemde.  Tien  jaren  later  werd  er  wederom 
eene  commissie  gekozen  en  afgezonden  om  de  afdijking  bij  Zoutkamp  of  bij. 
Vierhuizen  te  onderzoeken,  doch  de  zaak  kwam  hiermede  niet  verder,  en  in* 
lang  kwam  zij  niet  meer  ter  sprake. 

Tijdens  het  Franiche  bestuur  werd  door  toedoen  der  commissie  van  landbouw 
voor  de  prov.  Groningen  in  1809  weder  de  aandacht  op  de  afsluiting  van  het 
Reitdiep  gevestigd,  en  in  1825  schreef  die  Commissie  een  prijsvraag  uit  omtrent 
de  afsluiting  bij  Zoutkamp.  De  heer  H.  D.  Bos,  later  bouwmeester  te  Gro- 
ningen, beantwoordde  deze,  en  sprak  vóór  de  afsluiting.  Dit  had  ten  gevolge, 
dat  de  Provinciale  regeering  zich  de  zaak  aantrok,  en  een  gewijzigd  plan  werd 

i)  A.  J.  Andreae.  De  Lauwerszee  pag.  82. 


Digitized  by 


Google 


3^5 

ontworpen.  Volgens  dit  ontwerp  had  er  reeds  in  1827  eene  uitbesteding  plaats, 
-doch  daar  de  aannemingskosten  ver  boven  de  begrooting  kwamen,  werd  het 
werk  niet  uitgevoerd. 

Later  werden  nog  andere  plannen  gemaakt,  nl.  om  het  Reitdiep  af  te  dam- 
men bij  het  Ruigezand,  en  in  1844  om  het  een  half  uur  binnenwaarts  af  te 
•dammen,  i)  Daarbij  kwamen  vervolgens  nog  de  plannen,  om  de  geheele  Lauwers- 
.zee  af  te  dammen,  welke  evenwel  geene  uitvoering  erlangden. 

Den  21  en  22ftten  Oct.  1856  werd  in  eene  buitengewone  vergadering  der  Prov. 
JStaten  van  Groningen  tot  verbetering  van  den  toestand  van  verschillende  ka- 
nalen besloten,  en  ook  de  afsluiting  van  het  Reitdiep  van  de  zee  behoorde  tot 
-dit  plan.  Deze  werken  zijn  van  1873  tot  1876  voor  rekening  der  Provincie  met 
subsidie  van  het  Rijk  uitgevoerd.  Zoo  is  het  Reitdiep  een  door  sluizen  afge- 
sloten kanaal  geworden.  Het  heeft  eene  lengte  van  de  Noorderhaven  te  Gro- 
ningen tot  de  schut-  en  uitwateringsluis  te  Zoutkamp  van  31  K.  M.  Door  eeiv 
•sluis  te  Wetsinge  is  het  in  2  panden  verdeeld. 

Het  eerste  pand  van  de  Noorderhaven  te  Groningen  tot  de  sluis  te  Wetsinge 
is  9,700  K.  M.  lang,  heeft  een  kanaalpeil  van  0,81  M.  -f  A.  P.,  is  op  zijn 
minst  2,50  M.  beneden  kanaalpeil  diep,  en  heeft  op  kanaalpeil  eene  breedte  op 
zijn  minst  van  20  M.     Dit  pand  ligt  gemeen  met  het  Eemskanaal. 

Het  2de  pand  van  de  Wetsinge  sluis  tot  die  bij  Zoutkamp  is  21,300  K.  M. 
lang,  heeft  een  kanaalpeil  van  0,74  M.  —  A.  P.  (het  ligt  dus  0,81  +  0,74  = 
1,55  M.  lager  dan  het  eerste  pand),  is  op  zijn  minst  2,50  onder  kanaalpeil 
-diep,  en  is  34  M.  breed  op  kanaalpeil.  De  afsluitdijk  heeft  eene  lengte  van  3687 
M.  Dit  pand  ontvangt  het  afvoerwater  van  het  WesterkwartUr  (zie  pag.  369). 
Het  overtollige  water  wordt  door  vijf  sluizen  te  Zoutkamp  afgevoerd  op  de 
Lauwerszee.  De  middelste  van  de  sluizen  is  tevens  schutsluis.  Deze  sluis 
heet  de  Groninger  sluis  ter  onderscheiding  van  de  Friesche  sluis,  een  weinig 
westelijker  in  denzelfden  dijk  tot  ontlasting  van  het  water  uit  de  Lauwers  enz. 

Vóór  de  afsluiting  moest  het  Reitdiep  door  hooge  dijken  tegen  het  buiten- 
vruter  omringd  zijn.  Na  de  afsluiting  zijn  deze  dijken  binnendijken  geworden, 
en  daarom  is  de  groote  hoogte  van  vroeger  niet  meer  noodzakelijk.  Volgens 
besluit  der  Staten  van  Groningen  van  13  Juli  1886  mogen  de  dijken  in  het 
Westerkwartier  verlaagd  worden  tot  2,81  M.  -\-  A.  P.,  wat  op  verschillende 
plaatsen  reeds  is  geschied.  (3) 


1)  A.  J.  Andreae.  De  Lauwerszee  pag.  75. 

2)  De  naam  beteekent  rie/diep.  De  uitspraak  van  dit  woord  alhier  is  „reit- 
diep." Misschien  dat  er  oudtijds  veel  riet  langs  de  oevers  groeide.  (Tegenw. 
5taat  XX  pag.  15.).  —  3)  Zie  de  Prov.  Verslagen. 


Digitized  by 


Google 


366 
9-     Het  Eemskanaal  en  zijn  boezemgebied. 

De  bovengenoemde  afsluiting  van  het  Reitdiep  maakte  een  nieuw 
kanaal  voor  den  afvoer  van  het  te  Groningen  samenvloeiende 
water  noodig,  terwijl  tevens  de  scheepvaart  een  beter  waterweg 
voor  de  hoofdstad  der  provincie  vereischte.  Een  gevolg  hiervan  was^ 
dat  bij  het  reeds  genoemd  besluit  der  Staten  van  1856  ook  tot 
den  aanleg  van  een  nieuw  kanaal  van  Groningen  naar  de  Eems 
besloten  werd,  ter  vervanging  van  het  oude  en  onvoldoende  Dam- 
sterdiep.  Zoo  werd  het  Eemskanaal  voor  dit  tweeledige  doel,  de 
zeevaart  op  Groningen  (die  vroeger  over  Reitdiep  geschiedde)  e» 
den  beteren  waterafvoer^  van  1866  tot  1876  gegraven.  Het  kanaal  be- 
staat uit  één  pand  en  heeft  eene  lengte  van  26,550  K.  M.,  van- 
den mond  van  het  Winschoterdiep  te  Groningen  tot  de  schut- 
sluis te  Delfzijl.  Het  kanaalpeil  is  het  Winschoter  peil,  waarnaar 
vroeger  in  deze  provincie  gerekend  werd,  d.  i.  0,81  M.  +  A.  P. 
De  diepte  is  4,50  M.  onder  kanaalpeil,  en  de  breedte  op  peil  31  k 
40  M.  Het  zuidelijk  verbindingskanaal  te  Groningen  verbindt 
het  Eemskanaal  met  het  Noord- Willemskanaal  en  het  Hoendiep^ 
en  vormt  met  de  Zuiderhaven  eene  verbinding  tusschen  eerstge- 
noemd kanaal  en  het  bovenpand  van  het  Reitdiep. 

Het  Eemskanaal  dient  tevens  tot  waterafvoer,  zeiden  wij,  e» 
vormt  aldus  een  boezem.  Tot  dien  boezem  behooren  ook  het  iste 
pand  van  het  Winschoterdiep,  het  5de  pand  van  het  Noord- Wil- 
lemskanaal en  het  bovenpand  van  het  afgesloten  Reitdiep.  Op- 
dezen  boezem  komt  het  water  van  de  Drentsche  Aa  en  van  de 
Hunze^  en  verder  het  overtollige  water  van  het  Stadskanaal  bene- 
den het  5de  verlaat,  terwijl  alleen  in  sommige  gevallen  de  hooger 
gelegen  panden  hierop  afstroomen  (zie  pag.  356).  In  het  geheet 
is  het  gebied,  dat  op  dezem  boezem  loost,  84295  H.  A.  groot, 
waarbij  nog  20195  H.  A.  kunnen  komen  van  de  bovenpanden- 
van  het  Stadskanaal  boven  het  5de  verlaat. 

Deze  boezem  loost  op  de  Eems  door  de  schutsluis  te  Delfzijl. 
Het  peil  van  den  boezem  is  0,81  M.  H-  A.  P. ;  tusschen  31  sten  Oct. 
en  den  isten  April  moet  het  water  zoo  mogelijk  en  zoo  noodig  tot 


Digitized  by 


Google 


3^7 

niet  hooger  dan  0,20  M.  beneden  dat  peil  worden  gehouden.  Te  Gro- 
ningen kan,  ten  behoeve  van  de  doorspuiïng  van  enkele  grachten, 
water  aan  het  pand  worden  onttrokken  door  twee  sluisjes,  die  het 
op  den  boezem  van  Fivelingoo  brengen. 

Het  Eemskanaal  loopt  door  het  op  pag.  348  aangeduide  lage 
gedeelte  in  Groningen.  De  waterstand  op  dit  kanaal  (kanaalpeil 
0,81  M.  +  A.  P.)  is  hooger  dan  die  der  omliggende  landen,  zelfs 
dan  de  terreinen  zelf.  Ten  zuiden  van  het  kanaal  zien  wij  hoogten 
van  0,75  M.  —  A.  P.  tot  0,30  M.  —  A.  P.,  eene  hoogte  die  nabij 
de  Eems  iets  toeneemt.  De  zomerpeilen  zijn  ten  noorden  1,60  M. 
—  A.  P.  tot  1,35  M.  —  A.  P.  Hierdoor  is  er  van  natuurlijke 
loozing  van  het  belendende  land  op  dit  kanaal  geen  sprake  en 
kunstmatige  loozing  is  niet  tot  stand  gebracht,  daar  het  land 
elders  beter  het  overtollig  water  kan  loozen.  Van  het  aan  beide 
zijden  liggende  land  ontvangt  dus  de  boezem  van  het  Eemskanaal 
geen  water;  het  dient  alleen  om  het  water  uit  Drente  en  een 
deel  van  Z.  W.  Groningen  naar  zee  te  voeren.  Aan  beide  zijden 
van  het  kanaal  liggen  dan  ook  zelfstandige  boezemgebieden ;  ten 
zuiden  dat  van  den  boezem  van  Duurswold^  (zie  pag.  375),  ten 
noorden  van  den  boezem  van  Fivelingoo  (zie  pag.  370). 

10.     Het  Noord'WillemskanaaL 

Tot  den  aanleg  van  het  Noord- Willemskanaal  werd  concessie  ver- 
leend bij  Kon.  Besluit  van  lo  Juni  1858.  De  Noord-Willemska- 
naalmaatschappij  bracht  dit  werk  tot  stand,  en  in  186 1  werd  het 
kanaal  voor  de  scheepvaart  opengesteld.  Het  dient  tot  verbinding 
van  het  bovenpand  der  Drentsche  hoofdvaart  met  de  stad  Gronin- 
gen. Wij  zeiden  reeds  boven,  dat  het  Hoomschediep  gedeeltelijk 
tot  dit  doel  is  vergraven. 

Het  Noord-Willemskanaal  heeft  eene  lengte  van  28  K.M.  Door 
4  schutsluizen  wordt  het  in  5  panden  verdeeld.  Het  benedenpand 
wordt  voor  een  gedeelte  gevormd  door  het  gekanaliseerde  Hoorn- 
sche  diep. 


Digitized  by 


Google 


368 


PANDEN. 

< 

SS 
|.s 

1 

S 

Js 

ei 
1 

Kleinste  breedte  II 
op  K.  P.inM. 

iste  pand.    Drentsche  Hoofdvaart  tot 
sluis  I 

0,158 

»,995 
10,634 

2.215 
11.750 

",83 

9,33 
6,83 
3,83 

0,81 

7 
7 
7 
7 

7.6 

1 

1,0    1   I2.il 

a<i€      >        Sluis  I  tot  sluis  2 

3de      >           >      2    >       >     3 

4^^      »           >      3    »       >      4 

5de      1           >      4    >     verbindingka- 
naal te  Groningen 

,7 

1,9 
1.9 
1,9 

«.9 

12,4 
12.4 
I2y» 

13,00 

Het  5  de  of  benedenpand  van  dit  kanaal  wordt  gevoed  door  het 
water  uit  de  Drentsche  Aa.  De  overige,  hooger  liggende  panden 
worden  gevoed  door  opmaling  uit  het  5de  pand  met  de  stoomge- 
malen bij  de  schutsluizen,  die  tevens  dienen  om  het  bovenpand  der 
Drentsche  Hoofdvaart  op  het  peil  te  houden.  Het  overtollige  water 
moet  door  de  schutsluizen  van  het  hoogere  pand  naar  de  lagere 
afloopen. 

II.     l/et  PeizerdUp  en  Eelderdiep  en  hun  gebied. 

Het  gedeelte  van  Drente  ten  noorden  van  Assen  en  ten  westen  vaa  het  Noord- 
AVillemskanaal  ligt  in  het  zuiden  ongeveer  12  M.  -f  A.  P.  en  in  h^t  noorden 
2  ii  3  M.  4-  A.  P.  Dit  terrein  vindt  zijne  natuurlijke  afwatering  hoofdzakelijk 
langs  het  PHner-  en  Eelderdiep  naar  het  noorden. 

Het  Eelderdiep  wordt  gevormd  door  de  samenvloeiing  van  verschillende  kleine 
waterloopen,  waarvan  de  Westerloop  en  de  Winderhop  de  grootste  zijn.  Rechts 
neemt  het  nog  de  Woldsloot  op.  Op  de  grens  van  Groningen  en  Drente  ver- 
lenigt  het  zich  met  het  Peiterdiep, 

Het  PeiMerdiep  wordt  gevormd  door  de  samenvloeiing  van  het  Groote-  of 
Steenbergerdiep  en  het  Kleine-  of  Oostervaartsche  diep.  Het  eerste,  dat  vóór 
den  aanl^  der  Kolonievaart  in  het  Esmeer  zijn  oorsprong  nam,  begint  thans 
ten  noorden  van  dit  kanaal  en  draagt  ook  de  namen  van  Siokkert  en  Aa,  Be- 
neden het  vereenigingspunt  verkrijgt  de  stxxK>m  den  naam  van  Zf^^rntfr  4f»^,  dat 
nog  eene  afwatering  uit  het  Steenbergerveen  opneemt,  en  vervolgens  Peizerdiep 
wordt  genoemd. 


Digitized  by 


Google 


3^9 

Met  het  Eelderdiep  verecnigd  heet  het  water  vervolgens  nog  Peiterdiep  oi 
KoningidUp,  Het  voert  zijn  water  af  op  het  HoendUf  en  daardoor  op  de« 
boezem  van  het  waterschap  Westerkwartier.  Het  afvoergebied  op  htt  Peixerdiep 
bedraagt  14170  H.A.,  op  het  Eelderdiep  8310  H.A.,  waarbij  175  H.A.  polder- 
land. Het  Peizerdiep  wordt  tot  nabij  Peize  bevaren. 

Zeer  zeker  hadden  deze  riviertjes  oorspronkelijke  een  natuurlijke  afwatering 
naar  het  Reitdiep.  De  sporen  daarvan  zijn  nog  gevonden.  Volgens  deze 
zou  waarschijnlijk  dit  diep  geloopen  hebben  ten  oosten  langs  Hooge  Meeden, 
Aduard,  Fransum  en  Beswerd  en  tusschen  Ezinge  en  Feerwerd  door  in  het 
Reitdiep.  i)  Deze  stroom  liep  dus  ten  westen  van  het  Reitdiep  op  eenigen 
afstand  daarmede  evenwijdig.  Thans  vindt  men  bier  het  Aduarderdiep,  dat 
evenwel  blijkbaar  een  gegraven  kanaal  is. 

12.    De  boezem  van  het  Waterschap  Wester kwartier  en  zijn  gebied. 

Het  gedeelte  van  Groningen  ten  westen  van  het  Reitdiep  en  van 
het  Noord-Willemskanaal  tot  aan  de  Lauwers  maakt  in  hydrogra- 
phisch  opzicht  het  Waterschap  Wester  kwartier  uit,  *  dat  op  een 
eigen  boezem,  den  Boezem  van  Wester  kwartier,  loost.  Evenwelloo- 
zen  op  dien  boezem  ook  vele  landen,  welke  niet  tot  genoemd  water- 
schap behooren.  Tot  dezen  boezem  behooren  het  iste  pand  van 
het  Hoendiep  (het  overige  behoort  tot  Frieslands  boezem)  en  eenige 
andere  wateren.  Het  peil  van  dezen  boezem  is  bepaald  op  0,74  M. 
—  A.  P.;  van  den  isten  April  tot  en  met  i  Oct.  mag  niet  bene- 
den dit  peil  worden  afgestroomd. 

Deze  boezem  brengt  door  drie  sluizen:  de  Kotnmerzijl^  de  Oude 
«n  de  I^ieuwe  Aduarder  zijl^  zijn  water  op  het  benedenpand  van 
het  afgesloten  Reitdiep,  dat  eveneens  een  peil  heeft  van  0,74  M. — 
A.  P.  en  door  de  sluizen  te  Zoutkamp  op  de  Lauwerszee  loost. 

Op  dezen  boezem  watert  een  oppervlakte  van  15150  H.A.  polder- 
land en  36040  H.A.  hooge  gronden  en  boezemland  af.  Hiervan 
zijn  1165  H.A.  polderland  en  23625  H.A.  boezemland  en  hooge 
gronden  in  Drente  gelegen. 

De  Aduarder-  en  de  Kommerzijl  zijn  in  de  laatste  jaren  steeds 
geopend  geweest,  en  moeten  alleen  worden  gesloten,  als  de  binnen- 
waterstand beneden  peil  is  gedaald. 


i)  Acker  Stratingh,  Aloade  Staat.  I,  pag.  304. 
II. 


24 


Digitized  by 


Google 


370 


13.     Het  Hoendiep. 

Het  Hoendiep  is  een  gegraven  vaart  in  het  Westerkwartier  vai> 
Groningen,  van  deze  stad  naar  de  Friesche  wateren  bij  Stroobos. 
Het  ontving  zijn  naam  naar  de  van  ouds  als  de  Hoen  bekende 
streek  buiten  de  stadsgracht  te  Groningen,  waar  het  diep  een  begin 
nam.  Het  Hoendiep  maakt  een  gedeelte  uit  van  de  trekvaart  van 
Groningen  op  Leeuwarden  en  van  den  hoofdwaterweg  naar  Hol- 
land. Reeds  in  1597  werd  een  gedeelte  van  dit  kanaal  gegraven, 
maar  eerst  in  1654  was  het  in  zijn  geheele  lengte  voltooid.  In  1863. 
en  64  is  dit  kanaal  voor  rekening  der  Provincie  verbeterd,  terwijl 
onderscheidene  sluizen  zijn  opgeruimd.  Het  Hoendiep  is  26,5  K.M. 
lang  en  door  het  verlaat  te  Gaarkeuken  in  2  panden  verdeeld. 
'Het  eerste  pand,  van  Groningen  tot  Gaarkeuken,  is  19,8  KM.  lang 
en  heeft  een  peil  van  0,74  M.  —  A.  P.,  terwijl  de  bodem  2  M.  onder 
het  kanaalpeil  ligt.  De  minste  breedte  op  het  peil  is  13  M.  Dit  ge- 
deelte van  het  kanaal  behoort  tot  den  boezem  van  het  Westerkwartier. 

Het  tweede  pand^  van  Gaarkeuken  tot  Stroobos,  is  67,50  K.M.  lang 
'en  heeft  een  peil  van  0,42  M.  —  A.  P.  Breedte  en  diepte  zijn  als 
bij  het  vorige  pand.  Dit  pand  ligt   gemeen  met  Frieslands  boezem. 

14.     De  boezem  van  Fiveiingoo  en  zijn  gebied. 

Ten  noorden  van  het  Eemskanaal  van  Groningen  naar  de  Eems 
strekt  zich  in  een  naar  het  oosten  breeder  wordende  oppervlakte 
het  gebied  van  den  boezem  van  Fiveiingoo  uit,  beslaande  4205  H.A. 
polderland  en  12 155  H.A.  boezemland.  In  de  lengte  loopt  door  dit 
gebied  het  Damsterdiep^  dat  wel  het  belangrijkste  deel  uitmaakt 
'van  genoemden  boezem.  Deze  boezem  loost  te  Delfzijl  op  de  Eems 
door  twee  sluizen  aan  den  mond  van  het  Damsterdiep,  de  Dorpster- 
zijl  (zijl  =  sluis)  en  de  Slofhter  en  ScharmerzijL  Inlating  van 
water  in  den  boezem  heeft  niet  plaats.  Het  peil  van  den  boezem 
is  bepaald  op  0,74  M.  —  A.  P.  De  afstrooming  kan  echter  van 
I  Mei  tot  I  October  door  het  hoofdbestuur  van  het  waterschap 
beperkt  worden  tot  0,56  M.  —  A.  P.  De  boezem  staat  in  verbinding 


Digitized  by 


Google 


371 

met  den  boezem  van  Hunsingoo  door  een  schutsluis  te  Groningen, 
door  de  sluis  aan  de  Rollen  en  door  het  Stedummer- en  Oosterdijks- 
horner  verlaat.  Deze  sluizen  staan  dikwijls  geheel  open.  Daar  het 
zomerpeil  van  vele  polders  in  dit  gebied  lager  ligt  dan  het  boezem- 
peil  moeten  onderscheidene  polders  bemalen  worden. 

Het  Damsterdiep.  Het  Damsterdiep  was  vroeger  een  zeer  belangrijk 
scheepvaartkanaal,  dat  gegraven  is  tot  verbinding  van  Groningen  met  de  Eems. 
Gedeeltelijk  is  het  geheel  gegraven,  gedeeltelijk  zijn  er  twee  oude  riviertjes,  de 
Fivel  en  de  Delf  (de  laatste  een  tak  van  de  eerste)  in  opgenomen.  Het  heeft 
den  naam  ontvangen  naar  Appingadam,  in  den  regel  wel  de  Dam  genoemd. 

In  de  laatste  helft  der  i6de  eeuw,  bepaaldelijk  in  1573,  werd  er  reeds  over 
het  graven  van  dergelijk  kanaal  onderhandeld,  alsmede  om  een  sluis  in  de  stad 
te  leggen,  ten  einde  het  water  uit  de  Hunze  te  verhinderen  om  naar  Delfzijl  te 
stroomen.  Doch  hoezeer  de  aanleg  van  dergelijk  kanaal  ook  werd  aanbevolen 
o.  a.  door  Alva  en  Gaspar  Robles,  toch  wisten  de  Ommelanden  dien  arbeid  to^ 
1598  te  vertragen,  toen  het  werk  eindelijk  tot  stand  kwam. 

Dit  kanaal  liep  door  lage  gronden,  welke  zeer  waarschijnlijk  verhinderden  het 
op  de  noodige  diepte  te  brengen.  Zoo  ontstond  er  spoedig  belemmering  voor 
scheepvaart  en  afwatering,  zoodat  een  geheele  verbetering  en  verdieping  weldra 
noodig  waren.  Geschillen  tusschen  Stad  en  Ommelanden,  welke  blijken  uit  de 
Staatsbesluiten  der  jaren  1637,  1640,  1641,  1645  en  1646,  deden  telkens  het 
werk  tegenhouden,  doch  in  1653  kwam  de  verbetering  tot  stand.  Ook  later 
hielden  geschillen  de  verbetering  van  het  kanaal  telkens  tegen;  in  1704  werd 
een  gedeelte  tot  het  Slochtérdiep  en  in  1791  en  92  het  overige  uitgediept. 

In  181 9  is  (volgens  Kon.  Besluit  ii  Sept.  181 8  N<^.  54)  het  Damsterdiep  van  het 
westen  van  Appingedam  door  het  graven  van  een  nieuw  kanaal  ten  zuiden  langs 
deze  stad  gelegd  en  aldus  vereenigd  met  de  Groeve,  een  uitwateringskanaal  van 
het  Woldzijlvest.  Dit  geschiedde  op  kosten  van  het  zijlvest  de  drie  Delfzijlen^ 
die  nn,  dewijl  het  water  niet  meer  in  Appingedam  gestuwd  werd,  beter  kon- 
den loozen.  De  Groeve  werd  tegelijkertijd  merkelijk  verdiept. 

Het  Damsterdiep  verbindt  Groningen  met  Delfzijl  en  de  Eems. 
Het  kanaal  heeft  eene  lengte  van  30,900  K.M.  en  bestaat  uit  een 
enkel  pand.  De  kleinste  diepte  bedraagt  1,70  M.  onder  peil  en 
de  breedte  op  kanaal  op  het  minst  10  M.  De  doorvaart  door  de 
sluizen  te  Delfzijl  geschiedt  bij  gelijk  binncnen  buitenwater. 

Ten  O.  van  Fivelingoo  ligt  nog  het  kleine  waterschap  de  Vierburen 
met  een  eigen  boezem  (peil  0,05  M.  +  A»  P.)  die  door  de  Bierum- 
merpomp  op  de  Eems  loost. 


Digitized  by 


Google 


372 

Geschiedenis  van  de  Fivel  en  de  Delf. 

De  Fivel  is  een  voormalig  water  in  het  thans  besproken  gebied,  dat  zijm 
naam  heeft  achtergelaten  in  het  kwartier  Fvuelingoc*  Doch  het  water  zelf  be- 
hoort tot  de  historie,  en  slechts  met  moeite  is  haar  oude  loop  na  te  sporen. 
Zoover  het  de  hooge  gronden  betreft,  is  haar  voormalig  bed  nagegaan  en  in  kaart 
gebracht  door  A.  L.  Wessels.  Volgens  dezen  nam  zij  haar  oorsprong  uit  eenige 
'wateren  in  de  venen  en  moerassige  landen  in  het  zuidelijk  gedeelte  van  Five- 
lingoo,  of  in  de  streek,  die  eertijds  den  naam  Duurswolde  droeg  en  thans  nog 
6itWoudstreek\it!t\„  Hier  werd  de  Fivel  gevormd  door  eenige,  nog  thans  bestaande 
snelvlietende  stroompjes,  de  Scharmer  en  de  Slachter  Aa  of  Ee^  die  zich  evenals 
nu  nog  bij  het  in  1659  uit  het  Damsterdiep  naar  Slochteren  gegraven  SlochterdUp  of 
Rengersdiep  tot  één  stroom  vereenigden  i),  welke  verder  noordelijk  voorbij  Wol- 
tersum  en  Wittewierum  naar  ten  Post  liep.  De  Woltersummer  Maar  of  de  Poster 
Me  is  zeker  het  recht  gegraven  overblijfsel  van  de  vroegere  Fivel.  De  Poster 
£e  is  oudtijds  blijkbaar  zeer  breed  geweest,  en  had  ten  noorden  van  het  Slochter- 
diep  wel  80  voet '  wijdte,  terwijl  de  breedte  thans  niet  meer  dan  I/4  hiervan 
bedraagt.  De  Fivel  moet,  zooals  uit  de  Kronyk  van  de  abten  van  Wittewierum 
uit  de  13de  eeuw  blijkt,  bij  de  abdij  te  Wittewierum,  die  nabij  de  tegenwoor- 
dige kerk  gestaan  heeft,  een  haven  gehad  hebben,  welke  na  het  verlanden  van 
den  mond  der  Fivel  gedempt  is. 

Van  Ten  Post  tot  aan  Windeweer  is  het  Damsterdiep  waarschijnlijk  eene 
vergraving  van  de  Fivel,  zooals  blijkt  uit  den  bochtigen  loop.  Verder  liep  zij 
waarschijnlijk  noordwaarts  naar  Westeremden.  Dit  schijnt  te  blijken  uit  laagten 
in  den  bodem,  uit  bedijkingen,  uit  de  zware  kleiafzettingen,  en  uit  eene  rij 
van  terpen,  die  langs  de  oude  Fivel  zich  uitgestrekt  zou  hebben.  Bij  Wester- 
emden schijnt  de  Fivel  uitgemond  te  hebben  in  een  breede  inham,  die  van  de 
Eems  hier  in  het  land  doordrong.  Uit  de  gesteldheid  der  daar  liggende  bedïj- 
king  blijkt,  dat  die  inham  successievelijk  is  verland  en  na  de  12de  eeuw  lang- 
zaam geheel  is  dichtgeslibd. 

De  Fivel  was  de  natuurlijke  afwateringsw^  van  het  omliggende  land.  Door 
de  verlanding  van  dezen  boezem  en  stroom  moest  men  voor  de  afwatering  andere 
wegen  zoeken.  De  landen  langs  de  kust  behielpen  zich  aanvankelijk  nog  met 
de  daaf  aanwezige  kleine  waterloozingen,  die  werden  verlengd  door  de  aanwassen 
hoen  langs  de  kust.  Doch  ook  deze  verbindden  weldra,  en  konden  sedert  alle«» 
voor  de  uiterdijkscfae  landen  dienen. 


1)  Acker  Stratingh.  Aloude  Staat.  I,  pag.  315. 

A.  Smith.  Geschied,  der  prov.  Groningen,  1849.  pag.  102. 


Digitized  by 


Google 


373 

Ten  westen  van  Delfzijl  kwam  oudtijds  een  watertje  uit  het  land,  dat  mis- 
schien van  natuurlijken  oorsprong  was  en  later  vergraven  werd.  Dit  was  de 
Delf^  aan  welks  monding  Dtlfzijl  ontstond.  De  Delf  was  het  afwateringskanaal 
van  het  oostelijk  gedeelte  van  Fivelingoo,  evenals  de  Fivel  dit  was  voor  het 
westelijk  gedeelte.  Oorspronkelijk  waren  beide  gescheiden,  meent  Acker  Stratingh* 
Doch  na  het  verlanden  van  den  mond  van  de  Fivel  werden  deze  beide  wateren 
met  elkander  verbonden,  om  de  afwatering  van  het  noordelijk  Groningen  langs 
de  Delf  te  doen  plaats  hebben.  Wanneer  dit  geschiedde,  valt  niet  met  zekerheid 
te  zeggen,  doch  zeer  waarschijnlijk  had  het  vóór  de  elfde  eeuw  plaats. 

WesterhofT  i)  is  het  te  dezen  opzichte  niet  geheel  eens  met  Acker  Stratingh, 
Hij  zegt,  „dat  de  Fivel  oudtijds  haar  oorsprong  in  de  venen  en  moerassige 
landen  van  het  zuidelijk  deel  van  Fivelingoo  zal  genomen  hebben,  en  al  kron- 
kelend onder  het  opnemen  van  andere  kleine  stroompjes  in  de  richting  van 
Wittewierum  liep,  ten  Z.W.  van  welke  plaats  zij  zich  in  twee  takken  verdeelde, 
waarvan  de  eene  naar  ten  Post  en  vervolgens  naar  Windeweer,  de  andere  langs 
Wittewierum  naar  Garrelsweer  liep.  In  de  nabijheid  van  deze  plaats  verdeelde 
zij  zich  in  twee  takken,  waarvan  de  noordelijkste  en  wellicht  de  voornaamste 
naar  Windeweer  en  vervolgens  tusschen  Loppersum  en  Westeremden  doorliep,  en 
langs  laatstgenoemde  plaats  zich  in  een  aanzienlijken  waterboezem,  die  aldaar  door 
de  zee  gevoimdwas,  uitstortte,  terwijl  de  andere,  naar  't  schijnt  kleinere  tak  in 
de  nabijheid  van  Garrelsweer  oostwaarts  liep,  het  water  van  nog  onderscheidene 
kleine  stroompjes  ontving,  en  bij  Delfzijl  in  de  Eems  loosde.  Dit  is  de  tak,  die 
later  den  naam  verkreeg  van  Damsterdiep,  nadat  het  op  verschillende  plaatsen 
vergraven  was." 

Het  komt  ons  met  het  oog  op  den  aard  des  terreins  waarschijnlijk  voor,  dat 
al  reeds  eene  verbinding  tusschen  Fivel  en  Delf  kan  bestaan  hebben,  doch  dat 
de  Delf,  nadat  de  noordelijke  Fivelraond  verlandde,  toenam  in  vermogen. 

De  Delf  'werd  daardoor  eene  belangrijke  waterloozing.  De  landen,  welke 
hierop  uitwaterden,  vormden  het  waterschap  van  de  Zijlvestenij  der  drie  Delf- 
zijlen. Dit  had  overeenkomstig  met  zijn  naam  drie  uitzijlen  of  sluizen  in  den 
mond  der  Delf:  de  Dorpster  zijl,  de  Slochter  zijl  en  de  Scharmer  zijl.  Ook  in 
deze  zijlen  of  sluizen  is  verandering  gekomen.  De  Slochter  zijl  is  in  1569  ge» 
dempt,  de  Dorpster  sijl  behield  haar  naam,  en  de  andere  werd  sedert  Scharmer' 
<n  Slochter  zijl  genoemd.  2) 

Dat  bij  het  graven  van  het  Damsterdiep  van  de  Fivel  voor  een  klein  gedeelte 
en  ook  van  de  Delf  gebruik  gemaakt  is,  zagen  wij  boven. 


i)  R.  WesterhofT.  Twee  hoofdstukken  uit  de  geschiedenis  van  ons  dijkwezen. 
1865,  pag.  321  enz. 

9)  A>cker  Stratingh.  Aloude  Staat.  I,  pag.  321. 


Digitized  by 


Google 


374 


15-    De  boezem  van  Hunsingoo  en  zijn  afwateringsgebied. 

Tusschen  Fivelingoo  en  het  Reitdiep  ligt  het  gebied  van  den 
boezem  van  Hunsingoo.  Van  de  wateren,  die  tot  dezen  boezem  be- 
hooren,  is  het  Boterdiep  wel  een  der  belangrijkste.  Dit  boezemgebied, 
alsook  het  oostelijk  deel  van  Fivelingoo ,  wordt  bijna  geheel 
door  een  meer  of  minder  smalle  strook  van  jongere  bedijkingen 
langs  de  Wadden,  die  hooger  liggen,  omzoomd.  Deze  laatste  loozen  op 
de  Wadden\  de  boezem  van  Hunsingoo  loost  zijn  overtollig  water 
op  de  Lauwerszee  door  een  sluis  te  Zoutkamp,  en  op  het  beneden- 
pand  van  het  afgesloten  Reitdiep  door  de  Schouwerzijl^  de  Schap- 
halsterzijl^  de  Winsummerzijl^  de  Wetsingerzijl  en  de  Noorderpomp 
onder  Schillingeham.  De  sluizen  naar  het  Reitdiep  staan  meestal  open. 

De  oppervlakte  der  polders,  die  op  dezen  boezem  loozen,  bedraagt 
II 135  H.A.,  die  der  boezemlanden  24890  H.A.  Het  peil  van  den 
boezem  is  0,64  —  A.  P.  Daar  deze  gronden  hooger  liggen  dan  die 
in  Fivelingoo,  kan  het  boezempeil  hooger  zijn. 

Het  Boterdiep.  Het  Boterdiep  verbindt  Groningen  met  Onderdendam  en 
de  overige  kanalen  van  Hunsingoo.  Het  heeft  eene  lengte  van  13650  K.M.  en 
bestaat  uit  een  enkel  pand,  dat  deel  uitmaakt  van  den  boezem  van  Hunsingoo, 
met  een  peil  van  0,64  M.  —  A.  P.  De  diepte  is  1,60  M.  onder  peil,  de  minste 
breedte  op  kanaalpeil  10  M. 

x6.   De  rechtstreeks  op  zee  uitwaterende  landen. 

Door  de  aanslibbingen  in  de  Wadden  werd  de  bedijking  langs 
de  noordkust  van  Groningen  in  de  laatste  eeuwen  telkens  naar 
buiten  gelegd.  Daardoor  ligt  de  oude  zeedijk  thans  midden  door 
het  land  en  is  in  een  slaperdijk  veranderd.  Op  sommige  plaatse» 
liggen  zelfs  drie  zeedijken  achter  elkander. 

De  Wadpolders  zijn,  van  het  westen  bij  de  Lauwerszee  af  aan- 
vangend, de  volgende:  ét  Pantserpolder  ^  de  Torringa-Polder^ix^ii 
—1838),  de  Vierhuister-  of  Midhuister  Polder^  (gedeeltelijk  1770 
en  1807),  de  Hornhuister-  of  Zesboeren  Polder  (1806),  de  Zeven* 
boeren  Polder  (\Zo\\  de  Pokummer  Pr.  {1809),  de  Ikawa  Pr.  (1815) 


Digitized  by 


Google 


375 

•en  de  Feddema^s  Pr,  (1804).  Buiten  deze  laatste  drie  bedijkingea 
werd  in  1872  de  Negenboeren  polder  (286  H.  A.)  ingedijkt,  en 
vóór  de  Toringas-,  Midhuister-  en  Zesboeren  polders  de  Westpolder 
in  1875,  groot  553  H.  A.  Verder  oostelijk  liggen  de  JN oordpolder 
2058  H.  A.  in  1811,  de  üithuizer polder  924  H.  A.  in  1827,  de 
Oostpolder  1140  H.  A.  in  1841,  en  de  Eemspolder  (vóór  de  beide 
laatste)  390  H.  A.  in  1876  bedijkt.  Deze  polders  loozen  direct 
hun  water  door  sluizen  op  de  zee.  Buiten  de  zeedijken  van  deze 
polders  strekken  zich  langs  de  Wadden  nog  kwelderlanden  uit. 

17.    De  boezem  van  Duurswold  en  zijn  gebied. 

Ten  zuiden  van  het  Ëemskanaal  watert  eene  oppervlakte  van 
18225  H.  A.  polderland  en  3775  H.  A.  boezemland  en  hooge 
gronden  af  op  den  boezem  van  Duurswold.  Het  valt  in  het  oog, 
dat  in  Fivelingoo  meer  boezemland  dan  polderland  ligt^  terwijl  in 
Duurswold  juist  het  omgekeerde  bestaat.  Dit  verschijnsel  is  daaruit 
te  verklaren,  dat  Duurswolds  boezemgebied  het  laagste  gedeelte 
van  Groningen  uitmaakt.  De  bodem  ligt  hier  van  =  A.  P.  tot  i 
M.  —  A.  P.  Daarom  noemt  men  dit  gebied  ook  het  Lageland  in 
tegenstelling  van  Hunsingoo  en  Fivelingoo  dat  het  I/oogeland  hett^ 
Aanzienlijke  wateren  behooren  niet  tot  dezen  boezem.  Een  afwa- 
teringskanaal 1869 — 1872  gegraven,  loopt  van  het  Slochterdiep  door 
bet  Schildmeer  naar  de  Eems.  De  waterloozing  heeft  plaats  te 
Farmsum,  bij  Delfzijl,  op  de  Eems.  Inlating  van  water  heeft  er 
niet  plaats.  Door  drie  schutsluizen,  eene  aan  het  Slochterdiep^ 
eene  aan  de  Groeve  en  eene  bij  Delfzijl  staat  deze  boezem  met 
het  Ëemskanaal  in  verbinding,  evenwel  niet  om  water  te  loozen. 
Om  het  lage  afwateringsgebied  is  het  peil  van  den  boezem  1,09  M.  — 
A.  P.  d.  i.  1,90  M.  lager  dan  op  het  Ëemskanaal. 

18.    De  Westerwoldschc  Aa  en  haar  gebied. 

Wenden  wij  ons  thans  weder  naar  het  Z.  O.  gedeelte  van  Gro- 
ningen.   Wi)  zagen  op  pag.  355  dat  van  de  Ruiten  Aa  en  Mussel 


Digitized  by 


Google 


376 

Aa  thans  de  zuidelijkste  gedeelten  zijn  afgesneden,  en  dat  alleen  in 
enkele  gevallen  nog  water  uit  de  bovengedeelten  (op  de  beneden- 
deelen  komt. 

De  Ruiten  Aa  en  Mussel  Aa  beneden  de  snijding  van  het  Stads- 
kanaal  loopen   in    noordelijke  richting  verder.    Boven  Vlagtwedde 
verdeelt   de   Ruiten   Aa  zich  in  twee  takken,  die  beide  den  naam 
Ruiten  Aa   behouden,   en  waarvan  de  westelijke  arm  bij  Wessing- 
huizen   en  de  oostelijke,  die  ook  Veelerdiep  wordt  genoemd,  meer 
benedenwaarts   met   de  Mussel  Aa  samenkomt.    Uit  deze  samen- 
vloeiing van  de  Mussel  Aa  met  de  Ruiten  Aa  ontstaat  de  Wester- 
woldsche  Aa,  De  Westerwoldsche  Aa  stroomt  verder  langs  Wedde, 
Oudeschans  en  Nieuweschans,  en  loopt  door  de  Nieuwe  Statenzijt 
in  den  DoUart,  waar  haar  water  tusschen  de  bij  laagwater  droog- 
vallende gronden  door  de  Buiten  ^<z  naar  de  Eems  wordt  afgevoerd» 
Na  het  ontstaan  van  den  DoUart  stroomde  de  Westerwoldsche  Aa 
vrij    uit   in   dezen   inham.    Zij   werd   het  eerst  afgesloten  door  de 
Bellinf^wolderzijl  ter  plaatse  waar   in    1593   de  Oudeschans  werd 
aangelegd.    In  1657  werd  bij  de  Nieuweschans  de  -4ö5^7 gebouwd, 
die  in  1670  vervangen  werd  door  de  Oude-  of  Tien-Karspelen  zijL 
In  1707  werd  de  Statenzijl  gebouwd,   waardoor   de    Oudezijl   ver- 
viel;  in  1878  kwam  eindelijk  de  Nieuwe  Statenzijl  gereed,  waar- 
door  de  Statenzijl^  die  vroeger  buitensluis  was,  in  een  binnensluis 
veranderde. 

De  Westerwoldsche  Aa  heeft  aan  den  linkeroever  beneden  Wedde 
en  aan  den  rechteroever  beneden  Wedderbergen  eene  doorloopende 
bedijking.  Tot  Wedde  is  zij  bevaarbaar.  Van  de  Nieuwe  Staten- 
zijl tot  de  Bult  heeft  zij  een  diepte  van  3  M.  beneden  het  Aa-peil 
en  een  bodembreedte  van  op  zijn  minst  10  M.  Dit  gedeelte  is 
gekanaliseerd.  Tusschen  de  Bult  en  Wedde  is  de  diepte  1,50  onder 
genoemd  peil,  d.  i.  0,44  M.  +  A.  P.  Bij  verordening  is  bepaald^ 
dat  tusschen  den  laatsten  October  en  i  April  het  water  zoo  mo- 
gelijk en  zoo  noodig  beneden  0,14  M.  -h  A.  P.  moet  gehouden 
worden. 

De   Oude   Statenzijl,   die   in   den   regel   openstaat,  wordt  alleen^ 
gesloten  om  het  riviervak  tusschen  deze  sluis  en  de  Nieuwe  Statenzijl 


Digitized  by 


Google 


377 

te  kunnen  opzetten,  teneinde  de  Buiten  Aa  door  spuien  en  ploegen 
open  te  houden. 

Het  gehede  afwateringsgebied  op  de  Westerwoldsche  Aa  heeft 
een  oppervlakte  van  21300  H.  A.,  waarvan  2930  H.  A.  bemalen 
worden,  terwijl  bovendien  nog  een  gebied  van  5150  H.  A.  ge- 
deeltelijk op  de  Ruiten  Aa,  gedeeltelijk  langs  Boertange  naar  de 
Eems  afwatert.  Dit  afwateringsgebied  ligt  aan  beide  zijden  van 
genoemde  Aa  en  aan  de  Ruiten  en  Mussel  Aa  hoofdzakelijk  boven 
Wedderbergen.  Het  land  verder  beneden waarts  watert  niet  af  op- 
de  Westerwoldsche  Aa.  Hier  liggen  de  afwaterings  gebieden  van 
den  boezem  van  Retderland  en  die  van  den  boezem  van  het  water- 
schap de  Vereeniging^  dit  laatste  langs  den  DoUart. 

19.    Het  gebied  van  den  boezem  van  Retderland. 

De  boezem  van  Reiderland  wordt  gevormd  door  onderscheidene 
kleine  wateren,  die  het  land  doorsnijden.  De  Westerwoldsche  Aa  loopt 
door  dit  gebied,  doch  ontvangt  hiervan  geen  water.  Het  zomerpeiL 
van  den  boezem  is  0,49  M.  —  A.  P.  Inlating  van  water  heeft 
er  niet  plaats.  Het  water  van  dezen  boezem  wordt  dwars  door 
den  Reiderwolderpolder  gevoerd  en  door  de  Reiderlander  buiten- 
sluis  op  de  buitengeul  of  mude  gebracht,  die  het  door  de  bij 
laagwater  droogvallende  gronden  van  den  Dollart  naar  de  Eems 
afvoert.  De  binnensluis  in  den  Aegypterdijk  wordt  gesloten  als 
het  zomerpeil  bereikt  is,  en  ook  als  het  kanaal  tusschen  beide 
sluizen  moet  worden  opengezet  ten  behoeve  van  het  spuien  en 
ploegen  der  buitengeul.  Beneden  het  zomerpeil  mag  van  i  Met 
tot  I  October  niet  worden  afgestroomd.  Om  in  dien  tijd  met 
ploegen  der  buitengeul  te  kunnen  voortgaan,  kan  het  kanaal 
tasseben  de  beide  sluizen  worden  opgezet  door  middel  van  een 
vijzelmolen,  binnen  de  Binnenzeesluis  geplaatst,  die  het  water  uH 
den  boezem  opmaalt.  De  gezamenlijke  polders,  die  op  dien  boezen^ 
afwateren,  beslaan  een  oppervlakte  van  13100H.A)  die  der  boezem^ 
landen  60  H.  A.  De  zomerwaterstand  in  de  polders  loopt  van 
0,65    tot    1,55  M.  —  A.  P.,  zoodat  voor  vele  bemaling  noodig  is^ 


Digitized  by 


Google 


378 
2  o.    Dc  boezem  van  hei  waterschap  de  Vereeniging, 

Het  waterschap  de  Vereeniging  bestaat  uit  den  Oosterwolder 
j>oIder^  den  linsterwolder  polder  en  den  Reiderwolder  polder^  inge- 
dijkt in  1769,  18 19  en  1874.  Deze  jong  bedijkte  terreinen  liggen 
hooger  dan  die  in  het  vorige  gebied.  De  zomerpeilen  loopen  0,70 
tot  0,80  M.  —  A.  P.  Het  zomerpeil  van  den  boezem  is  0,70  M. 
—  A.  P.  Het  water  van  den  Finsterwolder  polder  wordt  door 
«en  afwateringskanaal  afgevoerd  naar  Fimel,  waar  het  door  een 
sluis  op  de  Eems  loost.  De  Reiderwolder  polder  loost  op  genoemd 
afwateringskanaal  door  eene  sluis,  terwijl  de  Oost  wolder  polder  door 
•een  sluis  loost  op  den  Finsterwolder  polder  en  ook  op  dezen  kan 
worden  afgemalen.  Inlating  van  water  heeft  niet  plaats.  In  het 
geheel  wateren  4120  H.  A.  landen  door  die  sluis  af,  waartoe 
2840  H.  A.  polderland  behoort. 

21.    De  boezem  van  Oldambt  en  zijn  gebied  en  de  boezem  van 
het  waterschap  Oterdum. 

Ten  westen  van  bovengenoemde  boezemgebieden  ligt  nog  dat 
van  den  boezem  van  Oldambt,  bestaande  uit  5905  H.  A.  boezem- 
land  en  12950  H.  A.  polderland.  Het  voornaamste  boezemkanaal 
is  het  Ter  munter  zij Idiep,  Deze  boezem  loost  op  de  Eems  bij  Ter- 
munten  door  twee  sluizen,  de  Oude  en  Nieuwe  TermunterzijL  Het 
zomerpeil  van  den  boezem  is  1,13  M.  —  A.  P.  Beneden  dit  peil 
mag  van  den  isten  April  tot  den  isten  Oct.  niet  worden  afge- 
stroomd. Het  maalpeil  is  0,44  M.  —  A.  P.  Het  zomerpeil  der 
pelders  loopt  tot  2,13  M.  —  A.  P.,  zoodat  de  polders  bemalen 
moeten  worden. 

Binnen  den  Ëemsdijk  tusschen  Duurswold  ten  W.  en  het  Ter- 
munterzijldiep  ten  O.  ligt  het  kleine  waterschap  ö/^ri/ww,  1595  H.A. 
groot.  De  boezem  wordt  hoofdzakelijk  gevormd  door  de  Oier- 
dummer  Maar^  peil  1,16  M.  —  A.  P.,  die  door  de  Oterdummerzijl 
op  de  Eems  loost. 


Digitized  by 


Google 


379 

§   3-      1>£  ORO-HYDROGRAPHISCHB  GESTELDHEID  DER  PROVINCIE 
GRONINGEN  IN   VERBAND   MET  DE  VERDEDIGING. 

Evenals  in  Holland  en  Utrecht  heeft  men  ook  in  de  Provincie  Groningen 
vroeger  partij  getrokken  van  het  terrein  om  de  provincie  te  verdedigen.  Het 
is  in  het  merkwaardige  jaar  1672,  dat  eene  aitgebreide  inundatie  in  deze  pro- 
vincie werd  uitgevoerd  om  de  Munstersch-Keulschc  krijgsmacht  in  het  noorden 
tegen  te  houden.  De  grenzen  van  deze  inundatiCn  vindt  men  aangegeven  op 
eene  kaart  van  den  heer  J.  P.  Koster  in  zijn  werk  „De  provincie  Groningen 
-en  hare  defensie  in  de  laatste  twee  eeuwen/^  Hieruit  blijkt,  dat  in  genoemd 
jaar  de  inundatiegrens  zich  in  het  noorden  uitstrekte  tot  het  Reitdiep  en  het 
Damsterdiep.  Ten  zuiden  aan  deze  beide  wateren  lag  een  meer  of  minder 
breed  terrein  onder  water.  Het  lage  gedeelte  van  Fivelingoo  leende  zich  daar- 
toe uitstekend.  Hier  liep  het  gelnundeerde  terrein  tot  aan  het  Zuid  laarder  meer 
-en  verder  tot  de  lijn  Hoogezand,  Sappemeer,  Muntendam,  Heiligerlee,  Scheemda 
«n  Oostwold  naar  het  oosten,  evenwel  afgebroken  door  enkele  hooge  zand- 
niggen.  Ten  westen  van  Groningen  lag  het  geTnundeerde  terrein  ten  westen 
-en  zuiden  van  het  Reitdiep,  en  strekte  zich  met  armen  naar  het  Z.  W.  door  de 
Tage  terreinen  tusschen  de  ruggen  langs  de  Leek,  het  Wolddiep  en  het  Kolonels- 
•diep  uit. 

"Waar  verkreeg  men  het  water  voor  dergelijke  inundatie?  De  heer  Koster 
wijst  in  bovengenoemd  werk  aan,  dat  men  in  1672  verplicht  was  geweest  om  tot 
het  verkrijgen  etner  volledige  inundatie  gedurende  meer  dan  drie  maanden  het 
Mnnenwa/er  op  te  houden  en  bovendien  gedurende  ongeveer  vier  a  nes  weken 
het  vloerioaier  door  16  zee  sluiten  in  ie  laten,  i)  Het  opstuwen  van  het  water 
dat  uit  Drente  komt,  met  het  binnenlaten  van  zeewater  konden  vereenigd  die 
•inundatie  tot  stand  brengen,  doch  eerst  na  langen  tijd. 

De  oostelijke  moeraslinie.  In  het  oosten  der  provincie  Groningen  bood 
de  natuur  eene  verdedigingslinie  aan  in  de  Boertanger  moerassen.  De  strook 
lands  van  den  DoUart  tot  Koevorden,  ongeveer  12  4  13  uren  lang  en  ongeveer 
3  &  4  uren  breed,  lag  vroeger  woest  en  onbebouwd  zonder  wegen  en  zonder 
goede  afwatering.  Door  gemis  van  afwatering  waren  hier  de  planten  gedurende 
•eenige  eeuwen  bewaard  en  tot  venen  opgehoopt,  en  deze  venen  smoorden  op 
hun  beurt  de  afwatering  weder.  Tal  van  poelen  en  meren  strekten  zich  hier 
uit  o.  a.  het  Bellingwolder,  Lyske,  Sellinger,  Emmer  en  Hebeier  meer,  het 
Zwarte  meer  en  andere. 

Deze  meren  zijn  meestal  thans  verdwenen.  De  riviertjes  van  vroeger  vindt 
men   er  thans   nog,   de  Ruiten  Aa  en  Mussel  Aa   tot  Westerwoldsche  Aa  ver- 


i)  J.  P.  Koster.  De  provincie  Groningen  en  hare  defensie  1874  pag.  12. 


Digitized  by 


Google 


38o 

eenigd,  die  naar  het  noorden  vloeien,  en  het  Drostendiep  en  Loodiep,  dienaar 
het  zuiden  stroomen.  Die  streek  was  toen  onbegaanbaar  en  „de  conservatie- 
der moerassen  was  de  natuurlijke  sterkte  van  den  Staat  ter  bescherming  vai¥ 
het  oostelijk  frontier".  Daarom  trachtte  men  die  grens  in  dien  ontoegankelijken 
staat  te  houden. 

Tot  dit  doel  werden  vele  maatregelen  genomen.  In  1672  werd  bij  Sellingen  een 
rijsdam  in  de  Ruiten  Aa  gelegd,  waaruit  de  Nieuwe  Ruiten  Aa  (zie  pag.  353)- 
naar  het  fort  Boertange  loopende,  gevormd  werd.  Hieruit  kon  men  de  moe- 
rassen dras  zetten  en  den  omtrek  van  het  fort  Boertange  inundeeren.  Het  be- 
stendigen van  den  moerassigen  toestand  dier  streek  was  eene  der  voorwaarden^ 
waarop  de  drie  veroverde  provinciën  Gelderland,  Utrecht  en  Overijsel  na  den 
oorlog  1672 — 1678  wederom  in  de  Unie  werden  opgenomen.  In  1687  en  88 
werden  met  hetzelfde  doel  de  zoogenaamde  Leidijken  gelegd  om  de  afvloeiing 
van  water  te  belemmeren.  Het  doorsteken  en  vergraven  van  de  dijken,  het  aftap- 
pen van  de  wateren,  veenbranden,  en  boekweiten,  weiden  van  vee,  maken  van 
paden  en  wegen  werd,  bij  een  plakkaat  van  de  Staten  Generaal  der  Vereenigde 
Nederlanden  van  5den  Juli  1694,  ten  scherpste  verboden  i).  Het  grens-tractaat 
in  1784  met  de  Hannoversche  Kreits  Meppen  gesloten,  verbood  het  aanleggen 
van  vaste  zandwegen  door  de  moerassen  ter  weerszijden  van  de  grenslinie» 
Zelfs  de  toelichtingen  in  1836  en  1846  op  het  grensverdrag  van  1824  gegeven 
bestendigden  het  verbod  tegen  het  bouwen  van  nieuwe  woningen  met  stook- 
plaatsen  en  stonden  slechts  het  vergrooten  van  bestaande  woningen,  echter 
zonder  het  aanleggen  van  nieuwe  haarden,  toe.  Gedurende  twee  eeuwen  ijverden 
de  militaire  ingenieurs  sterk  voor  het  bewaren  van  den  onbewoonden  staat  dezer 
grensmoerassen.  Evenwel  was  men  daarachter  geenszins  veilig,  daar  deze  moeras- 
sen onderscheidene  malen  door  legers  werden  doorgetrokken,  zij  het  ook  al,  dat 
er  groote  moeielijkheden  aan  gepaard  gingen. 

Zoo  werd  dan  eindelijk  met  dit  stelsel  gebroken.  Bij  het  grenstractaat  van 
1824  (Staatsbl.  1846  No.  54)  werd  het  drijven  van  landbouw  en  veeteelt,  het 
vervoer  van  landbouwprodukten  en  de  circulatie  over  de  moerassen  in  enkele 
opzichten  reeds  vrij  verklaard.  De  Sellingerdam  werd  kort  daarna  opgeruimd. 
Het  tractaat  van  1868  met  Pruisen  gesloten  heeft  de  grootste  belemmering  voor 
de  ontwikkeling  dier  streek  ten  laatste  opgeheven,  door  het  intrekken  van  het 
verbod  op  het  bouwen  van  woningen  met  stookplaatsen.  Daarmede  ging  ge- 
paard het  graven  van  kanalen  door  de  venen  (zie  pag.  354K  het  afgraven  der 
venen  en  de  ontwikkeling  der  veenkoloniën  op  de  grenzen. 

De  oostelijke  moeraslinie  sloot  zich  in  het  noorden  aan  bij  den  Dollart.  Hier 
ontlastte  de  Westerwoldsche  Aa  zich  door  de  Belling  wolder  zijl  in  den  Eemsboezem. 

I)  Groot  placaatboek  IV  fol  547. 


Digitized  by 


Google 


38i 

Deze  sluis  was  toen  „een  bekwame  plaats  om  de  wegen  naar  Groningen  te  ver- 
-diinken  en  te  verderven,  hetzij  door  middel  van  het  openen  der  zijlen  bij  hoo- 
^e  vloeden  water  binnen  te  doen  loopen  of  door  het  sluiten  derzelve  de  uitwa- 
tering  te  beletten,  welke  van  de  Boertanger  moerassen  naar  deze  plaats  geschiedt" 
aegt  van  Reid  i).  Daarom  werd  deze  plaats  in  April  1593  door  Graaf  Willem 
Lodewijk  van  Nassau  versterkt.  Op  den  eenigen  groolen  weg,  toen  uit  het 
noorden  des  lands  naar  Munsterland  voerend,  werd  in  Augustus  van  dat  zelfde 
jaar  door  genoemden  graaf  Willem  het  fort  Boertange  gebouwd,  dat  weldra 
Verdugo  tegenhield. 

Doch  de  Dollart  werd  door  aanslibbing  weldra  tot  enger  grenzen  beperkt, 
-en  er  ontstond  aan  den  zuidkant  van  den  Dollart  een  hoog  kustland  (zie  pag. 
349)  ten  noorden  van  de  moerasgrens.  De  Bellingwolderschaus  log  op  den 
ouden  DoUartdijk  van  1545,  tn  aan  het  oostelijk  uiteinde  van  dien  dijk  op  de 
Oost-Friesche  grens  lag  de  Booneschans.  Toen  nu  in  1626  door  de  inpoldering 
van  2364  H.  A.  lands  aan  den  Dollart,  dat  van  Beerta  en  Beertsterhamrik, 
werd  ingedijkt,  bleef  genoemde  schans  met  de  sluis  in  het  land  liggen.  Daarom 
werd  in  1628  de  Nieuwe  Schans  verder  zeewaarts  gebouwd. 

Maar  de  landaanwas  ging  steeds  voort.  Daarom  werd  reeds  in  1681  aan 
prins  Willem  III  het  bouwen  van  een  derde  schans  voorgesteld,  en  toen  was 
reeds  te  voorzien,  dat  er  spoedig  een  vierde  zou  worden  gevorderd.  Na  de 
indijking  van  den  Kroonpolder  in  1696  werd  in  1707  de  Statenzijl  tot  uitwate- 
ringsluis  gebouwd,  en  die  beheerschte  dus  de  inundatie  aan  de  oostelijke  grens. 
Ook  deze  moest  toen  weder  versterkt  worden.  Dat  deze  zijl  in  1878  door  de 
Nieuwe  Statenzijl  in  een  binnensluis  werd  veranderd,  merkten  wij  reeds  vroeger 
■op.  Door  deze  inpoldering  werd  de  Aa-linie  in  het  noorden  aldus  verlengd, 
•doch  zij  nam  tevens  af  in  beteekenis. 

Doch  niet  alleen  deze  oostelijke  linie,  de  geheele  inundatie  van  Groningen 
heeft  haar  beteekenis  verloren.  Een  eigenlijk  inundatiestelsel  bestaat  er  in 
Groningen  thans  in  het  geheel  niet  meer.  Wel  zou  men  nog  gedeelten  lands 
onder  water  kunnen  doen  loopen,  doch  de  onregelmatige  overstrooming  gelijkt 
in   niets   op   een   stelsel,    waarvan    de   verdediging  nut  zou  kunnen  hebben  2). 


i)  E.  van  Reid.  Historie  der  Nederlandsche  oorlogen  1650  pag.  198. 
2)  Hoofdzakelijk   gevolgd   naar   J.    P.    Koster.   De   provincie    Groningen  em 
hare  defensie  1874. 


Digitized  by 


Google 


XVII.     DE    WATEREN    EN   EILANDEN   LANGS   DE 

NEDERLANDSCHE  KUSTEN,  NATUURKUNDIG 

EN  HISTORISCH  BESCHOUWD. 


LITERATUUR. 

1.  Kaart  van  de  Monden  van  de  Eems,  i :  50000  (Departement  van  Marine  1889). 

2.  Kaart  van  het  Friesche  Zeegat  en  een  gedeelte  der  Wadden,  i :  50000- 
(Departement  van  Marine  1887). 

3.  Hydographische  kaart  der  zeegaten  van  Vlieland,  Terschelling  en  Ameland, 
met  de  vaarwaters  naar  Harlingen  en  de  Zuiderzee  tot  de  Middelgronden 
1 :  50000  (Departement  van  Marine  1886). 

4.  Hydrographische  kaart  van  Terschellinger  bank  en  zeegat  i :  looooa 
(Departement  van  Marine  1881). 

5.  Hydrographische  kaart  van  de  Zuiderzee  i  :  50000.  In  twee  gedeelten  elk 
van  2  bladen  (Departement  van  Marine  1885). 

6.  Hydrographische  kaart  der  Zuiderzee  l :  looooo,  op  een  blad,  1886. 

7.  Hydrographische  kaart  der  Texelsche  zeegaten  en  vaarwaters  1:30000- 
(Departement  van  Marine,  in  2  bladen,  1875). 

8.  Zeegat  van  Texel  i  :  30000  (Departement  van  Marine  1886). 

9.  Hydrograpische  kaart  van  de  Eijerlandsche  gronden  i  :  50000  (Departement 
van  Marine  1886). 

(Van  de  meeste  der  bovengenoemde  kaarten  bestaan  ook  vroegere 
dmkken;  wij  noemden  de  laatste  die  ons  bekend  zijn.  Voor  de.  oudere 
kaarten  der  zeegaten  zie  men  de :  Catalogus  der  verzameling  van  kaarten 
van  het  Ministerie  van  Marine    1872). 

10.  G.   AcKER    Stratingh   en   G.   A.   Vknema.     De   Dollard   of  geschied^ 
aardrijks-  en  natuurkundige  beschrijving  van  dezen  boezem  der  Eems  1855» 

11.  G.   AcKER   Stratingh.    Over  het  eerste  ontstaan  van  den  Dollard  (Bijdr. 
tot  de  oudheidk.  v.  Groningen  VII  pag.  186.) 

12.  G.  AcKBR  Stratingh.    Aloude  staat  des  vaderlands.  1847 — 52. 


Digitized  by 


Google 


383 

)I3-    G.  A.  Venema.    Beschouwing,  van  de  veelzijdige  voordeelen  van  de  inpol- 
dering van  een  gedeelte  van  den  Dollart  (Tijdschr.  v.  Nijverh.  1849). 
14.   Tacitus.     Annales  I. 
.15.    PoMPENius  Mela.    De  Situ  Orbia. 

16.  Plinius.     Historia  naturalis. 

17.  W.C.H.  Staring.  De  bodem  van  Nederland  I  (vooral  voor  de  beschrijving 
der  Wadden). 

18.  F.    Arends.     Natuurkundige   geschiedenis   van    de   kusten  der  Noordzee^ 
vertaald  en  met  aanteekeningen  voorzien  door  Dr.  R.  Westerhoff.  1835. 

19.  R.  Westerhoff  en  G.  Acker  Stratingh.  Natuurlijke  historie  der  provincie 
Groningen.  1839. 

.20.    G.  A.  Venema.     Over  het  dalen  van  den  bodem  van  de  noordelijke  kust- 
streken van  ons  land.  1854. 
-21.  G.   A.    Venema.     Nieuwe    en  eenvoudige  verklaring  van  de  veranderinge» 

die   de   kusten   van   ons  land  langs  de  zee,  de  Wadden,  de  zeeboezems  en 

de  groote  stroomen  ondergaan.  1849. 
22.    B.    P.    G.    VAN    Diggelen.     De   Zuiderzee,    de   Friesche   Wadden    en   de 

Lauwerzee,  1849. 
^3.    C.  J.  DE  Jong  Pzn.  Beschrijvingen  der  Nederlandsche  zeegaten.  (Uitgegeven 

door  de  Nederlandsche  Marine,  1890). 
24.   T.   J.    Stieltjes.    Ameland  door  landaanwinning  op  de  Friesche  Wadden 

(Gids  1869  I). 
.25.   P.   J.   W.   Teding   van   Berkhout.     De  landaanwinning  op  de  Friesche 

Wadden.   1869. 

26.  R.  Westerhoff.    De  kwelderkwestie  nader  toegelicht.  1844. 

27.  G.  A.  Venema.    Over  het  eiland  Rottum.  (Bijdr.  voor  de  kennis  der  prov^ 
Groningen  IV.) 

28.  N.   Meursinge,     Aanteekeningen   over  de  natuurlijke  geschiedenis  van  het 
eiland  Rottum.  (Versl.  der  Kon.  Akad.  v.  Wetensch.  Nat.  I  pag.  203.) 

29.  W,   W.    BuMA.     Schiermonnikoog,   de   Lauwers   en   de    Schotbalg.  (Vrije 
Fries  XII  1873.) 

30.  A.   WiNKLER  Prins.    Geschiedenis   en  beschrijving  van  het  eiland  Schier- 
monnikoog, 1868. 

31.  J.  H.  Halbertsma.     De  Friesche  eilanden  Schiermonnikoog,  Ameland  en* 
Terschelling  (N.  Friesche  Volksalmanak  1856). 

32.  M.   de    Haan    Hettema.     Het  eiland  Ameland  (Nieuwe  Friesche  Volks- 
almanak 1855}. 

33.  J.  VAN  der  Vegt.    Memorie  over  den  tegenwoordigen  toestand  van  Vlieland ^ 
van  de  Vliehors,  het  Eijerlandsche  gat  enz.(Versl.  der  Opcnb.  werken  1865). 

34.  P.  Harting.    Het  eiland  Urk,  zijn  bodem,  voortbrengselen  enz.  1853. 


Digitized  by 


Google 


384 

35-  F.  Allan.  Beschrijvingen  van  Texel,  Vlieland,  Wieringen,  Marken  (iM 
afzonderlijke  deeltjes  1854 — 57). 

36.  L.  Ph.  C.  van  den  Bergh.     Middel- Nederlandsche  geographie.    1872. 

37.  J.  SCHELTEMA.  Proevc  eener  geschiedenis  der  Zuiderzee  (Mengelwerk  1836  VI). 

38.  J.  G.  Ottkma.  Redevoering  over  het  ontstaan  der  Zuiderzee  (Vrije  Fries 
1846  IV). 

39.  D.  FocKEMA.     Over  de  vorming  der  Zuiderzee  (Vrije  Fries  1846  IV). 

40.  H.  Blink.  De  lage  venen  in  Nederland  (Tijdschr.  K.  N.Aardr.  Gen.  1891). 

41.  H.  BE&NEI.OT  MoENS  en  R.  P.  J.  Tutein  Noltheniüs.  Verslag  over  de 
waarnemingen  in  de  Noordzee  omtrent  de  stroomen  langs  de  Nederland- 
sche kust  in  de  jaren  1880 — 82. 

42.  R*  P.  J.  Tutein  Noltheniüs.  Onze  westelijke  nabuur  de  Noordzee  (Gids  1886). 

43.  C.  Lely.  Nota's  over  het  „Onderzoek  omtrent  de  afsluiting  en  droogmaking 
van  de  Zuiderzee,  de  Wadden  en  de  Lauwerszee"  van  wege  de  Zuiderzee- 
Vereeniging. 

44.  A.  HcBT.  Overzicht  van  de  verschillende  ontwerpen  tot  droogmaking  vaa 
de  Zuiderzee  (Tijdschr.  Inst.  v.  Ingenieurs  1879 — 80). 

45.  Droogmaking  van  het  zuidelijk  deel  der  Zuiderzee.  Verzameling  officiCele 
bescheiden,  uitgegeven  door  de  Nederlandsche  maatschappij  van  Grond- 
krediet,  1868. 

46.  W.  Verwey.    Waterbouwkunde,  1887. 

47.  Jahresberichte  der  Commission  zur  Untersuchung  der  Deutschen  Meere.  1874. 

48.  VoN  BOGOSLAWSKI,  Krqmmel.  Handbttch  der  Ozeanographie,  1884—1887. 

49.  Gczeitentafeln  flir  das  Jahr  1892. 

8    I.      DE  DOLLART,   NATUURKUNDIG   EN   HISTORISCH. 

A.  Natuurlijke  gesteldheid  van  den  Dollar t. 

De  Dollart  met  de  Eemsmond  vormen  op  de  Rijksgrens  in  het 
oosten  een  inham  in  het  land,  die  als  een  tegenhanger  van  de 
vroegere  Middelzee  en  van  de  Lauwerszee  kan  beschouwd  worden. 
De  Dollart  is  in  historisch  en  natuurkundig  opzicht  eigenlijk  een 
boezem  van  den  breeden  Eemsmond.  En  het  breede  water,  hetwelk 
naar  de  rivier  de  Eems  in  Duitschland  den  naam  Eemsmond  of 
Eems  verkregen  heeft,  is  een  getijdenwater,  evenals  de  Scheldemon- 
<len  en  de  I^auwerszee,  dat  naar  eene  rivier  is  genoemd,  omdat 
<leze  er  in  uitmondt,  maar  uit  zich  zelf  bestaat  en  blijft  bestaan. 
De  rivier  heeft  betrekkelijk  weinig  invloed  op  het  getijdenwater« 


Digitized  by 


Google 


385 

De  Dollart  dan  is  de  cirkelvormige  verbreeding  en  uitbreiding 
der  Ëenis  naar  het  zuiden.  Het  grootste  gedeelte  van  den  Dollart 
is  tegenwoordig  bij  ebbe  (0,73  M.  A.  P.)  niet  meer  door  water 
bedekt,  doch  bij  vloed  (1,36  M.  4-  A.  P.)  vloeit  het  zeewater  over 
deze  vlakte.  Het  is  een  uitgestrekte  zand-  en  slibvlakte,  die  bij  hoog- 
water overstroomd  wordt  en  van  eenige  geulen  doorsneden  is, 
waarlangs  het  water,  dat  de  vloed  achterlaat  of  het  achterliggende 
land  er  op  loost,  bij  het  zinken  van  het  getij  wegvloeit. 

In  het  Z.  O.  loost  op  den  Dollart  de  Westerwoldsche  Aa  (zie 
pag.  376)  door  de  Nieuwe  Statenzijl.  Aanvankelijk  met  een  smalle  geul 
loopt  die  uitmonding  met  een  zachte  bocht  door  de  slibgronden  van 
de  Oost- Friesche  plaat  en  Moeplaat^  de  Boo^eplaat  e.  a.,  naar  het 
noorden,  en  draagt  den  naam  van  Schanserdiep  of  Buiten  Aa, 
Nadat  eenige  >  rieten  c  i)  zich  hiermede  vereenigd  hebben,  wordt  het 
water  breeder  en  dieper,  en  eindigt  in  een  klein  getijdenwater  het 
Groote  Gat^  dat  met  de  Eems  in  verbinding  staat.  Verder  westelijk 
vindt  men  het  Noorder  Oude  Riet^  dat  in  het  noorden  Onde  Beerster 
Mude  heet.  De  voornaamste  platen  in  den  Dollart  ziji  verder:  de 
Noordwal^  de  Reiderplaat^  de  Heringsplaat^  de  Maanplaat  en  het 
Hoogzand.  Daar  de  aanslibbing  van  den  Dollart  steeds  voortgaat, 
ver  landen  aan  de  1  andzij  de  de  geulen  zeer  licht,  en  hierdoor  raken 
de  uitwateringszijlen  dikwijls  verstopt,  zoodat  de  buiten  stroomen 
kunstmatig  open  gehouden  moeten  worden.  Dit  geschiedt  o.  a.  door 
het  vloedwater  te  laten  binnenloopen  en  hiermede  bij  laagwater  de 
uitwateringsstroora  te  versterken,  (spuien). 

De  kwelder-  en  slijkgronden  van  den  Dollart  vormen  van  den 
dijk  gezien,  een  effene  bruinachtige  vlakte,  zonder  afwisseling,  die 
den  onkundige  doet  vermoeden,  in  de  verte  een  waterspiegel  voor 
zich  te  zien.  De  kleur  van  het  slijkerige,  troebele  vloed  water  ver- 
schilt dan  ook  weinig  van  die  des  bodems,  en  is  alleen  iets  don- 
kerder,   zoodat     men    hoofdzakelijk    aan   de   lijn   van   het    voort- 

i)  De  wateren  in  den  Dollart  worden  aangeduid  bXs:  gafen^  geulen,  tieten^ 
rillen,  overloopen,  aders  en  hlainen.  (Acker  Stratingh  en  Venema,  De  Dollard 
pag.  181). 

II  25 


Digitized  by 


Google 


386 

dringende    water    kan  zien,  of  de  vloed  over  de  landen  voortjaagt. 

De  gronden  van  den  Dollart  zijn  van  zeer  verschillenden  aard. 
Men  vindt  er  uiterst  vette  kleigronden,  gemengde  gronden,  (in  de 
Wadpolders  >zavelgrondenc  genoemd)  uit  vermenging  van  klei 
en  zand  bestaande,  en  gronden^  die  uit  zuiver  zand  of  zeezand 
bestaan.  In  het  algemeen  kan  men  zeggen,  dat  de  noordelijke  ge- 
deelten der  platen,  langs  de  kusten  uitgezonderd,  uit  onbruikbaar 
zand  bestaan,  terwijl  zij  verder  naar  land  toe  in  gemengden  grond 
en  eindelijk  in  klei  overgaan,  zoodat  over  *t  geheel  langs  de 
dijken  de  zuiverste  klei  gevonden  wordt.  Die  afzetting  van  klei 
gaat  nog  steeds  voort  en  moet  wel  het  sterkst  zijn  langs  de  dijken, 
daar  alleen  het  fijne  slib  tot  hiertoe  door  het  water  wordt  mede- 
gevoerd,  terwijl  de  zwaardere  bestanddeelen  reeds  vroeger  bezonken 
zijn.  De  dikte  der  kleilagen  bedraagt  daardoor  niet  zelden  3  k  4  M. 
De  Dollartklei  wordt  door  de  boeren  langs  de  Buiten  Aa  veel  uit- 
gegraven en  vervoerd  tot  verbetering  der  schrale  zandgronden. 

Onder  de  klei-  en  zavelafzettingen  wordt  op  vele  plaatsen  nog 
veen  gevonden,  dat  door  de  jongere  lagen  van  aanslibbingen  in 
elkander  geperst  is.  Dat  veen  noemt  men  darg.  Somtijds  worden 
stukken  darg  door  de  golven  losgewoeld,  die  dan  op  het  water  drij- 
ven en  bij  eb  op  de  platen  blijven  liggen.  Bij  laag  water  heeft  de 
Dollart  daardoor  een  eigenaardig  aanzien ;  > die  kale  vlakte  gelijkt  op 
een  woestijn  met  groote  zwarte  steenblokken  als  bezaaid,  die  zich 
geheimzinnig  schijnen  te  verplaatsen,  daar  zij  heden  hier  en  bij  een 
volgende  eb  daar  worden  aangetroffen. «  ( Acker  Stratingh  en  Venema). 

Wanneer  de  aanslibbing  de  hoogte  van  den  gewonen  vloed  bereikt 
heeft,  wordt  zij  droger  en  vaster,  en  weldra  begint  hierop  de  plan- 
tengroei. In  de  eerste  plaats  groeit  er  haneiwet  iSalicornia  herhacea 
Z.)  waartusschen  enkele  suUe  planten  {Aster  Tripolium  Z.)  groeien. 
Al  spoedig  verkrijgen  de  laatste  de  overhand,  en  de  suite  wordt 
op  haar  beurt  weer  verdrongen  door  het  kweldergras  (Glyceria 
maritima^  Koch\  dat  doodelijk  is  voor  de  suite.  Die  met  gras 
begroeide  buitengronden  noemt  men  kwelder  gronden.  Zij  vormen 
dus  de  streek  gronds,  die  tusschen  de  sulteaanwas  en  den  dijk  ligt. 
De  kweldergronden  hellen  naar  buiten  gelijkmatig  zacht  af;  waarde 


Digitized  by 


Google 


38? 

suUestrook  aan  de  slijkgronden  grenst,  is  de  helling  grooter  dan 
verder  naar  binnen  of  naar  buiten.  Tot  op  een  afstand  van  3000  M. 
bedraagt  in  eene  richting  loodrecht  op  den  dijk  de  helling  gemid- 
deld +  0,54  per  1000  M. 

De  helling  der  aanwassen  is  evenwel  niet  overal  gelijk.  De 
steilste  hellingen  vindt  men  daar,  waar  de  plantengroei  ophoudt, 
naast  de  rauwe  slijk.  De  planten  toch,  en  bovenal  de  suite,  welke 
een  dicht  bosch  vormt,  zijn  krachtige  middelen  om  de  aanslibbing 
te  bevorderen.  Het  slib  der  wateren  wordt  door  de  planten  vast- 
gehouden, en  de  planten  brengen  het  water  tevens  tot  rust,  waar- 
door het  slib  beter  bezinken  kan.  Hierdoor  zal  een  streek  met  suite 
begroeid  sterker  aanslijking  hebben  dan  het  daarachter  liggende 
kwelderland.  Bleef  de  sultestrook  steeds  op  dezelfde  plaats,  dan 
zou  zich  hier  een  aanzienlijker  ophooging  vormen,  doch  met  het 
toenemen  der  aanwassen  schuift  de  sultestreek  vooruit  naar  zee 
en  wordt  door  het  kweldergras  gevolgd. 

De  aanwas  van  den  DoUart  heeft  niet  in  alle  maanden  des  jaars 
even  snel  plaats.  De  naakte  slijkgronden  ontvangen  in  de  laatste 
zes  maanden  des  jaars  meer  slib  dan  in  de  eerste  zes.  Dit  is 
een  gevolg  hiervan,  dat  in  de  laatste  maanden  des  jaars  de 
Z.  W.  winden,  die  hier  slib  aanvoeren,  verhoudingswijze  het  meest 
waaien.  Deze  winden  zijn  niet  zoo  krachtig,  dat  zij  het  waterover 
't  geheel  naar  de  kweldergronden  drijven,  zoodat  het  slib  vóór  en 
op  de  strook  der  hanevoeten  blijft.  Doch  in  den  naherfst,  den 
winter  en  het  voorjaar  met  meer  N.  W.  winden,  wordt  tiet  water 
verder  landwaarts  gedreven  en  het  slib  aldus  over  de  kwelder- 
gronden  gevoerd,  die  in  deze  maanden  het  sterkst  ophoogen. 

De  aanslibbing  wordt  in  den  Dollart  niet  geheel  aan  de  natuur 
overgelaten,  doch  door  den  mensch  op  kunstmatige  wijze  bevor- 
derd, i)  Het  verschijnsel,  dat  de  jongere  aanslibbingen  tot  grooter 

I)  Voor  nadere  kennis  van  den  Dollart  verwijzen  wij  naar  het  klassieke 
werk  van  Dr.  G.  Acker  Stratingh  en  G.  A.  Venema,  De  Dollard  of  geschied-, 
aardrijks-  en  natuurkundige  beschrijvinor  van  dezen  boezem  der  Eems,  1855, 
waaraan  wij  veel  ontleenden.  Wanneer  zal  ook  een  dergelijke  beschrijving  der 
Zuiderzee  het  licht  zien  ? 


Digitized  by 


Google 


388 

hoogte  komen  dan  de  oudere,  vindt  men  ook  hier.  De  oudere 
aanwassen  langs  den  DoUart  hebben  eene  hoogte  van  0,2  M.  — 
A.  P.,  hoewel  zij  op  sommige  plaatsen  lager  gelegen  zijn,  bijv.  in 
Oud  Nieuwland  0,8  M.  —  A.  P.,  in  den  Oostwolderpolder  0,72 
M.  —  A.  P.      De  jongere  liggen  tot  boven  A.  P.  hoog. 

B.     Geschiedenis  van  den  Dollar t. 

Waar  zich  thans  de  DoUart  uitstrekt,  lag  vóór  het  ontstaan  van 
dit  water  een  uitgestrekte  vlakte,  aan  de  oppervlakte  meest  uit  laag 
veen  bestaande.  Dit  landschap  behoorde  voor  het  aanzienlijkste 
gedeelte  tot  Reiderland,  voor  een  kleiner  deel  tot  Oldambt.  De 
rivier  de  £ems  stroomde  destijds  tusschen  meer  bepaalde  oevers,  en 
liep  met  een  bocht  naar  het  noorden  voorbij  Emden  (zie  het  kaartje) 
tusschen  die  stad  en  het  voormalige  Nesserland  door.  Dit  Nesser- 
land  is  thans  aan  de  vaste  kust  van  Oost-Friesland  verbonden. 
Alles  wat  ten  zuiden  der  Eemsmonding  thans  het  water  van  den 
DoUart   vormt,    was  vasteland,  door  een  paar  rivieren  doorsneden. 

De  aanzienlijkste  van  deze  was  de  Ee  of  Reider  Ee^  de  voort- 
zetting der  W ester woldsche  Aa^  die  van  het  oostelijk  gedeelte  in 
noordelijke  richting  naar  het  noorden  stroomde,  en  tusschen  Ooster- 
en Westerreide  door  zich  met  een  breeden  mond  door  de  Reider 
zijl  in  de  Eems  ontlastte.  Een  bijstroom  van  de  Ee  was  de 
Tjamme^  die  westelijker  liep. 

De  TJÉfnme  maakte  voor  een  groot  gedeelte  de  grensscheiding 
uit  tusschen  het  oostelijk  gelegen,  later  grootendeels  verdronken, 
Reiderland^  en  het  westelijk  gelegen  Oldambt,  In  haar  bovenloop 
werd  de  Tjamme  door  de  Zijp  of  Sijpsloot  gevormd,  welke  uit  de 
Groningsche  venen  bij  Meeden  ontstond.  Verder  westelijk  stroomde 
de  Ter  munter  Aa,,  die  eveneens  uit  de  venen  ontstond  en  in  N.  O. 
richting  naar  Termunten  liep,  waar  zij  zich  in  de  Eems  ontlastte. 
Een  bijstroom  van  deze  was  de  Zijpe^  vroeger  een  vrij  breede  rivier. 
Slechts  geringe  of  geene  overblijfselen  zijn  er  van  deze  watertjes 
bewaard  gebleven. 

Het  waren   bloeiende,  welvarende  landstreken,  die  zich  langs  de 


Digitized  by 


Google 


A 

Tegenwoordige  buitendijken. 
Vroegere  buitendijken. 
Binnendijken. 


F^/^'^   ,  V.x-  Vroegere  loop  der  Eems. 

Grootste  uitbreiding  van  den  Dollart. 


De  vroegere  uitgebreidheid  van  den  Dollart  in  vergelijking  met  de 
tegenwoordige  gesteldheid. 


Digitized  by 


Google 


390 

oevers  van  deze  stroompjes  uitstrekten.  Hoewel  langs  de  Eems  een 
zoom  van  klei  was  neergelegd,  bestond  verder  landwaarts  de  bodem 
meest  uit  lage  venen,  zooals  nog  thans  uit  de  darg  in  den  Dollart  (zie 
pag.  386)  blijkt.  Sommige  geschiedschrijvers  beweren,  dat  het  de  beste 
van  de  Friesche  landen  waren,  waar  de  meeste  edellieden  woonden. 

In  deze  landstreek  met  een  welvarende  dichte  bevolking,  maakte 
het  water  zijn  veroveringen.  Emmius,  de  vader  der  Friesche  ge- 
schiedenis, de  beschrijver  van  de  gebeurtenissen,  welke  den  Dollart 
deden  ontstaan,  geeft  als  oorzaken  hiervan  op:  >de  ligging  en  de 
aard  van  het  land,  de  oneenigheid  tusschen  de  landzaten,  waarvan  het 
verzuim  der  dijken  het  gevolg  was,  en  de  kracht  van  het  onstuimige 
water '^.  Waar  Emmius  verder  den  bodem  beschrijft  als  bestaande 
uit  drijltillen  >een  grond  die  onder  de  voeten  beeft  en  trilt  en  alzoo 
niet  zeer  bestand  is  tegen  den  aanslag  van  het  water  bij  gewel- 
dige vloeden,  c  daar  wordt  het  duidelijk,  hoe  het  water  eene  zoo 
groote  oppervlakte  land  kon  wegslaan. 

Het  ontstaan  van  den  Dollart  was  evenwel  geenszins  een  proces, 
dat  aan  een  enkelen  stormvloed  te  wijten  is,  zooals  somtijds  ten 
onrechte  wordt  voorgesteld.  Echter  stormvloeden  en  overstroomingen 
tastten  de  oevers  het  eerst  en  het  sterkst  aan,  en  zij  gaven  den  stoot 
aan  de  beweging,  die  zich  daarna  langzaam  voortzette.  Zooals  het 
Haarlemmermeer,  het  IJ  en  andere  plassen  zich  uitbreidden,  nam 
ook  de  Dollart  gedurende  een  paar  eeuwen  in  omvang  toe.  De 
positieve  niveauverandering  of  de  rijzing  van  den  zeespiegel  ten 
opzichte  van  het  land  gaf  aan  het  water  een  grooter  vermogen, 
waardoor  het  de  vorming  van  lage  venen  tegenging,  op  plaatsen 
waar  die  vroeger  ontstonden.  Al  deze  oorzaken,  welke  ook  elders  in 
ons  vaderland  uitbreiding  gaven  aan  het  water,  werkten  hier  samen. 

Acker  Stratingh  en  Venema  i)  stellen  het  jaar  1277  als  den  aan- 
vang der  uitbreiding  van  het  water  tot  den  Dollart.  Bij  een  hevigen 

I)  De  DoUard  pag.  70.  —  Ook  later  houdt  Acker  Stratingh  tegenover  eene 
kritiek  van  Möhlmann  in  de  Ostfries.  Zeitung  1861  vol,  dat  het  jaar  1277 
als  een  begin  van  de  uitbreiding  der  Eems  tot  den  Dollart  moet  aangenomen 
worden.  Van  een  ontstaan  van  den  Dollart  in  dat  jaar  is  echter  geen  sprake. 
(Kijdr.  tot  de  geschied,  en  oudheidkunde  van  Groningen  VII,  pag.  186.} 


Digitized  by 


Google 


391 

stormvloed  van  dat  jaar  (13  Jan.)  zou  de  Eemsdijk  tegenover  Em- 
den  bezweken  zijn,  waarmede  de  uitbreiding  van  het  water  begon. 
Anderen  meenen  den  aanvang  dier  uitbreiding  een  eeuw  later  te 
moeten  stellen,  nl.  in  1377  1).  Sedert  dien  aanvang,  onverschillig 
wanneer,  breidden  overstroomingen  en  gewone  afslag  bij  N.W. 
winden  de  plas  uit,  nu  sneller,  dan  weder  langzamer.  Er  schijnt 
geen  krachtig  bestuur  te  hebben  bestaan,  dat  door  een  centraal  gezag 
de  bewoners  tot  het  aanleggen  of  instandhouden  der  dijken  noodzaakte. 
Onderlinge  twisten  en  oorlogen  gaven  aan  het  water  vrij  spel.  Zelfs 
werden  in  de  onderlinge  oorlogen  de  sluizen  soms  vernield,  om 
het  land  van  de  vijandelijke  partij  door  onderwaterzetting  te  ver- 
woesten, zooals  o.a.  in  14 13  met  de  Reidersluis  geschiedde. 

Op  die  wijze  ging  binnen  ongeveer  twee  eeuwen  de  aanzienlijke 
landstreek  met  de  stad  Torum  en  ongeveer  40  kerkdorpen  door  het 
water  verloren.  De  grootste  uitbreiding  van  den  DoUart,  omstreeks 
1525,  vindt  men  op  het  kaartje  aangeduid.  Dat  woelige  water, 
waar  vooral  bij  N.  W.  winden  de  golven  onstuimig  binnendrongen, 
verkreeg  daarnaar  den  naam  van  Dollari, 

Bij  de  grootste  uitbreiding  vormde  de  Dollart  in  het  Zuiden  twee 
inhammen,  die  de  hoogere  zand-  en  veengrond  van  Westerlee, 
Scheemda,  Midwolde,  Finsterwolde,  Beerta  en  Winschoten  omsloten, 
terwijl  deze  een  schiereiland  vormde  in  den  Dollart.  Vele  dorpen 
op  den  rand  van  die  uiterste  grens  moesten  zelfs  voor  het  voort- 
dringende  water  verder  landwaarts  verplaatst  worden.  Men  ziet 
dit  op  het  kaartje  met  de  dorpen  Noordbroek,  Zuidbroek,  Meeden, 
Scheemda,  Midwolde,  Finsterwolde,  Vriescheloo  en  Bellingwolde, 
van  welke  het  nieuwe  dorp  ±i  Vi  ^  Vs  verder  van  de  grens  des 
waters  ligt  dan  de  plek  waar  het  oude  dorp  gelegen  heeft,  (op  de 
kaart  door  twee  verbonden  plaatsaanduidingen  geteekend  o — o). 

In  het  midden  der  16  eeuw,  nadat  de  uitbreiding  van  den  Dollart 
was  tot  staan  gebracht,  begon  men  weder  land  te  herwinnen.  In 
de  i6tle  en  17de  eeuw  werden  achtereenvolgens  groote  stukken 
ingedijkt.     Aan  den  westelijken  kant  werden  ingedijkt: 


1)     Eigen  Haard.  i88i  pag.  343. 


Digitized  by 


Google 


392 


Namen  der  polders. 


Grootte  in 
H.A. 


De  eerst  ingedijkte  polder .  . 
Westelijk  van  het  Zijldiep . . 

Oudland 

Oud  Nieuwland 

Nieuwland 

Oostworder  polder 

Finsterwolder  polder 

Reiderwolder  polder 

Johannes  Kerkhoven  polder. 


IS45 

6789 

'597 

1112 

1626 

"39 

1665 

848 

1701 

621 

1769 

II89 

1819 

"53 

1862 

1180 

1877 

408 

In  den  oostelijken  boezem  werden  in  de  i6de  eeuw  ±  1900  H.A. 
bij  Winschoten  en  Blijham  ingedijkt,  verder  in  het  laatst  dier  eeuw 
het  Nijland,  Tussendijkenland  en  Binnenland,  (ten  Z.  W.  en  O.  en 
N.  O.  van  Oudeschans),  het  Oudbunder  Nieuwland  (D.)  in  1605,  de 
Binnenlanden  en  Uiterdijken  in  1654,  Charlottenpolder  (D.)  en 
Kroonpolder  in  1682,  de  Achter  Hamrik  in  17 17,  de  Stadspolder 
in  1740,  de  Landschaftspolder  (D.)  in  1752,  de  Heinitzpolder  (D.) 
in  1796,  de  Reiderwolderpolder  N®.  2  in  1874  en  de  Kanaalpolder 
(D ),  en  de  Internationale  bedijking,  voor  een  kleingedeelte  tot 
Nederland  behoorend,  in  1874.  (De  met  (D.)  aangeduide  behooren 
tot  Duitschland).  De  geheele  bedijking  na  1597  zal  ongeveer  1 1500 
H.  A.  beslaan.  Het  zijn  vruchtbare  kleigronden  die  aldus  aan  de 
baren  ontwoekerd  zijn. 

§    2.      DE   EEMSMOND. 

Het  getijdenwater,  waarin  de  rivier  de  Eents  uitmondt,  draagt 
den  naam  van  Eemsmond  of  de  Eems^  en  vormt  de  grens  tusschen 
Oost-Friesland  en  Groningen.  Als  Amasia  der  Romeinen  diende 
dit  water  reeds  tot  grensscheiding  van  tweeFriesche  pagi  of  districten. 
De  rivier  de  Eems  ontstaat  ten  zuiden  van  het  Teutoburgerwoud 
in  Lippe,  en  ontvangt  in  haar  bovenloop  het  water  uit  de  in  geolo- 


Digitized  by 


Google 


393 

gisch  opzicht  bekende  kom  van  Munster.  Hoofdzakelijk  stroomt 
zij  in  N.  W.  en  N.  richting  en  buigt  zich  dicht  bij  den  mond 
naar  het  westen.  In  den  benedenloop  vindt  men  de  steden 
Papenburg  en  Leer  aan  de  rivier.  Bij  den  Dollart  houdt  de  rivier 
op,  en  verliest  zij  zich  in  het  breede  getijdenwater.  Hier  verkrijgt 
het  water  de  aanzienlijke  breedte  van  ±  5  K.  M.  en  verbreedt  zich 
bij  den  N.  O.  uithoek  van  Groningen  tot  di  9  K.  M.  Een  lang 
uitgestrekte  zandplaat,  de  Bond  en  de  Paap,  welke  bij  laag  water 
droog  ligt,  strekt  zich  vervolgens  midden  in  de  Eems  uit.  Vervol- 
gens zet  de  Eems  zich  voort  door  de  Wadden,  en  wordt  door  het 
eiland  Borkum  met  de  ten  zuiden  daarvan  zich  uitbreidende  ondiepe 
gronden  van  de  Ransel^  in  twee  armen  gesplitst.  De  Ooster-Eems 
loopt  meer  recht  door  in  N.  richting,  terwijl  de  Wcsier-Eems  een 
breede  geul  vormt,  die  zich  in  N.  W.  richting  ten  W.  van  Borkum 
naar  de  Noordzee  uitstrekt.  De  Ooster-Eems  wordt  weinig  meer 
bevaren,  en  is  niet  geschikt  voor  schepen  van  eenigen  diepgang, 
doch  de  Wester-Eems  is  een  ruim  en  diep  vaarwater.  Evenwel 
wordt  ook  de  laatste  door  verschillende  ondiepten  en  zandbanken 
weder  gesplitst,  zoodat  zij  door  drie  zeegaten,  het  Hnibertsgat^  de 
Wester-Eems^  (welke  het  meest  bevaren  wordt),  en  het  Rif  gat  in  de 
Noordzee  uitmondt. 

In  de  Wesler-Eems  liggen  nog  de  banken  de  Meeuwenstaari  en 
verder  zeewaarts  de  Huiberts plaat.  De  Meeuwenstaart  ligt  tus- 
schen  het  Ranselgat  en  de  oude  Wester-Eems,  en  strekt  N.  W.  —  Z.0. 
over  een  lengte  van  10  K.  M.  uit,  bij  een  breedte  van  1,2  K.  M, 
Naar  beide  einden  loopt  zij  versmallend  toe.  Op  verscheidene 
plekken  valt  deze  bank  bij  laag  water  droog  (in  het  noorden  wel 
I  M.  hoog  boven  den  waterstand),  terwijl  daartusschen  diepten  lig- 
gen met  nog  i  M.  water.  Deze  plaat  ondergaat  voortdurend  ver- 
anderingen, hoewel  de  hoofdstrekking  dezelfde  bleef.  Het  noordelijk 
deel  is  in  de  laatste  20  jaren  belangrijk  teruggedrongen. 

De  Huibertsplaat  strekt  zich  eveneens  hoofdzakelijk  in  N.W. — Z.0. 
richting  uit.  Door  een  smal  doch  vrij  diep  vloedgat  is  zij  van  den 
walkant  ten  O.  van  Rottummeroog  gescheiden.  Met  laagwater 
igt  deze  plaat  bijna  droog,  daar  er  dan  slechts  5  d.M.  en  i  d.M. 


Digitized  by 


Google 


394 

water  op  blijft  staan.      Deze  plaat  strekte  zich  tot  1850  belangrijk 
verder  zeewaarts  uit  dan  thans 

§   3.   DE  WADDEN. 

Ten  noorden  vap  de  provinciën  Groningen  en  Friesland,  tot  de 
eilanden  Vlieland,  Terschelling,  Araeland,  Schiermonnikoog  en 
Rottum,  strekt  zich  eene  over  't  geheel  ondiepe  zee  uit  met  talrijke 
zandplaten,  waardoor  verschillende  slenken  en  gaten  de  geulen  voo^ 
de  bruikbare  vaarwaters  vormen.  Bij  hoogwater  worden  de  Wadden 
geheel  door  de  zee  bedekt,  maar  bij  eb  blijven  alleen  de  diepere  balgen^ 
slenken,  geulen  en  gaten  als  wateren  over,  waardoor  de  getijden 
naar  vaste  wetten  afwisselend  heen-  en  wedergaande  stroomen 
onderhouden.  Deze  ondiepe  zee,  welke  grootendeels  > doorwaad- 
baar* is,  werd  door  de  Romeinen  i)  met  den  naam  » Maria 
Vadosa«  d.  i.  >  doorwaadbare  zeec  aangeduid,  en  wordt  thans  de 
Wadden  genoemd.  Die  Wadden  strekken  zich  verder  oostelijk  uit 
ten  noorden  en  westen  van  de  kust  van  Oost-Friesland  tot  den 
mond  der  Elbe.  Even  als  in  ons  land  worden  ook  hier  de  Wadden 
gedeeltelijk  door  een  rij  van  duineilanden  aan  de  zeezijde  be- 
grensd. Naar  de  landzijde  gaan  de  Wadden  in  de  naakte  slikken 
en  verder  landwaarts  in  de  kweldergronden  over. 

De  algemeene  natuurlijke  gesteldheid  der  Wadden  met  den  afwisselende  water- 
stand werden  meesterlijk  beschreven  door  Staring  2),  waaraan  wij  het  volgende 
ontleenen. 

„Vooral  op  de  Wadden,  welke  bij  ebbe  met  uitzondering  van  eenige  smalle 
kanalen  bijna  geheel  droog  liggen,  is  het  merkwaardig  om  het  toestroomen  en 
weder  wegloopen  van  het  vloed  water  waar  te  nemen.  Bij  ebbe  is  de  vlakte 
zoo  droog,  dat  men  zich  geregeld  van  den  Groningschen  wal  naar  Rottum  zoude 
kunnen  begeven,  wanneer  de  korte  tijd,  waarin  dit  mogelijk  is,  zulks  niet  tot 
eene  hoogst  gewaagde  onderneming  maakte.  Eveneens  beletten  eenige  weinige 
geulen,  dat  niet  telkens  de  overtocht  van  Kombuizen  naar  Schiermonnikoog  en 
van  Holwerd  naar  Ameland  ondernomen  wordt.  Het  jonge  vee,  dat  men  in  het 
voorjaar    van  den  vasten  wal  naar  Rottum  overbrengt,  om  daar  geduremle  den 


1)  Tacitus.  Ann.  I,  70  en  II,  8. 

2)  Staring.  De  bodem  van  Nederland.  I.  pag.  230. 


Digitized  by 


Google 


395 

zomer  te  weiden,  moet  bij  den  aanvang  gedurende  de  ebbe  met  zorg  bewaakt 
worden,  omdat  het  steeds  geneigdheid  toont  om  over  de  Wadden  weer  naar 
huis  terug  te  gaan,  een  pogen  waardoor  meermalen  jong  vee,  door  den  vloed 
overvallen,  is  omgekomen.  Begint  het  Wad  droog  te  loopen.  dan  ontstaat  daar 
weldra  eene  levendigheid,  die  geweldig  afsteekt  bij  de  doodsche  stilte,  welke 
nog  voor  weinig  tijds  op  de  oppervlakte  heerschte.  Ontelbare  beekjes  voeren 
kabbelend  en  ruischend  het  water  door  de  kreken  naar  de  grootere  geulen. 
Van  alle  zijden  wordt  het  geknetter  gehoord  der  barstende  luchtbellen  van  de 
botwormen.  Visschen  en  zeehonden  hebben  zich  met  het  water  teruggetrokken 
en  laten  het  rijk  over  aan  vogels  zonder  tal,  die  onder  gekrijt  en  gefluit  het 
Voedsel  opzoeken,  dat  hun  de  bodem  der  zee  aanbiedt.  Hier  wandelt  langzaam 
en  traag  een  troep  kokmeeuwen  en  zoekt  achtergebleven  visschen.  Ginds  spoedt 
zich  een  lieuw  of  scholekster  langs  de  boorden  der  kreken,  om  schelpdieren  uit 
hunne  schalen  en  hoorns  te  pikken.  Boven  de  weinige  nog  overgebleven  water- 
plassen haasten  zich  zeezwaluwen  of  sterlingen  heen  en  weder  en  vallen  op  de 
kleine  visschjes  neder,  waarmede  zij  zich  zelven  en  wellicht  hunne  jongen  op 
Rottum  voeden.  Grutto's  vervullen  de  lucht  met  hun  eentonig  gekrijt,  dat 
weder  elders  vervangen  wordt  door  den,  ook  in  het  binnenland  bekenden  roep 
van  den  regenwulp.  Bij  al  dit  leven  gaat  het  de  schippers  als  de  visschen ; 
want  voor  de  menigvuldige  schepen,  die  of  als  vrachtvaarders,  of  als  visschers 
de  Wadden  bevaren,  is  de  ebbe  een  tijd  van  rust.  Zoodra  die  invalt  is  alle 
varen  gedaan  ;  het  anker  wordt  uitgeworpen  en  rustig  de  terugkomst  van  den 
vloed  afgewacht.  Alleen  voor  den  schel pvisbcher,  die  gedurende  den  vloed  zijn 
schip  zoo  dicht  mogelijk  bij  de  schelpbanken  heeft  gebracht,  is  het  thans  tijd 
om  zijne  vracht  bijeen  te  zoeken.  Keert  nu,  na  een  drietal  uren  de  vloed  terug 
met  een  spoed  die  aanmerkelijk  verschilt  van  de  traagheid  waarmede  de  ebbe 
afgevloeid  is,  dan  verandert  de  toestand  geheel.  Eerst  loopen  de  kreken  bij 
een  geweldigen  aandrang  van  water  vol,  zij  overstroomen  welhaast  hare  boorden, 
de  groote  watermas:»a  komt  daarop  over  de  vlakte  henen,  doch  steeds  in  dezelfde 
richting  aanschieten,  en  welhaast  is  alles,  wat  zoo  even  land  scheen  te  zijn, 
eene  opene  zee,  slechts  in  het  verre  verschiet  door  de  kust  of  de  eilanden 
begrensd.  De  vogels  trekken  zich  terug  naar  het  land,  visschen  en  zeenetels 
zwemmen  weder  over  de  banken ;  zeehonden  vertoonen  hier  en  daar  hunne 
gladde  koppen  boven  de  golven  of  laten  in  de  verte  hun  geblaf  hooren,  en  de 
schepen,  die  in  menigte  op  het  droge  liggend,  of  in  de  geulen  geankerd  den 
vloed  hebben  moeten  afwachten,  hervatten  hunne  vaart,  wanneer  zij  bij  geval 
niet  door  den  invallenden  nacht  daarin  verhinderd  worden.  De  Wadden  nl.  leveren 
voor  de  scheepvaart  het  groote  bezwaar  op,  dat  zij  noch  bij  ebbe,  noch  bij  nacht  te 
bevaren  zijn.  De  bevaarbare,  jaarlijks  op  nieuw  door  berkenrijzen  afgehaakte 
geulen,    zijn   alleen    bij    vloed    diep  genoeg ;  op  de  platen  staat  slechts  bij  uit- 


Digitized  by 


Google 


39^ 

zondering  voldoende  water  om  het  bevaren  toe  te  laten,  en  wee  den  onvoor- 
zichtige, die  zich  bij  hoog  water  op  een  bank  vastzeilt;  hij  is  genoodzaakt  om 
daar,  dagen  lang,  een  springvloed  af  te  wachten,  die  hem  wellicht  weder  ver- 
lossen kan.  Om  het  grootsche  van  het  schouwspel  volkomen  te  genieten,  moet 
men  de  ebbe  op  de  Wadden  met  helder  zomerweder  bij  het  opgaan  der  zon 
waarnemen;  het  opkomen  van  den  vloed  daarentegen  bij  stormachtig  herfstweder, 
een  sterk  bewolkten  hemel  en  het  vallen  van  den  avond." 

Bij  de  Wadden  worden  naar  de  plaats  der  ligging  nog  onder- 
scheiden het  Groninger-  en  üiihuher   Wad  en  het  Friesche  Wad. 

Onder  het  Groninger-  en  Uiihuizer  Wad  verstaat  men  de  Wadden 
tusschen  de  kust  van  Groningen  en  het  Simonszand,  de  Boschplaat, 
de  Rottumraerplaat,  het  eiland  Rottummeroog  en  het  Horsbornzand 
gelegen.  Het  oostelijk  gedeelte  hiervan  ten  N.  der  Groningsche  kust 
heet  üithuizer  Wad,  en  het  westelijk  gedeelte  Groninger  Wad, 
Meer  in  't  bijzonder  wordt  het  gedeelte  ten  noorden  van  Pietersburen, 
waar  het  Wad  het  hoogste  is,  nog  het  Pieierbnren-Wad  genoemd. 

Omtrent  de  belangrijkste  platen,  banken  en  eilanden,  en  de  geu- 
len, zeegaten  van  de  Wadden  en  langs  de  kust  zullen  wij  iets  naders 
mededeelen. 

§    4.    DE  EILANDEN,    PLATEN    EN   DE    ZEEGATEN    EN    VERDERE   WATEREN 
LANGS   DE   NOORDELIJKE   KUST. 

De  Ransel,  de  Visschersbalg,  het  Hornbornzand  en  het 
Üithuizer  Wad.  De  Ransel  is  eene  groote,  droge  vlakte  die  ten 
O.  en  Z.0.  met  het  (Pruisische)  eiland  Borkum  verbonden  is,  en  zich 
tot  een  afstand  van  17  K.M.  daarvan  naar  het  Z.0.  uitstrekt.  De 
bank  bestaat  *t  geheel  uit  harden  zandgrond  en  wordt  meest  met 
steile  kanten  afgesneden.  Uitgezonderd  eenige  smalle  inloopen  en  bal- 
gen valt  bij  laag  water  de  Ransel  geheel  droog,  en  ligt  dan  zelfs 
db  I  M.  boven  laagwater.  In  het  N.  O.  van  de  bank  ligt  een  gedeelte, 
Lutje  Hom  genaamd,  zelfs  bij  gewone  springvl